Bijlage 2a. Rapport nader en aanvullend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest
Tekst van het document
NADER EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK EN VERKENNEND ONDERZOEK ASBEST IN BODEM RANDDIJK 21 TE IJSSELSTEIN
Rapportage nader en aanvullend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem Randdijk 21 te IJsselstein Opdrachtgever
Theonieuw BV Oosterpark 49-1 1092 AN Amsterdam
Rapportnummer Versienummer
14948.007 D1
Status
Eindrapportage
Datum
22 juli 2022
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
De heer H.W. Looman, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. M.S.H. Niemarkt
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................................... 2
3
VOORONDERZOEK................................................................................................................... 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
4
ONDERZOEKSOPZET EN CONCEPTUEEL MODEL ............................................................... 9 4.1 4.2
5
5.3
Uitgevoerde werkzaamheden ......................................................................................... 13 Zintuiglijke waarnemingen .............................................................................................. 14 5.2.1 Visuele inspectie toplaag/maaiveld op asbest ................................................. 14 5.2.2 Algemene bodemopbouw en visuele inspectie opgegraven materiaal ............ 14 Grondwateronderzoek .................................................................................................... 15 5.3.1 Bemonstering ................................................................................................... 15
LABORATORIUMONDERZOEK .............................................................................................. 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Nader bodemonderzoek C04 (nikkel) (conceptueel model) ........................................... 10 Aanvullend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem .................. 12
VELDWERK .............................................................................................................................. 13 5.1 5.2
6
Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 5 Calamiteiten ...................................................................................................................... 5 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ........................................ 6 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................... 7 Terreininspectie ................................................................................................................ 7 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ......................................................... 8 Bodemopbouw en geohydrologie ..................................................................................... 9
Uitvoering analyses ........................................................................................................ 16 Toetsingskader ............................................................................................................... 18 Resultaten grond- en grondwatermonsters nader bodemonderzoek C04 (nikkel) ........ 20 Resultaten grondmonsters aanvullend bodemonderzoek .............................................. 21 Resultaten verkennend onderzoek asbest (inclusief PCB) ............................................ 22 Interpretatie analyseresultaten ....................................................................................... 23
VOORLOPIGE MILIEUHYGIENISCHE BEOORDELING ........................................................ 24 7.1 7.2
Algemeen........................................................................................................................ 24 Voorlopige risico's onderhavig geval .............................................................................. 25 7.2.1 Standaardbeoordeling humane risico's ............................................................ 25 7.2.2 Standaardbeoordeling ecologische risico's ...................................................... 25 7.2.3 Standaardbeoordeling verspreidingsrisico's .................................................... 26
8
GEVALSDEFINITIE .................................................................................................................. 27
9
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES ........................................................................ 28
BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 2c. 3. 4a. 4b. 4c. 5a. 5b. 6. 7.
- Topografische ligging van de locatie - Locatieschetsen (2a-I t/m 2a-III) - Foto’s onderzoekslocatie - Kadastrale gegevens - Boorprofielen - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten Circulaire bodemsanering - Getoetste analyseresultaten Regeling bodemkwaliteit (indicatief) - Toetsingskader Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Regeling bodemkwaliteit - Risicobeoordeling (Sanscrit) - Voorgaande bodemonderzoeken (relevante delen) en deeladvies ODRU
1
INLEIDING
Theonieuw BV heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een nader en aanvullend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem op de locatie Randdijk 21 te IJsselstein. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie, alsmede de voorgenomen sloop en nieuwbouw. Het nader en aanvullend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem is uitgevoerd naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem en puin, uitgevoerd door Econsultancy in november 2021 (project 14948.001, 16 november 2021). Tijdens het verkennend (bodem)onderzoek zijn een aantal verontreinigingssituaties waargenomen, die nader/aanvullend onderzocht dienen te worden. Tevens heeft de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) geadviseerd enkele terreindelen aanvullend/nader te onderzoeken:
sterke verontreiniging met nikkel in de bovengrond (boring C04); druppelzone(s) loods met voormalig asbestverdacht dak; bovengrond voormalige volkstuinen; bovengrond (voormalige) opslag auto’s/afval/dumpingen/etc.
Tevens is op de locatie sprake van een overschrijding van de grens voor nader onderzoek voor asbest (> 50 mg/kg d.s.) (gat A23). In overleg met de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) is overeengekomen dat het nader onderzoek asbest in bodem (en eventueel aanvullende onderzoeken) na de sloop van de huidige bebouwing uitgevoerd kan worden. Het nader onderzoek naar asbest is vooralsnog niet uitgevoerd en maakt derhalve geen deel uit van deze rapportage. Het nader bodemonderzoek C04 (nikkel) (NTA 5755) heeft de volgende doelstellingen:
het vaststellen van de aard en de omvang van het geval van bodemverontreiniging met nikkel (vooralsnog tot maximaal aan de perceelsgrenzen); het geven van uitsluitsel of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; een inschatting maken van de milieuhygiënische risico's.
Het aanvullend bodemonderzoek (NEN 5740) heeft tot doel vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de herontwikkeling. Het verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707) heeft tot doel om na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest ter plaatse van de druppelzone(s) terecht is en (zo nodig) een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NTA 5755:2010, "Bodem - Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging". Het aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het verkennend onderzoek asbest in bodem is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1:2016/C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond".
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 1 van 30
Voorafgaand aan het veldwerk is geverifieerd of de beschikbare informatie ten aanzien van het historisch gebruik van de onderzoekslocatie voldoet aan het voor het nader onderzoek voorgeschreven uitgebreide milieuhygiënisch vooronderzoek bodem volgens de NEN 5725. Leidraad bij het opstellen van de onderzoeksopzet is de NTA 5755. Het veldwerk en de bemonstering zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocol 2001, 2002 en 2018 en de daarin gestelde eisen. De visuele inspectie is uitgevoerd door medewerkers, die gekwalificeerd zijn voor het protocol 2018 van de BRL SIKB 2000. Tevens is rekening gehouden met het veldwerkprotocol (Expertisecentrum PFAS, juni 2020) voor de bemonstering van PFAS-verbindingen in grond en grondwater. De analyseresultaten met betrekking tot de bodem zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Tevens is indicatief getoetst aan de normwaarden voor toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1).
De analyseresultaten zijn, waar van toepassing, tevens getoetst aan de toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem boven grondwaterniveau zoals opgenomen in het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”. Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001, 2002 en 2018 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE
Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Randdijk 21 te IJsselstein (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente IJsselstein, sectie D, nummer 3227. De kadastrale gegevens zijn opgenomen in bijlage 2c. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 0,5 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 132.475, Y = 448.455.
3 3.1
VOORONDERZOEK Geraadpleegde bronnen
De in dit hoofdstuk opgenomen informatie is deels afkomstig van de rapportage van het milieuhygienisch vooronderzoek bodem uitgevoerd door Econsultancy in november 2021 (project 14948.001, 16 november 2021) (zie bijlage 7). Indien van toepassing is de informatie aangevuld met nader verkregen informatie.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 2 van 30
In tabel 1 zijn de in het kader van het (aanvullend) milieuhygiënisch vooronderzoek bodem geraadpleegde bronnen weergegeven. Tabel 1. Geraadpleegde bronnen Onderdeel
Bron
Historisch, huidig en toekomstig gebruik
Opdrachtgever (contactpersoon: de heer D. Smits), 21 februari 2022 Opdrachtgever / eigenaar (de heer T. Nieuwenhuizen), 19 mei 2022
Beoordeling onderzoeksopzet
Omgevingsdienst Regio Utrecht (contactpersoon: de heer E. Burggraaff), 20 april en 4 en 12 mei 2022
Locatiegegevens van internet: - historisch topografisch kaartmateriaal - basisregistratie grootschalige topografie - kadastrale gegevens - hoogtekaart - luchtfoto's - Google streetview - provinciale bodeminformatie - Geoportaal ODRU - bodemopbouw - geo(hydro)logie - kabels en leidingen
3.2
www.topotijdreis.nl www.pdok.nl www.kadaster.nl www.ahn.nl webservices.gbo-provincies.nl/lufo/services/wms maps.google.nl www.bodemloket.nl www.odru.nl/geoloket maps.bodemdata.nl www.dinoloket.nl www.kadaster.nl/klic-wion
Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie
Historie Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat omstreeks 1900 de onderzoekslocatie een agrarische bestemming had. Tevens is een onverharde weg ten zuiden van de locatie aanwezig (Randdijk). Vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw is op de locatie en haar omgeving geleidelijk bebouwing gerealiseerd (zie figuur 2 en 3). Vanaf de jaren ’90 is ten westen van de locatie een provinciale weg (N210) / ontsluitingsweg van snelweg A2 gerealiseerd (zie figuur 4).
Figuur 1. ca. 1960
Figuur 2. ca. 1970
Figuur 3. ca. 1985
Figuur 4. ca. 1990
Figuur 5. ca. 2100
Figuur 6. ca. 2019
Uit informatie van de Omgevingsdienst Regio Utrecht blijkt dat er twee gedempte sloten op de locatie aanwezig zijn. Een van de gedempte sloten is in 2010 onderzocht door adviesbureau RPS BCC. In paragraaf 3.5 wordt dit onderzoek nader beschreven.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 3 van 30
De locatie is bebouwd met een woonhuis daterend van 1950 (bron: BAG-viewer Kadaster) en enkele schuren. Uit aanvullende informatie van de huidige eigenaar (de heer T. Nieuwenhuizen, d.d. 19 mei 2022) blijkt dat de schuren omstreeks 1971 zijn gebouwd, in opdracht van de vader van de huidige eigenaar. Destijds met de bestemming als varkenshouderij, echter is het nooit als zodanig in gebruik geweest. Onder de betonvloer zijn geen (gier)kelders aanwezig (geweest). De (oprit van de) naastgelegen snelweg is destijds, bij de aanleg daarvan, deels op grond van de toenmalige eigenaar aangelegd, waardoor een boerenbedrijf niet rendabel meer was. De locatie is na de bouw verhuurd aan derden en niet meer door de vader van de eigenaar gebruikt. Volgens de huidige eigenaar hebben zich sinds die tijd op de locatie allerlei (illegale) activiteiten afgespeeld, waaronder onder andere de opslag van auto’s en allerlei dumpingen. Op oude luchtfoto’s is zichtbaar dat in het verleden diverse voertuigen op de locatie zijn gestald. Tevens blijkt uit oude luchtfoto’s dat delen van het terrein in gebruik zijn (geweest) als volkstuin. In figuur 7 is de situatie op een luchtfoto van omstreeks 2010 weergegeven.
Figuur 7. Luchtfoto situatie omstreeks 2010 (bron: TopoTijdreis)
Voor zover bij de opdrachtgever en de Omgevingsdienst Regio Utrecht bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Wel is uit voorgaande onderzoeken bekend dat er in het verleden (hobbymatig) onderhoud aan voertuigen en opslag van olieflessen heeft plaatsgevonden. Asbest De schuren zijn in het verleden voorzien geweest van asbestverdachte daken. Uit informatie van de opdrachtgever (via de heer D. Smits) blijkt dat de daken destijds niet voorzien waren van dakgoten. Vermoedelijk is alleen aan de zuidzijde van de daken sprake geweest van afstroming van regenwater op de onverharde bodem. In de huidige situatie zijn de daken voorzien van metalen golfplaten. Uit voorgaande onderzoeken blijkt dat in 2002 het noordoostelijk deel van één van de schuren is afgebrand (zie ook paragraaf 3.4). Bij de brand is destijds asbest vrijgekomen. Het is niet bekend of en in hoeverre destijds vrijgekomen asbest van de locatie is opgeruimd.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 4 van 30
Huidig gebruik In de huidige situatie is de locatie in gebruik door derden. Het noordoostelijk terrein is nog in gebruik als volkstuin. De bebouwing is (grotendeels) nog aanwezig. Rondom de bebouwing is de onderzoekslocatie voorzien van een klinker- beton- en/of stelconverharding. Het overige buitenterrein is grotendeels braakliggend of in gebruik als opslagplaats voor caravans, diverse (bouw)materialen en/of afval. In figuur 8 en 9 is de actuele situatie op twee recente luchtfoto’s weergegeven.
Figuur 8. Luchtfoto 2021
Figuur 9. Luchtfoto 2022
In bijlage 2a is de huidige situatie op een aantal locatieschetsen weergegeven. Bijlage 2b bevat een aantal foto's van de onderzoekslocatie. 3.3
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens de huidige bebouwing op de locatie te slopen en (mogelijk) woningbouw op de locatie te realiseren. Specifieke plannen zijn echter nog niet bekend. 3.4
Calamiteiten
De brand, die in 2002 ter plaatse van de schuur heeft gewoed, wordt beschouwd als een calamiteit met een bodembedreigend karakter. Het is onbekend waarmee de brand destijds is geblust. Tijdens voorgaand verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin (Econsultancy, project 14948.001, 16 november 2021) is reeds (deels) aandacht besteedt aan de afgebrande schuur (zie paragraaf 3.5). Uit informatie van voorgaande onderzoeken, de opdrachtgever en de Omgevingsdienst Regio Utrecht blijkt niet, dat er zich in het verleden andere bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 5 van 30
3.5
Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie
Op de onderzoekslocatie en direct aangrenzende percelen zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. Voorgaande onderzoeken zijn sterk belemmerd gebleken door (sterke) begroeiingen en opslag van diverse materialen. In tabel 2 zijn de meest relevante gegevens van voorgaande onderzoeken (op de onderzoekslocatie) opgenomen. Tabel 2. Gegevens uitgevoerde onderzoeken (op de onderzoekslocatie) Onderzoeksadres
Type onderzoek (kenmerken) + status
Resultaten
Bijzonderheden
Randdijkse Bosjes te IJsselstein
Verkennend (water-) bodemonderzoek (RPS BCC, rapport NC926.1002/03, d.d. 9 december 2010)
Aanleiding: herontwikkeling (woningbouw) Terreininspectie: - langs oever watergang: plastic, bouwmaterialen, isolatiemateriaal, metaal, autobanden, asbest - overig terrein: autowrakken, auto’s (op niet-vloeistofdichte vloer, tevens onderhoud), asbest(materialen) in schuren, olieflessen t.p.v. afgebrande schuur, afval (vuilstort), bouwmaterialen, lege oliedrums, accu’s/gevaarlijk afval, brandplaats Zintuiglijk: Analytisch gedempte sloot: PAK >AW Analytisch waterbodem aangrenzende sloot: - verspreidbaar op aangrenzende percelen - toepasbaar op landbodem (klasse Industrie) en onder water (klasse A/B)
In eerste instantie behoorde ook onderhavige onderzoekslocatie tot de onderzoeksopdracht. Destijds is, in overleg met de gemeente IJsselstein, besloten om het bedrijventerrein waar de Randdijk 21 deel van uit maakt, buiten het onderzoek te laten. Eén van de gedempte sloten en de waterbodem van de aangrenzende sloten rondom onderhavige locatie zijn destijds wel onderzocht. Tevens is ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie een terreininspectie uitgevoerd. Op de tekening is een vuilstortlocatie aangeduid.
Status: niet actueel Zie ook bijlage 7.
De resultaten/bevindingen van de aangrenzende terreindelen worden beschreven in paragraaf 3.6.
Randdijk 21 te IJsselstein
Historisch bodemonderzoek (Acorius Advies BV, kenmerk onbekend, februari 2006)
Het onderzoek wordt genoemd in de rapportage van RPS BCC (rapport NC926.1002/03, d.d. 9 december 2010). Tijdens dit vooronderzoek is tevens een locatiebezoek uitgevoerd waarbij de bevindingen overeenkomen met de waarnemingen van RPS in 2010.
De rapportage van dit onderzoek is niet beschikbaar.
Randdijk 21 te IJsselstein
Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin (Econsultancy, rapport 14948.001, 16 november 2021) Status: actueel
Aanleiding: sloop en nieuwbouw. Destijds zijn diverse deellocaties onderzocht. Terreininspectie: - deels sterk en dicht begroeid, tussen begroeiing opslag van diverse bouwmaterialen, puin en oud ijzer - schuur/loods deels ontoegankelijk, in de loods was voorheen o.a. een garage en spuiterij aanwezig - door belemmeringen geen goed beeld van locatie Zintuiglijk: diverse gradaties met puin, asbest, plastic, baksteen, asfalt, afval, slakken, houtskool en kolengruis Analytisch grond: - A (bedrijventerrein): Cd, Hg, Ni, Pb, minerale olie, PAK, PCB >AW. - B (afgebrande schuur): Hg, Ni, PAK >AW - C (loods): Ni >I, PAK >T, Cd, Co, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn, minerale olie, PAK, PCB >AW - E en G (aangrenzende terreindelen: puinpaden en park): PAK >T, Ni, PAK, PCB >AW Analytisch grondwater: - A (bedrijventerrein): Ba, naftaleen >S - C (loods): Ba >S - G (aangrenzende terreindelen: park): Ba >S Analytisch asbest: - A (bedrijventerrein): gat A23: > 0,5 x I / hergebruikswaarde gat A06 (buiten onderhavige locatie): asbest >I
De onderzoekslocatie was destijds groter en had ook betrekking op de groenstroken rondom onderhavige locatie en het ten noorden gelegen park.
Zie ook bijlage 7.
Rapport 14948.007 versie D1
Destijds is geadviseerd om op termijn de begroeiing te verwijderen en aanvullend (voor)onderzoek uit te voeren. Daarnaast is geadviseerd om een nader bodemonderzoek uit te voeren t.p.v. boring C04 en om, na het verwijderen van de begroeiing, een nader onderzoek asbest in bodem uit te voeren t.p.v. gat A23 (en gat A06, buiten onderhavige onderzoekslocatie).
Pagina 6 van 30
3.6
Aangrenzende terreindelen/percelen
In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende terreindelen is als volgt:
aan de noordzijde bevinden zich een woonwijk en een park (Randdijkse bosjes); aan de oostzijde bevinden zich enkele verharde wegen (Randdijk en N210) en groenstroken; aan de zuidzijde bevinden zich enkele verharde wegen, een spoorlijn en groenstroken; aan de westzijde bevinden zich de Randdijk en een woonwijk (flatgebouwen).
Ten westen van de onderzoekslocatie heeft Econsultancy in 2012 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapportnummer: 12025287, d.d. 29 juni 2021). Zintuiglijk bleek de bodem niet verontreinigd te zijn. Zowel de boven- als ondergrond bleek analytisch licht verontreinigd te zijn met nikkel. Plaatselijk bleek de bovengrond licht verontreinigd te zijn met PAK. Het grondwater bleek destijds licht verontreinigd met barium. Ten noorden en oosten van de onderzoekslocatie is in 2010 een verkennend (water-) bodemonderzoek uitgevoerd (RPS BCC, rapport NC926.1002/03, d.d. 9 december 2010). Plaatselijk zijn in de grond licht verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium aangetoond en plaatselijk tevens xylenen, naftaleen en/of chloorhoudende koolwaterstoffen. De waterbodem bleek verspreidbaar op aangrenzende percelen, toepasbaar op landbodem (klasse Industrie) en toepasbaar onder water (klasse A/B). Tijdens het in 2021 door Econsultancy uitgevoerde onderzoek (rapport 14948.001, 16 november 2021) zijn ook enkele aangrenzende terreindelen onderzocht. Ter plaatse van twee puinpaden (deellocatie E1 en E2) zijn in de grond plaatselijk een matig verhoogd gehalte PAK en licht verhoogde gehalten nikkel, PAK en/of PCB aangetoond. Ter plaatse van het park (deellocatie G) zijn in de grond geen verontreinigingen aangetoond.
In het grondwater werd een licht verhoogde concentratie barium aangetoond. Opgemerkt word dat bij de grondwaterbemonstering vastgesteld is dat een tweetal peilbuizen door vernieling niet meer bruikbaar bleken en niet zijn herplaatst. Van de overige aangrenzende percelen zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend. Uit de verzamelde informatie blijkt niet, dat er vanuit de omliggende percelen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten. 3.7
Terreininspectie
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een tweetal terreininspecties uitgevoerd (12 april en 11 mei 2022). Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De situatie komt grotendeels overeen met voorgaande terreininspecties. Tijdens de terreininspecties bleek dat delen van de onderzoekslocatie sterk en dicht begroeid zijn en/of deels afgesloten. De sterk begroeide en/of afgesloten terreindelen waren derhalve niet (goed) bereikbaar voor een goede inspectie. Loods/schuur De loods/schuur bleek nog in gebruik door diverse partijen en was deels afgesloten of niet bereikbaar (betonblokken voor ingang). De in het verleden afgebrande schuur bleek grotendeels ingestort, de betonvloer en enkele muren zijn in de huidige situatie nog aanwezig. Ten opzichte van voorgaande terreininspectie van RPS BCC (2010) bleek dat er (deels) wel opruimwerkzaamheden zijn uitgevoerd.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 7 van 30
Verharding buitenterrein Het maaiveld is deels verhard met klinkers, asfalt, beton, puin en/of grind. De overige terreindelen zijn onverhard. Volkstuin Het noordoostelijk terreindeel bleek nog in gebruik als volkstuin en recentelijk bewerkt/ingezaaid. Ter plaatse van de volkstuin is op het maaiveld asbestverdacht materiaal (golfplaat) aangetroffen. Tevens bevonden zich hier enkele vervallen schuurtjes en bouwketen. Slootkanten De slootkanten bleken deels sterk begroeid en niet goed toegankelijk voor een inspectie. Ter hoogte van de nog actieve volkstuin was een beschoeiing/afscheiding aanwezig van metalen golfplaten en/of houten planken. Overig buitenterrein Op het overige buitenterrein bevonden zich verspreid over de locatie, op het maaiveld, diverse opslaglocaties van oud-ijzer, auto-onderdelen, witgoed, hout, tegels, klinkers, auto-/trekkerbanden en/of afval. Ten oosten en noorden van de schuren bevonden zich op het maaiveld enkele (grote) stortlocaties bestaande uit een grote variëteit aan afval (sloopafval, ijzer, glas, plastic, hout, etc.). Ten opzichte van voorgaande terreininspecties bleek dat enkele delen van de locatie recentelijk gesnoeid (met name het oostelijk terreindeel) of deels opgeruimd zijn, op andere terreindelen bleek juist veel (recent) afval/rommel aanwezig te zijn.
Vermoedelijk betreft dit illegale stortingen of is afval/rommel binnen de locatie verplaatst. Tussen de restanten van de begroeiing bevond zich op het maaiveld veel rommel en snoeiafval. Met uitzondering van enkele gestalde auto’s, caravans en aanhangers is niet vastgesteld dat op de locatie nog steeds onderhoudswerkzaamheden aan voertuigen worden uitgevoerd. 3.8
Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten
De onderzoekslocatie is met betrekking tot de boven- en ondergrond gelegen binnen de bodemkwaliteitszone "Buitengebied 1/1”, van het gebied waarvoor de gemeente IJsselstein en de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) gezamenlijk een “Nota bodembeheer gemeente IJsselstein” hebben opgesteld (ODRU, mei 2021). Op basis van het rekenkundig gemiddelde komen in de bovengrond verhoogde gehalten aan lood en PAK voor. In de ondergrond komen geen verhoogde parameters voor. De bodemfunctieklasse is “Wonen”. PFAS Op 13 december 2021 is de geactualiseerde versie van het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie gepubliceerd waarin enkele nieuwe toepassingswaarden zijn opgenomen, waaronder voorlopige achtergrondwaarden. PFAS en PFOA zijn stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stoffen worden al heel lang gebruikt in industriële en andere processen. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. De stoffen zijn persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar. De Nota bodembeheer gemeente IJsselstein is geactualiseerd voor PFAS. Met betrekking tot PFAS bevindt de onderzoekslocatie zich voor de bovengrond binnen de zone “PFAS B1” en voor de ondergrond binnen de zone “PFAS O2”.
De bovengrond voldoet met betrekking tot PFOA binnen de bodemfunctieklasse Wonen/Industrie en voor PFOS en overige PFAS aan de landelijke achtergrondwaarden. De ondergrond voldoet voor alle PFAS aan de landelijke achtergrondwaarden.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 8 van 30
3.9
Bodemopbouw en geohydrologie
De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een kalkloze poldervaaggrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit zware klei. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Echteld en holocene afzettingen. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 0,5 m -NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,0 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in westelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Wel bevindt zich de onderzoekslocatie zich in de boringsvrije zone Nieuwegein. In boringsvrije zones is het verboden om dieper te boren dan 40 m -mv.
4
ONDERZOEKSOPZET EN CONCEPTUEEL MODEL
Voorafgaand aan de werkzaamheden is de onderzoeksopzet (in combinatie met voorgaand verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin) beoordeeld door de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) (Deeladvies bodem, de heer E. Burggraaf (ODRU), kenmerk: Z/22/196806 / D – 577612, d.d. 7 maart 2022) (zie bijlage 7). Op basis van het advies zijn enkele aanvullende deellocaties aangemerkt. Op de locatie is tevens sprake van een overschrijding van de grens voor nader onderzoek voor asbest (> 50 mg/kg d.s.) (gat A23). Voorgesteld is om het nader onderzoek asbest te combineren met door de ODRU geadviseerd (aanvullend) asbestonderzoek ter plaatse van de (voormalige) volkstuinen en de (voormalige) opslag van auto’s/afval/dumpingen/etc. In verband met sterke begroeiing of nog op te ruimen stortlocaties (ter plaatse van/nabij gat A23) heeft vooralsnog geen nader/aanvullend onderzoek naar asbest plaatsgevonden. Het nader/aanvullend onderzoek naar asbest is vooralsnog niet uitgevoerd en maakt derhalve geen deel uit van deze rapportage. In figuur 10 zijn de onderzochte terreindelen op een recente luchtfoto weergegeven.
Figuur 10. Ligging onderzochte terreindelen
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 9 van 30
In overleg met de Omgevingsdienst Regio Utrecht (de heer E. Burggraaf (ODRU), d.d. 12 mei 2022) is overeengekomen dat het nader/aanvullend onderzoek asbest in bodem (en eventueel andere/aanvullende onderzoeken) na de sloop van de huidige bebouwing uitgevoerd kan worden. 4.1
Nader bodemonderzoek C04 (nikkel) (conceptueel model)
Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van voorgaand verkennend bodemonderzoek, één deellocatie aangemerkt voor nader bodemonderzoek. In tabel 3 is de onderzoeksstrategie, die van toepassing is op de betreffende deellocatie, weergegeven. Tabel 3.
Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek C04 (nikkel) Deellocatie
C
Oppervlakte
loods (nader onderzoek spot ‘C04’ e.o.)
ca. 700 m2
Verwachte stoffen nikkel (PFAS)
Onderzoeksstrategie NTA 5755: NAD
Onderzoeksstrategieën volgens NTA 5755: NAD : Nader bodemonderzoek
In het kader van de NTA 5755 dient op basis van de bekende gegevens een conceptueel model opgesteld te worden. Een conceptueel model is een beschrijving van de verontreinigingssituatie aangevuld met een beschrijving van het systeem (bodemopbouw en grondwater) waarin de verontreiniging zich bevindt en welke processen (verspreiding door grondwaterstroming, biologische afbraak, vastlegging) van invloed zijn op de verontreiniging en de receptoren van die verontreiniging (gebruik locatie, bedreigde objecten bijvoorbeeld een grondwaterwinning of oppervlaktewater). In tabel 4 is schematisch een overzicht gegeven van de belangrijkste onderdelen van een conceptueel model en de uitgangspunten van het onderzoek. Niet alle subonderdelen zijn voor de onderhavige situatie even relevant en worden daarmee in meer of mindere mate uitgewerkt. De in de tabel opgenomen informatie, al dan niet met een verwijzing naar een specifieke paragraaf van onderhavig rapport, hebben als basis gefungeerd voor uitvoering van en het maken van keuzes binnen het nader bodemonderzoek. Tabel 4. Onderdelen conceptueel model Hoofdonderdeel
Subonderdeel
Uitwerking/toelichting
Historische informatie
Verontreinigingsbronnen
Nikkel Er is ter plaatse geen specifieke bron aan te wijzen voor deze verontreinigingskern. De verontreiniging zal waarschijnlijk een relatie hebben met het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen (baksteen, kolengruis). Mogelijk heeft de verontreiniging (ook) een relatie met voormalige (illegale) activiteiten ter plaatse van de loods.
Gebruikte producten, periode
Met uitzondering van mogelijk opgeslagen accu’s/gevaarlijk afval is geen informatie bekend over in het verleden gebruikte producten.
Bouwactiviteiten, grondverzet
De onderzoekslocatie is sinds ca. 1971 bebouwd met een schuur/loods en verhard met beton. Daarvoor is de onderzoekslocatie, voor zover bekend, altijd onbebouwd en in agrarisch gebruik geweest. Specifiek grondverzet is niet bekend.
Calamiteiten
Circa 30 m ten oosten van de schuur/loods is in het verleden een deel van een loods afgebrand. Ter plaatse van de vermoedelijke kern zijn geen calamiteiten bekend.
Ondergrondse activiteiten
In de huidige situatie vindt voor zover bekend geen ondergrondse opslag van stoffen plaats.
Regionaal beschrijving en ontstaansgeschiedenis
Voor een beschrijving van de regionale bodemopbouw/geohydrologie wordt verwezen naar paragraaf 3.9.
Bodemopbouw, geologie en topografie
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 10 van 30
Tabel 4 (vervolg). Onderdelen conceptueel model Hoofdonderdeel
Subonderdeel
Uitwerking/toelichting
Lokale bodemopbouw
Uit het verkennend bodemonderzoek is ondermeer gebleken dat de bodem deels bestaat uit zwak tot sterk siltig, zwak tot sterk zandige klei en deels uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is plaatselijk tot 1,0 m -mv zwak tot matig humeus. De ondergrond bestaat plaatselijk uit sterk kleiige veen. De bovengrond (0,3-0,6 m -mv) ter plaatse van boring C04 is zwak baksteen- en kolengruishoudend. Ter plaatse van de overige terreindelen zijn plaatselijk, tot een diepte van maximaal 1,0 m -mv, in verschillende gradaties bijmengingen met kolengruis, puin, plastic, slakken, baksteen, afval, houtskool en/of asbest aangetroffen.
Topografie Infrastructuur
Niet relevant.
Hydrologie Verontreinigingssituatie (lokaal)
De onderzoekslocatie bevindt zich ten oosten van de kern van IJsselstein en ten westen van Nieuwengein en de Rijksweg A2.
Het grondwater bevindt zich op een gemiddelde diepte van circa 1,0 m -mv. Grond
In de bovengrond is een sterke verontreiniging met nikkel aangetoond. Elders op het perceel, waar onderhavige locatie deel van uitmaakt, zijn in de boven- en ondergrond plaatselijk lichte verontreinigingen met nikkel aangetoond. Verder zijn plaatselijk een matige verontreiniging met PAK en lichte verontreinigingen met zware metalen (cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, zink), minerale olie, PCB en/of PAK aangetoond.
Grondwater Geochemie
In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. Verder is plaatselijk een lichte verontreiniging met naftaleen aangetoond. Zware metalen adsorberen zich sterk aan het lutum en/of organische stof in de bodem. Zware metalen zijn over het algemeen goed oplosbaar in water. Nikkel komt van nature voor in de bodem. Verder komt nikkel voor een aanzienlijk deel voort uit atmosferische depositie en slechts voor een klein deel uit bemesting. Daarnaast is in het verleden zuiveringsslib, met daarin nikkel, als meststof gebruikt. Nikkel heeft een hoog adsorberend vermogen en accumuleert hierdoor in de bovengrond. Bij een lage pH kan nikkel oplossen in grondwater en zijn er hoge concentraties nikkel in het grondwater mogelijk. (bron: https://www.rivm.nl/landelijk-meetnet-grondwaterkwaliteit/resultaten/nikkel). Natuurlijke afbraakprocessen spelen voor onderhavige situatie geen rol.
Gedrag en verdeling van verontreiniging in de bodem
Aangenomen wordt dat het een verontreinigingsspot van vermoedelijk beperkte omvang betreft, die zich beperkt tot de grond. Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn in het grondwater (elders op de locatie) geen verhoogde concentraties nikkel vastgesteld.
Identificatie van receptoren, bedreigde objecten en verspreidingsrisico's
Receptoren
Voor de onderhavige situatie zijn als belangrijkste receptoren de eigenaren/gebruikers van de aangrenzende percelen aan te wijzen. Op basis van reeds beschikbare gegevens wordt niet verwacht dat de verontreiniging perceelsgrensoverschrijdend is.
Bedreigde objecten
Voor zover bekend is er in de directe omgeving van de locatie geen sprake van bedreigde objecten als grondwaterwinningen, onttrekkingen t.b.v. bodemsaneringen.
Verspreidingsrisico's
Verspreidingsrisico’s met nikkel in het grondwater in concentraties > I zijn mogelijk te verwachten.
Ruimtelijke ontwikkelingen
Ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie zal op langere termijn nieuwbouw worden gerealiseerd.
Onzekerheden
De oorzaak en omvang van de nikkelverontreiniging is niet bekend.
Op basis van de verzamelde gegevens is de volgende opzet van het onderzoek opgesteld: De onderzoeksopzet voor het nader onderzoek is gericht op een (nadere) horizontale en verticale afperking, ten einde de omvang van de sterke (mobiele) verontreiniging in de grond (en het grondwater) te kunnen bepalen. De nadere afperkingen beperken zich uitsluitend tot de aangetoonde (sterk verontreinigde) parameter nikkel. Verwacht wordt dat de (sterke) verontreiniging uitsluitend voorkomt in de (baksteen- en kolengruishoudende) bovengrond onder de betonverharding in het (zuid)westelijk deel van de loods. Derhalve is bij boring C04 in eerste instantie een fijnmazig boorraster (3,5 x 3,5 m) gehanteerd om de verontreinigingssituatie inzichtelijk te krijgen.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 11 van 30
Daarnaast zijn er in een ruimer raster nog een aantal boringen rondom de vermoedelijke kern geplaatst ten behoeve van verdere horizontale afperking. De aanwezige betonverhardingen, puinfundaties en bebouwing vormden (plaatselijk) belemmeringen voor het afperkende onderzoek. De opdrachtgever heeft aangegeven eventueel aanvullend benodigd onderzoek pas na de sloop van de huidige bebouwing te willen uitvoeren. Derhalve heeft aanvullend veldwerk, ter nadere afperking van de verontreiniging, nog niet plaatsgevonden. Op basis van voorgaand onderzoek kan de aanwezigheid van een verontreiniging met nikkel in het grondwater niet geheel uitgesloten worden, derhalve is tevens aanvullend grondwateronderzoek verricht. PFAS Op basis van het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” wordt aangemerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. In het verleden is een deel van de loods afgebrand. Het is niet bekend waarmee de brand destijds is geblust. Tijdens het voorgaand onderzoek is de bovengrond ter plaatse van de afgebrande loods ook onderzocht op de parameter PFAS. In de verdachte laag zijn destijds licht verhoogde gehalten aan PFOS en PFOA boven de detectielimiet aangetoond.
De aangetoonde gehalten voldeden indicatief aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur” van het “Handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecies”. Het overige terrein is destijds niet op PFAS onderzocht. Wanneer (op termijn) grond van de locatie wordt afgevoerd, is het raadzaam om in dit stadium ook de parameter PFAS in het onderzoek mee te nemen. De resultaten worden in dat geval indicatief getoetst aan de toepassingsnormen uit het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies”. In verband met de mogelijke afvoer van grond maakt PFAS reeds deel uit van onderhavig (nader) onderzoek (deellocatie C). 4.2
Aanvullend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem
Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en het deeladvies bodem van de ODRU, een aantal (aanvullende) deellocaties geïdentificeerd. In tabel 5 zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven. Tabel 5. Onderzoeksstrategie aanvullend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem Deellocatie
Oppervlakte
H
druppelzone loods met vml. asbestverdacht dak (*A)
< 100 m
2
I
bovengrond (bouwvoor) vml. volkstuinen (OCB)
J
bovengrond (vml.) opslag auto’s/afval/dumpingen/etc. (*B)
(*A)
Aangezien bij asbestgolfplaten in het verleden vaak een coating is gebruikt die PCB-houdend is, heeft de ODRU geadviseerd het grondmengmonster voor asbestonderzoek bij de druppelzone(s) eveneens te laten analyseren op PCB. De ODRU heeft geadviseerd eerst de bovengrond te onderzoeken en op basis van de resultaten te bepalen of er aanleiding is eventuele verontreinigingen verder uit te karteren en/of peilbuizen te plaatsen op een centrale locatie bij de (voormalige) afvalopslag.
(*B)
Verwachte stoffen
Onderzoeksstrategie
asbest, PCB
NEN 5707: VEP
± 3.000 m2
OCB (asbest)
NEN 5740: VED-HE-NL
± 2.000 m2
metalen, minerale olie, PAK (asbest)
NEN 5740: VED-HE-NL
Onderzoeksstrategieën volgens NEN 5740 / NEN 5707: VEP : Verdacht, plaatselijke bodembelasting en met een duidelijke verontreinigingskern VED-HE-NL : Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging, niet lijnvormig
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 12 van 30
5
VELDWERK
5.1
Uitgevoerde werkzaamheden
Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat de locatieschetsen met daarop aangegeven de situering van de boorpunten/gaten en de peilbuis. In bijlage 3a zijn de bodemprofielen van de asbestinspectiegaten en de boringen opgenomen. Het veldwerk is op 4, 10, 11 en 12 mei 2022 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer R.J.H. Denessen. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 en 2018 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". Nader bodemonderzoek C04 (nikkel) (NTA 5755) De boringen zijn globaal in een raster van 3,5 x 3,5 m rond de vermoedelijke kern van de verontreiniging geplaatst. Eén van de boringen is in de kern van de verontreiniging geplaats ten behoeve van een verticale afperking. De overige boringen zijn in een ruimere straal rondom de vermoedelijke kern geplaatst. Aan de hand van de geldende onderzoeksstrategieën zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals die in tabel 6 zijn vermeld. Tabel 6.
Uitgevoerde werkzaamheden nader bodemonderzoek C04 (nikkel) Veldwerk
Analyses
Deellocatie Boringen / peilbuizen C
loods (nader onderzoek spot ‘C04’ e.o.)
(*A)
Door deze verharding is geboord.
Verharding
Grond
C106, C108 (0,5 m -mv) onverhard/beton (*A) nikkel (6x) C102 t/m C105, C107, C109 t/m C112 (1,0 m -mv) PFAS (1x) C101 (peilbuis) (*C)
Grondwater nikkel
Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Aanvullend bodemonderzoek (NEN 5740) en verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707) Aan de hand van de geldende onderzoeksstrategieën zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals die in tabel 7 zijn vermeld. Tabel 7. Uitgevoerde werkzaamheden aanvullend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem Deellocatie
Veldwerk Boringen/gaten
Analyses Verharding
Grond
Grondwater
H
druppelzone loods met vml. asbestverdacht dak
H01 en H02 (gaten) (1,0 x 0,3 x 0,1 m) (*B)
onverhard
asbest (kwantitatief) (1x) PCB (incl. org. stof) (1x)
-
I
bovengrond (bouwvoor) vml. volkstuinen (OCB)
I01 t/m I15 (0,3 m -mv)
onverhard
OCB (incl. org. stof) (3x)
-
J
bovengrond (vml.) opslag J01 t/m J14 (1,0 m -mv) auto’s/afval/dumpingen/etc.
onverhard/klinkers/ halfverharding/beton/asfalt (*A)
standaardpakket grond (3x) -
(*A)
Door deze verharding is geboord.
(*B)
In afwijking van de NEN 5707 zijn de gaten gegraven tot 0,1 m -mv en is het opgegraven materiaal niet gezeefd. De verdachte laag ter plaatse van de druppelzone betreft enkel de toplaag van 10 cm.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 13 van 30
Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. 5.2
Zintuiglijke waarnemingen
5.2.1
Visuele inspectie toplaag/maaiveld op asbest
Ter plaatse van deellocatie H is op het maaiveld geen asbestverdacht/asbesthoudend materiaal aangetroffen. Tijdens de terreininspectie (12 april 2022) is ter plaatse van de volkstuinen (deellocatie I) op het maaiveld wel asbestverdacht/asbesthoudend materiaal aangetroffen. Het aangetroffen materiaal is niet verzameld. Opgemerkt wordt dat tijdens onderhavig onderzoek voor het overige deel van de onderzoekslocatie nog geen specifieke maaiveldinspectie ten aanzien van asbest heeft plaatsgevonden. In tabel 8 zijn enkele algemene gegevens met betrekking tot de visuele inspectie van de toplaag opgenomen. Tabel 8.
Visuele inspectie toplaag Aandachtsgebied
Opmerking
Oppervlakte van geïnspecteerde locatie
< 100 m² (deellocatie H)
Conditie toplaag
Droog
Beperkingen van de inspectie
Deels sterk begroeid
Weersomstandigheden
Neerslag < 10 mm/uur Zicht > 50 m
Zand, klei/leem en/of veen
Zand
Los of (deels) vastgereden
Los
Geen/matige vegetatie
Matig tot sterk begroeid
Geschatte inspectie-efficiëntie (tabel 2 NEN 5707)
50 %
Asbestverdacht materiaal op maaiveld aangetroffen?
Nee, niet ter plaatse van deellocatie H. Wel ter plaatse van deellocatie I tijdens algemene terreininspectie (vindplaats aangegeven op tekening 2a-II).
5.2.2
Algemene bodemopbouw en visuele inspectie opgegraven materiaal
Nader bodemonderzoek C04 (nikkel) NTA 5755 De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zwak tot matig grindig, zeer fijn tot matig grof zand en zwak tot sterk siltige, zwak tot matig zandige klei. Plaatselijk is de boven- en/of ondergrond zwak humeus. De bodem is plaatselijk zwak baksteenhoudend en/of matig puinhoudend. Ter plaatse van het erf is onder de asfalt- en klinkerverharding tussen circa 0,1-0,8 m -mv een fundatielaag aangetroffen, bestaande uit puin. Ter plaatse van deze laag is sprake van meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal, waardoor er geen sprake is van bodem. Deze laag is derhalve niet geanalyseerd. Enkele boringen zijn gestaakt op een betonlaag onder de puinfundatie. Aanvullend bodemonderzoek NEN 5740 De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltige, zwak tot sterk zandige klei. Plaatselijk bestaat de bovengrond uit zwak tot matig siltig, zwak grindig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond is lokaal sterk humeus. De boven- en/of ondergrond is bovendien plaatselijk zwak tot matig oerhoudend en/of matig roesthoudend.
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 14 van 30
Plaatselijk is onder de (asfalt)verharding een fundatielaag aangetroffen, bestaande uit puin of asfalt. Ter plaatse van deze laag is sprake van meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal, waardoor er geen sprake is van bodem. Deze laag is derhalve niet geanalyseerd. De bovengrond is plaatselijk matig puinhoudend. Plaatselijk is de bovengrond matig afvalhoudend, mogelijk betreft dit een stortplek (niet natuurlijke bodem). Deze laag is gezien de doelstelling van het onderzoek op deze deellocatie niet geanalyseerd op bestrijdingsmiddelen. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tabel 9 geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen, die in het opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 De toplaag bestaat voornamelijk uit zwak humeuze, sterk zandige klei. In het opgegraven (niet gezeefde) materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen Tabel 9. Zintuiglijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen en bijzonderheden Boornummer
Einddiepte boring (cm -mv)
Traject (cm -mv)
Waargenomen verontreinigingen/bijzonderheden
Deellocatie C: loods (nader onderzoek spot ‘C04’ e.o.) C101
300
20-70
zwak baksteenhoudend
C103
100
40-50
brokken baksteen
C105
100
20-50
matig puinhoudend
C106
80 (gestaakt)
30-80
volledig puin, sterk betonhoudend, gestuit op beton
C107
150
15-50
volledig puin, matig asfalthoudend
50-100
matig puinhoudend
C108
60 (gestaakt)
15-60
volledig puin, gestuit op beton
C109
100
50-100
zwak baksteenhoudend
C112
100
8-50
volledig puin
Deellocatie I: bovengrond (bouwvoor) vml. volkstuinen (OCB) I08
30
0-30
matig afvalhoudend, stortplek? niet natuurlijke bodem
Deellocatie J: bovengrond (vml.) opslag auto’s/afval/dumpingen/etc. J09
100
J10
100
0-50
matig puinhoudend
0-40
volledig puin
40-52
volledig beton
J11
100
0-30
volledig asfalt
J12
100
0-50
volledig puin
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Hierbij wordt opgemerkt dat gelet op de doelstelling van het onderzoek de veldwerkzaamheden ter plaatse van deellocatie C, I en J niet conform de NEN 5707+C1:2016/C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond" zijn uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek op de terreindelen C, I en J is met betrekking tot de parameter asbest derhalve indicatief. 5.3 5.3.1
Grondwateronderzoek Bemonstering
De grondwaterbemonstering is op 11 mei 2022 uitgevoerd door de heer R.J.H. Denessen. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek".
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 15 van 30
De bemonstering is uitgevoerd conform de NEN 5744:2011. Tabel 10 geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen. Tabel 10. Peilbuisnummer
Overzicht gegevens peilbuis en veldmetingen grondwater Situering peilbuis
Filterstelling (m -mv)
Grondwaterstand (m -mv)
Elektrisch Geleidingsvermogen (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
Zuurgraad (pH)
1,35
730
131
6,4
Deellocatie C: loods (nader onderzoek spot ‘C04’ e.o.) C101
6 6.1
vermoedelijke kern boring C04
2,0-3,0
LABORATORIUMONDERZOEK Uitvoering analyses
Nader bodemonderzoek C04 (nikkel) NTA 5755 Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. In het laboratorium zijn in totaal 14 grond(meng)monsters geanalyseerd. De 14 grond(meng)monsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op één van de volgende pakketten: -
nikkel grond: droge stof, lutum en organische stof en nikkel;
-
PFAS grond: droge stof, organische stof, perfluoroctaansulfonaat lineair (PFOS), perfluoroctaansulfonaat vertakt (PFOS), perfluoroctaanzuur lineair (PFOA), perfluoroctaanzuur vertakt (PFOA) en overige PFAS;
-
nikkel grondwater: nikkel.
Tabel 11 geeft een overzicht van de grond(meng)monsters en de analysepakketten. Tabel 11. Overzicht van de grond(meng)monsters en de analysepakketten nader bodemonderzoek Grondmonster
Traject (cm -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
Deellocatie C: loods (nader onderzoek spot ‘C04’ e.o.) C101-4
C101 (70-100)
nikkel
ondergrond zand, verticale afperking (zintuiglijk schoon)
C101-6
C101 (150-200)
nikkel
ondergrond klei, verticale afperking (zintuiglijk schoon)
C102-1
C102 (12-50)
nikkel
bovengrond klei, horizontale afperking (zintuiglijk schoon)
C102-2
C102 (50-100)
nikkel
ondergrond klei, horizontale/verticale afperking (zintuiglijk schoon)
C103-3
C103 (50-100)
nikkel
ondergrond klei, horizontale afperking (zintuiglijk schoon)
C104-2
C104 (50-70)
nikkel
ondergrond klei, horizontale afperking (zintuiglijk schoon)
C104-3
C104 (70-100)
nikkel
ondergrond zand, horizontale afperking (zintuiglijk schoon)
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 16 van 30
Tabel 11 (vervolg). Overzicht van de grond(meng)monsters en de analysepakketten nader bodemonderzoek Grondmonster
Traject (cm -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
C105-2
C105 (20-50)
nikkel
bovengrond zand, horizontale afperking (matig puinhoudend)
C105-3
C105 (50-100)
nikkel
ondergrond klei, horizontale/verticale afperking (zintuiglijk schoon)
C107-3
C107 (50-100)
nikkel
ondergrond zand, horizontale afperking (matig puinhoudend, onder puinfundatie)
C109-2
C109 (50-100)
nikkel
ondergrond klei, horizontale afperking (zwak baksteenhoudend)
C110-2
C110 (40-90)
nikkel
ondergrond klei, horizontale afperking (zintuiglijk schoon)
C111-3
C111 (50-100)
nikkel
ondergrond klei, horizontale afperking (zintuiglijk schoon)
C101 (20-50) + C101 (50-70) + C103 (40-50) + C109 (50-100)
PFAS
verdachte laag (zwak baksteenhoudend, brokken baksteen)
MMC1pfas
Aanvullend bodemonderzoek NEN 5740 Alle grondmonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. In het laboratorium zijn in totaal 6 grond(meng)monsters geanalyseerd. De 6 grond(meng)monsters zijn geanalyseerd op één van de volgende pakketten: -
standaardpakket: droge stof, lutum en organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;
-
bestrijdingsmiddelen: droge stof, organische stof, organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB).
Tabel 12 geeft een overzicht van de grondmonsters en de analysepakketten. Tabel 12. Overzicht van de grondmonsters en de analysepakketten aanvullend bodemonderzoek Grondmonster
Traject (cm -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
Deellocatie I: bovengrond (bouwvoor) vml. volkstuinen (OCB) MMI1
I01 (0-30) + I03 (0-30) + I04 (0-30) + I05 (0-30)
OCB
bovengrond (bouwvoor) (zintuiglijk schoon)
MMI2
I06 (0-30) + I07 (0-30) + I09 (0-30) + I10 (0-30)
OCB
bovengrond (bouwvoor) (zintuiglijk schoon)
MMI3
I12 (0-30) + I13 (0-30) + I14 (0-30) + I15 (0-30)
OCB
bovengrond (bouwvoor) (zintuiglijk schoon)
Deellocatie J: bovengrond (vml.) opslag auto’s/afval/dumpingen/etc. J109-1
J09 (0-50)
standaardpakket grond
bovengrond (matig puinhoudend)
MMJ1
J02 (0-50) + J03 (0-50) + J05 (15-50) + J06 (0-50)
standaardpakket grond
bovengrond (zintuiglijk schoon)
MMJ2
J08 (17-50) + J11 (30-50) + J13 (0-50) + J14 (0-50)
standaardpakket grond
bovengrond (zintuiglijk schoon)
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 17 van 30
Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Ten aanzien van de parameter asbest is in het laboratorium 1 mengmonster geanalyseerd op het volgende analysepakket: -
asbest (kwantitatief): droge stof, serpentijn asbest (chrysotiel), amfibool asbest (amosiet, crocidoliet, anthophylliet, tremoliet en actinoliet).
Tevens is, ten aanzien van de parameter PCB, in het laboratorium 1 mengmonster geanalyseerd op het volgende analysepakket: -
PCB grond: droge stof, organische stof en polychloorbifenylen (PCB).
Tabel 13 geeft een overzicht van de samenstelling van de mengmonsters en het analysepakket. Tabel 13. Overzicht van de samenstelling van de mengmonsters en het analysepakket Mengmonster
Monsters (in cm -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
ASB-MMH1
H01 (0-10) + H02 (0-10)
asbest in bodem (kwantitatief)
verdachte laag (zintuiglijk schoon)
MMH1pcb
H01 (0-10) + H02 (0-10)
PCB
verdachte laag (zintuiglijk schoon)
6.2
Toetsingskader
Nader bodemonderzoek NTA 5755 en aanvullend bodemonderzoek NEN 5707 De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Dit toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toetsingstabel en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus: -
achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;
-
streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht; tussenwaarde: deze waarde ("T") is de helft van de som van de achtergrondwaarde (of in het geval van grondwater de streefwaarde) en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat;
Rapport 14948.007 versie D1
Pagina 18 van 30
-
interventiewaarde: deze waarde ("I") geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de interventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of interventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolgonderzoek meestal niet noodzakelijk.
In bijlage 5 is de toetsingstabel opgenomen uit de eerder genoemde circulaires. Deze bijlage bevat de achtergrondwaarden en de interventiewaarden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). De gemeten gehalten zijn door middel van een BoToVa-toetsing, met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. De gebruikte analysetechnieken zijn weergegeven op de certificaten in bijlage 4a. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de volgende terminologie gebruikt: Grond: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
gehalte < achtergrondwaarde en/of detectielimiet; gehalte > achtergrondwaarde en < tussenwaarde; gehalte > tussenwaarde < interventiewaarde; gehalte > interventiewaarde.
Grondwater: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
concentratie < streefwaarde en/of detectielimiet; concentratie > streefwaarde en < tussenwaarde; concentratie > tussenwaarde < interventiewaarde; concentratie > interventiewaarde.
De omgerekende gehalten naar gehalten in een standaardbodem zijn tevens indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit. Dit opgenomen resultaat geeft een indicatie van de kwaliteit van de grond met betrekking tot grondverzet en/of (indien van toepassing) terugsaneerwaarden. Hierbij wordt grond ingedeeld in de klassen Achtergrondwaarde, Wonen, Industrie en Niet Toepasbaar. De analyseresultaten voor wat betreft PFAS in grond zijn getoetst aan de toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau, zoals opgenomen in het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies”. De toepassingsnormen voor wat betreft de parameter PFAS zijn in tabel 14 weergegeven. Tabel 14. Toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau) Bodemfunctieklasse