CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Mondelinge vragen LDIJ noodopvang

Raadsvergadering 28 mei 2026, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Mondelinge vragen LDIJ - Noodopvang475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

College van burgemeester en wethouders Postbus 26 3400 AA IJsselstein

Betreft:

mondelinge vragen

Datum raadsvergadering

28 mei 2026

Onderwerp

Noodopvang

Geacht college,

Het college stelt dat zij over noodopvang zelfstandig mocht besluiten, omdat het sluiten van een overeenkomst met het COA volgens het college onder haar bevoegdheid valt. Dat staat in artikel 160 van de Gemeentewet. De Gemeentewet zegt óók dat als zo’n collegebesluit grote gevolgen kan hebben voor de gemeente, de raad vooraf de kans moet krijgen om wensen en bedenkingen mee te geven. Dat staat in artikel 169 lid 4 van de Gemeentewet. Het is bedoeld om te voorkomen dat het college bij ingrijpende besluiten, ook als het formeel een collegebevoegdheid betreft, de raad passeert. Dit besluit hééft grote gevolgen. Het raakt inwoners, omwonenden, verenigingen, de openbare ruimte, veiligheid, draagvlak en het vertrouwen in de lokale democratie en ons als net gekozen raad. Het college heeft inmiddels zelf erkend dat er geen formele wensen-enbedenkingenprocedure is gevolgd. Ook heeft het college erkend dat de besloten bijeenkomst van 13 april niet kan worden gezien als een bijeenkomst zoals bedoeld in artikel 169 lid 4 Gemeentewet. Vraag 1: Kan het college vandaag concreet aangeven op basis van welke juridische redenering zij meent rechtsgeldig en zorgvuldig te hebben kunnen besluiten over deze noodopvang, terwijl artikel 169 lid 4 Gemeentewet juist voorschrijft dat de

raad bij ingrijpende collegebesluiten vooraf wensen en bedenkingen moet kunnen meegeven, en terwijl het college zelf erkent dat deze procedure niet is gevolgd? Anders gezegd: waarom meent het college artikel 160 Gemeentewet wél te kunnen gebruiken, maar de democratische waarborg van artikel 169 lid 4 Gemeentewet naast zich neer te kunnen leggen? Het college geeft aan dat er sprake was van urgentie. Natuurlijk zien wij ook dat er druk is vanuit het Rijk, de provincie en het COA. Maar urgentie is niet hetzelfde als een acute noodsituatie waarin normale democratische stappen onmogelijk zijn. Uit de eigen beantwoording van het college blijkt dat dit traject al vanaf medio maart liep. Op 17 maart heeft het college al besloten om gehoor te willen geven aan de oproep. Daarna is een quickscan gestart. Dit was dus geen besluit dat binnen een paar uur genomen moest worden. Het was een bestuurlijk urgent traject dat zich over meerdere weken heeft ontwikkeld. Juist dan geldt de Gemeentewet. Bij een besluit met zulke grote gevolgen voor inwoners, verenigingen, omwonenden en de gemeente als geheel moet de raad vooraf formeel in positie worden gebracht. Niet alleen informeel bijgepraat worden. Want bestuurlijke urgentie is niet hetzelfde als een wettelijke noodsituatie die het college ontslaat van de verplichtingen uit de Gemeentewet.

Vraag 2 Erkent het college dat zij zich wel beroept op urgentie, maar dat er feitelijk voldoende tijd is geweest om de raad formeel in positie te brengen, en hoe ziet zij dan de waarborg uit artikel 169 lid 4 Gemeentewet?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16999781/2