Bijlage samenvatting RES 1.0 en achtergrondinformatie klimaatakkoord
Tekst van het document
Samenvatting RES 1.0 en Achtergrond informatie klimaatakkoord In deze bijlage is een samenvatting te vinden van de RES 1.0 en wat deze betekent voor de gemeente IJsselstein. Aanvullend daarop bevat deze bijlage achtergrond informatie over het klimaatakkoord en welke positie de Regionale Energiestrategie (RES) daarin heeft.
Samenvatting RES 1.0 De regio U16 bestaat uit zestien gemeenten (Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Zeist), vier waterschappen (De Stichtse Rijnlanden, Amstel, Gooi en Vecht, Vallei en Veluwe; Rivierenland), de provincie Utrecht en netbeheerder Stedin. Gezamenlijk werken deze partijen aan een Regionale Energiestrategie (RES) die zowel een strategie voor elektriciteit als warmte bevat. De Regionale Energiestrategie is in de U16 tegelijkertijd ook onderdeel van het Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) waarin alle ruimtelijke vraagstukken samenkomen. De RES 1.0 richt zich hoofdzakelijk op het omschakelen naar duurzame technieken op het gebied van elektriciteit en warmte. Daarvoor maken we gebruik van de in de regio beschikbare technieken maar hebben we ook aandacht voor landschappelijke kwaliteit, maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak en systeem efficiëntie. Dit met als doel om in 2030 een grote stap te hebben gezet in het opwekken van hernieuwbare elektriciteit en het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Om voldoende wendbaar te blijven herijken we de RES elke twee jaar. In deze herijking houden we de doelstelling tegen het licht en nemen we relevante nieuwe ontwikkelingen mee.
Daarnaast wordt ook op andere terreinen hard gewerkt aan het terugbrengen van de CO2 uitstoot. Zo wordt via het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland en de Nationale Agenda Laadinfrastructuur gewerkt aan een duurzame toekomst van mobiliteit en werkt de provincie aan een Regionale Veenweide Strategie. Al deze inspanningen zijn er op gericht om de uitstoot van broeikasgassen terug te brengen en de doelstellingen uit het klimaatakkoord te halen. De RES is dan ook een onderdeel van een grotere inspanning. Met de RES 1.0 zet de regio een belangrijke stap om invulling te geven aan de energietransitie en te voldoen aan de nationale afspraken. De RES samenwerking heeft echter geen juridische status. De RES 1.0 leid dan ook niet tot verandering in de bevoegdheden van de verschillende overheidslagen. Wel hebben de deelnemende overheden, conform het Klimaatakkoord, afgesproken om instrumenten als omgevingsvisies en -plannen in te zetten bij het behalen van RES doelstellingen. Uiteindelijk moet de RES 1.0 dan ook een vertaling krijgen in de instrumenten van de Omgevingswet. De RES 1.0 wordt na besluitvorming in de gemeenteraad in eerste instantie bestuurlijk bindend voor de gemeente. Het heeft dan de status van een beleidsstuk. Pas als de RES 1.0 verwerkt wordt in het instrumentarium van de Omgevingswet, is er sprake van een juridische status.
Elektriciteit In het Ontwerp RES heeft de regio U16 is de ambitie vastgelegd om in 2030 1,8 TWh duurzame elektriciteit op te wekken1. Deze ambitie houden we in de RES 1.0 vast en wordt onderbouwt aan de hand van vier bouwblokken: 1. Bouwblok 1: Gerealiseerde projecten en projecten in de pijplijn. 2. Bouwblok 2: Grootschalig zon op dak. 3. Bouwblok 3: Bijdrage uit lokale zoekprocessen. 4. Bouwblok 4: Continue samenwerking en permanente zoektocht.
Bouwblok 1: Gerealiseerde opwek + Pijplijnstatus ‘zeker’ Bouwblok 2: Zon op dak Bouwblok 3: Lokale zoekprocessen van gemeenten Bouwblok 4: Continue samenwerking en ontwikkeling
Hoeveelheid in TWh totaal 0,438
Waarvan zon in TWh 0,295
Waarvan wind in TWh 0,143
0,3-0,5 TWh 1,164 0,765 0,399 Hiervoor is nog geen onderbouwing op te nemen
1,8 TWh in vier bouwblokken Voor het realiseren van de ambitie mogen bestaande projecten of projecten die in een vergevorderd stadium zijn al worden meegerekend. Deze vormen bouwsteen één. Voorbeelden van dit soort projecten zijn het windpark Goyerbrug in Houten en de energietuin Mastwijk in Montfoort maar ook alle zon op dak installaties met een vermogen groter dan 15 kilowattpiek. Van deze projecten zijn de opbrengsten bekend of met een grote nauwkeurigheid te voorspellen. Gezamenlijk levert bouwsteen een 0,438 TWh op. Daarnaast zetten we met bouwblok twee in op grootschalig zon op dak. Zon op dak kan rekenen op veel maatschappelijk draagvlak en heeft een beperkte landschappelijke en ruimtelijke impact. Zon op dak heeft zich de laatste jaren dan ook sterk ontwikkeld en vormt ook de komende jaren een belangrijke bouwsteen. Zon op dak heeft in de U16 een theoretisch potentie van 1,349 TWh. De realisatie van grootschalige zon op dak echter geen gemakkelijke opgave. Dit komt onder meer door de afhankelijkheid van dak eigenaren, technische belemmeringen als de dakconstructie en beperkingen in de aansluitbaarheid op het elektriciteitsnet. Deze factoren hebben allemaal een invloed op de het daadwerkelijke potentie. Al deze factoren meewegend lijkt het realistische om in 2030 in te zetten op 0,3 TWh tot 0,5 TWh zon op dak.
Dit is inclusief de 0,194 TWh die hier reeds van is gerealiseerd. De eerste twee bouwblokken zijn echter onvoldoende om de ambitie van 1,8 TWh binnen handbereik te brengen. Daarvoor is nog een derde bouwblok nodig. Dit derde bouwblok komt voort uit de lokale zoekprocessen van gemeenten. Elke gemeente heeft in de afgelopen jaar gezocht naar zoekgebieden voor zonnevelden en windturbines. Hiervoor hebben de gemeenten uitgebreid gesproken met inwoners. IJsselstein heeft dit gedaan in het proces dat heeft geleid tot het Toets en afwegingskader duurzame energie. Een beleidskader dat op 20 mei is vastgesteld door de raad. De resultaten van al deze lokale processen hebben geleid tot de zoekgebieden kaart zoals deze is terug te vinden in hoofdstuk drie van de RES 1.0. Deze zoekgebieden leveren een bijdrage op van 1,164 TWh en vormen samen bouwblok drie.
1
In de RES en de bijdrage van de regio aan de nationale opgave mogen regio’s gebruik maken van zonnevelden, windturbines en grootschalig zon op dak installaties met een vermogen groter dan 15 kilowattpiek (zo’n 50 panelen). Installaties met een vermogen kleiner dan 15 kilowattpiek tellen wel mee voor de doelstellingen in het klimaatakkoord maar niet specifiek voor de doelstellingen in de RES. Voor meer informatie hierover zie bijlage.
Met deze zoekgebieden zijn echter nog geen project locaties aangewezen. Het aanwijzen van de zoekgebieden betekent dan ook niet dat het aangewezen zoekgebieden daadwerkelijk worden ingevuld. In de vervolgstappen die komen zullen aspecten als de effecten op de omgeving, landschappelijke kwaliteit, veiligheid, aansluitbaarheid en het streven naar 50% lokaal eigendom nader worden ingevuld. Ook in deze fase zal uitgebreid ruimte worden geboden voor participatie. Bouwblok drie kent net als zon op dak dan ook de nodige afhankelijkheden en zoekgebieden kunnen gedurende de tijd afvallen. Om deze onzekerheid te ondervangen wordt de voortgang de komende jaren op gezette momenten gemonitord. Op deze wijze houden we de doelstelling in het vizier. Uit de monitoring kan blijken dat de huidige plannen niet haalbaar blijken en/of dat zoekgebieden zijn afgevallen. In een dergelijk situatie kunnen nieuwe zoekgebieden noodzakelijk zijn. Hier willen we tijdig op anticiperen door kansrijke gebieden te blijven onderzoeken. Deze permanente zoektocht hiernaar vormt bouwblok vier en stelt ons in staat om planuitval tijdig te compenseren. Tegelijkertijd is het voorbereidend werk voor de opgave na 2030. Wanneer nieuwe zoekgebieden worden voorzien zullen deze altijd ter vaststelling worden voorgelegd aan de raad.
1,8 TWh op het elektriciteitsnet Om het doel van 1,8 TWh te halen is de aanwezigheid en beschikbaarheid van energie-infrastructuur van cruciaal belang. Om die reden is Stedin als netbeheerder van begin af aan al betrokken geweest bij de RES. In het afgelopen jaar heeft Stedin de regio ondersteund met inzichten over de inpasbaarheid van grootschalige opwek. De netbeheerder heeft hiervoor kansenkaarten ontwikkeld, adviezen en richtlijnen verstrekt en inzicht gegeven in de technische mogelijkheid om stations uit te. Deze informatie is benut bij de totstandkoming van de zoekgebieden Eind 2020 heeft de netbeheerder op basis van de ingebrachte zoekgebieden een netimpactanalyse gemaakt. Uit deze analyse komen een viertal belangrijke conclusies voort: 1. Netinvesteringen. De energie-infrastructuur in de U16 biedt veel kansen voor het grootschalig opwekken van duurzame energie. Voor een deel benutten we deze kansen, waardoor we opgewekte energie direct kunnen aansluiten op de infrastructuur. Er zijn in onze regio ook plannen die nog veel extra investeringen vragen om aansluiting op de infrastructuur mogelijk te maken. Dit zit hem soms in geplande stations uitbereidingen maar in enkele gevallen ook uitbereidingen dit nog niet op de planning staan. 2. Knelpunten oplossen.
Het stations Oudenrijn (hoogspanning en tussenspanning) en Breukelen-Kortrijk (hoogspanning) vormen de meest prominenten knelpunten. Stedin en de betreffende gemeenten werken nauw samen om deze zo snel mogelijk te verhelpen. 3. Zon-windverhouding. Op basis van de RES 1.0 is de verhouding tussen zonne- en windenergie is in de regio U16 scheeft. 16% van het voorziene opgestelde vermogen (MWp) komt van wind. Door nu vol in te zetten op zon, bereiken we sneller de grenzen van het net en beperken we de mogelijkheden voor onze ambitie richting 2040. Aanvullend daarop zorgt dit mogelijk voor hogere maatschappelijke kosten. 4. Aanpak zon op dak. Om de ambitie zon op dak waar te maken is naast een lokale inspanning ook een regionale aanpak nodig. De bovenstaande conclusies nemen we mee in de verdere uitwerking van de RES en de samenwerking met Stedin.
Warmte Het warmtehoofdstuk binnen de RES heet de Regionale Structuur Warmte 1.0. Hierin geeft de regio inzicht in de aanwezige warmtebronnen en de manier waarop zij hier afspraken over maakt. Daarnaast gaat de Regionale Structuur Warmte ook in op de bovengemeentelijke warmte thema’s waarop de regio wil samenwerken.
Warmtebronnen en clusters De inventarisatie van de warmtebronnen laat zien dat de meeste warmtebronnen in de regio klein van omvang zijn of een lage brontemperatuur hebben. Dit maakt dat zij in de meeste gevallen een lokale toepassing zullen hebben en geen regionale afspraken behoeven Dit neemt niet weg dat er enkele warmtebronnen zijn die wel regionale afstemming behoeven. Dit betreft geothermie en warmte uit biomassa (vaste biomassa, groen gas en biogas). De inventarisatie van de warmtevraag laat anderzijds zien dat de regionale warmtevraag, uitgaande van een stevige inzet op isolatie, naar verwachting daalt naar 27 PJ in 2030 en 23 PJ in 2050. Deze daling wordt veroorzaakt door de relatief lage warmtevraag van nieuwbouw, de verwachte energiebesparing in de bestaande bouw en de verminderde warmtevraag door klimaatverandering. Naar inschatting is de helft van deze warmtevraag na isolatie van de gebouwen te verwarmen met middentemperatuurwarmte (50 tot 70 °C). Zo’n 25% kan worden verwarmd met lagetemperatuurwarmte (minder dan 50 °C) en de laatste 25% heeft in 2050 naar verwachting nog steeds behoefte aan hogetemperatuurwarmte (meer dan 70 °C). In relatie tot de kans rijkheid van collectieve warmte oplossingen speelt de concentratie van de vraag een belangrijke rol. Hierin zijn een hoge dichtheid van de gebouwde omgeving en afname op grote schaal een belangrijke factoren.
Dit maakt dat collectieve warmte oplossingen over het algemeen geschikter zijn voor meer stedelijke gebieden. Bij eventueel regionaal transport van warmte voor woningen wordt het belang van een hoge dichtheid en afname uitvergroot. Voor eventueel regionaal transport van warmte kijken we dan ook alleen naar warmtevraagclusters die groot genoeg zijn om de investering in een regionale warmtetransport te rechtvaardigen. Dit betreft de clusters Utrecht, Nieuwegein, Zeist, Houten de Bilt en Woerden. Voor IJsselstein is regionaal transport minder voor de hand liggend. Dat neemt niet weg dat een warmtenet met lokale warmtebronnen of een uitbreiding van het warmtenet van Nieuwegein hier nog steeds onderzocht kunnen worden.
Gespreksleidraad, monitoring en samenwerking Mede aan de hand van de bovenstaande informatie zijn er afspraken gemaakt over hoe we omgaan met de bovengemeentelijke warmtebronnen. Daarnaast zijn ook afspraken gemaakt over hoe de regio in de komende jaren op het gebied van warmte met elkaar wil samenwerken. Zoals de analyse reeds liet zien zijn er in de regio U16 een beperkt aantal warmtebronnen waarover regionaal afspraken dienen te worden gemaakt. Dit betreft geothermie en warmte uit biomassa. Omdat de transitievisies warmte nog in ontwikkeling zijn worden in de RES 1.0 echter nog geen concrete keuzes gemaakt over de verdeling van deze warmtebronnen. Dit neemt niet weg dat we al wel richting willen geven aan de toekomstige gesprekken hierover. Om die reden worden voor deze toekomstige gesprekken een vijftal gespreksonderwerpen met onderliggende aspecten centraal gesteld: 1. Samenwerking. 2. Betaalbaarheid. 3. Duurzaamheid. 4. Beschikbaarheid. 5. Uitvoerbaarheid.
In aanloop naar de RES 2.0 monitoren we regionaal de totstandkoming van de 16 gemeentelijke transitievisies warmte. Zo wordt goed inzichtelijk welke gemeente een beroep willen doen op de bovengemeentelijke warmtebronnen en welke eventuele andere knelpunten er ontstaan. Als laatste bundelen we op een aantal bovengemeentelijke warmte thema’s de krachten . Dit zal zich op de eerste plaats richten op energiebesparing. Voor energiebesparing willen we een vervolg geven aan het energiebesparingsprogramma U-Thuis dat gericht is op particuliere woningeigenaren. Daarnaast willen we verkennen of er uitbereiding van dit programma mogelijk is zodat het programma zich ook kan gaan richten op utiliteitbouw, huurwoningen en maatschappelijk vastgoed. Aanvullend daarop doen we in regionaal verband onderzoek naar de inzet van bijvoorbeeld aquathermie, geothermie en warmte uit biomassa omdat alle gemeente in de regio daar baat bij hebben. (zie hiervoor ook de bijlage thematische agenda)
Organisatie en samenwerking naar 2030 Het vaststelling van de RES 1.0 is de bekrachtiging van een gezamenlijk plan voor de energietransitie. De uitvoering van de RES primair op lokaal niveau, onder verantwoordelijkheid van de gemeente. Zij zijn onder meer verantwoordelijk voor: - Het omzetten van de RES in het lokale omgevingsbeleid. - Het verlenen van vergunningen. - Het begeleiden van lokale initiatieven en projecten. - Het afstemmen van de uitvoering van de RES en het provinciale omgevingsbeleid. - Het opstellen en uitvoeren van een gemeentelijke TVW. Op regionaal niveau worden de lokale afspraken in samenhang bezien en worden de lokale processen waar nodig ondersteund en gemonitord. Regionaal pakken we dan ook voornamelijk zaken op die alle gemeente raken en die vanuit schaalvoordeel beter regionaal kunnen worden opgepakt. De regionale inspanning richten zich dan ook voornamelijk op: - Monitoren en afstemmen van zon- en windprojecten en transitievisies warmte. - Belangen van de regio behartigen. - Een coördinerende en ondersteunende rol bij zon op dak. - Aansluiting op de REP. - Afstemming rond en het goed inzetten van de beschikbare netcapaciteit. - Uitwerking vervolgprogramma U-Thuis. - Regionaal onderzoek naar aquathermie, geothermie en warmte uit biomassa. - De communicatie en het samenwerken met regionale stakeholders.
- Regionale communicatie over de energietransitie en de RES U16. Daarnaast ontwikkelen de provincie Utrecht en de provincie Utrecht samen een aanbod voor ‘flankerend beleid’. Hiermee ondersteunen zij andere gemeente bij het realiseren van hun RES bod. Dit betekent op de eerste plaats dat zij in kaart brengen hoe zij de andere gemeenten kunnen ondersteunen bij de realisatie van energieprojecten. Daarnaast is de provincie bereid om bij zon- en windprojecten, in samenwerking met de gemeente, de verbinding te leggen met de andere gebiedsopgaves zodat deze integraal kunnen worden opgepakt. In de regionale samenwerking zoals deze richting 2030 wordt voorgesteld blijven we samenwerken conform de governance uitgangspunten U10 en de uitgangspunten uit de startnotitie. Dit betekent mede dat de governance structuur blijf functioneren zoals hij nu doet en dat de 21 parlementen de hoogste besluitvormende organen blijven.
Wat betekent de RES voor IJsselstein In de RES 1.0 wordt beschreven op welke manier de regio kan omschakelen naar duurzame technieken voor elektriciteit en warmte. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de gevolgen die de RES 1.0 heeft voor de gemeente IJsselstein. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in elektriciteit en warmte.
Elektriciteit Tussen augustus 2020 en januari 2021 zijn we in de gemeente IJsselstein uitgebreid in gesprek gegaan met inwoners over de opwek van duurzame elektriciteit. In het Toets en afwegingskader zijn de zoekgebieden voor zon- en windenergie vastgelegd en voorwaarde waaronder deze tot ontwikkeling mogen komen. Daarnaast is onderscheid gemaakt tussen gebieden waar initiatieven zich reeds mogen ontplooien en gebieden waar eerst een landschappelijke verdieping wordt gemaakt. De zoekgebieden uit het Toets en afwegingskader van IJsselstein zijn overgenomen in de RES 1.0. Als gemeente zijn we zelf aan zet om deze zoekgebieden door te ontwikkelen naar concrete zon en/of windprojecten. Daarnaast monitoren we zowel lokaal als regionaal hoe de voorgang van deze projecten zich ontwikkeld. Op die manier houden we lokaal zicht op de doelstelling en kunnen we zo nodig bijsturen. Op die manier houden we de ambitie binnen handbereik. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet en nieuwe zoekgebieden moeten worden ingezet wordt dit altijd ter vaststelling voorgelegd aan de raad. Anderzijds hebben we lokaal veel profijt van de regionale samenwerking. Regionaal is reeds de potentie van zon op dak in kaart gebracht. In navolging wordt hiervoor een regionale aanpak ontwikkeld. Hierbij zal nog nader bepaald worden welke activiteiten op regionale schaal moeten worden opgepakt en welke lokaal.
Hier kunnen we als individuele gemeente op aanhaken om het lokale plan van aanpak zon op dak meer kracht bij te zetten.
Warmte De Regionale Structuur Warmte geeft inzicht in de aanwezige warmtebronnen, hoe waarschijnlijk het is dat we hier als individuele gemeente gebruikt van kunnen maken en de manier waarop we hier in de toekomst het gesprek over voeren. De Regionale Structuur Warmte vormt dan ook input voor de transitievisie warmte van IJsselstein. Een visie die op dit moment wordt ontwikkeld en naar verwachting eind dit jaar aan de raad voorgelegd. Deze transitievisie warmte vormt straks de basis voor de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. De uitkomsten van de transitievisies worden regionaal gemonitord om vroegtijdig het gesprek te voeren over mogelijke knelpunten en bovengemeentelijke warmtebronnen. Anderzijds worden er regionaal activiteiten ontplooit rond energiebesparing, aquathermie, geothermie en warmte uit biomassa. Deze activiteiten kunnen de gemeente IJsselstein helpen bij het maken van wijk uitvoeringsplannen maar ons ook in staat stellen om inwoners nog beter te faciliteren bij energiebesparing.
Achtergrondinformatie Klimaatakkoord en RES Internationaal klimaatakkoord Het gebruik van fossiele brandstoffen en de CO2 uitstoot die daar het gevolg van is heeft meetbare en merkbare effecten op klimaat en milieu. Daarom is er in december 2015 een internationaal Klimaatakkoord gesloten met als doel de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graden. Dit akkoord is in 2016 ook door Nederland ondertekend. In navolging hiervan is gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord (2019). Hierin is afgesproken om de uitstoot van CO2 in 2030 met de helft terug te dringen ten opzichte 1990 en met 95% in 2050.
Nationaal klimaatakkoord In het nationaal klimaatakkoord zijn er afspraken gemaakt over elektriciteit, warmte en hoe partijen op deze onderwerpen elkaar samenwerken. Voor elektriciteit is afgesproken om in 2030 minimaal 91* TWh (Terawattuur is een maat van energie die gelijk is aan 1.000.000.000 kWh) hernieuwbare elektriciteit op te wekken. Er is afgesproken om deze 91 TWh op drie manieren op te wekken: - 7 TWh kleinschalig zon op dak: Middels zonnepanelen op woningen leveren inwoners een bijdrage aan de doelstelling. Van kleinschalig zon op dak wordt tot 2030 een autonome groei verwacht van 7 TWh. In deze categorie mogen alle zon op dak installaties worden meegerekend met een maximaal vermogen van 15 kilowatt piek (kWp). Dat is gelijk aan 50 a 60 panelen. Zon op dak installaties, met een groter vermogen, worden meegerekend in de 35 TWh Hernieuwbaar op land. Bij grootschalig zon op dak gaat het bijvoorbeeld om bedrijfsdaken daken van sporthallen. Deze daken hebben een groot genoeg oppervlak voor 50 a 60 panelen. Op de meeste woningen kan dit aantal niet worden geplaatst; - 49 TWh windenergie op zee: Het rijk is verantwoordelijk voor het opwekken van windenergie op de Noordzee. Zij willen hiermee 49 TWh opwekken; - 35 TWh hernieuwbaar op land: Naast op zee en kleinschalig op daken dient de laatste 35 TWh te worden opgewekt op land.
Voor de opwek van de 35 TWh kunnen windturbines, zonnevelden en grootschalig zon op dak (>15 kWp) ingezet worden. * in het nationaal klimaatakkoord is afgesproken om in 2030 minimaal 91 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken. Er zijn echter twee ontwikkelingen die van invloed zijn op deze minimum ambitie: 1. In lijn met het klimaatakkoord heeft het Ministerie van Economische zaken en Klimaat de Stuurgroep Extra Opgave verzocht een inschatting te maken van de elektriciteitsbehoefte vanuit de industrie (inclusief datacenters) richting 2030. De Stuurgroep schat in dat er ten opzichte van het Klimaatakkoord een extra vraag kan ontstaan van tussen de 15 en 45 TWh elektriciteit voor de elektrificatie in de industrie en voor datacenters in 2030. De stuurgroep adviseert om deze aanvullende opgave te realiseren middels wind op zee (zie kamerbrief). Hier is echter nog geen definitief besluit over genomen. 2. Anderzijds is onder aandrang van onder andere Nederland de Europese ambitie voor CO2 reductie verhoogd van 45% naar 55% reductie t.o.v. 1990. In het nationale Klimaatakkoord is een 55% scenario opgenomen. Dit scenario vergt 29 TWh extra hernieuwbare elektriciteit in 2030 die zou moeten worden verdeeld wind op zee, grootschalig op land en kleinschalig zon op dak.
Of deze aanvullende opgave daadwerkelijk volgt is met alle waarschijnlijkheid een belangrijk gespreksonderwerp tijdens de formatie. De bovenstaande ontwikkelingen kunnen tot gevolg hebben dat er meer duurzame elektriciteit dient te worden opgewekt wat op zijn beurt tot gevolg kan hebben voor de 30 RESen.
Hoeveel is 1 TWh Wanneer we spreken over elektriciteit hebben we het meestal over kilowattuur (kWh). Dit is ook de maat van elektriciteit die we gebruiken om onze energierekening te betalen. Een gemiddeld huishouden gebruikt op jaar basis namelijk zo’n 2800 kWh. Op nationale schaal spreekt men echter niet meer over Kilowattuur (kWh) maar over Terawattuur (TWh) waarbij één TWh is gelijk aan 1.000.000.000 KWh. Op jaarbasis wordt er in Nederland nu 100 TWh aan elektriciteit gebruikt en door bijvoorbeeld elektrisch rijden zal dit de komende jaren alleen maar toenemen. Ook in de opwek van energie wordt er vaak gesproken over TWh en met name in het klimaatakkoord en de RES komt deze maat voor energie frequent terug. De maat is echter zodanig groot dat hij soms een wat ongrijpbaar blijft. Om die reden is in de tabel hieronder inzichtelijk gemaakt hoeveel hectare zonnevelden of hoeveel windturbines er nodig zijn om 1 TWh elektriciteit op te wekken. Tabel 1: vertaling van 1 TWh naar windturbines en zonnevelden (Tabel aanpassen aan laatste cijfers)
Techniek
Benodigde aantal voor 1 TWh
Windturbine
67 windturbines
Zonneveld
1000 hectare
Elektriciteit opbrengst per hectare of turbine +/- 0,014 TWh per turbine +/- 0,001 Twh per hectare
Opmerking Deze turbines hebben een tiphoogte van 240 meter hoog (gerbrandytoren is 367 meter hoog) 1 hectare is 100 bij 100 meter (10000 m2)
De weergave van hierboven is echter wel een versimpelde weergave van de werkelijkheid. Bij windturbines en zonnevelden zijn er namelijk meerdere variabele die van invloed zijn op de daadwerkelijke opwek. Zo heeft de afmeting en locatie van een windturbine invloed op de opbrengsten. Een kleinere turbine van 170 meter hoog heeft een aanzienlijke lagere opbrengst dan een windturbine van 240 meter hoog. Anderzijds levert een windturbine in het westen Nederland iets meer op dan een windturbine in het oosten van het land. Voor zonnevelden is voornamelijk de afstand tussen de panelen van belang. Wanneer er meer ruimte tussen de panelen wordt gelaten is er meer ruimte voor natuur en hebben planten enige ruimte om te groeien. Dit betekent wel dat de energieopbrengst per hectare daalt. Ter visualisatie zijn hieronder twee afbeeldingen opgenomen. De linker is van een zonneveld met veel ruimte tussen de panelen. De rechter afbeelding is van een zonneveld met weinig ruimte tussen de panelen.
Dit soort variabele en de beleidskeuzes die hierover worden gemaakt hebben invloed op de energieopbrengsten. Dit kan dan ook betekenen dat er meer turbines of hectare nodig zijn om dezelfde energieopbrengst te halen.
30 energieregio’s In het nationale Klimaatakkoord is Nederland opgedeeld in 30 energieregio’s. In deze energieregio’s werken gemeenten, waterschappen en provincies samen aan een Regionale Energiestrategie, ofwel de RES. In elke van deze regio wordt op de eerste plaats onderzocht waar en hoe er het best duurzame elektriciteit op land (wind en zon) kan worden opgewekt. Dit moet ervoor zorgen dat alle regio’s in 2030 gezamenlijk minimaal 35 TWh hernieuwbare elektriciteit opwekken. Hoe dit verdeeld wordt over de 30 regio’s in van te voren niet meegegeven. Daarnaast wordt in de RES ook in kaart gebracht welke warmtebronnen we kunnen gebruiken zodat onze wijken en gebouwen op termijn zonder aardgas kunnen worden verwarmt. Iedere regio brengt de onderdelen elektriciteit en warmte samen in zijn eigen Regionale Energiestrategie (RES). De gemeente IJsselstein is onderdeel van regio U16 waar 16 gemeenten, 4 waterschappen en de provincie Utrecht samen invulling geven aan de afspraken uit het Klimaatakkoord.
Van startnotitie naar Ontwerp RES naar RES 1.0 Als start van de regionale samenwerking op energie heeft de regio U16 net als veel andere regio’s een startnotitie gemaakt. In de startnotitie RES U16 hebben de 16 gemeenten, 4 waterschappen en de provincie Utrecht de uitgangspunten vastgelegd voor samenwerkingen in de Regionale Energiestrategie. Aanvullend daarop is in de startnotitie nader uiteengezet hoe men zou toewerken naar een Ontwerp Regionale Energiestrategie. Op basis van de uitgangspunten uit de Startnotitie is toegewerkt naar een Ontwerp RES met concept bod. In het Ontwerp RES zijn de eerste resultaten voor elektriciteit en warmte uiteengezet en hoe de regio daarna zou toewerken naar een RES 1.0. Aanvullend daarop heeft elke regio in een concept bod aangegeven welke deel van de nationale opgave zij in haar regio denkt te kunnen faciliteren 2. Op basis van de inzichten op het gebied van elektriciteit heeft de RES U16 in haar concept bod aangegeven in 2030 1,8 TWh duurzame energie te willen opwekken middels grootschalig zon op dak, zonnevelden en windturbines. Aanvullend daarop heeft de gemeente IJsselstein bij de behandeling van het ontwerp RES de ambitie uitgesproken om als gemeente in 2030 0,05 TWh bij te dragen aan de RES.
Waar en onder welke voorwaarde dit zou gebeuren zou nader worden uitwerkt in het Toets en-Afwegingskader duurzame energie dat in 2021 is voorgelegd. De startnotitie, het ontwerp RES en het toets- en afwegingskader vormen uiteindelijk allemaal input voor de RES 1.0. Dit is de eerste definitieve Regionale Energiestrategie van de Regio maar dat betekent niet dat we klaar zijn. De RES is continue proces dat hierna elke twee jaar wordt herijkt.
Relevante voorgaande besluiten IJsselstein Startnotitie: De startnotitie is terug te vinden onder agendapunt 10 van de raadsvergadering van 3 oktober 2019. Ontwerp RES: Het Ontwerp RES is terug te vinden onder agendapunt 9 van de raadsvergadering van 2 juli 2020. Toets- en afwegingskader duurzame energie: Het toets- en afwegingskader duurzame energie is terug te vinden onder agendapunt 7 van de raadsvergadering van 20 mei 2021
2
De PBL analyse van de concept RESen heeft laten zien dat de conceptplannen gezamenlijk optellen tot 52,5 TWh. Dit vormt een goed vertrekpunt om het doel van minimaal 35 TWh in 2030 te kunnen halen. Een groot deel van de plannen dient echter nog nader te worden uitgewerkt omdat deze nog weinig concreet zijn.