Bijlage 1 - Rapport sturingsmogelijkheden financieel ravijn
Tekst van het document
B. Jeugd Het grootste deel van de kosten jeugd ziet toe op wettelijk verplichte open-einde regelingen of uitvoeringskosten. Hierin zijn de sturingsmogelijkheden beperkt. De mogelijkheden die er zijn (€ 870.000) zien toe op: Categorie A (geel) We verstrekken diverse subsidies en bijdragen om het welzijn van onze jeugd (preventief) te ondersteunen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de scouting en IJVO. Indien deze subsidies vervallen besparen we in totaal € 90.000, maar wordt minder preventief op jeugd ingezet. We hebben een budget van ruim € 50.000 voor een robuust rechtsbeschermingssysteem. Hiervoor hebben we een middelen gekregen naar aanleiding van de toeslagena aire. In de praktijk blijken deze kosten reeds in de reguliere budgetten te zijn gedekt. Indien het budget vervalt lopen we het risico dat de vraag toeneemt en hier geen budget voor gereserveerd is. Op de PGB’s jeugd kunnen we € 27.000 besparen door geen hulp bij hoogbegaafdheid te bieden. Om op basis van actuele problematiek extra inzet te kunnen plegen is € 73.000 beschikbaar. Dit budget kan verlaagd worden zonder al te grote directe impact. Categorie B (oranje) Cliëntgebonden kosten jeugd: we hebben hiervoor in totaal ruim € 9 miljoen budget. We zijn met een project bezig om de sturingsmogelijkheden hierop in kaart te brengen aangezien grote delen hiervan wettelijk verplichte open-einde regelingen zijn.
De resultaten hiervan verwachten we eind 27
2024. De eerste besparingsopties die hieruit blijken zullen gebruikt worden om onze huidige uitgaven binnen begroting te brengen. Verdere besparingsmogelijkheden zijn nog zeer onzeker. We hebben dit nu op 5% geraamd (ruim € 450.000). Indien dit haalbaar blijkt verwachten we dat hiervoor de jeugdhulp tot het absolute wettelijk minimum moet worden teruggebracht en dat we hulpvragen zeer streng moeten beoordelen. Dit zal een grote impact hebben op veel jeugdigen en gezinnen. In aanvulling op de middelen voor extra inzet actuele problematiek (categorie A) zijn middelen beschikbaar voor vaste preventieve inzet. In aanvulling op categorie A is dit met € 90.000 te verlagen. Hierdoor vervalt inzet zoals buurtgezinnen, de ervaringswijzer, de onafhankelijke cliëntenondersteuning en kamers met aandacht. Deze algemene voorzieningen hebben vaak een preventieve werking en kunnen voorkomen dat specialistische hulp nodig is. Er bestaat daarom een reëel risico dat een besparing hierop leidt tot hogere kosten voor specialistische jeugdhulp. In aanvulling op categorie A verstrekken we diverse subsidies aan onder andere algemeen maatschappelijk werk, Handje helpen en Pretty woman. Wanneer deze subsidies stopgezet worden bespaart dit € 71.000 per jaar. De subsidies hebben vaak een preventieve werking en kunnen voorkomen dat specialistische hulp nodig is.
Er bestaat daarom een reëel risico dat een besparing hierop leidt tot hogere kosten voor specialistische jeugdhulp.
C. Wmo Ook voor de Wmo geldt dat het grootste deel van de kosten toeziet op wettelijk verplichte open-einde regelingen. Binnen de Wmo zijn echter meer sturingsmogelijkheden (€ 1.450.000), die zien toe op: Categorie A (geel) Wanneer we subsidies in het voorliggend veld met 5% verlagen dan levert dit € 110.000 op. Deze verlaging heeft impact op onze maatschappelijk partners en daarmee ook op onze inwoners. Doordat het grootste deel van de subsidies in stand blijft verwachten we dat de impact relatief beperkt is. Voor de pilot huishoudelijke ondersteuning is jaarlijks € 109.000 begroot. Dit zou gestopt kunnen worden. Het is echter onzeker in hoeverre dit tot hogere kosten op andere budgetten leidt. We stellen als gemeente incidentele subsidies beschikbaar om eenzaamheid in de samenleving tegen te gaan. Wanneer we hiermee stoppen zal de eenzaamheid van sommige inwoners stijgen. Hiermee besparen we € 102.000 per jaar. We kunnen stoppen met het vergoeden van hulpmiddelen die in de winkel te koop zijn en zoveel mogelijk tweedehands inkopen. Hiermee schatten we in dat we 15% van het budget kunnen besparen. Dit levert € 96.000 op. Wanneer we het mantelzorgcompliment halveren kunnen we jaarlijks € 50.000 besparen. We voeren al streng beleid op PGB Wmo. Een nog strenger beleid zou naar schatten € 50.000 op kunnen leveren.
Diverse kleine subsidies en kleine kostenposten die niet noodzakelijk zijn kunnen stopgezet worden. De totale waarde hiervan is ruim € 80.000 per jaar. Categorie B (oranje) In aanvulling op onderdeel A kunnen we de subsidies in het voorliggend veld (onder andere Pulse) verder verlagen met 20% levert een aanvullende besparing van € 445.000 op. Deze verlaging zal een zeer grote impact hebben op onze maatschappelijk partners en daarmee ook op onze inwoners. Er zal sterk gesneden moeten worden in het voorzieningenniveau in het voorliggend veld. Omdat het voorliggend veld vaak een preventieve werking heeft ontstaat hierdoor ook het risico dat dit leidt tot hogere kosten op andere gebieden. Een verdere verlaging van dit budget is in theorie 28
mogelijk, maar achten wij niet reëel en verantwoord gezien de maatschappelijke rol van deze instellingen. Voor het voorliggend veld is het noodzakelijk een integrale afweging te maken met overige Wmo voorzieningen en jeugdzorg. Zo is de hiervoor genoemde besparingsmogelijkheid op kosten jeugdzorg sterk afhankelijk van de mogelijkheid om hulpvragen naar het voorliggend veld te verwijzen. Het is daarom zeer onwaarschijnlijk dat er zowel op jeugdzorg als op het voorliggend veld een significante besparing te realiseren valt. Op termijn zien we een mogelijke besparing van 10% op begeleiding door het strenger vastleggen van beleid. Hiermee zal de begeleiding tot een absoluut wettelijk minimum worden gereduceerd. De impact is hierdoor groot en de mogelijke opbrengst is onzeker. Mogelijk kan dit een besparing van € 186.000 opleveren. Woningaanpassingen kennen we soms ruimhartiger toe dan verplicht is. Dit doen we omdat inwoners door de krappe woningmarkt nergens anders heen kunnen en er dus geen goede alternatieven zijn. Als we ons beleid strenger handhaven is de impact dus aanzienlijk. Het kan naar schatting € 60.000 besparen. In aanvulling op onderdeel A kan het mantelzorgcompliment nog € 30.000 verder teruggebracht worden. Hierdoor kunnen mantelzorgers zich minder gezien en gewaardeerd voelen, terwijl ze een vitale functie voor de samenleving vervullen.
Diverse subsidies en inzet kunnen gestopt worden. Hieronder vallen bijvoorbeeld dementievriendelijk IJsselstein, steunpunt mantelzorg en de gemeentebeleidsmonitor. In totaal bespaart dit ca. € 120.000. We schatten de impact hiervan als aanzienlijk in omdat preventieve ondersteuning wegvalt.
D. Volksgezondheid Het budget voor volksgezondheid bestaat grotendeels uit de bijdrage aan de GGD. Dit is voor het grootste gedeelte een wettelijke taak. De beperkte sturingsmogelijkheden (€ 270.000) zien toe op: Categorie A (geel) Enkele kleine subsidies waaronder het dierenasiel zijn te verlagen. In totaal kunnen we hiermee € 30.000 besparen. Categorie B (oranje) Niet alle taken die we bij de GGD beleggen zijn wettelijke verplicht. We kunnen stoppen met zaken als gezondheidsbevordering, epidemiologische ondersteuning, Stevig Ouderschap, Verwijsindex, Nu Niet Zwanger, intensivering vroeghulp JGZ, etc. Dit heeft naar verwachting echter grote impact op onze kwetsbare inwoners. Hiermee besparen we ongeveer € 200.000. In aanvulling op onderdeel A kunnen we aanvullend enkele kleine subsidies verlagen. Deze subsidies (€ 42.000) zijn onder andere gerelateerd aan alcohol en drugspreventie en slachto erhulp. Dit is niet verplicht maar het stoppen hiermee kan grote impact hebben op het welzijn van inwoners. Ook bestaat het risico dat het leidt tot hogere kosten op andere gebieden.
29
Programma 6 – Overhead De inkomsten en kosten zijn per onderwerp uitgewerkt in onderstaande tabellen. Ieder onderwerp met een totale sturingsmogelijkheid (som van A en B) boven de € 50.000 wordt onder de tabellen toegelicht. Tabel 15 – Overzicht inkomsten programma 6
Inkomsten Huisvesting Overig Totaal
Totaal 587.721 183.014 770.735
A
B 0 0 0
C 0 587.721 0 108.014 0 695.735
D
Toelichting 0 n.v.t. 75.000 n.v.t. 75.000
Tabel 16 – Overzicht kosten programma 6
Kosten Totaal A B C D Toelichting Eigen personeel 6.519.016 0 0 6.509.016 10.000 n.v.t. ICT, informatie en 2.081.623 26.880 148.038 1.386.279 520.426 A licenties Huisvesting 849.588 0 0 826.456 23.132 n.v.t. Inhuur en advies 686.238 357.611 165.541 163.086 0 B Overige 564.500 16.000 277.167 160.170 111.163 C personeelskosten Facilitair 580.694 11.050 42.614 477.537 49.493 D Overig 231.648 38.934 38.138 111.362 43.214 E Totaal 11.513.307 450.475 671.498 9.633.906 757.428 A. ICT, informatie en licenties ICT, informatie en licenties zijn grote kostenposten en voor een belangrijk deel absoluut noodzakelijk voor onze bedrijfsvoering. Een deel is zelfs wettelijk verplicht. Toch zien we hier voor ruim € 170.000 aan sturingsmogelijkheden: Categorie A (geel) Deze mogelijkheid ziet voornamelijk toe op de applicatiekosten voor onze P&C producten (€ 24.000). Als we hiermee stoppen gaan we terug naar rapportages in PDF en kunnen we niet meer werken met geautomatiseerde workflows. Door het werken in verschillende documenten en doordat cijfers niet automatisch uit het financieel systeem komen wordt stijgt de kans op fouten in P&Cdocumenten. Categorie B (oranje) € 93.000 licenties financiën en vakapplicaties: we stoppen met de Pauw applicatie, stoppen met digitaal inlezen facturen en stoppen met smart documents. Financiële overzichten worden zeer beperkt.
Er zal meer handmatig werk nodig zijn wat ambtelijke capaciteit vraagt. Daarnaast wordt de kans op fouten groter, met name bij het doorrekenen van de algemene uitkering en circulaires (Pauw). 30
€ 26.000 naslagwerk vakliteratuur. Hiermee stoppen kan ertoe leiden dat kwaliteit van advies achteruit gaat. € 26.000 Ensia en Bio. Het budget kunnen we terugbrengen tot het absoluut basisniveau. Dit leidt ertoe dat we onze ambities op het gebied van informatieveiligheid niet waar kunnen maken en hier meer risico lopen.
B. Inhuur en advies Een groot deel van het budget voor inhuur en advies is niet absoluut noodzakelijk en heeft voor ruim € 520.000 aan sturingsmogelijkheden. Categorie A (geel) We hebben € 420.000 budget voor boven-formatieve inhuur van personeel. Dit valt voor een groot deel (€ 320.000) in categorie A. Het budget wordt vooral ingezet voor organisatieontwikkeling en bijzondere projecten. Als dit wordt teruggebracht zullen we deze projecten binnen onze huidige formatie moeten uitvoeren. Dit gaat ten koste van andere werkzaamheden en leidt ertoe dat we prioriteiten scherper moeten stellen. We gebruiken IBMN voor inkoopondersteuning, advies en begeleiding bij (Europese) aanbestedingen. We kunnen ervoor kiezen om selectiever te zijn in kleinere adviesvragen. Hierop kan naar schatting € 20.000 bespaard worden zonder dat we grote aanbestedingsrisico’s lopen. Dan moet hier wel op gemonitord worden en kan de kwaliteit van inkoopprocessen hiermee dalen. Overige kleine besparingsmogelijkheden (€ 18.000) zien toe op externe onderzoeken waaronder het geplande (maar nog niet uitgevoerde) klanttevredenheidsonderzoek. Categorie B (oranje) In aanvulling op categorie A kan het budget inhuur personeel volledig geschrapt worden. Dit geeft een voordeel van € 100.000 ten opzichte van optie A. Dit is inhuur van expertise die we niet in huis hebben.
Het schrappen hiervan zal de organisatieontwikkeling belemmeren. In aanvulling op categorie A is het mogelijk nog eens € 60.000 te besparen. We nemen dan enkel het minimale af bij IBMN. Dan kiezen we ervoor om alleen ondersteuning bij Europese aanbestedingstrajecten te vragen. Voor andere adviesvragen hebben we dan zeer beperkt budget. Dit leidt tot een groot risico op onrechtmatigheden en juridische procedures. Daarnaast zal het veel extra ambtelijke capaciteit vragen en kunnen we veel minder gebruik maken van de marktkennis die IBMN heeft.
C. Overige personeelskosten De sturingsmogelijkheden in de overige personeelskosten vallen hoofdzakelijk in categorie C en voor klein deel in categorie B. Het ziet voornamelijk toe op: Categorie A (geel) Representatie/sfeer bevorderende activiteiten. In totaal geven we hier € 85.000 aan uit. Dit is zowel van het college naar de samenleving en intern voor de ambtelijke organisatie. We schatten in dat we € 16.000 kunnen bezuinigen zonder al te grote impact. Categorie B (oranje) Opleiding en ontwikkeling: slechts een klein deel hiervan zijn functie gerelateerde verplichte opleidingen waar niet op bezuinigd kan worden. Het overig deel ter waarde van € 195.000 is niet verplicht. Hierin zitten dus sturingsmogelijkheden. Dit kan een grote impact hebben op de ontwikkeling van onze medewerkers en op onze aantrekkelijkheid als werkgever. 31
Gemeentebanen.nl. Hier geven we € 30.000 aan uit. Hier kunnen we mee stoppen, maar geeft een risico dat we minder makkelijk personeel kunnen aantrekken. In aanvulling op categorie A kunnen we het budget voor representatie/sfeer bevorderende activiteiten verder verlagen met € 48.000. Dit ziet toe op bijvoorbeeld de GIJSdag, teamuitjes en de jaarlijkse BBQ. Dit is niet noodzakelijk maar draagt wel bij aan het teamgevoel en binding met de organisatie.
D. Facilitaire kosten
De facilitaire kosten zijn grotendeels noodzakelijk voor onze bedrijfsvoering. De sturingsmogelijkheden zijn met € 53.000 beperkt en zitten voornamelijk in: Categorie A (geel) € 9.000 uit aan fruit voor ons personeel. Dit vergroot de vitaliteit van onze medewerkers. Categorie B (oranje) Schoonmaakkosten, afvaldiensten en beveiliging. Dit kunnen we terugbrengen tot het absoluut minimum, wat € 42.000 zou besparen.
E. Overig De overige kosten in programma 6 zijn divers van aard en zien toe op bijvoorbeeld de lichtkrant, de OR en reservemutaties. In de overige kosten zien wij € 77.000 aan sturingsmogelijkheden; Categorie A (geel) Dit betreft €38.000 en ziet toe op de lichtkrant, diverse abonnementen en de bijdrage aan de personeelsvereniging. Categorie B (oranje) We geven € 35.000 uit aan de gemeentepagina. Het is niet noodzakelijk deze pagina te hebben. Uit onderzoek blijkt wel dat inwoners hier veel waarde aan hechten.
32
Programma 7 – Algemene dekkingsmiddelen De inkomsten en kosten zijn per onderwerp uitgewerkt in onderstaande tabellen. Ieder onderwerp met een totale sturingsmogelijkheid (som van A en B) boven de € 50.000 wordt onder de tabellen toegelicht. Tabel 17 – Overzicht inkomsten programma 7
Inkomsten Algemene uitkering OZB Stelposten Treasury Overig Totaal
Totaal
A
61.281.659
B 0
C 0
D 0
61.281.659
5.658.138 2.763.964 2.044.310 5.658.138 708.190 734.000 1.877.500 708.190 961.430 0 0 961.430 20.345 0 0 20.345 68.629.762 3.497.964 3.921.810 7.348.103
0 0 0 0 61.281.659
Toelichting n.v.t. A B n.v.t. n.v.t.
Tabel 18 – Overzicht kosten programma 7
Kosten Stelposten Belastingen Treaury Overig Totaal
Totaal 1.024.868 555.102 495.772 55.000 2.130.742
A B 1.445.113 400.000 0 0 0 0 0 0 1.445.113 400.000
C 475.875 555.102 495.772 55.000 1.581.749
Toelichting D B 3.880 n.v.t. 0 n.v.t. 0 n.v.t. 0 3.880
A. Onroerende zaak belasting (OZB) We zien sturingsmogelijkheden op de inkomsten ter waarde van € 4,8 miljoen bij de OZB. De mogelijkheden zijn: Categorie A (geel) indien de OZB met 50% verhoogd zou worden leidt dit tot ruim € 2,7 miljoen extra inkomsten. Categorie B (oranje) In aanvulling op categorie A kan de OZB gemaximeerd worden. Dit zou nog eens ruim € 2 miljoen opleveren. De impact hiervan is groot, omdat dit bijna een verdubbeling van kosten zou betekenen. Bovendien lopen we dan sterk uit de pas met de meeste andere gemeenten. Uiteraard kan ook gekozen worden voor andere percentages. De extra inkomsten wijzigen dan proportioneel.
33
B. Stelposten We zien sturingsmogelijkheden ter waarde van € 4,4 miljoen op stelposten. Wij nemen in de begroting diverse stelposten op die niet verplicht zijn. Daarnaast zien wij mogelijkheden om stelposten op te nemen die het begrotingssaldo verbeteren. Deze zijn als volgt:
Categorie A (geel) Een totaal van ruim 2 miljoen kan behaald worden door: Een stelpost op te nemen voor de te verwachten teruggave uit het BTW compensatie fonds. Als wij het gemiddelde van de afgelopen drie jaren gebruiken betekent dit een bate in de begroting van € 679.000. De stelpost loon- en prijscompensatie met € 900.000 te verlagen, omdat we verwachten dat de stelpost te conservatief is ingeschat. In de begroting van 2026 zit deel van de stelpost niet. De besparing kan pas vanaf 2027 worden gerealiseerd. De stelpost wegvallen renteinkomsten € 315.000 te laten vervallen. Deze stelpost is in het verleden gevormd om het wegvallen van ontvangen renten over uitgeleende gelden op te kunnen vangen als de leningen worden afgelost. Door de hogere rente is dit risico kleiner en is deze stelpost niet noodzakelijk. De stelpost voortgang coalitieakkoord € 200.000 te laten vervallen. Herinvoering van de hondenbelasting. Wanneer hetzelfde tarief als in het verleden wordt gehanteerd, levert dit € 55.000 op. Categorie B (oranje) Een totaal van 2,3 miljoen kan behaald worden door: Het nemen van een stelpost voor het te verwachten jaarrekeningresultaat. Indien 50% van het gemiddelde resultaat over de laatste vier jaren gebruikt wordt, leidt dit tot een verbetering van het begrotingssaldo van € 1,85 miljoen.
Het is toegestaan een dergelijke stelpost te nemen, hiermee zouden we wel de grenzen opzoeken van wat binnen de BBV richtlijnen is toegestaan. Daarnaast is het risico op uitputting van de algemene reserve, deze wordt bij een positief resultaat niet meer gevoed. Taakstelling verbonden partijen: onze bijdragen aan verbonden partijen staan in deze inventarisatie vrijwel altijd in de categorie C of D. Dit komt doordat deze partijen wettelijke taken uitvoeren en/of we weinig invloed hebben. Echter wordt er bestuurlijk wel gewerkt aan besparingsmogelijkheden bij verbonden partijen en hebben we partijen opgeroepen om deze in kaart te brengen. Daarbij kan ook een bestuurlijke taakstelling (in samenwerking met andere gemeenten) worden overwogen. De opbrengsten uit dit proces zijn heel onzeker en kunnen per verbonden partij sterk verschillen. Indien hier sterk op gestuurd wordt is hier wel een besparingsmogelijkheid te verwachten. Indien dit conservatief wordt ingeschat op enkele procenten zou het een kostenbesparing van € 400.000. In aanvulling op categorie A kan de hondenbelasting 50% verhoogd worden ten opzichte van het oude tarief. Dit levert € 27.500 extra op. Op dit punt dient opgemerkt te worden dat het aanpassen van stelposten niet leidt tot een werkelijke kostenbesparing en niet leidt tot werkelijke extra inkomsten. Het gaat om een boekhoudkundige aanpassing.
Het aanpassen van stelposten kan, indien hier goede redenen voor zijn, wel gebruikt worden om een realistischer beeld te schetsen van het verwachte resultaat. Er kleven echter ook belangrijke nadelen en risico’s aan. We verwijzen naar de risicoparagraaf in dit rapport voor een toelichting hierop.
34
4. Risico’s, onzekerheden en kansen Vrijwel alle beleidskeuzes kennen nadelen en risico’s. Een risico hoeft dus geen reden zijn een bepaalde keuze niet te maken. Wel is het van belang om bij het maken van keuzes de mogelijke nadelige gevolgen af te wegen. Een goed beeld van risico’s is hierbij onmisbaar. Bij de uitkomsten van de inventarisatie in hoofdstuk 3 hebben wij ook de verwachte e ecten beschreven. Hieruit blijken ook mogelijke nadelen en risico’s, waar van toepassing. In gevallen waar die beschrijving volstaat worden de risico’s in dit hoofdstuk niet herhaald. Naast de al beschreven risico’s is er een aantal risico’s die qua aard of omvang een bijzonder karakter hebben. Of die een algemeen karakter hebben. Deze risico’s worden in dit hoofdstuk toegelicht. 1. Frictiekosten Bij een aantal maatregelen geldt dat sprake kan zijn van frictiekosten. Voorbeelden hiervan zijn kosten voor het beëindigen of afkopen van een contract, kosten bij het afstoten van vastgoed of frictiekosten bij het beëindigen van een subsidie. In de praktijk zijn frictiekosten zeer afhankelijk van het precieze besluit en de timing hiervan. Ook kan het zijn dat besparingen of extra inkomsten niet direct gerealiseerd kunnen worden, maar wel over een bepaalde termijn. Wanneer de frictiekosten al bekend zijn hebben wij dit opgenomen bij de inventarisatie.
In alle overige gevallen zullen wij de frictiekosten in beeld brengen wanneer de politiek een maatregel wenst te nemen. 2. Stelpost BTW compensatiefonds (BCF) Jaarlijks wordt een eventueel overschot in het BTW compensatiefonds toegevoegd aan het gemeente- en provinciefonds. Dit wordt naar rato uitgekeerd. De ervaring leert dat er altijd een overschot is. De hoogte hiervan fluctueert. De verwachte inkomsten hieruit mogen geraamd worden. Tot dusver deden wij dit niet. Het ramen hiervan kan dus bijdragen aan het verbeteren van het begrotingssaldo. Wij hebben echter geen invloed op het bedrag dat in het fonds overblijft en wordt uitgekeerd. Doordat wij dit tot dusver niet raamden was het altijd een meevaller. Door het te ramen ontstaat het risico op tegenvallers die wij niet aan zien komen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer grote gemeenten omvangrijke investeringen doen. 3. Herijking gemeentefonds De omvang van de ombuigingsopgave is mede afhankelijk van de herijking van het gemeentefonds. Op dit moment is dit nog niet duidelijk. De maximale impact hiervan is 2,7 miljoen Euro. Wij verwachten niet dat deze korting in één keer doorgevoerd wordt. Waarschijnlijker is dat dit in stappen gebeurt. Hierdoor kan het zijn dat het tekort in de eerste jaren vanaf 2026 lager uitvalt. Hier kunnen we geen goede inschatting van maken. Daarnaast verandert het niets aan het structureel tekort.
Daarom zijn we voor het financieel perspectief in hoofdstuk 1 uitgegaan van de volledige herijking vanaf 2026. 4. Inflatie en andere kostenstijgingen Bij deze inventarisatie zijn wij uitgegaan van huidig prijspeil. Het gemeentefonds wordt (afgezien van de korting in 2026) verhoogd volgens de BBP systematiek. Dit geeft normaal gesproken een compensatie voor inflatie. Ook eigen (belasting)inkomsten kunnen wij aanpassen aan het niveau van inflatie. De afgelopen jaren was de inflatie hoger dan normaal en is gebleken dat de stijging van inkomsten niet altijd voldoende is om alle kostenstijgingen te kunnen dekken. Dit gebeurt wanneer bepaalde kosten sterker stijgen dan het algemeen prijsniveau. Voorbeelden hiervan zijn energie, kosten voor groot onderhoud en bepaalde vormen van zorg. 35
Het risico bestaat dat als kosten harder blijven stijgen dan inkomsten, onze ombuigingsopgave groter wordt dan wat op dit moment uit ons financieel perspectief blijkt. 5. Indirecte subsidies Bij subsidierelaties hebben wij in de inventarisatie enkel gekeken naar directe subsidies. De directe subsidie komt namelijk tot uiting in de begroting. Naast de directe subsidies kan het zijn dat maatschappelijke organisaties indirecte subsidies ontvangen. Voorbeelden hiervan zijn ondersteuning bij evenementen of het gratis verstrekken van materialen. Een grove inschatting hiervan is dat het ons € 100.000 – 200.000 kost. Dit is exclusief de kosten van eventuele ambtelijke capaciteit. Indien het beëindigen van subsidies leidt tot het stoppen van bepaalde maatschappelijke activiteiten kan het zijn dat door de indirecte subsidies de werkelijke besparing hoger uitvalt. Dit weten we niet precies. 6. Jeugdzorg Jeugdzorg vormt een belangrijk onderdeel van onze begroting. Het is daarom wenselijk om ook hierop alle sturingsmogelijkheden duidelijk te krijgen. Dat hebben we op dit moment nog niet. We zijn daarom bezig met een gericht project op dit in beeld te brengen. Hiervan verwachten wij eind 2024 de resultaten. De sturingsmogelijkheid die nu in de inventarisatie is opgenomen is een heel grove schatting en het is zeer onzeker of dit haalbaar blijkt.
Dit komt doordat een groot deel van de jeugdzorg een wettelijk verplichte open-einde regeling is en de kosten op dit moment aanzienlijk hoger zijn dan begroot. De sturingsmogelijkheden die blijken uit het project kostenbeheersing jeugdzorg zullen dus eerst gebruikt worden om de uitgaven binnen begroting te brengen. Pas wanneer er verdere sturingsmogelijkheden blijken te zijn, kunnen deze een bijdrage leveren aan het opvangen van het ravijnjaar. 7. Taakstelling gemeenschappelijke regelingen Een belangrijk deel van de begroting bestaat uit bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen. In de meeste gevallen zijn deze bijdragen in de categorie C of D geplaatst omdat het gaat om een wettelijk verplichte regeling of omdat wij als individuele gemeente geen bepalende invloed uit kunnen oefenen op de bijdrage. Onze ombuigingsopgave wordt aanzienlijk lastiger wanneer deze bijdragen vast blijven staan. Veel regelingen voeren wettelijke taken voor ons uit waardoor we verwachten dat sturingsmogelijkheden relatief beperkt zijn. Tegelijkertijd kan het wel zijn dat het niveau waarop wettelijke taken uitgevoerd worden verlaagd kan worden of dat er in de bedrijfsvoering besparingsmogelijkheden zijn. Ook bij niet wettelijk verplichte regelingen bestaan mogelijkheden om, samen met andere deelnemers, te besluiten tot een ander niveau van dienstverlening door de regeling.
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de regeling maar het in kaart brengen hiervan kan alleen samen met de regeling en andere deelnemers. We hebben daarom een conservatieve taakstelling opgenomen voor alle regelingen als geheel. Het risico bestaat dat dit niet gerealiseerd kan worden omdat wij bij de meeste regelingen beperkte invloed hebben. E ectieve samenwerking met andere gemeenten en bestuurlijke druk kan dit risico verkleinen. 8. Afstoten vastgoed, sportaccommodaties en areaal buitenruimte De kosten voor (groot) onderhoud zijn gebaseerd op onze huidige vastgoedportefeuille en ons huidig areaal. Hetzelfde geldt voor kapitaalkosten. In de meeste gevallen vallen deze kosten in categorie C omdat er geen sturingsmogelijkheden zijn. Dit komt omdat het in stand houden van vastgoed en areaal het uitgangspunt vormt. Bezuinigen hierop leidt tot achterstallig onderhoud of kapitaalvernietiging. Het afstoten van vastgoed of areaal kan wel leiden tot een directe besparing. Daarnaast kan het afstoten van vastgoed ook leiden tot incidentele opbrengsten en mogelijkheden voor gebiedsontwikkeling. Wij hebben een grove en conservatieve inschatting gemaakt van het vastgoed en areaal dat mogelijk afgestoten zou kunnen worden met beperkte impact op het niveau van voorzieningen. Voor sportaccommodaties hebben wij dit ook gedaan waarbij we enkele concrete opties hebben benoemd. 36
Hierin zit een grote onzekerheid omdat een diepgaander onderzoek nodig is om dit goed in te kunnen schatten. Omdat wij met name op het gebied van vastgoed mogelijke voordelen zien, is de organisatie van plan om in de tweede helft van 2024 een strategische evaluatie van ons vastgoedbezit op te starten. Wij verwachten in 2025 een beter inzicht te hebben in de ombuigingsmogelijkheden op dit gebied. Hieruit zal ook blijken welke aanpassingen in ons strategisch vastgoedbeleid gemaakt zouden moeten worden om deze ombuigingen mogelijk te maken. Ook sportaccommodaties maken onderdeel uit van het onderzoek. 9. Taakstelling ambtelijke formatie Zoals toegelicht in hoofdstuk 2 vormde de ambtelijke formatie geen onderdeel van deze inventarisatie. Toch hebben wij dit als mogelijke taakstelling opgenomen, zonder hier een bedrag aan te koppelen. De besparingsmogelijkheden op de ambtelijke formatie zijn namelijk voor een groot deel afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden. Sommige beleidskeuzes hebben nauwelijks e ect op de totale werklast en leiden dus niet tot een besparingsmogelijkheid op de formatie. Andere beleidskeuzes zullen er wel toe leiden dat bepaalde functies komen te vervallen of minder tijd kosten. Het is dan mogelijk de formatie opnieuw af te wegen. Op basis van de keuzes die gemaakt worden kunnen wij de mogelijke besparing op het ambtelijk apparaat inzichtelijk maken.
Daarnaast kunnen er keuzes gemaakt worden in het gewenste niveau van interne ondersteuning. Mogelijkheden hiertoe staan los van de beleidskeuzes in dit rapport. Omdat dit niet tot de opdracht behoorde zijn deze mogelijkheden niet verder uitgewerkt. Om volledig te zijn benoemen wij dit wel. Eventuele besparingen op het gebied van ambtelijke formatie kosten tijd om te realiseren en kunnen gepaard gaan met frictiekosten. 10. Stelpost jaarrekeningresultaat De ervaring leert dat het jaarrekeningresultaat bijna altijd beter uitvalt dan het begrotingsresultaat. Dit komt doordat de BBV richtlijn conservatief is ingestoken; tegenvallers worden verantwoord op het moment dat ze verwacht worden en meevallers pas wanneer ze gerealiseerd zijn. Hierdoor worden tegenvallers vaak al in de begroting verwerkt en meevallers pas in de jaarrekening. Dit leidt tot een beter jaarrekeningresultaat. Het komt voor dat gemeenten kiezen om een algemene stelpost te nemen voor dit jaarrekeningresultaat. Provincies lijken dit ook vaker te accepteren. Om deze reden hebben wij dit als optie opgenomen, echter zien wij hierin wel een groot risico. Dit is tweeledig. Ten eerste wordt hiermee gebroken met de conservatieve uitgangspunten van de BBV en wordt de grens opgezocht van wat op het gebied van verslaggeving is toegestaan.
Ten tweede leidt dit ertoe dat ons vermogen niet meer groeit als gevolg van een positief jaarrekeningresultaat. Indien deze stelpost wordt opgenomen in de begroting en een sluitende begroting wordt opgesteld, dan zal er naar verwachting geen positief jaarrekeningresultaat meer zijn. Op korte termijn is dit geen probleem. Op de langere termijn is het risico dat ons vermogen niet meegroeit met ons balanstotaal en onze begroting. Dit groeit in de toekomst door bijvoorbeeld inflatie, bevolkingsgroei of taakmutaties. Als ons vermogen niet meegroeit komt de solvabiliteit onder druk te staan. Dit zal leiden tot hogere financieringskosten en een lagere weerstandsfactor. De gemeente wordt hierdoor financieel kwetsbaar. Het is daarom een groot financieel risico om deze maatregel voor langere tijd in te zetten.
37
Tot slot In bijgevoegd Excel overzicht is de volledige inventarisatie van alle sturingsmogelijkheden en onmogelijkheden opgenomen. Hierin zijn ook de kleinere posten toegelicht. Hiermee geeft dit een gedetailleerder beeld van alle mogelijkheden en bijbehorende gevolgen en risico’s. Met dit rapport is deze bestuurlijke opdracht wat ons betreft conform planning voltooid. De aangeleverde sturingsmogelijkheden zijn voldoende om de tekorten van zowel het financieel ravijn als de herijking van het gemeentefonds op te kunnen vangen. De opties zijn zeer divers in aard en impact. Dit zijn politieke keuzes en wij verwachten dat dit rapport helpt bij het maken van deze keuzes. Uiteraard geven wij waar nodig graag verdere inhoudelijke toelichting op onderwerpen daar waar nodig.
38