Bijlage 3 Was-Wordt-tabel
Tekst van het document
Bijlage 3 bij Wijziging Gemeenschappelijke Regeling Werk en Inkomen Lekstroom (4e wijziging) Was-wordt-tabel Geldende tekst
Nieuwe tekst
Aanhef
Aanhef
Intitulé Gemeenschappelijke regeling Werk & Inkomen Lekstroom
Intitulé Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom
De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft
De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik en Nieuwegein, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;
overwegende,
gelet op dat de sociale zekerheid voor ingrijpende veranderingen staat; dat, naast het overhevelen van taken door het rijk naar de gemeenten, verwacht mag worden dat de veranderingen in de sociale zekerheid gepaard gaan met structurele bezuinigingen, waardoor het budget voor gemeenten aanzienlijk zal krimpen; dat er een gevoel van urgentie is over de noodzaak van samenwerking om deze opgaven op te kunnen pakken: grotere doelgroep, minder middelen, betere verbinding met de arbeidsmarkt; dat daarom is ingestemd met samenwerking en de vorming van een regionale sociale dienst per 1 januari 2013; dat een gemeenschappelijke regeling met een openbaar lichaam de meest geschikte juridische vorm is voor deze Regionale Sociale Dienst; dat de genoemde bestuursorganen door regionaal samen te werken in ieder geval willen realiseren: een meer effectieve uitvoering en daardoor meer kansen om hun burgers naar vermogen te laten participeren in het arbeidsproces, een minder kwetsbare uitvoering en een betere borging van de kwaliteit van de dienstverlening aan burgers, een duurzaam efficiënte uitvoering en daardoor meer control en minder (financiële) risico’s voor alle afzonderlijke gemeenten;
de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet; de toestemming van de gemeenteraden van Houten, IJsselstein, Lopik en Nieuwegein overeenkomstig artikel 1, vierde en vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; besluiten: de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom te wijzigen, zodat deze komt te luiden als volgt:
Geldende tekst
Nieuwe tekst
dat de Wet gemeenschappelijke regelingen onlangs is aangepast, zodat deze gemeenschappelijke regeling in overeenstemming moet worden gebracht met de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen; gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet; de toestemming van de gemeenteraden van Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vianen overeenkomstig artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, besluiten: de Gemeenschappelijke regeling Werk & Inkomen Lekstroom te wijzigen zodat deze komt te luiden als volgt:
---
Artikel 24a Actieve informatieplicht 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur respectievelijk de voorzitter geeft de deelnemende raden alle informatie die voor een juiste beoordeling van het gevoerde beleid nodig is. Het bestuursorgaan dat het aangaat bepaalt het meest geëigende middel waarmee het de betreffende inlichtingen geeft. 2. Daarnaast geeft het dagelijks bestuur tweemaal per jaar informatie aan de raden over ontwikkelingen binnen het sociaal domein, de keuzes die gemaakt kunnen worden en de betekenis ervan voor de ontwikkelingen binnen de dienst. Voor zover mogelijk wordt daarbij inzicht verschaft in de kosten die daarmee gepaard gaan. Dit voorjaars- en najaarsgesprek vindt op een zodanig moment plaats dat de informatie die gegeven wordt kan worden betrokken bij de vaststelling van de begroting c.q. de opstelling van de kaderbrief.
---
Artikel 24b Participatie belanghebbenden en ingezetenen 1. Belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken door tussenkomst van een regionale cliëntenraad. De instelling en werkwijze van de regionale cliëntenraad wordt vastgesteld bij verordening.
202403 Was-wordt-tabel bij voorstel wijziging GR WIL
2
Geldende tekst
Nieuwe tekst 2. Belanghebbenden en ingezetenen van de deelnemende gemeenten kunnen bij het algemeen bestuur inspreken aan het begin van de vergadering van het algemeen bestuur over onderwerpen die op de agenda van het algemeen bestuur staan. In het reglement van orde, bedoeld in artikel 11, eerste lid, worden nadere regels gesteld omtrent deze inspraak.
Artikel 25
Artikel 25
1. […] 2. Het algemeen bestuur stuurt jaarlijks voor 1 februari een ontwerpkaderbrief, waarin vervat de algemene en financiële beleidsmatige kaders, naar de raden als startdocument voor het overleg met de deelnemende gemeenten over het te voeren beleid. De kaderbrief is het uitgangs- en startpunt voor de begroting van het daaropvolgende jaar. 3. De strategische visie en de ontwerpkaderbrief worden voor zienswijzen aan de raden van de gemeenten voorgelegd.
1. […] 2. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks voor 1 januari een ontwerpkaderbrief, waarin vervat de algemene en financiële beleidsmatige kaders, naar de raden als startdocument voor het overleg met de deelnemende gemeenten over het te voeren beleid. De kaderbrief is het uitgangs- en startpunt voor de begroting van het daaropvolgende jaar. In de ontwerpkaderbrief wordt ingegaan op de eerder vastgestelde strategische visie. Aangegeven wordt of de verwachte ontwikkelingen nog in lijn zijn met de strategische visie of dat bijsturing gewenst is. 3. De strategische visie en de ontwerpkaderbrief worden voor een zienswijze aan de raden van de gemeenten voorgelegd. 4. Voorafgaande aan het nemen van het besluit over de strategische visie en de kaderbrief stelt het dagelijks bestuur de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Artikel 27 Begrotingsprocedure
Artikel 27 Zienswijzeprocedure en vaststelling begroting
1.
2.
Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting met toelichting en een meerjarenbegroting met toelichting voor tenminste drie op het begrotingsjaar volgende jaren op. Hierbij neemt de dienst de jaarbegrotingen uit de jaarplannen lokaal werkteam van de deelnemende gemeenten, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, onder m, geconsolideerd over. Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 1 mei, maar in ieder geval acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, deze ontwerpbegroting en meerjarenbegroting van de dienst voor het komende begrotingsjaar, vergezeld van een toelichting, toe aan de raden van de gemeenten.
1. Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting met toelichting en een meerjarenbegroting met toelichting voor tenminste drie op het begrotingsjaar volgende jaren op. Hierbij neemt de dienst de jaarbegrotingen uit de jaarplannen lokaal werkteam van de deelnemende gemeenten, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, onder m, geconsolideerd over. 2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste twaalf weken voordat de ontwerpbegroting aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden. 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.
202403 Was-wordt-tabel bij voorstel wijziging GR WIL
3
Geldende tekst 3.
4.
5.
6.
7.
8.
De ontwerpbegroting en de meerjarenbegroting, alsmede de eventuele nota van wijzigingen, wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190, tweede en derde lid van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. De zienswijze van de raden alsmede de eventuele nota van wijzigingen worden uiterlijk twee weken voor de vaststelling toegezonden aan het algemeen bestuur. Terstond na de vaststelling zendt het algemeen bestuur de begroting en de meerjarenbegroting aan de raden van de deelnemers, die eventueel terzake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het dagelijks bestuur zendt de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting en de meerjarenbegroting binnen twee weken na vaststelling, doch uiterlijk vóór 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop zij betrekking hebben, aan gedeputeerde staten.
Met betrekking tot begrotingswijzigingen is het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de wijzigingen die geen invloed hebben op de bijdragen van de deelnemers en de genoemde data.
Artikel 38, lid 5
Nieuwe tekst 4. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 6. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. 7. Na vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 9. Het bepaalde in het tweede, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten.
Het bepaalde in het zesde, zevende en achtste lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 15 september hoeft plaats te vinden. Dit lid vervalt
Van elk besluit tot toetreding van een gemeente wordt kennis gegeven aan gedeputeerde staten en aan het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
202403 Was-wordt-tabel bij voorstel wijziging GR WIL
4
Geldende tekst
Nieuwe tekst
Artikel 39 Uittreding
Artikel 39 Uittreding
1. Een deelnemende gemeente kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de betreffende bestuursorganen. 2. Het dagelijks bestuur zendt het besluit tot uittreding van een gemeente aan de raden van de overige deelnemende gemeenten. 3. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van het besluit tot uittreden in kennis is gesteld. 4. De financiële schade die door de uittreding aan de dienst is toegebracht, wordt, inclusief de hierdoor ontstane wachtgeldverplichtingen, aan de uittredende gemeente in rekening gebracht. 5. De dienst en de uittredende gemeente vragen gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van de financiële schade als bedoeld in het vierde lid. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend, onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de wet. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente. 6. Van elk besluit tot uittreding van een gemeente wordt kennis gegeven aan gedeputeerde staten en aan het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
1. Een deelnemer kan uit de regeling treden door toezending van de daartoe strekkende besluiten van de bestuursorganen aan het algemeen bestuur en aan de overige deelnemers. 2. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van het besluit tot uittreden in kennis is gesteld. 3. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding die het directe gevolg zijn van de uittreding en de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan. De financiële gevolgen van de uittreding worden – inclusief de hierdoor ontstane personele verplichtingen – aan de uittredende deelnemer in rekening gebracht. 4. De financiële gevolgen bestaan uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. De frictiekosten en desintegratiekosten worden berekend op basis van de principes van goed koopmanschap en de principes van accounting. 5. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van een deelnemer. 6.
Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 7. Bij het vaststellen van de hoogte van de desintegratiekosten wordt gekeken naar een periode van 5 jaar of zoveel korter als financieel verantwoord voor het openbaar lichaam. 8. Het eventueel aanwezige vermogen gaat op basis van de verdeelsleutel zoals gold in het jaar waarin tot uittreding werd besloten naar de uittredende deelnemer, tenzij de deelnemende gemeenten tot een andere verdeling komen. 9. De financiële adviseurs van de dienst en de uittredende deelnemer adviseren in gezamenlijkheid over de vaststelling van de financiële gevolgen als bedoeld in het vierde tot en met achtste lid. Als dit niet tot een gedragen advies en vaststelling leidt vragen de dienst en de
202403 Was-wordt-tabel bij voorstel wijziging GR WIL
5
Geldende tekst
Nieuwe tekst uittredende deelnemer gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van genoemde financiële gevolgen. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend, onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de wet. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende deelnemer.
Artikel 40, lid 4
Artikel 40, lid 4
4. Het algemeen bestuur stelt op basis van de besluiten van alle bestuursorganen vast of al dan niet aan het gestelde in het tweede en derde lid is voldaan. Zij geeft daarvan kennis aan de deelnemende gemeenten. Van elk besluit tot wijziging van de regeling wordt kennisgegeven aan gedeputeerde staten. Artikel 43 Inwerkingtreding
4. Het algemeen bestuur stelt op basis van de besluiten van alle bestuursorganen vast of al dan niet aan het gestelde in het tweede en derde lid is voldaan. Zij geeft daarvan kennis aan de deelnemende gemeenten.
1. Deze wijziging van de regeling treedt in werking op 1 januari 2016, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de wet. 2. Het college van de gemeente Nieuwegein zendt de gewijzigde regeling aan gedeputeerde staten. 3. Het college van de gemeente Nieuwegein maakt de gewijzigde regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant.
1. De wijziging van de regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking in alle deelnemende gemeenten als bedoeld in artikel 26 van de wet en werkt - voorzover nodig - terug tot 1 juli 2024. 2. Het college van de gemeente Nieuwegein is het aangewezen gemeentebestuur als bedoeld in artikel 26, lid 1 van de wet.
Artikel 45 Mededeling van wijzingen aan gedeputeerde staten
[Vervallen]
Artikel 43
Inwerkingtreding
De toezending van de gewijzigde regeling, met inbegrip van toetreding en uittreding van gemeenten of de toezending van het besluit tot opheffing van de regeling aan gedeputeerde staten, geschiedt door het college van de gemeente Nieuwegein. Artikel 46 Duur van de regeling
Artikel 46 Duur en evaluatie van de regeling
De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
1. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. 2. De doel- en taakstelling van de regeling en de wijze van uitvoering daarvan zullen periodiek geëvalueerd worden. 3. Daartoe zal het dagelijks bestuur, in overleg met de directeur, gehoord de colleges en de raden van de gemeenten, om de zes jaar of zoveel eerder
202403 Was-wordt-tabel bij voorstel wijziging GR WIL
6
Geldende tekst
Nieuwe tekst als gewenst, een onderzoeksvoorstel opstellen, dat aan het algemeen bestuur ter vaststelling zal worden voorgelegd. De eerste evaluatie wordt gepland in 2029. 4. De uitkomsten van het onderzoek worden teruggekoppeld aan de gemeenten. Op grond van de uitkomsten kan het dagelijks bestuur voorstellen doen tot wijziging van de regeling, dan wel tot aanpassing van de bedrijfsvoering en/of organisatiestructuur van de dienst.
202403 Was-wordt-tabel bij voorstel wijziging GR WIL
7