CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Model-Legesverordening volgens Omgevingswet

Commissie Bestuur 30 november 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 21:20 uur Raadsvoorstel Vaststelling legesverordening 202447.177 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Is voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning een extern advies noodzakelijk dan wordt door de externe adviseur opgaaf aan de gemeente gedaan over de hoogte van de door hem voor de aanvraag in rekening te brengen kosten. Deze kosten worden voor het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager van de vergunning meegedeeld in een door of vanwege het college van burgemeester en wethouders opgestelde begroting. Gedurende een periode van vijf dagen na het overleggen van de begroting kan de aanvrager van de vergunning de aanvraag nog intrekken. Reageert de aanvrager niet binnen genoemde vijf dagen dan geldt als dag van het in behandeling Vereniging van Nederlandse Gemeenten

60/130

nemen van de aanvraag de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht. De begrotingsconstructie is aanvaard door Hof ‘s-Gravenhage 12 juli 1989, nr. 2995/88, Belastingblad 1990, blz. 307 (gemeente Zoetermeer) en door HR 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769 (gemeente Heerde). De begrotingsconstructie kan bijvoorbeeld worden gebruikt bij het doorberekenen van de externe advieskosten bij aanvragen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning (zie artikel 2.50 van de tarieventabel). Voor de wijze van redigeren van een bepaling in de verordening verwijzen wij dan ook naar dit artikel. Ook bij het doorberekenen van publicatiekosten kan deze constructie gebruikt worden. Overigens heeft de minister van Binnenlandse Zaken zich in het kader van het (in 1996 afgeschafte) preventief toezicht op belastingverordeningen op het standpunt gesteld dat het hanteren van de begrotingsconstructie uitsluitend toelaatbaar is voor het doorberekenen van externe advieskosten, en niet voor het doorberekenen van interne advieskosten. Wij adviseren dan ook bij het doorberekenen van de kosten van interne dienstverlening alleen gebruik te maken van de begrotingsconstructie, indien niet met een gemiddeld tarief kan worden gewerkt.

2 Toelichting op de hoofdstukken Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening Algemeen Dit hoofdstuk hebben wij ‘algemene dienstverlening’ genoemd ter onderscheiding van de twee andere hoofdstukken. Binnen dit hoofdstuk bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen, ook met diensten buiten hoofdstuk 1. Zie HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:282. Wel moet rekening worden gehouden met diensten die onder Europese Dienstenrichtlijn vallen. Zie de toelichting op artikel 5 van de verordening.

Paragraaf 1.1 Burgerlijke stand Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting In artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld dat gemeenten gelegenheid moeten geven tot een kosteloze huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. De ambtenaar van de burgerlijke stand bepaalt de daarvoor bestemde dagen en uren. Sinds 1 maart 2009 is het niet meer mogelijk een huwelijk om te zetten in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Voor het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap is het voldoende als gelegenheid wordt gegeven tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap op het gemeentehuis. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap in een bijzonder huis als bedoeld in de artikelen 1.3 of 1.4 van de tarieventabel.

Artikelen 1.1 en 1.2 Huwelijksvoltrekking, registratie partnerschap en omzetting Artikel 5, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand schept de mogelijkheid leges te heffen voor het voltrekken van een huwelijk, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap op andere dagen en uren dan waarop is bepaald dat dit kosteloos kan (zie Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

61/130

De artikelen 1.1 en 1.2 van de tarieventabel hebben dus betrekking op de huwelijken of registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van partnerschappen die niet kosteloos geschieden. Daarbij is de mogelijkheid geboden de hoogte van de te heffen leges afhankelijk te stellen van de dag en het uur waarop het huwelijk of de registratie van het partnerschap wordt voltrokken of de omzetting van het geregistreerd partnerschap plaatsvindt. Ook andere vormen van differentiatie zijn denkbaar. Daarbij valt te denken aan het al of niet uitleggen van een loper, het gebruik maken van een grote of van een kleine zaal etc. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995) zijn tariefdifferentiaties anders dan op grond van de mate van dienstverlening mogelijk. In de memorie van toelichting van die wet wordt als voorbeeld gegeven het hanteren van een hoger tarief voor huwelijksvoltrekkingen van niet-ingezetenen van een gemeente, om te voorkomen dat het gemeentehuis wordt overstroomd met trouwlustigen die geen binding met de gemeente hebben. In afwijking van andere bepalingen in de tarieventabel is in de artikelen 1.1 en 1.2 niet gekozen voor de omschrijving van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het sluiten van een huwelijk’. Reden hiervan is het volgende.

Artikel 1 van de Wet rechten burgerlijke stand staat uitsluitend legesheffing toe in de gevallen waarin de wet voorziet. Artikel 5, tweede lid, bepaalt vervolgens dat legesheffing gerechtvaardigd is voor een ‘huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap’. Daarom is in de tarieventabel het belastbare feit het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. Dit laat onverlet dat bij het vaststellen van de tarieven de kosten van voorbereidende werkzaamheden in aanmerking genomen kunnen worden. Niet is in de tabel opgenomen een afzonderlijke regeling voor de gevallen waarin de huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap in een huwelijk niet in het gemeentehuis maar in een andere ruimte plaatsvindt, anders dan op grond van artikel 64 van het Burgerlijk wetboek (zie daarvoor de artikelen 1.3 en 1.4). Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een in de gemeente gelegen fraai kasteel.

Daarvoor kan in de verordening uiteraard wel een afzonderlijke bepaling opgenomen worden, waarbij wederom een differentiatie naar dagen en uren mogelijk is, indien de dienstverlening op die dagen en uren anders is. De kosten die verband houden met het opstellen van een omzettingsakte kunnen op grond van de Wet rechten burgerlijke stand niet in rekening worden gebracht bij de aanvragers. Indien aanvragers de omzetting willen laten geschieden door middel van een ceremonie (gelijk te stellen met een huwelijksvoltrekking) is het wel mogelijk om de kosten van gebruik van de zaal e.d. in rekening te brengen. Bij de tariefstelling kan dezelfde differentiatie worden toegepast als bij het sluiten van een huwelijk of registreren van een partnerschap is gebeurd. Artikelen 1.3 en 1.4 Voltrekking huwelijk etc. in bijzonder huis De artikelen 1.3 en 1.4 hebben betrekking op huwelijken of registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van geregistreerde partnerschappen die ingevolge artikel 64 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet plaatsvinden op het gemeentehuis maar in een bijzonder huis. Artikel 64 ziet op de gevallen dat een der partijen uit hoofde van een behoorlijk bewezen wettig beletsel verhinderd wordt zich naar het gemeentehuis te begeven.

Voor een toelichting op de omschrijving van het belastbare feit verwijzen wij naar de toelichting op de artikelen 1.1 en 1.2.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

62/130

Artikel 1.5 Aanwijzing buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand voor ëén dag Deze bepaling ziet op gevallen waarin partners vragen om voor hun huwelijksvoltrekking of registratie van het partnerschap een bepaalde, vaak hun bekende persoon als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand aan te wijzen (zie artikel 16, tweede en derde lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Er zijn twee tarieven, afhankelijk van het feit of al beëdiging bij de rechtbank heeft plaatsgevonden (artikel 16, vierde lid, Boek 1 BW). Als dat niet het geval is, heeft de gemeente er meer werk aan, wat een hoger tarief rechtvaardigt. Artikel 1.6 Beschikbaar stellen getuige door gemeente Op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is het verplicht om ten minste twee getuigen te hebben bij de huwelijksvoltrekking of registratie van het partnerschap (artikel 63, eerste lid, en artikel 80a, vijfde lid, Boek 1 BW). Het komt voor dat toekomstige partners aan de gemeente vraagt om getuigen beschikbaar te stellen. Hiervoor is een tarief opgenomen. Artikel 1.7 Annuleren of wijzigen datum Partners maken het voornemen om in het huwelijk te treden of het geregistreerd partnerschap aan te gaan doorgaans ruim van tevoren kenbaar aan de gemeente/ambtenaar van de burgerlijke stand (vergelijk artikel 46, artikel 62, eerste lid, en artikel 80a, vijfde lid, Boek 1 BW).

De dienstverlening waarvoor leges worden geheven zijn de voltrekking van het huwelijk of de registratie van het partnerschap. De gemeente en de ambtenaar van de burgerlijke stand treffen de nodige voorbereidingen. Het is dan uiterst vervelend als kort voor de bewuste datum de (aanstaande) partners de gemeente verzoeken om een gereserveerde datum te annuleren of te wijzigen. Voor de gemeente brengt dat kort voor de gereserveerde datum kosten met zich. Daarom is een tariefbepaling voor dit soort verzoeken opgenomen. De hoogte van het tarief kan mede dienen om annuleringen en wijzigingen te ontmoedigen (mits de tarieven op verordeningenniveau niet meer dan 100% kostendekkend zijn). De tariefbepaling is alleen van toepassing als de annulering of wijziging plaatsvindt binnen een door de gemeente in te vullen termijn vóór de gereserveerde datum. Als voorbeeld hebben wij veertien dagen opgenomen. Dat is ook de minimale termijn die geldt voor de aankondiging van het voornemen (artikel 62, eerste lid, en artikel 80a, vijfde lid, Boek 1 BW). Artikel 1.8 Trouwboekje of partnerschapsboekje In artikel 1.8 van de tarieventabel is een tarief opgenomen voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen een trouwboekje of partnerschapsboekje in een normale uitvoering en een trouwboekje of partnerschapsboekje in een luxe uitvoering.

De leges genoemd in artikel 1.8 kunnen worden geheven naast de leges die ingevolge de artikelen 1.1 t/m 1.7 geheven worden. Ook in het geval van een kosteloos huwelijk of registreren van een partnerschap is legesheffing voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje toegestaan. Het betreft hier een dienst van de gemeente die wordt verleend naast het voltrekken van het huwelijk of de registratie van een partnerschap zelf. Een verplichting tot het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje bestaat immers niet. Wij merken hierbij nog op dat dit dienstverlening waarvoor de gemeente btwplichtig is. Het tarief is dus inclusief btw (artikel 38 Wet op de omzetbelasting 1968). Verrichtingen ambtenaren van de burgerlijke stand De mogelijkheden tot het heffen van leges voor verrichtingen van ambtenaren van de burgerlijke stand zijn geregeld in de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879, 72). Artikel 1 van deze wet luidt:

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

63/130

’Geene gelden mogen worden geheven ter zake van het opmaken van akten of andere verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, behalve in de gevallen en op de wijze bij of krachtens deze wet voorzien.’ De memorie van toelichting op de wet vermeldt (Kamerstukken II 1878-1879, nr. 92, ondernummer 3: ‘De verrigtingen van den burgerlijken stand, al is de zorg daarvoor aan de gemeentebesturen opgedragen, strekken tot uitvoering van het Burgerlijk Wetboek. Geene gelden behooren dus wegens die verrigtingen van de ingezetenen te worden geheven, dan krachtens de wet en volgens een voor het gansche Rijk overal gelijk tarief.’ In artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld voor welke verrichtingen leges geheven kunnen worden. De hoogte van die leges is vastgesteld in het Legesbesluit akten burgerlijke stand (Stb. 1969, 36). De daarin genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Gemeenten kunnen de hiervoor genoemde leges rechtstreeks heffen op basis van het Legesbesluit. Artikel 3, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de leges heft en invordert. Dat is dus een afwijking van de belastingbepalingen in de Gemeentewet.

Zo heeft Hof ’sHertogenbosch geoordeeld dat het Legesbesluit akten burgerlijke stand geen belastingwet is in de zin van de AWR, dat de vergoeding geen gemeentelijke belasting is en dat de AWR niet van toepassing is (Hof 's-Hertogenbosch 27 mei 2016, nr. 15/00138 (Roermond), ECLI:NL:GHSHE:2016:2100, VNGnummer: 6601). Voor de rechtsbescherming zijn de bepalingen over bezwaar en beroep in de Awb van toepassing. Voordeel van het niet opnemen van de tarieven in de legesverordening is dat de legesverordening niet aangepast hoeft te worden zodra de tarieven in het Legesbesluit wijzigen, wat dus elkaar jaar gebeurt door indexering van de tarieven. De bedragen worden jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vóór 1 september in de Staatscourant bekendgemaakt.

De tarieven bedragen:

Per 1-1-2021 (Stcrt. 2020, 41935)

Per 1-1-2022 (Stcrt. 2021, 40591)

a. voor elk afschrift van een akte van de burgerlijke stand

€ 14,00

€ 14,30

b. voor elk uittreksel van een akte van geboorte, van huwelijk, van registratie van een partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een registratie van een € 14,00 partnerschap*, van omzetting van een registratie van een partnerschap in een huwelijk of van overlijden

€ 14,30

c. voor elke verklaring van huwelijksbevoegdheid als bedoeld in artikel 49a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (een € 24,60 Nederlander wenst buiten Nederland een huwelijk aan te gaan)

€ 25,10

d. voor een attestatie de vita als bedoeld in artikel 19k van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek

€ 14,00

€ 14,30

e. voor elk meertalig uittreksel uit een akte van de burgerlijke stand

€ 14,00

€ 14,30

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

64/130

De tarieven bedragen:

Per 1-1-2021 (Stcrt. 2020, 41935)

Per 1-1-2022 (Stcrt. 2021, 40591)

f.1. voor een meertalig modelformulier van een onder a, b, d en e genoemd stuk

€ 14,00

€ 14,30

f.2. voor een meertalig modelformulier van een onder c genoemd stuk

€ 18,90

€ 19,30

* Het feit dat omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap sinds 1 maart 2009 niet meer mogelijk is, laat onverlet de mogelijkheid om van bestaande aktes een afschrift of uittreksel te krijgen. Artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand bepaalt dat afschriften van of uittreksels uit huwelijksakten en akten voor omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk ten behoeve van het kerkelijk huwelijk kosteloos worden uitgegeven, mits van de bestemming uit het stuk zelf blijkt en zij aldus tot geen ander doel kunnen worden gebruikt. Artikel 2 bepaalt ook wie vrijgesteld zijn van het betalen van deze leges. Het gaat daarbij om hen die financieel onvermogend zijn en om ambtenaren, besturen en instellingen die in het openbaar belang bepaalde afschriften vragen. Sinds 16 februari 2019 zijn er ook meertalige modelformulieren met betrekking tot geboorte, overlijden, huwelijk, geregistreerd partnerschap, woon- en/of verblijfplaats. Hiermee kunnen kosten voor vertaling worden bespaard. Indien een autoriteit uit een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) vraagt om bijvoorbeeld een geboorteakte te overleggen, hoeft deze niet te worden gelegaliseerd en vertaald.

Het is voldoende om het openbare document (een afschrift van de geboorteakte) met een meertalig modelformulier te overleggen in de andere lidstaat (artikel 7, eerste lid, van Europese verordening overlegging openbare documenten (Verordening EU nr. 2016/1191, PbEU 2016, L 200). Voor de meertalige modelformulieren betreffende de in de tabel onder a t/m e genoemde openbare documenten zijn ook tarieven vastgesteld in het Legesbesluit akten burgerlijke stand (zie f.1 en f.2 in de tabel). Het wettelijk tarief dat is vastgesteld is gelijk aan de productiekosten van het meertalige formulier of, als dat lager is, het tarief dat voor het onderliggende openbare document geldt. Voor het meertalig modelformulier woon- en/of verblijfplaats hebben wij in artikel 1.15 een tariefbepaling opgenomen (verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen).

Paragraaf 1.2 Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart Artikelen 1.9 en 1.10 Paspoorten of andere reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart De legesheffing voor reisdocumenten en de Nederlandse identiteitskaart berust niet op artikel 229 van de Gemeentewet, maar op artikel 7, tweede lid, van de Paspoortwet (zoals deze per 9 maart 2014 is gewijzigd), in samenhang met artikel 2, tweede lid, van die wet. Zie ook artikel 2 (belastbaar feit) van de modelverordening leges. Vanaf 22 september 2011 gold voor de legesheffing voor een Nederlandse identiteitskaart al een afzonderlijke wettelijke basis in verband met HR 9 september 2011, nr. 10/04967, LJN: BQ4105 en de Wet van 13 oktober 2011, Stb. 440, nu het hierbij niet gaat om dienstverlening als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. Op grond van artikel 7, derde lid, van de Paspoortwet zijn maximumtarieven vastgesteld in het Besluit paspoortgelden. Gemeenten kunnen ook minder dan de maximumtarieven van de leges berekenen. Een verhoging van de maximumleges door gemeenten is echter niet toegestaan. Aangezien gemeenten verplicht zijn voor geleverde reisdocumenten en voor spoedleveringen de vastgestelde

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

65/130

bedragen aan het Rijk af te dragen, gaat een verlaging van de gemeentelijke leges vanzelfsprekend ten koste van de hoogte van het gemeentelijk deel in de leges. De maximumtarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Vanaf 1 januari 2010 geldt voor kinderen tot en met 13 jaar voor de Nederlandse identiteitskaart (NIK) een verlaagd tarief (jeugdtarief). De korting ten opzichte van de ‘normale’ NIK betreft het rijkskostendeel en komt dus volledig ten laste van het rijk en geldt vanaf 9 maart 2014 voor personen jonger dan 18 jaar. In verband met Europese regelgeving is het sinds 26 juni 2012 niet meer mogelijk om kinderen in de paspoorten van de ouder(s) of voogd bij te schrijven. De geldigheid van alle bijschrijvingen en kinderstickers is op 26 juni 2012 vervallen. Het vervallen van de geldigheid van de bijschrijvingen op 26 juni 2012 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van het paspoort van de ouder(s) of voogd waarin ze staan bijgeschreven. Per 2 augustus 2021 is het NIK-tarief is tussentijds verhoogd in verband met de introductie van de vingerafdruk op de Nederlandse identiteitskaart (Kamerstukken II 2020/21, 35552 (R2148), Uitvoering van Verordening (EU) 2019/1157 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten), Stb. 2021, 351, 352 en 353). Bij personen met een uitreisverbod worden geen vingerafdrukken verwerkt.

Daarom geldt voor hen een afwijkend maximumtarief voor de vervangende Nederlandse identiteitskaart. De tarieven staan in de artikelen 1.9 (paspoorten of andere reisdocumenten) en 1.10 (Nederlandse identiteitskaart). Tariefopbouw maximumleges reisdocumenten in euro’s per 1 januari 2022 (de tarieven voor 2021 staan tussen haakjes) Maximum gemeentelijk deel leges

Rijkskosten

Totaal legestarief maximaal

≥ 18 jaar

€ 33,33 (was € 32,87)

€ 42,49 (was € 41,90)

€ 75,82 (was € 74,77)

< 18 jaar

€ 33,33 (was € 32,87)

€ 24,01 (was € 23,68)

€ 57,34 (was € 56,55)

≥ 18 jaar

€ 33,33 (was € 32,87)

€ 42,49 (was € 41,90)

€ 75,82 (was € 74,77)

< 18 jaar

€ 33,33 (was € 32,87)

€ 24,01 (was € 23,68)

€ 57,34 (was € 56,55)

≥ 18 jaar

€ 33,33 (was € 32,87)

€ 42,49 (was € 41,90)

€ 75,82 (was € 74,77)

< 18 jaar

€ 33,33 (was € 32,87)

€ 24,01 (was € 23,68)

€ 57,34 (was € 56,55)

Reisdocument voor vluchtelingen en vreemdelingen

€ 33,33 (was € 32,87)

€ 24,01 (was € 23,68)

€ 57,34 (was € 56,55)

Document/leges Nationaal paspoort

Zakenpaspoort

Faciliteitenpaspoort

Nederlandse identiteitskaart (NIK) ≥ 18 jaar

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

€ 29,35 € 39,18 (was per 1-1-2021 (was € 38,64)

€ 68,53 (was per 1-1-2021

66/130

Document/leges

< 18 jaar

Maximum gemeentelijk deel leges

Rijkskosten

Totaal legestarief maximaal

€ 25,39 en per 2-8-2021 € 28,94)

€ 64,03 en per 2-8-2021 € 67,58)

€ 29,35 (was per 1-1-2021 € 7,63 € 25,39 en per (was € € 7,52) 2-8-2021 € 28,94)

€ 36,98 (was per 1-1-2021 € 32,91 en per 2-8-2021 € 36,46)

Vervangende identiteitskaart voor personen € 25,75 (was € 25,39) met uitreisverbod

€ 7,63 (was € 7,52)

€ 33,38 (was € 32,91)

Artikel 1.11 Modaliteiten Met inachtneming van de wettelijke maximumtarieven kunnen gemeenten tariefdifferentiaties aanbrengen. In artikel 7, tweede lid, van de Paspoortwet staat: ’Het tarief van de rechten kan verschillen al naar gelang de leeftijd van de aanvrager, het feit of deze in de basisregistratie personen als ingezetene is ingeschreven, de soort en de geldigheidsduur van het reisdocument en de snelheid en de wijze van de uitreiking.’ Voor de versnelde uitreiking geldt een rijkskostendeel dat de gemeente moet afdragen. De ‘wijze van de uitreiking’ is sinds 1 oktober 2017 een differentiatiegrondslag en houdt verband met de mogelijkheid van (thuis)bezorging. Hiervoor geldt geen rijkskostendeel. Wij hebben deze twee modaliteiten opgenomen in artikel 1.11. Het is niet meer mogelijk zogenaamde ‘vermissingsleges’ te heffen als de aanvrager bij de aanvraag het eerder verstrekte (oude) reisdocument niet kan overleggen. Tariefopbouw maximumverhogingen documenten in euro’s per 1 januari 2022 (de tarieven voor 2021 staan tussen haakjes) Document/leges

Maximum gemeentelijk deel leges

Rijkskosten

Totaal legestarief maximaal

Toeslag spoedaanvraag per document

-

€ 51,62 (was € 50,91)

€ 51,62 (was € 50,91)

Toeslag bezorging per document

€ 16,28 (was € 16,06)

-

€ 16,28 (was € 16,06)

Paragraaf 1.3 Rijbewijzen Artikel 1.12 Rijbewijzen De bevoegdheid tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs berust bij de gemeente. Hiervoor kunnen leges in rekening gebracht worden. Er geldt vanaf 1 januari 2022 een maximumtarief van € 41,60 (€ 31,90 gemeentelijk kostendeel, vermeerderd met het rijkskostendeel van € 9,70). Het maximumtarief voor het gemeentelijke kostendeel is geregeld in artikel 104b van het Reglement rijbewijzen, dat is gebaseerd op artikel 111, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De gemeente moet het rijkskostendeel afdragen aan de Dienst Wegverkeer (RDW). Zie voor de wettelijke regeling artikel 111, vijfde lid, en artikel 121 van de Wegenverkeerswet 1994, bijlage VI van de Regeling tarieven Dienst Wegverkeer 2022 (Stcrt. 2021, 48604) en artikel 123 van het Reglement

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

67/130

Rijbewijzen. Het rijbewijs is sinds 2018 geschikt als authenticatiemiddel om online bij overheidsorganisaties en diensten met een publieke taak in te loggen. Na invoering van de relevante onderdelen van de wet Digitale Overheid (wDO), voorzien in 2022, worden de kosten van deze nieuwe functionaliteit gefinancierd vanuit een verhoging van de afdracht van de gemeenten aan de RDW met naar verwachting € 3,50. De RDW bericht gemeenten tijdig wanneer deze verhoging ingaat. De legesverordening moet dan tussentijds worden aangepast, eventueel door het college op grond van artikel 10. De procedure is een beetje vergelijkbaar met die voor reisdocumenten. Het rijbewijs wordt aangevraagd bij de gemeente en, net zoals al het geval is bij paspoort en identiteitskaart, centraal geproduceerd en gepersonaliseerd. De kosten bestaan uit een rijksdeel en een gemeentelijk deel. De rijkskosten bestaan onder andere uit: - de kosten voor de te vervaardigen gepersonaliseerde rijbewijzen; - de voor rekening van de RDW in te richten backofficecomputer bij de gemeente; - het beheer van de bij de RDW aanwezige registers. De rijkscomponent voor reguliere rijbewijzen bedraagt sinds 1 januari 2014 € 9,70 (Stcrt. 2013, 19314). Gemeenten moeten zelf de eigen kostprijs berekenen.

De gemeentelijke kosten bestaan onder andere uit de tijd die nodig is voor: - het innemen van de aanvraag van het rijbewijs aan het loket; - het scannen van het aanvraagformulier; - het ontvangen en inklaren van het gepersonaliseerde rijbewijs; - het uitreiken van het rijbewijs aan het loket. Daarnaast kunnen de indirecte kosten worden doorberekend voor zover deze kosten nog wel in enig verband met de behandeling van aanvragen voor een rijbewijs staan, zoals de kosten van: - huisvesting; - het beheer van de basisregistratie personen; - de opslag en het beheer van de ingeklaarde rijbewijzen; - de maandelijkse controle van de fysieke voorraad; - het onttrekken van rijbewijzen aan de voorraad; - andere ondersteunende diensten. Het rijks- en gemeentelijk deel vormen samen het legestarief (artikel 1.12). Artikel 1.13 Modaliteiten Voor bijzondere dienstverlening zijn verhogingen mogelijk. Te denken valt hierbij aan spoedaanvragen, aanvragen of afgiften buiten de reguliere openingstijden (‘op afspraak’) en aan aanvragen in verband met (beschadiging of) vermissing van een eerder afgegeven rijbewijs. Wij hebben deze modaliteiten in artikel 1.13 opgenomen. Het rijkskostendeel voor een spoedaanvraag is sinds 1 januari 2013 € 43,80 (€ 9,70 standaard + € 34,10 spoed). Zie bijlage VI van de Regeling tarieven Dienst Wegverkeer 2022 (Stcrt. 2021, 48604).

Paragraaf 1.4 Verstrekkingen uit de basisregistratie personen Algemeen In deze paragraaf zijn tariefbepalingen opgenomen voor verstrekkingen van persoonsgegevens uit de basisregistratie personen. De Wet basisregistratie personen (Brp) kan in een artikel aangeven dat een handeling kosteloos moet worden uitgevoerd, ze kan ook bepalen dat er rechten kunnen worden geheven en ze kan niets bevatten betreffende het heffen van rechten. In het laatste geval is het ook

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

68/130

mogelijk om rechten (leges) te heffen als sprake is diensten die door of vanwege het gemeentebestuur worden verstrekt. Op grond van artikel 1.3 van het Brp heeft de basisregistratie tot doel overheidsorganen te voorzien van de in de registratie opgenomen gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak. De basisregistratie heeft mede tot doel derden te voorzien van de in de registratie opgenomen gegevens, in bij of krachtens deze wet aangewezen gevallen. Ook bij de basisregistratie personen heeft de gemeente te maken met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en heeft een betrokkene dus bepaalde rechten (inzage, rectificatie enz.). Maar dit is dan andere informatie dan de verstrekkingen waar paragraaf 1.4 van hoofdstuk 1 van de tarieventabel op doelt. Het gaat hier niet zozeer om inzage of een kopie van de gegevens die worden verwerkt met bijbehorende informatie (zie artikel 15 van de AVG), maar om uittreksels uit de Brp die kennelijk voor een specifiek doel worden gevraagd. Wat het verstrekken van persoonsgegevens aan derden betreft, is er eigenlijk geen wijziging opgetreden. Dat mag niet zonder meer (zie artikel 6 van de AVG). Soms kan daarvoor een vergoeding worden gevraagd (verstrekkingen op grond van de artikelen 3.6 of 3.9 van de Wet Brp).

In de volgende twee tabellen staan de diverse verstrekkingen opgesomd met vermelding naar het betreffende artikel en is aangegeven hoe met kosten, vergoedingen en bijdragen omgegaan wordt, eveneens met een verwijzing naar het desbetreffende artikel. Met ‘bijdrage’ wordt gedoeld op de (budgettaire) bijdrage in de kosten in verband met de uitvoering van de Wet brp verschuldigd door gemeenten en de overheidsorganen waaraan en derden aan wie op grond van de artikelen 3.2, 3.3, 3.13 of 3.14 van de Wet brp gegevens worden verstrekt of informatie ter beschikking wordt gesteld (artikel 1.14 van de Wet brp). Verstrekkingen aan overheidsorganen zijn overigens kosteloos (artikel 3.17 van de Wet brp). De afkorting PL staat voor persoonslijst, de afkorting Gw staat voor Gemeentewet, de afkorting d.t.v. staat voor ‘door tussenkomst van’. Verstrekkingen in verband met de rechten van de burger Nr.

Grondslag Aard van de in de BRP verstrekking

Door wie

Vergoeding Grondslag vergoeding of kosteloos of kosteloos

1a 2.54 lid 1

Volledig overzicht van College de PL aan de burger als Kosteloos bijhoudingsgemeente deze ingezetene wordt

Is geen dienst

1b 2.55 lid 1

Op aanvraag mededeling of over betrokkene gegevens worden verwerkt

College Kosteloos bijhoudingsgemeente

2.55 lid 1

1c 2.55 lid 2

Op aanvraag inzage College aan betrokkene in hem Kosteloos bijhoudingsgemeente betreffende gegevens

2.55 lid 2

1d 2.55 lid 3

Op aanvraag afschrift van de persoonsgegevens en de oorsprong van die gegevens

229-1-b Gw

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

College Vergoeding bijhoudingsgemeente kan

69/130

2a 2.53 lid 2

Conform 1b

Elk college

Kosteloos

2.55 lid 1

2b 2.53 lid 2

Conform 1c

Elk college

Kosteloos

2.55 lid 2

2c 2.53 lid 2

Conform 1d

Elk college

Vergoeding kan

229-1-b Gw

3a 2.53 lid 3

Conform 1b

De minister

Kosteloos

2.55 lid 1

3b 2.53 lid 3

Conform 1c

De minister

Kosteloos

2.55 lid 2

3c 2.53 lid 3

Conform 1d

De minister

Vergoeding?

4a 2.81 lid 1

Volledig overzicht van de PL aan de nietingezetene bij inschrijving

De minister

Kosteloos

Is geen dienst

4b 2.81 lid 3

Conform 1b

De minister d.t.v. inschrijfvoorziening

Kosteloos

2.55 lid 1

4c 2.81 lid 3

Conform 1c

De minister d.t.v. inschrijfvoorziening

Kosteloos

2.55 lid 2

4d 2.81 lid 3

Conform 1d

De minister d.t.v. inschrijfvoorziening

Vergoeding

36 Besluit brp (volgt leges gemeente waar inschrijfvoorziening is ondergebracht)

5a 2.81 lid 4

Conform 1b

Elk college

Kosteloos

2.55 lid 1

5b 2.81 lid 4

Conform 1c

Elk college

Kosteloos

2.55 lid 2

5c 2.81 lid 4

Conform 1d

Elk college

Vergoeding kan

229-1-b Gw

Verstrekkingen op grond van hoofdstuk 3 Wet brp Grondslag Nr. Aard van de verstrekking in de BRP

Door wie

Grondslag Vergoeding of vergoeding of kosteloos kosteloos

6a 3.2

Systematische verstrekking aan overheidsorganen

De minister

Bijdrage

1.14 lid 1 en 3.17 lid 1

6b 3.3

Systematische verstrekking aan derden

De minister

Bijdrage

1.14 lid 1 en 3.17 lid 1

7a 3.5

Plaatsonafhankelijke verstrekking aan overheidsorganen

Elk college

Geen bijdrage 1.14 lid 1 en en kosteloos 3.17 lid 3

7b 3.6

Plaatsonafhankelijke verstrekking aan derden

Elk college

Geen bijdrage, 1.14 lid 1 en vergoeding 229-1-b Gw kan

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

70/130

8a 3.8

Verstrekking over gemeentelijke ingezetenen aan organen van de (eigen) gemeente

College Geen bijdrage, 1.14 lid 1 en bijhoudingsgemeente kosteloos 3.17 lid 3

8b 3.9

Verstrekking over gemeentelijke ingezetenen aan derden

Geen bijdrage, College 1.14 lid 1 en vergoeding bijhoudingsgemeente 229-1-b Gw kan

9 3.12

Verstrekking gegevens aan De minister en elk basisadministraties Caribische college rijksdelen

Geen bijdrage 1.14 lid 1 en en kosteloos 3.17 lid 3

10 3.13

Verstrekking voor onderzoek en dergelijke

De minister en het college

Bijdrage en kosteloos

1.14 lid 1 en 3.17 lid 3

11 3.14

Verstrekking bewerkte gegevens

De minister en het college

Bijdrage en kosteloos

1.14 lid 1 en 3.17 lid 3

Artikel 1.14 Definities In artikel 1.14 van de tarieventabel is geregeld wat onder één verstrekking moet worden verstaan. Doel hiervan is problemen over de invulling van dat begrip te voorkomen. Van belang hierbij is dat tot één verstrekking wordt gerekend alle verstrekte gegevens over één persoon. Artikel 1.15 Verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen Onderdeel a In onderdeel a is voor het verstrekken van gegevens een tarief opgenomen per verstrekking. Ook zouden nog tarieven opgenomen kunnen worden voor het doen van meer dan één verstrekking. Daarbij kan dan een degressief tarief gelden. In de modelverordening hebben wij geen afzonderlijke tarieven opgenomen voor het doen van meer dan één verstrekking. Reden hiervan is dat in die situatie de aanvrager vermoedelijk toch gebruik zal maken van de mogelijkheid van het afsluiten van abonnement, nu een abonnement betrekking heeft op de periode van een jaar. Naar onze mening ligt het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de mogelijkheid van het afsluiten van een abonnement indien dit voor hem goedkoper is. Onderdeel a is ook van toepassing op een aanvraag tot het verstrekken van een bewijs van in leven zijn. Dat is namelijk een uittreksel uit de Brp waarin staat vermeld dat een bepaalde persoon in leven is.

Het bewijs van in leven zijn is gratis als iemand kan aantonen dat het voor pensioen is. Dit bewijs van in leven zijn moet worden onderscheiden van de (internationale) attestatie de vita bedoeld in artikel 19k van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, welk artikel sinds 1 juli 2011 geldt. Deze attestatie de vita wordt afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hiervoor is in het Legesbesluit akten burgerlijke stand, dat is gebaseerd op de Wet rechten burgerlijke stand, een tarief opgenomen (zie het slot van de toelichting op paragraaf 1.1 van de tarieventabel). Onderdeel b In onderdeel b zijn tarieven opgenomen voor het afsluiten van een abonnement tot het doen van verstrekkingen gedurende een bepaalde periode. Het ligt voor de hand daarbij degressieve tarieven op te nemen. Daaraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat het doen van verstrekkingen in die gevallen minder kosten met zich mee kan brengen dan bij incidentele verzoeken om verstrekkingen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

71/130

Een gemeente kan zelf bepalen op hoeveel verstrekkingen een abonnement betrekking heeft. In zoverre moeten de aantallen die in de subonderdelen 1 tot en met 5 zijn opgenomen als voorbeelden worden gezien. Uitgaande van de modelverordening zal iemand die 400 verstrekkingen vraagt kunnen kiezen of hij vier abonnementen van 100 verstrekkingen afsluit of één van 500. Ook hier ligt het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de voordeligste constructie. Onderdeel c In onderdeel c is een tarief opgenomen voor het afsluiten van een abonnement tot het periodiek verstrekken van opgave van verhuizingen binnen de gemeente, vertrekken uit de gemeente en vestigingen in de gemeente. Onderdeel d In onderdeel d is een tarief opgenomen voor het verstrekken van een meertalig modelformulier woonen/of verblijfplaats als bedoeld in artikel 7 van de Europese verordening overlegging openbare documenten (Verordening EU nr. 2016/1191, PbEU 2016, L 200). Sinds 16 februari 2019 zijn er meertalige modelformulieren met betrekking tot geboorte, overlijden, huwelijk, geregistreerd partnerschap, woon- en/of verblijfplaats. Hiermee kunnen kosten voor vertaling worden bespaard. In het Legesbesluit akten burgerlijke stand zijn voor de meertalige modelformulieren betreffende de burgerlijke stand tarieven vastgesteld (zie het slot van de toelichting op paragraaf 1.1 van de tarieventabel).

Voor het meertalige modelformulier woon- en/of verblijfplaats is geen wettelijke tarief vastgesteld. Gemeenten kunnen hiervoor dus zelf een tarief vaststellen. Op grond van artikel 11 van genoemde Europese verordening is de vergoeding voor het verkrijgen van een meertalig modelformulier niet hoger dan de productiekosten van het meertalig modelformulier of, indien die lager zijn, van het openbaar document waaraan het formulier is gehecht. Geen teruggaaf In paragraaf 1.4 is geen regeling opgenomen voor een teruggaaf van een deel van het voor het abonnement verschuldigde bedrag, indien in de desbetreffende periode minder verstrekkingen zijn gedaan dan waarop het abonnement ziet. Reden hiervan is dat bij het opnemen van een dergelijke teruggaafbepaling vermoedelijk in de meeste gevallen een abonnement zal worden afgesloten voor het hoogste aantal verstrekkingen omdat bij een degressief tarief het tarief per inlichting dan het laagst is. Een dergelijke regeling is weliswaar denkbaar, maar daarbij zal dan het legesbedrag beperkt moeten worden tot het bedrag dat verschuldigd is voor een abonnement voor het aantal verstrekkingen dat in feite is gedaan. Men kan zich echter ook op het standpunt stellen dat het niet afnemen van het aantal verstrekkingen waarvoor het abonnement is afgesloten voor risico komt van degene die het abonnement heeft afgesloten.

Artikel 1.16 Verstrekken van aangehaakte gegevens In dit artikel zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van persoonsgegevens die niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen zelf. Het betreft de zogenaamde aangehaakte gegevens. Een gemeente kan voor het op verzoek verstrekken van aangehaakte gegevens leges heffen, tenzij de aanvrager op grond van bijzondere wetgeving recht heeft op kosteloze inlichtingen. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de Belastingdienst op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

72/130

Artikel 1.17 Schriftelijke verstrekkingen In dit artikel zijn leges opgenomen voor het aan betrokkenen verstrekken van schriftelijke gegevens als bedoeld in artikel 17 van het Besluit brp. In artikel 10, tweede lid, van de Regeling basisregistratie personen is hiervoor een maximumtarief opgenomen van € 7,50. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit tarief moet wijken voor de vrijstelling van artikel 41 van de Wet Uitkeringen vervolgingsslachtoffers en artikel 52 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, waarin staat dat de gevraagde inlichtingen kosteloos moeten worden verstrekt. In dat geval kunnen deze leges dus niet worden geheven (HR 10 juni 2005, nr. 39814, LJN: AT7214). Artikel 1.18 Op aanvraag doornemen basisregistratie personen De in artikel 1.18 opgenomen regeling is bedoeld voor gevallen waarin aan de gemeente wordt verzocht de basisregistratie personen, inclusief de aangehaakte gegevens, door te nemen voor het verkrijgen van bepaalde inlichtingen, bijvoorbeeld hoeveel geregistreerde honden er in de gemeente zijn. Deze bepaling geeft de mogelijkheid leges te heffen naar rato van de tijd die met het doornemen is gemoeid, ongeacht of dit leidt tot het daadwerkelijk verschaffen van de gevraagde inlichtingen.

Naast een bedrag voor het doornemen van de basisregistratie is de aanvrager eventueel een bedrag verschuldigd ingevolge de artikelen 1.15, 1.16 of 1.17 als vervolgens persoonsgegevens worden verstrekt. Dit vloeit voort uit het feit dat het bepaalde in artikel 1.18 een afzonderlijk belastbaar feit vormt.

Paragraaf 1.5 Bestuursstukken Artikel 1.19 Afschriften van bestuursstukken In dit artikel is een regeling opgenomen voor het verstrekken van de volgende stukken: - de begroting en de rekening; - het burgerjaarverslag; - de raadsstukken en de raadsverslagen, waarbij naast de afgifte van een afzonderlijk afschrift tevens de mogelijkheid is gegeven een abonnement af te sluiten; - de stukken van de raadscommissies en de verslagen van de vergaderingen van die commissies. Ook hier bestaat de mogelijkheid tot het afsluiten van een abonnement; - het gemeenteblad, per los nummer en bij abonnement; - gemeentelijke verordeningen. Voor de tariefbepaling zijn de volgende wetten van belang: - Wet hergebruik van overheidsinformatie (Stb 2015, 271): alleen de marginale verstrekkingskosten kunnen/mogen worden doorberekend. - Bekendmakingswet: voor het elektronisch gemeenteblad geldt artikel 18, eerste lid, van de Bekendmakingswet. Inzage is kosteloos, een papieren afschrift wordt tegen ten hoogste de kosten van het maken van dat afschrift verstrekt. Hierbij wordt uitgegaan van de kostprijs van het vervaardigen van een afdruk of kopie, niet de kosten van het verzamelen en beoordelen van een verzoek. - Wet open overheid (Woo, Stb. 2021, 499) die op 1 mei 2022 de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft vervangen.

Artikel 8.6, tweede lid, Woo bepaalt dat voor de vervaardiging van kopieën van documenten een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die de kostprijs van de verstrekte informatiedragers niet overstijgt. Bij een papieren verstrekking bestaat de kostprijs uit de kosten van papier en inkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden hierover regels gesteld.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

73/130

De laatste wet beperkt dus de door te berekenen kosten nog verder. Zie ook het slot van de toelichting op artikel 5 (Maatstaven van heffing en tarieven). Niet alle hier opgesomde stukken zullen in iedere gemeente voorkomen. De opsomming is ook niet uitputtend. Er zullen stukken zijn die in sommige gemeenten andere benamingen hebben, zoals productenbegroting en/of programmabegroting. Ook voor het verstrekken van andere stukken, bijvoorbeeld meerjarenramingen, kunnen tarieven opgenomen worden. Bij het redigeren van de bepalingen dient met het voorgaande rekening gehouden te worden. Andere stukken zullen altijd voorkomen bij gemeenten, met name die stukken die op grond van de Gemeentewet verstrekt moeten worden. Dit betreft onder andere de gemeentebegroting en de daarbij behorende stukken (artikel 189 van de Gemeentewet) en de gemeenterekening met de daarbij behorende stukken en toelichtingen (artikel 197 van de Gemeentewet). De hiervoor genoemde stukken moeten ter inzage worden gelegd en (tegen betaling van de kosten) algemeen verkrijgbaar worden gesteld (artikel 190, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 197, derde lid, van de Gemeentewet). In paragraaf 1.5 wordt uitsluitend gesproken over het verstrekken van een afschrift van de genoemde stukken.

Wordt slechts een aantal kopieën uit een stuk verstrekt dan kunnen weliswaar geen leges geheven worden op basis van deze paragraaf maar wel op basis van het bepaalde in paragraaf 1.10. Uiteraard kan ook een tarief per pagina in paragraaf 1.5 worden opgenomen. Artikel 1.20 Abonnement op bestuursstukken Voor de gevallen waarbij stukken worden verstrekt bij abonnement, is in de tarieventabel gekozen voor een tarief per kalenderjaar. Als deze regeling wordt overgenomen, kan er behoefte aan bestaan in een aanvullende bepaling het tarief te regelen voor die gevallen, waarin het abonnement wordt afgesloten in de loop van het kalenderjaar. Een dergelijke bepaling zou kunnen luiden (onder nummering van de bestaande tekst tot eerste lid): ’2. Indien een abonnement wordt afgesloten in de loop van een kalenderjaar, wordt het tarief voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar naar tijdsgelang vastgesteld.’ Uiteraard zijn ook regelingen denkbaar waarbij men niet uitgaat van een tarief per kalenderjaar, maar van een tarief per jaar, waarbij dan het jaar op ieder willekeurig moment in het kalenderjaar kan aanvangen. Administratieve redenen zullen bepalend zijn voor de keuze.

Paragraaf 1.6 Vastgoedinformatie Algemeen Voor het verstrekken van informatie uit gemeentelijke vastgoedbestanden is het mogelijk leges te heffen. In deze paragraaf hebben wij tarieven opgenomen voor het verstrekken van afschriften uit deze bestanden. Ook zijn tarieven opgenomen voor verstrekking van kopieën van die bestanden zelf. De Wet hergebruik van overheidsinformatie (Stb 2015, 271) is op de verstrekking van deze stukken van toepassing. Dit betekent dat alleen de marginale verstrekkingskosten kunnen/mogen worden doorberekend. Ook de Wet open overheid (Stb. 2021, 499), die op 1 mei 2022 in werking treedt, beperkt de vergoeding die kan worden gevraagd, voor zover het documenten betreft die onder de reikwijdte van die wet vallen. Zie het slot van de toelichting op artikel 5 (Maatstaven van heffing en tarieven). Inzage in vastgoedregistraties kosteloos Voor de inzage in de gemeentelijke vastgoedregistraties hebben wij geen modelbepalingen opgenomen. De gemeentelijke bemoeienis daarmee zal gering zijn. Bovendien lijken enkele van de hierboven genoemde wetten ervan uit te gaan dat inzage kosteloos plaatsvindt.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

74/130

Gemeentelijke kadastrale balie: tarieven centraal vastgesteld Op grond van artikel 105 van de Kadasterwet (laatstelijk integraal gepubliceerd in Stb. 1996, 473; daarna gewijzigd) is het voor gemeenten mogelijk, onder gebruikmaking van een permanente aansluiting op de basisregistratie kadaster (‘Kadaster-on-line), een loketfunctie namens het Kadaster te vervullen (gemeentelijke kadastrale balie). De door de gemeenten namens het Kadaster te verstrekken kadastrale informatie valt onder de vigeur van de Kadasterwet. Het door gemeenten aan derden in rekening te brengen tarief voor het verstrekken van informatie namens het Kadaster is het tarief genoemd in de Regeling tarieven Kadaster (Stcrt. 2003, nr. 244, pag. 17). In de overeenkomst met het Kadaster zal zijn opgenomen dat een deel van het voor de informatie verschuldigde kadastraal tarief door de gemeente kan worden behouden. Artikel 1.21 Plan- of kaartinformatie Dit artikel bevat tarieven voor het verstrekken van een kopieën van een ruimtelijk plan, zoals omgevingsvisie of omgevingsplan, wegenkaart behorende bij de legger bedoeld in artikel 1.22, onderdeel b.

Artikel 1.22 Informatie uit registers Onderdeel a Verstrekkingen uit gemeentelijke basisadministratie adressen en gebouwen (BAG) De in onderdeel a genoemde basisregistratie adressen en basisregistratie gebouwen omvatten het gemeentelijk adressenregister, de gemeentelijke adressenregistratie, het gemeentelijk gebouwenregister en de gemeentelijke gebouwenregistratie (artikel 2 Wet basisregistraties adressen en gebouwen (BAG), Stb. 2008, 39). In de wet staan hiervan de volgende definities: - adressenregister: gemeentelijk register dat brondocumenten met betrekking tot woonplaatsen, openbare ruimten en nummeraanduidingen bevat (artikel 1, onderdeel b, Wet BAG); - adressenregistratie: gemeentelijke registratie van alle woonplaatsen, openbare ruimten en nummeraanduidingen op het grondgebied van de gemeente (artikel 1, onderdeel c, Wet BAG); - gebouwenregister: gemeentelijk register dat brondocumenten met betrekking tot panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen bevat (artikel 1, onderdeel h, Wet BAG) ; - gebouwenregistratie: gemeentelijke registratie van alle panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen op het grondgebied van de gemeente (artikel 1, onderdeel i, Wet BAG). Afschriften uit deze registraties kunnen tegen verstrekkingskosten beschikbaar worden gesteld. Daarvoor is in onderdeel a een tariefbepaling opgenomen.

Onderdeel b Verstrekkingen uit Wegenlegger Onderdeel b betreft de zogenaamde ‘wegenlegger’. Op grond van artikel 27 van de Wegenwet (Stb. 1930, 342) is iedere gemeente verplicht een legger op te maken van buiten de bebouwde kom of kommen gelegen wegen en van toegangswegen naar stations als bedoeld bij artikel 26, tweede lid, van de Spoorwegwet, ook al zijn deze binnen een bebouwde kom gelegen. Van wegen welke deels binnen en deels buiten de bebouwde kom of kommen van de gemeente zijn gelegen, wordt ook het binnen een bebouwde kom gelegen deel op de legger gebracht, indien en voor zover dat deel niet door de gemeente wordt onderhouden (artikel 28). Op de voorbereiding van het ontwerp van de legger is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing. De legger wordt in het provinciaal en gemeentearchief bewaard (artikel 38 van de Wegenwet). Onderdeel b betreft het geval dat de wegenlegger (ook) op het gemeentehuis wordt aangehouden. Voor het gemeentearchief geldt paragraaf 1.8 van de tarieventabel.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

75/130

Onderdeel c Verstrekkingen uit rijksmonumentenregister Dit onderdeel betreft het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Erfgoedwet. Het register wordt door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangehouden. De gemeente krijgt een afschrift van de inschrijving in dit register (artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet). Inzage in het rijksmonumentenregister is gratis. Als iemand de gemeente verzoekt om een afschrift van een aan de gemeente verzonden inschrijving in het register, kan de gemeente daaraan voldoen en daarvoor leges heffen ter dekking van de marginale kosten van verstrekking. Onderdeel d Verstrekkingen uit gemeentelijk erfgoedregister In onderdeel d hebben wij een tarief opgenomen voor het verstrekken van afschriften uit het gemeentelijke erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed (artikel 3.16, vierde lid, van de Erfgoedwet). In de Model-Erfgoedverordening 2016 is dit verder uitgewerkt. In het gemeentelijk erfgoedregister staan gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed (gemeentelijke monumenten, beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten).

De gemeente kan daarin ook opnemen gegevens over de van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet (zie onderdeel c). Onderdeel c is dus van toepassing als de gemeente er niet voor kiest om de rijksmonumenten in het gemeentelijke erfgoedregister op te nemen en een afschrift van een ontvangen inschrijving wordt gevraagd. Zie ook de paragraaf 2.4 van de tarieventabel voor de omgevingsvergunning met betrekking tot rijksmonumenten en gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed. Artikel 1.23 Informatie uit adressenbestanden In artikel 1.23 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van kopieën van de daar genoemde bestanden zelf. Wij hebben daarbij gekozen voor een tarief per adres, relatie of adrescoördinaat.

Paragraaf 1.7 Overige publiekszaken Algemeen Op grond van paragraaf 1.7 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van een verklaring omtrent het gedrag of een legalisatie van een handtekening. Desgewenst kan de gemeente deze paragraaf aanvullen met andere dienstverlening die niet in deze tarieventabel is genoemd en tot de overige publiekszaken kunnen worden gerekend. Artikel 1.24 Gemeentegarantie Op grond van dit artikel kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van een gemeentegarantie. Overigens verstrekken de meeste gemeenten sinds 1 januari 1995 geen gemeentegaranties meer als borgstelling voor hypotheken van huiseigenaren. In veel gemeenten is per die datum de gemeentegarantie volledig vervangen door de Nationale hypotheekgarantie (NHG) die wordt verstrekt door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW). Gemeenten moesten hun achtervangovereenkomsten met de WEW uiterlijk 1 januari 2011 beëindigen. Gemeentegaranties kunnen echter op grond van gemeentelijk beleid nog in andere gevallen worden verstrekt, bijvoorbeeld aan instellingen die, zonder winstoogmerk, uitsluitend een publieke taak of ideëel doel dienen. Voor het wijzigen of omzetten van een door de gemeente (in het verleden) gegarandeerde hypothecaire geldlening is eveneens legesheffing mogelijk. Het tweede lid voorziet hierin.

Het gaat daarbij onder andere om het omzetten van de financieringsvorm (bijvoorbeeld het omzetten van een lineaire hypotheek in een annuïteitenhypotheek).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

76/130

Artikel 1.25 Overige publiekszaken Onderdeel a Verklaring omtrent het gedrag Sinds 1 april 2004 beslist niet langer de burgemeester, maar de minister van Justitie over het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. De maximale hoogte van de hiervoor te heffen leges wordt door het Rijk vastgesteld. Van 1 januari 2006 tot 1 maart 2016 bedroeg die maximale vergoeding € 30,05, vanaf 1 maart 2016 € 41,35. De gemeente moest per aanvraag tot 1 maart 2016 € 22,55 en moet vanaf 1 maart 2016 € 33,85 aan het Rijk afdragen. Wat de gemeente (tot het maximumbedrag) meer heft dan deze afdracht is een vergoeding die de gemeente krijgt voor de werkzaamheden die zij voor de behandeling van een dergelijke aanvraag moet uitvoeren (Regeling vergoeding verklaring omtrent het gedrag en gedragsverklaring aanbesteden, Stcrt. 2013, 8864, gewijzigd Stcrt. 2015, 42694; vóór 1 april 2013: Regeling leges en afdracht vergoeding afgifte verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen en rechtspersonen, Stcrt. 2004, 63, pag. 12, Stcrt. 2005, 242, pag. 23, en Stcrt. 2008, 23, pag. 12). Aangezien het Rijk een maximaal te heffen bedrag vaststelt, is het noodzakelijk dat de gemeente een tarief in de legesverordening opneemt. Wij delen dus niet de visie van Hof ’sHertogenbosch 10 juni 2016, nr. 15/00135 (Maasgouw), ECLI:NL:GHSHE:2016:2327, VNG-nummer: 6602.

Het hof oordeelt daarin dat de leges VOG geen gemeentelijke belastingen zijn, omdat de genoemde rijksregeling de grondslag voor het in rekening brengen van de vergoeding is, geen belastingwet is en dat daarom ook de AWR niet van toepassing is. Omdat gemeenten voor het genot van door hen verleende diensten leges kunnen heffen en hiervan sprake is (X bestrijdt dat in die procedure overigens), is de wettelijke grondslag hiervoor volgens ons wel degelijk art. 229, eerste lid, onder b, Gemeentewet. En deze rechten worden ingevolge art. 229, derde lid, Gemeentewet aangemerkt als gemeentelijke belastingen waarop de AWR van toepassing is. Onderdeel b Legalisatie van een handtekening Bij legalisatie van een handtekening verklaart de burgemeester dat een handtekening op een bepaald document 'echt' is. Dat wil zeggen dat deze overeenkomt met de handtekening op uw legitimatiebewijs. De handtekening moet aan de balie gezet worden. Legalisatie van een handtekening kan bijvoorbeeld nodig zijn als iemand een persoon in het buitenland schriftelijk wil machtigen. Voor de legalisatie kunnen leges worden geheven. Onderdeel b voorziet hierin.

Paragraaf 1.8 Gemeentearchief Algemeen Gemeentearchieven kunnen worden onderscheiden in archiefbewaarplaatsen in de zin van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) en andere archieven. Op grond van artikel 14 van de Archiefwet 1995 zijn de archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten openbaar (behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17), en kunnen deze archiefbescheiden kosteloos geraadpleegd worden. Als iemand zelf de archiefbescheiden raadpleegt, kunnen dus geen leges geheven worden. Met betrekking tot andere archieven dan archiefbewaarplaatsen is in de Archiefwet 1995 niet geregeld dat deze openbaar zijn en dat deze kosteloos geraadpleegd kunnen worden. Voor verstrekkingen uit de archieven is sinds 18 juli 2015 de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Stb. 2015, 271) van toepassing. Voor archiefbewaarplaatsen gelden alleen de artikelen 5, 6 en 9, eerste en vierde lid, van die wet. Voor meer informatie verwijzen wij naar het slot van de toelichting op artikel 5.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

77/130

Artikel 1.26 Naspeuringen in gemeentearchief In dit artikel is een tarief opgenomen voor het doen van naspeuringen in het gemeentearchief. Het gaat hierbij dus uitsluitend om het van gemeentewege doen van naspeuringen op verzoek van een belanghebbende. Het tarief is afhankelijk gesteld van de tijd die de ambtenaar van het gemeentearchief aan het doen van de naspeuringen heeft besteed. Ook indien het doen van de naspeuringen niet heeft geleid tot het gewenste resultaat zijn de leges verschuldigd. Wij merken nog op dat voor het doen van naspeuringen in verband met een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob; vanaf 1 mei 2022 de Wet open overheid) geen leges geheven kunnen worden (HR 8 februari 2013, nrs. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693, Belastingblad 2013/96 en HR 8 februari 2013, nr. 11/03758, ECLI:NL:HR:2013:BX0945, Belastingblad 2013/97). Artikel 1.27 Afschrift of uittreksel uit gemeentearchief Gelet op de verschillende wijzen waarop informatie verstrekt kan worden (op verschillende formaten papier, op verschillende digitale media of langs elektronische weg), waardoor de marginale verstrekkingskosten nogal kunnen verschillen, hebben wij in dit artikel voor het verstrekken van kopieën of uittreksels uit de in het gemeentearchief berustende stukken gekozen voor de zogenaamde begrotingsconstructie.

Met het vooraf kennisgeven van een gespecificeerde begroting van de marginale verstrekkingskosten, voldoet de gemeente aan de tariefvoorschriften van de Wet hergebruik van overheidsinformatie. De artikel 1.26 en 1.27 kunnen cumuleren. Artikel 1.28 Uitlenen van archiefbescheiden Artikel 18 van de Archiefwet 1995 maakt het mogelijk om archiefbescheiden uit te lenen. Op grond van het zesde lid van dat artikel kunnen de aan de uitlening verbonden kosten aan de verzoeker in rekening worden gebracht. Ook hiervoor geldt dat alleen de marginale verstrekkingskosten kunnen worden doorberekend (artikel 19 Archiefwet in samenhang met artikel 9 van de Wet hergebruik van overheidsinformatie). Voor het in behandeling nemen van een daartoe strekkend verzoek hebben wij in dit artikel een tariefbepaling opgenomen.

Paragraaf 1.9 Bijzondere wetten Artikel 1.29 Huisvestingswet 2014 Uitgangspunt van de Huisvestingswet 2014 is dat een verordening een inbreuk vormt op de vrijheid van vestiging en daarom alleen dan mag worden toegepast als er een bepaalde mate van schaarste is. Als er sprake is van schaarste op de woningmarkt, wordt schaarste niet met een verordening opgelost. Dus gebruik van de verordening onder de wet kan alleen als zo mogelijk ook andere maatregelen getroffen worden om schaarste te bestrijden. Wij hebben tariefbepalingen opgenomen voor het in behandeling nemen van aanvragen voor een huisvestingsvergunning (eerste lid) en voor indeling in een bepaalde urgentiecategorie (tweede lid). Voor andere in de Huisvestingswet 2014 geregelde vergunningen – de onttrekkingsvergunning, de samenvoegvergunning, de omzettingsvergunning, de woningvormingsvergunning, de splitsingsvergunning, de vergunning toeristische verhuur en de verhuurvergunning opkoopbescherming – zijn tariefbepalingen opgenomen in paragraaf 3.6 van hoofdstuk 3 omdat deze vergunningen blijkens de Model-Huisvestingsverordening 2014 betrekking hebben op dienstverrichters (woningcorporaties en/of particuliere verhuurders) en dus onder de Europese Dienstenrichtlijn vallen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

78/130

Artikel 1.30 Leegstandwet Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kan het college van burgemeester en wethouders de eigenaar van een woning of een gebouw vergunning verlenen tot tijdelijke verhuur van woonruimte. Tijdelijke verhuur kan een oplossing vormen in situaties waarin eigen bewoning, reguliere verhuur dan wel verkoop van een woonruimte op afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Op grond van artikel 15 Leegstandwet gelden de volgende regels: - Voor woonruimte in een gebouw (zoals kantoren of scholen): o indien een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend: vergunning tijdelijke verhuur voor de duur van die omgevingsvergunning tot maximaal 10 jaar (artikel 15, lid 7); o indien geen omgevingsvergunning: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar (artikel 15, lid 6), met mogelijkheid van verlenging. - Voor woonruimte in een voor verkoop bestemde woning: vergunning tijdelijke verhuur voor 5 jaar; geen verlenging mogelijk (art. 15, lid 8). - Voor woonruimte in een voor verhuur bestemde woning (in afwachting van sloop of renovatie): vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar (artikel 15, lid 6), met mogelijkheid van verlenging. Voor de vergunningaanvraag hebben wij het eerste lid, onderdeel a, en voor een aanvraag tot vergunningverlenging hebben wij in het eerste lid, onderdeel b, een tariefbepaling opgenomen.

Per woonruimte wordt een vergunning voor tijdelijke verhuur aangevraagd en afgegeven. Als voor verschillende woonruimten in een complex een vergunning voor tijdelijke verhuur wordt aangevraagd, moet de gemeente formeel per woonruimte beschikken en leges heffen. De gemeente zal dergelijke aanvragen echter gecombineerd behandelen. Daarom hebben wij in het tweede lid bepaald dat bij een complexgewijze behandeling van aanvragen slechts eenmaal leges wordt geheven. Artikel 1.31 Wet op de kansspelen Eerste lid Aanwezigheidsvergunning Voor de aanwezigheid van kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483) is een aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester. De aanwezigheidsvergunning kan op grond van artikel 30d, tweede lid, voor bepaalde of onbepaalde tijd worden afgegeven. In artikel 30d, derde lid, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld betreffende de hoogte van de voor het afgeven van deze vergunningen te hanteren tarieven. Deze nadere regels zijn opgenomen in artikel 3 van het Speelautomatenbesluit 2000 (Stb. 2000, 223). De in dat artikel opgenomen bedragen vormen voor gemeenten maximum te heffen legesbedragen. De tarieven zijn afhankelijk gesteld van de periode waarvoor de vergunning wordt afgegeven en het aantal kansspelautomaten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13450116/1