Bijlage 5. Quickscan Wet natuurbescherming Randdijk 21a te IJsselstein
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Randdijk 21 te IJsselstein Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0248
Datum:
28 maart 2023
Samensteller:
ir. ing. D. Bogers
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
VABO Ontwikkeling BV
Contactpersoon:
A.C. Kaasjager
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
24
3.3
Houtopstanden
26
4 Samenvatting
27
4.1
Soortenbescherming
27
4.2
Gebiedsbescherming
27
4.3
Houtopstanden
27
5 Conclusie
28
5.1
Conclusie
28
5.2
Uitvoerbaarheid
28
5.3
Vervolgstappen
28
5.4
Te treffen maatregelen
29
1 Inleiding Aan de Randdijk 21 te IJsselstein is een perceel met een woning, bedrijfsbebouwing en volkstuin gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens deze bestaande elementen op de planlocatie te verwijderen ten behoeve van de realisatie van circa 150 wooneenheden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. VABO Ontwikkeling BV heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Randdijk 21 te IJsselstein. De foto geeft een impressie van het noordoostelijke deel van het perceel, met uitzicht op de oostelijke kopgevel van een van de bedrijfsloodsen (gebouw 3 in figuur 1.2). De hoogbouw is buiten de planlocatie gelegen. 4
1.1
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de Randdijk 21 te IJsselstein (figuur 1.2). Het perceel kent de bestemming tuin, wonen, bedrijf en recreatie (volkstuin). Op de planlocatie zijn meerdere gebouwen aanwezig welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt worden (figuur 1.3), namelijk: 1.
Woning opgetrokken uit gemetselde muren met een ongeïsoleerde spouw en een pannen zadeldak voorzien van dakbeschot. 2. Klein bijgebouw opgetrokken uit halfsteens muren en een golfplaten dak zonder dakbeschot. De bebouwing verkeert in slechte staat, het dak is namelijk deels vervallen. 3. (Bedrijfs)loods opgetrokken uit betonblokken muren (zonder spouw), damwandplaten en houten schroten (aan de bovenzijde van de kopgevels) en een golfplaten dak zonder dakbeschot. Het dak is recentelijk vernieuwd. 4. Bedrijfsloods opgetrokken uit betonblokken muren (zonder spouw), damwandplaten en houten schroten (aan de bovenzijde van de kopgevels) en een golfplaten dak zonder dakbeschot. Het dak is recentelijk vernieuwd. Rond de bebouwing is het plangebied grotendeels verhard middels bestrating. Aan de randen van het perceel is sprake van begroeiing met (braam)struwelen, hoge begroeiing, (kleine) bomen en stapels snoeiafval. Het plangebied kent een laag onderhoudsbeeld door de aanwezigheid van verruigde vegetatie en plekken waar zich veel voorwerpen opstapelen. Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater. Het perceel wordt echter wel omrand door een frequent onderhouden kavelsloot met vrij steile oevers. Direct ten westen van het plangebied is een bomenrij gesitueerd. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep blijft deze behouden.
In figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Randdijk 21 te IJsselstein. De planlocatie is gelegen aan de oostelijke rand van het bebouwde gebied van IJsselstein. Ten westen van het plangebied zijn diverse flatgebouwen aanwezig. Het gebied direct ten noorden en oosten van de planlocatie is rijk aan bomen en water. Circa 290 meter ten oosten van de planlocatie is de A2 gesitueerd. De Nedereindse plas ligt circa 400 meter ten noorden van het plangebied.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de volgende gebouwen te slopen: 1) woning, 2) bijgebouw, 3) noordelijk gelegen bedrijfsloods en 4) zuidelijk gelegen bedrijfsloods.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving ten westen van de planlocatie.
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van circa 150 wooneenheden (appartementen). Ten behoeve van de nieuwbouw dienen de huidige bebouwing, bomen en overige groenstructuren te wijken. Er is geen sprake van het dempen van oppervlaktewater. Het bestemmingsplan dient gewijzigd te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen en rooien van struiken: kap- en rooiwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Quadrant Architecten BNA).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek
Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 27 februari 2023 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Bogers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 4 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 8
Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
9
In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing
Huisspitsmuis
Veldmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen
10
Weidevogelkerngebieden Windturbines en zonnevelden kunnen negatieve gevolgen hebben voor de weidevogelkerngebieden. Vanwege het belang van de energietransitie worden windturbines en zonnevelden echter niet uitgesloten binnen de weidevogelkerngebieden. Voorwaarde is wel dat er tegelijkertijd sprake is van aantoonbaar per saldo minimaal behoud van de kwaliteit van het leefgebied. De volgende factoren zijn belangrijk voor de geschiktheid van een gebied als leefgebied van weidevogels: voldoende omvang van het gebied (met daarbinnen zo mogelijk een reservaat als harde kern), openheid, rust, relatief hoge waterpeilen, agrarisch natuurbeheer gericht op weidevogels, een goede inrichting (zoals plas-dras, natuurvriendelijke oevers en microreliëf) en voorkomen van predatie. De regel heeft betrekking op weidevogelkerngebieden buiten het NNN. Voor de weidevogelkerngebieden binnen het NNN gelden de NNN-regels.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming
Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: kluwenklokje, knolspirea en stijve wolfsmelk (NDFF 2013-2023). Kluwenklokje groeit op zonnige, soms licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot vaak vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humushoudende grond (FLORON verspreidingsatlas). Voorbeelden van geschikte groeiplaatsen betreffen: bermen, (kalk)grasland, iets ruderale plaatsen, rivierdijken, bosranden en struwelen. Waarnemingen van kluwenklokje zijn uitsluitend bekend langs de Hollandsche IJssel, circa 530 m ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Dit betreft niet het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort (FLORON verspreidingsatlas). De planlocatie is gelegen op kalkloze poldervaaggronden (www.bodemdata.nl), waardoor er geen sprake is van geschikte groeiplaatsen.
Het voorkomen van kluwenklokje is op de planlocatie derhalve uitgesloten. Tevens is kluwenklokje buiten het natuurlijke verspreidingsgebied niet beschermd onder de Wet natuurbescherming (art. 3.10, lid 1c). Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van deze vaatplant in het natuurlijke verspreidingsgebied uitgesloten. Knolspirea groeit in (kalk)grasland, bermen en bosranden op zonnige, vrij droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, onbesmette en vaak kalkhoudende grond (FLORON verspreidingsatlas). Het voorkomen van knolspirea is bekend in een kruidentuin, circa 1,8 km ten noorden van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Dit betreft niet het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort (FLORON verspreidingsatlas). Op de planlocatie groeien plantensoorten die indicatief zijn voor (zeer) voedselrijke omstandigheden, namelijk: braam spec., kleine brandnetel en ridderzuring. Tevens ontbreekt het op het perceel aan kalkrijke omstandigheden. Wegens het ontbreken van geschikte abiotische omstandigheden kan de aanwezigheid van knolspirea op de planlocatie uitgesloten worden. Tevens is de omgeving van de planlocatie geen onderdeel van het natuurlijke verspreidingsgebied van knolspirea, waardoor eventueel aanwezige planten niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (art. 3.10, Lid 1c).
Stijve wolfsmelk groeit op open, zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke en kalkrijke grond (FLORON verspreidingsatlas). De soort komt onder andere voor in akkers, bosranden, heggen, kapvlakten, stenige plaatsen, slootkanten, bermen en dijken. De planlocatie beschikt over een volkstuin (i.e. kleinschalige akker), stenige plaatsen, heggen/struiken en slootkanten. Stijve wolfsmelk is in 2014 en 2015 waargenomen op circa 780 meter afstand van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Wegens de aanwezigheid van potentieel geschikte groeiplaatsen en de bekende aanwezigheid van de soort op korte afstand van de planlocatie, kan de aanwezigheid van stijve wolfsmelk op de planlocatie op voorhand niet uitgesloten worden. Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van groeiplaatsen van de soort. Middels een aanvullend onderzoek dient de aan- of afwezigheid van de soort voorafgaand aan de werkzaamheden vastgesteld te worden (zie H5.3).
12
De planlocatie betreft een perceel wat gedeeltelijk bebouwd en verhard is. De onverharde delen van het perceel zijn verruigd en voornamelijk begroeid met hoog gras of braamstruweel. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: braam spec., kleine brandnetel, klimop, paardenbloem, paarse dovenetel, ridderzuring, robertskruid, tongvaren, vogelmuur en witte dovenetel. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de boommarter en steenmarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De steenmarter komt, ook nabij steden, met name voor op plekken met voldoende dekkingselementen, zoals heggen, struwelen, groenstroken en bermen. Als rust- en voortplantingsplaats heeft de soort een voorkeur voor (verlaten) gebouwen, maar ook boomholtes, takkenhopen of dichte struwelen worden hiervoor gebruikt.
Op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan zijn voor de steenmarter volop geschikte foerageergebieden aanwezig, zoals de ruigtes in het noorden en westen van het plangebied en het bosje ten noorden hiervan. Op de planlocatie zelf zijn voor de steenmarter grote hoeveelheden schuilplaatsen beschikbaar. De aanwezigheid van dichte struwelen, opgestapelde voorwerpen en steenhopen maken de planlocatie aantrekkelijk leefgebied voor de soort (figuur 3.1). Het bijgebouw (2) en de twee bedrijfsloodsen (3 en 4) zijn voor de steenmarter vrij toegankelijk middels diverse openingen (figuur 3.1). In deze opstallen zijn, wegens de aanwezigheid van een grote hoeveelheid spullen, volop plekken waar de soort weg kan kruipen en niet verstoord wordt door mensen of andere dieren. Op basis van de ligging en karakteristieken van de planlocatie kan de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de steenmarter derhalve niet uitgesloten worden. Om te bepalen of er binnen beoogde ruimtelijke ingreep sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, dient een aanvullend onderzoek naar de steenmarter uitgevoerd te worden (zie H5.3).
Figuur 3.1 Impressie van de openingen in de bedrijfsloodsen die de bebouwing toegankelijk maken voor o.a. steenmarter (foto’s boven). De planlocatie beschikt over veel elementen die de steenmarter voldoende dekking kunnen bieden, zoals struwelen en houtstapels (foto’s onder).
13
De boommarter leeft in allerlei typen bos. De rust- en voortplantingsplaatsen van de boommarter bestaan onder andere uit boomholten, holen van andere zoogdieren, ruimten tussen boomwortels en takkenhopen (www.zoogdiervereniging.nl). In enkele gevallen worden gebouwen die in of aan de rand van het bos staan gebruikt als verblijfplaats. Op de planlocatie is geen bos aanwezig. Derhalve is er geen sprake van (het wegnemen) van essentieel leefgebied van de boommarter. Tevens staan er op de planlocatie geen essentiële geleidende (groen)structuren. De te kappen bomen beschikken niet over boomholten. Hoewel de planlocatie is gelegen nabij (park)bos en een gedeelte van de bebouwing beschikt over openingen die de boommarter toegang kunnen verlenen tot de bebouwing, kan de aanwezigheid van rust- of voortplantingsplaatsen op de planlocatie uitgesloten worden. Het (park)bos nabij de planlocatie is namelijk beperkt in omvang (maximaal 100 ha) en is zeer geïsoleerd gelegen, tussen diverse (snel)wegen en stedelijke gebieden. Gezien boommarter mannetjes over het algemeen beschikken over een zeer groot territorium (circa 1000 ha; Zoogdiervereniging.nl), biedt het parkbos nabij de planlocatie geen aantrekkelijk langdurig leefgebied. Derhalve is ook de aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen binnen de planlocatie uitgesloten.
De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel, konijn en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Voor alle bomen op de planlocatie geldt dat deze elementen afwezig zijn. In één boom direct ten westen van de planlocatie zijn echter meerdere spechtenholen aangetroffen (figuur 3.2). Deze boom kan door vleermuizen gebruikt worden als verblijfplaats. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep komt deze boom niet te vervallen. De potentieel aanwezige vleermuisverblijfplaatsen blijven derhalve ook gehandhaafd. Indien lichtverstoring middels diverse maatregelen (zie H5.4) wordt beperkt, resulteert de ontwikkeling niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
Figuur 3.2 Eén boom, net ten westen van het plangebied, bevat meerdere spechtenholen. De openingen zijn gericht naar de planlocatie. Voor vleermuizen zijn dit potentiële verblijfplaatsen. De boom blijft binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden.
14
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Onderstaand wordt een beknopte beoordeling gegeven voor alle gebouwen binnen het plangebied. De woning (1) is opgetrokken uit gemetselde muren met een geïsoleerde spouw en een pannendak met dakbeschot. De spouw- en dakruimte zijn voor vleermuizen toegankelijk middels verschillende open stootvoegen en kierende kantpannen, respectievelijk (figuur 3.3). Er zijn potentiële invliegopeningen aanwezig aan alle zijden van het gebouw. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen is in de te slopen woning derhalve niet uit te sluiten.
Figuur 3.3 De te slopen woning (1) heeft potentie voor de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen. De spouw en open dakruimte zijn toegankelijk middels open stootvoegen en kieren achter de kantpannen, respectievelijk. De foto’s weergeven een impressie van de potentiële in- en uitvliegopeningen. Het bijgebouw (2) en de twee bedrijfsloodsen (3 en 4) zijn opgetrokken uit muren zonder spouwruimte en daken zonder dakbeschot. Er zijn derhalve geen krappe ruimtes aanwezig waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen vinden. Hoewel er in het bijgebouw overdag sprake is van veel lichtverstoring (en er derhalve in de open ruimte geen sprake is van een geschikte vleermuisverblijfplaats), beschikken de bedrijfsloodsen niet over ramen. Gezien de mate van donkerte aan de binnenzijde van de bebouwing, is het niet uit te sluiten dat vleermuissoorten als de gewone grootoorvleermuis de bebouwing gebruiken als verblijfplaats. De open ruimten in de loodsen zijn toegankelijk middels diverse openingen en kieren, verspreid over alle zijden van het gebouw (figuur 3.4). De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kan in de twee bedrijfsloodsen derhalve op voorhand niet uitgesloten worden.
15
Figuur 3.4 De donkere open ruimten van de twee bedrijfsloodsen zijn voor vleermuizen toegankelijk middels openingen bij de houten schroten aan de westelijk georiënteerde kopgevels (foto links) en de inhammen nabij de dakvoet van de golfplaten daken (foto rechts). Mogelijk gebruiken vleermuizen de te slopen woning (1) en twee bedrijfsloodsen (3 en 4) als verblijfplaats. Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep, waarbij deze opstallen worden gesloopt, resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (grens tussen landelijk en stedelijk gebied) en de type bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis (tabel 3.1). Voor de meervleermuis geldt dat er enkel potentie is voor de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen. Gezien de planlocatie niet is gelegen nabij een trekroute (zoals een rivier of kanaal) of overwinteringslocatie (zoals grotten, forten en bunkers) van deze soort, kan de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen van de meervleermuis op voorhand uitgesloten worden.
Om aanof afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient, voorafgaand aan de start van de werkzaamheden, aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3). Binnen de verstoringszone van de ontwikkeling zijn geen gebouwen aanwezig. Van verstoring van vleermuisverblijfplaatsen die gesitueerd zijn buiten de planlocatie is derhalve geen sprake. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie fungeert wegens de aanwezigheid van kleine bomen en struwelen mogelijk als algemeen foerageergebied voor vleermuizen. Nabij de planlocatie zijn echter diverse houtopstanden en (grote) oppervlaktewateren (o.a. de Nedereindse Plas) aanwezig. Deze gebieden vormen voor vleermuizen foerageergebieden van hogere kwaliteit. De planlocatie vormt derhalve geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. De planlocatie bevat geen (delen van) essentiële vliegroutes voor vleermuizen, zoals grootschalige bomenrijen of lijnvormige wateren. De bomenrij direct ten westen van de planlocatie blijft binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden. In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast diverse houtopstanden en bomen aanwezig die mogelijk dienen als vliegroute.
Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze (potentiële) vliegroutes niet weggenomen. Tijdens de bouw- en gebruiksfase dient lichtverstoring op alle omliggende bomen zo veel mogelijk beperkt te worden (zie H5.4), dit om de functionaliteit van eventuele vliegroutes te waarborgen.
16
Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Ruige dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Kleine dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Laatvlieger
Ja
Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Planlocatie ligt binnen nabij een bosgebied met weinig lichtverstoring
Meervleermuis
Ja
Aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving en binnen bekende verspreiding
Watervleermuis
Nee
Geen verblijfplaatsen in bomen
Rosse vleermuis
Nee
Geen verblijfplaatsen in bomen
Tweekleurige vleermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee
Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 3.2
Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Kleine dwergvleermuis
Ja
Ja
Nee
Nee
Meervleermuis
Ja
Ja
Nee
Nee
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad. Amfibieën, waaronder bovengenoemde beschermde soorten, leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De Alpenwatersalamander komt voor in heidegebieden, agrarisch gebied, op ruderale terreinen en in dorpen en steden. Het voortplantingswater van de Alpenwatersalamander bestaat uit allerlei oppervlaktewateren, met uitzondering van stromende of visrijke wateren. De bodem van het voortplantingswater is vaak bedekt met een dikke laag dood blad. De soort maakt ook gebruik van beschaduwde wateren. De voortplantingswateren liggen vaak in of nabij bos. Voor het landhabitat zijn o.a. bos en kleinschalige landschapselementen (zoals heggen en struweel) van belang. Overwintering vindt o.a.
plaats in houtstapels, houtwallen, stenenstapels en afvalhopen (Creemers en van Delft, 2009). Waarnemingen van de Alpenwatersalamander zijn bekend in een woonwijk aan de overzijde van de A2 (circa 1,4 km; NDFF 2013-2023). De sloten rond het plangebied sluiten aan op de habitateisen van de Alpenwatersalamander (figuur 3.5). 17
Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze sloten niet weggenomen. De struwelen, hout-, afval- en stenenstapels op de planlocatie zijn, gezien ze zijn gelegen nabij potentieel voortplantingswater, mogelijk onderdeel van het landhabitat of overwinteringsgebied van de Alpenwatersalamander (figuur 3.5). Gezien alle groenstructuren binnen het plangebied komen te vervallen, is er mogelijk sprake van het wegnemen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de Alpenwatersalamander. Om de aan- of afwezigheid van de soort in de sloten (en derhalve ook op het land) vast te stellen, dient een aanvullend onderzoek naar de Alpenwatersalamander uitgevoerd te worden middels de bemonstering van de omliggende watergangen middels eDNA (zie H5.3). De heikikker komt voor in en rond ondiepe, voedselarme en enigszins zure watersystemen. Vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het voortplantingswater dient tevens zonbeschenen te zijn en begroeid met waterplanten. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtig te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtige half-natuurlijke graslanden. Overwintering vindt veelal plaats in afgetrapte slootkanten of bosjes (Creemers & van Delft, 2009). Het landhabitat en overwinteringsgebied van de heikikker is gesitueerd nabij het voortplantingswater.
In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van de soort vrijwel uitsluitend bekend in open agrarisch gebied (NDFF 2013-2023). De sloten rond de planlocatie zijn sterk beschaduwd wegens de aanwezigheid van parkbos en dichte begroeiing. Om diezelfde reden ontbreekt een uitbundige watervegetatie. Derhalve is er geen sprake van geschikt voortplantingswater voor de heikikker. Gezien de sloten nabij de planlocatie geen geschikt voortplantingswater vormen, kan uitgesloten worden dat de planlocatie onderdeel is van het landhabitat of overwinteringsgebied van de heikikker. Negatieve effecten ten aanzien van de heikikker zijn derhalve uitgesloten.
Figuur 3.5 Direct aangrenzend aan de planlocatie is een sloot gesitueerd (foto’s boven). Aan de sloot zijn geen werkzaamheden beoogd. Aan de randen van de planlocatie zijn dichte (braam)struiken en houtstapels gesitueerd (foto’s onder). Voor amfibieën die de sloot als voortplantingswater gebruiken vormen deze structuren geschikt overwinteringsgebied. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op en bevat bij voorkeur geen vegetatie en concurrentie van andere amfibieën. Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand en geschikte poeltjes. Mogelijk ontstaat er tijdens de geplande werkzaamheden wel geschikt leefgebied voor de soort. De rugstreeppad is in de afgelopen 3 jaar waargenomen op circa 800 meter afstand van de planlocatie (NDFF 2013-2023). 18
Tussen de planlocatie en de waarnemingslocatie zijn geen grote migratiebarrières aanwezig. Kolonisatie van de planlocatie gedurende de werkzaamheden kan derhalve niet uitgesloten worden. Conform het Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017) dienen derhalve maatregelen getroffen te worden om de kolonisatie van de planlocatie te voorkomen. Het terrein dient middels enkele maatregelen gedurende de (bouw)werkzaamheden ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor de rugstreeppad (zie voor meer informatie H5.4 en bijlage 2). De vroedmeesterpad komt van nature alleen voor in Zuid-Limburg. Het voortplantingswater van de soort kent weinig eisen. Het landhabitat van de soort bestaat uit ruderaal terrein (groeven), half natuurlijke graslanden en steden en dorpen. Overwintering is vastgesteld in stenige biotopen, hellingbossen, kalksteengroeven en gebouwen. Gezien de individuen in de buurt van de planlocatie uitgezette of verwilderde individuen betreffen, zijn deze niet beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Tevens is de soort enkel aan de overzijde van de A2 is waargenomen (NDFF 20132023), waardoor de aanwezigheid van natuurlijke aanwezigheid van de vroedmeesterpad op de planlocatie uitgesloten kan worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie.
Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is gebonden aan rustige, waterrijke gebieden en jaagt voornamelijk op amfibieën. De soort overwintert onder andere tussen houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. Overwintering vindt plaats op vorstvrije plaatsen, zoals houtstapels. De planlocatie word omringd door intensief onderhouden sloten nabij stedelijk gebied. Derhalve wordt al het platenmateriaal afgevoerd en is er geen sprake van geschikte locaties om eieren te leggen. De steile oevers van de sloten worden over het algemeen niet geprefereerd door de soort. De ringslang is binnen een straal van 2 km van de planlocatie slechts één keer waargenomen, op circa 1,6 km afstand van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Met name in een recreatiegebied zoals de Nedereindse Plas zou de soort, indien deze aanwezig is, veel waargenomen kunnen worden.
Derhalve kan er vanuit gegaan worden dat er geen populatie is gevestigd nabij de planlocatie. Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied en de afwezigheid van waarnemingen, kan de aanwezigheid van de ringslang op de planlocatie uitgesloten worden. Waarnemingen van de zandhagedis zijn binnen een straal van 2 km van de planlocatie niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie valt tevens niet binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort (www.verspreidingsatlas.nl). Gedurende het veldbezoek is ter sprake gekomen dat er in het verleden zandhagedissen zijn uitgezet binnen het plangebied. Wegens het ontbreken van zandige hellingen en een rijke vegetatiestructuur is het niet aannemelijk dat de soort zich binnen het plangebied langdurig zal kunnen vestigen. Gezien de dieren zijn uitgezet zijn zij niet beschermd onder art. 3.5 van de Wet natuurbescherming. De Algemene zorgplicht is voor alle fauna van toepassing. In het kader van de Algemene zorgplicht dienen maatregelen getroffen te worden (zie H5.4). Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
19
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Er zijn geen werkzaamheden beoogd aan de sloten rond het plangebied. Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden voor algemene vissoorten (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen derhalve geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos en teunisbloempijlstaart (NDFF 2013-2023). De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving. Waardplanten zijn iep; ook zoete kers en sommige wilgensoorten worden gebruikt (www.vlinderstichting.nl). De soort is meermaals waargenomen in een bosgebied, circa 1,4 km ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Deze waarnemingen zijn uitsluitend gedaan in 2014. Nabij de planlocatie zijn waarnemingen niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft geen bos. Op de planlocatie zijn wel diverse bomen aanwezig welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gekapt worden, onder andere diverse wilgensoorten.
Gezien de afwezigheid van een recentelijk vastgestelde populatie en het zwervende karakter van de soort, kan de aanwezigheid van vaste voorplantingsplaatsen op de planlocatie uitgesloten worden. De kap van de bomen op de planlocatie leidt derhalve niet tot overtreding van de verbodsbepaling in artikel 3.10, lid 1b van de Wet natuurbescherming. De te kappen bomen beschikken niet over holten (i.e. overwinteringslocaties). Gezien er in de omgeving parkbos aanwezig is, zijn er voor de soort voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden. Om het doden van eventueel sporadisch aanwezige individuen en eieren te voorkomen, dienen de kapwerkzaamheden uitgevoerd te worden buiten de ei- en rupsperiode van de grote vos. Ten aanzien van de grote vos kunnen de kapwerkzaamheden derhalve uitgevoerd worden in de periode begin oktober – eind februari (www.vlinderstichting.nl). De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Vaak zijn dit braakliggende of ruderale terreinen. De rupsen van de teunisbloempijlstaart leven voornamelijk van (middelste) teunisbloem, maar soms ook van (harig) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart. De soort vliegt van mei tot juni in één generatie. Rupsen zijn aanwezig van juni tot september. De overwintering vindt plaats als pop in de strooisellaag.
De planlocatie betreft een verwilderd terrein in een redelijk ver ontwikkelingsstadium. De omstandigheden zijn voor waardplanten van de teunisbloempijlstaart (vaak pionierssoorten) derhalve niet geschikt. Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is daarnaast slechts één waarneming van teunisbloempijlstaat bekend (NDFF 2013-2023). Er is dus geen sprake van een bekende populatie. Deze argumenten, samen met het zwervende karakter van de teunisbloempijlstaart, sluiten uit dat er op de planlocatie vaste rust- of voortplantingsplaatsen of essentieel leefgebied van de teunisbloempijlstaart aanwezig zijn. Negatieve effecten ten aanzien van deze soort zijn derhalve uitgesloten. Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd (overvliegend), ekster, grote bonte specht, houtduif, kauw en koolmees. Gedurende het veldbezoek zijn op de planlocatie geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied.
20
Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De te slopen woning (1) is opgetrokken uit gemetselde muren en een pannen zadeldak voorzien van dakbeschot. De ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot is voor de huismus toegankelijk aan de dakvoet van de woning (figuur 3.6). Ook het overstek is dermate vervallen dat de binnenzijde kan fungeren als een nestlocatie voor de huismus (figuur 3.6). De aanwezigheid van huismusnesten is in de te slopen woning derhalve niet uit te sluiten. Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde sloop resulteert in het wegnemen van huismusnesten. Derhalve dient een soortspecifiek aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van huismusnesten te onderzoeken (zie H5.3).
Figuur 3.6 De te slopen woning (1) faciliteert voor de huismus potentiële nestlocaties aan de dakvoet en het vervallen overstek van de woning. Het bijgebouw (2) en de twee bedrijfsloodsen (3 en 4) zijn opgetrokken uit muren zonder spouwruimte en daken zonder dakbeschot. Wegens de afwezigheid van dakbeschot is het voor de huismus niet mogelijk om een nestlocatie te vinden in de dakruimte van deze opstallen. Het bijgebouw beschikt niet over een spantconstructie. De spantconstructies van de twee bedrijfsloodsen zijn, samen met de daken, recentelijk vernieuwd. De spantconstructies zijn relatief dun en bevatten geen plekken met voldoende ruimte voor een huismusnest. Wegens het ontbreken van geschikte nestlocaties kan de aanwezigheid van huismusnesten in het bijgebouw en de twee bedrijfsloodsen uitgesloten worden. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wordt een aanzienlijke hoeveelheid groen weggehaald, onder andere struiken en kleine bomen. Indien er huismusnesten aanwezig zijn op de planlocatie zijn deze groenstructuren mogelijk onderdeel van het essentiële leefgebied van de soort. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden waarin de aan- of afwezigheid van huismusnesten in de woning (1) en essentieel leefgebied op de planlocatie wordt vastgesteld (zie H5.3).
Binnen de verstoringszone van de ontwikkeling zijn geen gebouwen aanwezig, van verstoring van huismusnesten welke nestelen buiten de planlocatie is derhalve geen sprake.
21
De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De planlocatie is gelegen nabij stedelijk gebied. In een gebouw op circa 60 meter van de planlocatie is een nestlocatie van de gierzwaluw vastgesteld (NDFF 2013-2023). De te slopen woning (1) is opgetrokken uit gemetselde muren en een pannen zadeldak voorzien van dakbeschot. Met name aan de kopgevels is achter de kantpannen voldoende ruimte aanwezig om gierzwaluwen toegang te geven tot de dakruimte (zie figuur 3.3, rechts onder; figuur 3.6, links boven). Deze openingen beschikken over een gunstige aanvliegroute. De aanwezigheid van gierzwaluwnesten kan in de woning op voorhand derhalve niet uitgesloten worden.
Het bijgebouw (2) en de bedrijfsloodsen (3 en 4) beschikken niet over een spouwruimte of dakbeschot. Wegens het ontbreken van een dakruimte kan de aanwezigheid van gierzwaluwnesten in deze opstallen uitgesloten worden. Om de aan- of afwezigheid van gierzwaluwnesten in de woning (1) vast te stellen, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een soortspecifiek aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3). Kerkuil en steenuil zijn voor hun roest- en nestlocatie beide veelal gebonden aan menselijke bebouwing. Het jachtgebied van deze soorten bestaat uit agrarische gronden, bij voorkeur met voldoende afwisseling en structuurelementen. De te slopen bedrijfsloodsen (3 en 4) op de planlocatie zijn uitermate geschikt als nest- of rustlocatie voor kerkuil en steenuil. Deze opstallen zijn namelijk gelegen nabij geschikte foerageergebieden en zijn voor uilen toegankelijk middels diverse openingen, verspreid over de gevels van de bebouwing (figuur 3.7). In de loodsen zijn voor uilen voldoende rustige plekken aanwezig om weg te kruipen. Tijdens het veldbezoek is ter sprake gekomen er dat in het verleden een uil (soort onbekend) met regelmaat gebruik maakte van de noordelijk gelegen bedrijfsloods (gebouw 3 in figuur 1.2). Deze uil gebruikte een opening in de nok van de oostelijke kopgevel als in- en uitvliegopening. Na het vervangen van het dak is de betreffende uil dood gevonden.
Tevens is de opening in de kopgevel afgedicht met pur. Echter zijn er in de bedrijfsloods nog voldoende alternatieve openingen waar uilen het gebouw op dit moment nog wel kunnen betreden. Om de aan- of afwezigheid van nest- en rustlocaties van kerkuil en steenuil op de planlocatie vast te stellen, dient derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. Op de planlocatie zijn vrijwel alleen kleinere bomen aanwezig, welke voor roofvogels over het algemeen niet de voorkeur hebben als nestlocatie. In het parkbos ten noorden van het plangebied zijn mogelijk nestlocaties van roofvogels, zoals buizerd, aanwezig. Eventuele nestlocaties bevinden zich buiten de verstoringszone van de werkzaamheden. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan op de planlocatie uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten, in de omgeving is namelijk voldoende alternatieve groene, open ruimte aanwezig. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten zijn derhalve uitgesloten.
22
Figuur 3.7 De te slopen bedrijfsloodsen (3, foto’s boven; 4, foto’s onder) zijn voor uilen (kerkuil en steenuil) toegankelijk middels diverse openingen. De foto’s weergeven een impressie van de aanwezige openingen. In de bebouwing zijn voldoende plekken aanwezig waar uilen weg kunnen kruipen en een rust- of nestlocatie kunnen vinden. Vogels – Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
23
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 6,0 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’ (figuur 3.8).
Figuur 3.8 De planlocatie ligt op een afstand van circa 6,0 km tot het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van circa 150 nieuwe wooneenheden. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien de grote omvang van de ontwikkeling en de afstand (6,0 km) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee wordt rekenkundig inzichtelijk gemaakt of de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in een verhoging van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebied. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. Op een afstand van circa 1,1 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.9). Op een afstand van circa 1,2 km ligt de Groene contour (figuur 3.10). Weidevogelkerngebied is gelegen op een afstand van circa 6,2 km van de planlocatie (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
24
Figuur 3.9 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
Figuur 3.10 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,2 km tot de Groene Contour (bron: www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
25
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.