Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving
Tekst van het document
Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving Nationale Woon- en Bouwagenda In het coalitieakkoord van Kabinet-Rutte IV is veel aandacht voor wonen. De minister voor wonen heeft snel na zijn aantreden het nieuwe woonbeleid uiteengezet in de Nationale Woon- en Bouwagenda (NWBA) van maart 2022. Speerpunt hierin is versnelling van de woningbouw, naar 100.000 woningen per jaar (900.000 tot en met 2030), waarvan twee derde betaalbaar, inclusief een derde door de woningcorporaties. Met de start van het programma Woningbouw krijgen provincies een nieuwe rol als aanjager en coördinator om sneller, meer en beter betaalbare woningen te realiseren. De opgave wordt eerst verdeeld naar provincies en daarna doorvertaald naar regio’s en gemeenten. Dit heeft tot de uiteindelijke ondertekening van de woondeals in de afgelopen periode geleid. Nu is het zaak om de realisatie aan te sturen. Het inzetten van monitoring helpt daarbij om deze afspraken om te zetten in realisatie.
Programma ‘Een thuis voor iedereen’ Het programma ‘Een thuis voor iedereen’ heeft als doel te zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen, met een evenwichtige verdeling over gemeenten en met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding. Op dit moment leidt het tekort aan geschikte woningen tot concurrentie tussen aandachtsgroepen, verdringing van mensen op de wachtlijst met negatieve gevolgen voor de leefbaarheid en het draagvlak. Dit vraagt om een duidelijke sturing en regie op bouwopgave enerzijds en verdeling en ondersteuning van aandachtsgroepen anderzijds. Dit wordt in dit programma aangepakt door middel van vier actielijnen: 1. Het realiseren van betaalbare en passende woningen, door zowel nieuwbouw en transformatie als voorrangsregelingen voor aandachtsgroepen; 2. Evenwichtige verdeling van aandachtsgroepen over gemeenten om de leefbaarheid te waarborgen; 3. Combineren van wonen, zorg, welzijn en werk door woonzorgvisies op te stellen waarbij gemeenten om op lokaal niveau bindende wederkerige afspraken maken met alle relevante partijen over de prestaties die geleverd moeten worden om aan de woon- en zorgbehoeften te voldoen; 4. Inzet op preventie door problemen met huisvesting te voorkomen.
De preventieve inzet kan ook een positieve invloed hebben op de leefbaarheid in de wijk door in te zetten op een brede sociale basis om de zelfredzaamheid te bevorderen. Door vroegsignalering van problemen kunnen huisuitzettingen zoveel mogelijk voorkomen worden zodat mensen hun thuis kunnen behouden en door het versterken van de positie van kwetsbare jongeren door middel van passende ondersteuning, zodat zij niet aan hun lot worden overgelaten. Daarbij is de continuïteit van zorg en ondersteuning bij uitstroom uit jeugdhulp met verblijf van belang. Jongeren worden niet zomaar losgelaten. Afspraken en regie Dit programma sluit voor de regie aan bij het ‘programma Woningbouw’ en bouwt hierop voort: Met wederkerige prestatieafspraken wordt invulling gegeven aan de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, waarvan 350.000 woningen voor mensen met een middeninkomen en 250.000 sociale huurwoningen van corporaties; Onderwerp van gesprek aan de regionale woondealtafels is de verdeling van de sociale huurvoorraad en het streven dat elke gemeente toegroeit naar tenminste 30 procent sociale huur in de woonvoorraad;
-
-
-
In de woonzorgvisie maken gemeenten zichtbaar wat de behoefte is aan huisvesting en ondersteuning van aandachtsgroepen. De woonbehoefte krijgt een vertaling in de woningbouwprogrammering. De lokale prestatieafspraken worden verbreed zodat naast afspraken over wonen ook in de levering van zorg- en ondersteuning wordt voorzien; Provincies toetsen of de gemeentelijke woonzorgvisies gezamenlijk gelijk zijn aan de behoefte binnen de provincie. De provincie krijgt de wettelijke mogelijkheden bij te sturen, mocht dat nodig zijn; Om mensen die dak- en thuisloos zijn, die uitstromen uit een intramurale (zorg)instelling en mensen met sociale of medische urgentie met voorrang te kunnen huisvesten, legt de gemeente dit vast in een huisvestings- of urgentieverordening.
Opgave De omvang van de aandachtsgroepen is niet in alle gevallen te sturen. Toch kunnen preventieve acties en maatregelen eraan bijdragen dat mensen niet voor problemen komen te staan waardoor zij dakloos worden en ook de zorg- en welzijnsopgave, onnodig groter worden. Ook kan door huisvesting in combinatie met wonen, werk, zorg en welzijn goed te organiseren, worden voorkomen dat mensen in de problemen komen. Deze inzet op preventie heeft een positief effect op de leefbaarheid in de wijken. Figuur: Schematische weergave verbetering huisvesting aandachtsgroepen. Bron: Programma Een thuis voor Iedereen, 2022. Brede sociale basis Een goede sociale basis is een randvoorwaarde voor (het herstel van) zelf- en samenredzaamheid. Typerend voor de sociale basis is een focus op wat nog wél kan. Gezien het decentrale karakter van deze opgaven zijn met name gemeenten aan zet. Vroegsignalering, voorkomen huisuitzettingen Het rapport ‘Een thuis voor iedereen’ stelt een aantal preventieve maatregelen voor waaraan al op diverse manieren uitvoering wordt gegeven. Zo zetten gemeenten en corporaties intensief in op het voorkomen van huisuitzettingen. Dat heeft geleid tot een forse afname van 3.000 in 2018 naar 1.720 in 2020. Dit beleid zetten zij voort. Ook is er aandacht voor onder meer vroegsignalering en preventie bij (stapeling van) problemen.
VWS zet met het programma ´Een thuis, een toekomst´ in op het voorkomen van dak- en thuisloosheid. De Brede Schuldenaanpak, die het ministerie van SZW coördineert, zet in op vroege interventie voor mensen met schulden, zodat de problemen niet escaleren. SZW zet daarnaast nadrukkelijk in op het voorkomen en vroeg signaleren van geldzorgen. Geldzorgen staan niet op zichzelf. Ze leiden vaak tot stress en daardoor ook tot problemen op het terrein van werk, huisvesting, gezondheid, opvoeding, ggz-problematiek, veiligheid etc. Door (eerste) signalen van geldzorgen als aanknopingspunt te benutten om kwetsbare groepen (waaronder kinderen en jongeren) vroegtijdig in beeld te krijgen en ondersteuning te bieden, kunnen meer hardnekkige problemen worden voorkomen of worden opgepakt. Het niet langer stoppen van de volledige uitkering als een uitkeringsgerechtigde tijdelijk Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 2
wordt opgenomen in een zorginstelling draagt ook bij aan het voorkomen van woonproblematiek. Ter voorkoming van recidive werkt het ministerie van Justitie en Veiligheid aan meer maatwerk in het gevangenisregime. Re-integratie in de samenleving is daar een belangrijk onderdeel van. Zo is er om- en bijscholing in de gevangenis en wordt de huisvesting voor ex-gedetineerden mogelijk gemaakt. Versterking positie kwetsbare jongeren Preventieve maatregelen om jongeren die dat nodig hebben een goede start te geven, helpen hen in hun latere leven. Het gaat dan om jongeren in een kwetsbare positie, met name jongeren uit het praktijkonderwijs (Pro), Voortgezet speciaal onderwijs (Vso), Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV’s) en jongeren die uitstromen uit jeugdhulp met verblijf. Zij dreigen door onder andere het tekort aan betaalbaar woonaanbod, het hanteren van verschillende leeftijdsgrenzen en beperkingen in wet- en regelgeving, regelmatig tussen wal en schip te raken. Om dit te voorkomen ondernemen diverse departementen acties, in samenwerking met gemeenten en wooncorporaties. De acties zien zowel toe op vloeiende overgangen en passende ondersteuning als op het verbeteren van de inkomenspositie.
Zo wordt, om de continuïteit van zorg en ondersteuning van jongeren bij uitstroom uit jeugdhulp met verblijf te waarborgen, ingezet op de volgende punten: Jeugdhulpverleners laten jongeren niet los als zij 18 jaar worden, mits aantoonbaar is voorzien in ‘the big 5’: huisvesting, zorgcontinuïteit, zinvolle daginvulling (school of werk), een volwassene om op terug te vallen/informeel support en financiën die op orde zijn of waarbij in ondersteuning daartoe is voorzien. Onderdeel hiervan is dat iedere jongere met een persoonsgericht Toekomstplan tijdig en gedegen wordt voorbereid op het verlaten van jeugdhulp met verblijf; Werken aan de ‘big 5’ en met het Toekomstplan maakt deel uit van de richtlijn Toekomstgericht Werken voor jeugdhulpprofessionals. Deze richtlijn wordt in 2022 vastgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) en vervolgens breed geïmplementeerd bij jeugdhulpinstellingen met verblijf. Gemeenten kunnen jongeren die verblijven in jeugdhulp met verblijf (residentiële jeugdhulp/ gesloten en open, pleegzorg en gezinsvervangende tehuizen) met meer urgentie helpen aan huisvesting. Dat kan bijvoorbeeld door directe bemiddeling naar een woning of door hen (meer) voorrang te geven (zoals in de regio Amsterdam gebeurt met het toekennen van urgentiepunten in het toewijzingssysteem).
In het programma ‘Een thuis voor iedereen’ wordt in mei 2022 de koers uitgezet voor het beter huisvesten van aandachtsgroepen. Naast aandacht voor ouderen is hierbij ook aandacht voor (de huisvesting van) alle andere zorgvragende aandachtsgroepen. Daarnaast worden ook bijzondere aandachtsgroepen genoemd, zoals (internationale) studenten, statushouders, arbeidsmigranten en woonwagenbewoners. Het centrale instrument in ‘Een thuis voor iedereen’ is de gemeentelijke woonzorgvisie. Het programma heeft als doel om ervoor te zorgen dat er voldoende betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen komen, met een evenwichtige verdeling over gemeenten en met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding. Gemeenten pakken deze analyse lokaal op en betrekken in de visie naast de woningcorporaties ook zorg- en welzijnspartijen. De afspraken met de corporaties leggen gemeenten vast in de prestatieafspraken. Het zorg- en welzijnsonderdeel moet in het Wmo-beleidsplan een plek krijgen. Provincies krijgen hierbij een coördinerende rol. In het programma ‘Een thuis voor iedereen’ staat dit omschreven als ‘het toetsen van de opgave op aannemelijkheid en of de beoogde woonprogrammering passend is als deze worden vergeleken met de beschikbare data over de landelijke, provinciale en regionale opgaven.
Tevens monitoren provincies de voortgang van de uitvoering van de lokale woonzorgvisies nieuwe stijl, in aansluiting op de regionale woningbouwprogrammering en spreken waar nodig gemeenten hierop aan.’ Ter ondersteuning komt een landelijke monitor die per regio de omvang Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 3
van de aandachtsgroepen en hun huisvestingsbehoefte bijhoudt. In het overleg met de provincies en het IPO (d.d. 24 april 2023) gaf het Rijk aan dat de definities vlak na de zomer 2023 worden verwacht. Het monitoringssysteem volgt pas in het tweede kwartaal van 2024. De wettelijke kaders komen door middel van het wetgevingstraject versterking regie volkshuisvesting en worden in 2024 volgens de planning van kracht. Om deze coördinerende rol in te vullen krijgt de provincie de wettelijke mogelijkheden om bij te sturen, mocht dat nodig zijn. In hun aanpak volgen gemeenten nu verschillende routes: sommigen wachten niet op de regio, starten met de analyse en stellen lokaal hun woonzorgvisie op, om daarna in de regio het gesprek aan te gaan. Andere gemeenten stemmen regionaal af (bijvoorbeeld over het te volgen proces en de planning) en gaan dan aan de gang met de analyse. Waar in het programma nog gesproken wordt dat gemeenten deze aan het eind van 2023 vastgesteld moeten hebben, is dit in de communicatie vanuit het Rijk inmiddels aangepast. In de bijeenkomsten ‘Samen aan de slag met Volkshuisvesting’, de koploperbijeenkomst woonzorgvisies en in het overleg met de provincies draagt het Rijk uit dat gemeenten in 2023 een start maken met het opstellen van de woonzorgvisie. Deze woonzorgvisie moet in 2026 als onderdeel in het volkshuisvestingsprogramma terechtkomen.
De gemeente neemt de woongerelateerde zorg en ondersteuning op in het volkshuisvestingsprogramma en betrekt zorgaanbieders bij het gesprek met woningcorporaties en huurdersorganisaties voor het maken van prestatieafspraken. De onderwerpen uit het volkshuisvestingsprogramma moeten landen in de lokale prestatieafspraken tussen gemeente, huurders en corporaties.
Programma ‘Wonen en zorg voor ouderen’ Het programma Wonen en zorg voor ouderen is het zesde programma dat wordt gepresenteerd vanuit de Nationale Woon- en Bouwagenda van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Met bouwen alleen zijn we er niet. Het werken aan de bouwopgave gaat samen met het verbeteren van de zorg en ondersteuning. Het programma Wonen en zorg voor ouderen wordt ondersteund met de beweging naar passende zorg en ondersteuning, samen met de patiënt, op de juiste plek en met nadruk op gezondheid in het Integraal Zorgakkoord. Het programma ‘Wonen en zorg voor ouderen’ is daarom, behalve onderdeel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is, ook ondergebracht in het programma WOZO (Wonen, ondersteuning en zorg voor ouderen, actielijn 4) van de minister voor Langdurige Zorg en Sport. Binnen dit programma wordt onder meer gewerkt aan vitaal ouder worden, verbetering van de basiszorg, passende Wlz-zorg en innovatie. Dit vanuit een visie op de ouderenzorg waarbij het uitgangspunt geldt: ‘zelf als het kan, thuis als het kan en digitaal als het kan’. Daarbij wordt ook gekeken naar de inkadering van de toegang tot de verpleeghuizen en het kwaliteitskader verpleegzorg. Het programma kijkt naar de vergrijzende Nederlandse samenleving, waarbij de zorgvraag van de ouderen steeds verder toe zal nemen gezien de groeiende hoeveelheid ouderen.
Onderstaande grafieken laten zien hoe groot de groei van het aantal ouderen en het aantal (alleenstaande) huishoudens in Nederland is tot 2050.
Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 4
Bron: Ministerie van BZK en Ministerie van VWS, Programma Wonen en Zorg voor ouderen, 2022
Het programma beoogt dat ouderen in een voor hen geschikte woning kunnen wonen en dat deze woningen beschikbaar zijn als zij willen verhuizen. Om dit te bereiken is de ambitie: 1. Van de 900.000 woningen die tot en met 2030 worden gebouwd, minstens 290.000 woningen bouwen die geschikt zijn voor ouderen, waarvan; a. 170.000 nultredenwoningen; b. 80.000 geclusterde woningen; c. 40.000 verpleegzorgplekken. d. 130.000 verpleeghuisplekken (75% daarvan sociale huur) (totaal capaciteit) blijft in stand/ is bevroren i. 4.800 plekken onomkeerbaar en worden nog gerealiseerd. 2. Ervoor zorgen dat ouderen in een voor hen geschikte woning kunnen wonen. Door meer ouderen te laten verhuizen, komen weer (eengezins)woningen vrij voor andere woningzoekenden. Zo komt de doorstroming beter op gang; 3. Ervoor zorgen dat naast de woning ook de leefomgeving passend is voor ouderen zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Om deze doelstelling te behalen zijn er 3 actielijnen opgesteld. 1. Er wordt versneld ingezet op woningbouw van woningen die aansluiten bij de wensen van ouderen. Hierbij gaat het om woningen geschikt voor ouderen met of zonder zorgvraag: nultredenwoningen, geclusterde woonvormen en verpleegzorgplekken; 2.
Door ouderen vroegtijdig te informeren over mogelijkheden van toekomstige woonopties, belemmeringen van verhuizing aan te pakken en ouderen te ontzorgen kan de doorstroming van deze groep naar passende woningen worden bevorderd; 3. Het creëren en behouden van een leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten. Om zelfstandig te kunnen blijven wonen zijn de volgende elementen van belang: Toegankelijkheid, Bereikbaarheid, Nabijheid van voorzieningen, Kwaliteit leefomgeving: veiligheid, geluid, luchtkwaliteit etc. en Beweegvriendelijke leefomgeving en ontmoeting;
Versnelling woningbouw Door de woningbouw te versnellen, passende woningen voor ouderen te bouwen en voor voldoende voorzieningen in de wijk te zorgen kunnen we de doorstroming verbeteren. Bovendien draagt een leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten eraan bij dat ouderen langer fit, gelukkig en zelfstandig kunnen blijven wonen. Woonwensen en soorten geschikte woningen Het aanbod aan woningen geschikt voor ouderen is divers. In dit programma wordt sturing gegeven op drie categorieën ouderenwoningen waar ouderen zelfstandig wonen: nultredenwoningen, geclusterde Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 5
woonvormen en verpleegzorgplekken. Daarbij maken zij in deze woonsituaties soms gebruik van zorg, bijvoorbeeld wijkverpleging, een ‘volledig pakket thuis’ (VPT), een modulair pakket thuis (MPT) of een persoonsgebonden budget (PGB). Nultredenwoningen (170.000) Dit zijn woningen waarbij je niet hoeft trap te lopen, zowel binnen het huis als om naar binnen te komen. Vaak betreffen het gelijkvloerse woningen/appartementen in de buurt van voorzieningen. In het WoON2021-onderzoek wordt het huidige aantal nultredenwoningen geschat op 2,02 miljoen woningen. Deze woningen worden ook door jongere mensen bewoond: slechts 42,4% van de totale voorraad nultredenwoningen wordt door ouderen bewoond. Wel geldt dat naarmate mensen ouder worden, ze vaker in een nultredenwoning wonen. Een nultredenwoning stelt veel ouderen in staat om langer thuis te kunnen blijven wonen. Geclusterde woonvormen (80.000) Geclusterde woonvormen, vaak met ontmoetingsruimtes, zijn onder andere hofjeswoningen (zoals de Knarrenhof), serviceflats en seniorenflats. Geclusterde woonvormen zijn primair ingericht op de woonwensen van ouderen, beslaan woningen die tenminste nultreden zijn en voorzien daarmee in hoger wooncomfort. Daarnaast zijn deze woonvormen ingericht op het bevorderen van sociaal contact en gemeenschapsgevoel, waardoor eenzaamheid wordt tegengegaan. Ook hier is de nabijheid van voorzieningen belangrijk.
Volgens de Monitor Geclusterde Woonvormen zijn er op dit moment meer dan 143.000 woningen in Nederland die tot deze categorie behoren. Verpleegzorgplekken (40.000) Een deel van de geclusterde woonvormen betreffen zorggeschikte woningen: deze woningen hebben extra voorzieningen, zodat deze beter zijn voor mensen met een beperking of voor het verlenen van zorg. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord besloten om nieuwe verpleegzorgplekken in te richten op basis van scheiden wonen en zorg. Bewoners betalen de lage eigen bijdrage voor de langdurige zorg die zij ontvangen en betalen zelf de woonkosten van hun woning. De drie vormen van ouderenhuisvesting kunnen in samenhang worden ontwikkeld, en onderdeel zijn van bredere gebiedsontwikkelingen waarbij ook huisvesting voor groepen zoals starters wordt gerealiseerd. Opgave in het sociale huursegment Van de 40.000 verpleeghuisplekken wordt verwacht dat 65% (+/- 25.000) een sociale huurprijs moet hebben. De helft daarvan onder de aftoppingsgrens1. Van de 80.000 woningen in een geclusterde woonvorm is de inzet dat er 40.000 in het sociale huursegment gebouwd worden. Er komt een subsidieregeling om de onrendabele top voor deze woningen te compenseren.
Het andere deel van de geclusterde woningen wordt gebouwd in andere segmenten, omdat het ook gaat om woningen voor ouderen met een gemiddeld lagere leeftijd, die overwegend welvarender zijn. Corporaties wordt gevraagd ook verpleegzorgplekken in het middenhuursegment te bouwen en op die manier een bijdrage leveren aan die opgave. Versterken regie op volkshuisvesting Om de versnelling van de bouw te realiseren neemt het Rijk regie. Hiervoor wordt aangesloten bij het programma Woningbouw, zodat alle gemeenten, provincies en het Rijk hun deel van de verantwoordelijkheid nemen voor de productie van 900.000 woningen en specifiek de 290.000 woningen geschikt voor ouderen. Samen met provincies en regio’s wordt bekeken of er voldoende bouwplannen (plancapaciteit) zijn om de nultredenwoningen, geclusterde woonvormen en verpleegzorgplekken te realiseren. Voor het voeren van regie op de realisatie van de opgaven in de regio’s gaan zijn Regionale woondeals gesloten. Daarmee is duidelijk welke betrokken partijen hoeveel woningen geschikt voor ouderen bouwen.
De aftoppingsgrens is een grens die ingesteld is om te voorkomen dat mensen een woning huren die duurder is dan wat ze eigenlijk kunnen betalen.Voor het jaar 2023 is de eerste aftoppingsgrens vastgesteld op € 647,19. 1
Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 6
In de woondeals worden afspraken gemaakt over de ouderenhuisvesting en daarbij zijn zorgkantoren en corporaties betrokken. De afspraken in de woondeals bevatten een verdeling van de opgave over de betrokken gemeenten per woningtype (nultredenwoning, geclusterd wonen en verpleegzorgplekken). Integrale woonzorgvisies De vastgestelde opgave per gemeente moet worden vertaald in concrete uitvoeringsprogramma ́s met initiatieven en locaties. Dit gebeurt in de lokale woonzorgvisie. Gemeenten hebben in dit proces de coördinerende rol om corporaties, ontwikkelende partijen, zorgaanbieders en andere betrokken partijen samen te brengen. Van deze partijen is lokaal commitment nodig om de opgave te realiseren. Onder regie van de gemeente werken partijen de huisvestingsopgave verder uit en zorgen zij dat de randvoorwaarden om deze te realiseren op orde zijn. Ook maken zij daarbij afspraken over de benodigde zorg en ondersteuning en acties die hiervoor in de leefomgeving nodig zijn (zie actielijn 3),
Figuur: partners bij diverse afspraken wonen en zorg voor ouderen Bron: Ministerie van BZK en Ministerie van VWS, Programma Wonen en Zorg voor ouderen, 2022
Mogelijkheden voor toewijzing Gemeenten hebben via de Huisvestingswet 2014 de bevoegdheid om een huisvestingsverordening in te stellen waarmee zij woningen toe kunnen wijzen op basis van onder meer passendheid. Op deze manier kunnen geclusterde woonvormen met voorrang toegewezen worden aan ouderen. Ook kan hierbij voorrang verleend worden aan woningzoekenden uit de lokale gemeenschap, omdat de Huisvestingswet 2014 het ook mogelijk maakt om voorrang te geven op grond van ‘lokale binding’. Monitoring en realisatie Via de Woondeals sturen alle medeoverheden op de realisatie van de nationale opgave. Hier vindt periodiek overleg plaats tussen medeoverheden en betrokken partners, waaronder zorgkantoren en zorgaanbieders. Het Rijk monitort de voortgang en waar nodig wordt het gesprek aangegaan om te zorgen dat we op schema blijven. De minister voor VRO coördineert de opgaven die samenhangen met de woningbouw met de medeoverheden en andere departementen.
Ouderen informeren, ontzorgen en de doorstroming verbeteren Deze actielijn heeft als doel ervoor te zorgen dat ouderen in een voor hen geschikte woning kunnen wonen. Door verschillende acties worden ouderen gestimuleerd om vroegtijdig na te denken over het wonen van straks, door: 1. De bouw van nieuwe woningen voor ouderen (actielijn 1). Deze zullen ervoor zorgen dat meer ouderen passend kunnen wonen en dat de doorstroming op de woningmarkt gestimuleerd wordt; 2. Ouderen te informeren over hun toekomstige woonopties; 3. Ouderen voor en tijdens de verhuizing te ontzorgen. Ouderen informeren Het is belangrijk dat ouderen geïnformeerd worden over wat er komt kijken bij het verhuizen naar een toekomstbestendige woning. Veel ouderen zijn namelijk niet op de hoogte van de verschillende soorten ouderenwoningen. Door ouderen te informeren over het bestaande en nog te bouwen aanbod in de Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 7
regio, ontdekken zij wat er mogelijk is. Het informeren van ouderen is een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid. Dit gaan we doen door middel van een informatiecampagne over toekomstbestendig wonen. Met een informatiecampagne over toekomstbestendig wonen kunnen we nationaal de bewustwording en informatiepositie van ouderen t.a.v. huisvesting vergroten. Bij de informatiecampagne behoort het volgende: ● het Rijk ontwikkelt hiervoor een toolkit voor gemeenten, provincies, woningcorporaties, particuliere verhuurders en anderen die actief zijn op het vlak van doorstroming van senioren, met daarin filmpjes en praktische instrumenten die deze partijen kunnen gebruiken om doorstroming van senioren te stimuleren en/of faciliteren. ● met de hypotheeksector wordt een financieel actieplan opgesteld hoe ouderen geholpen kunnen worden met het inzichtelijk maken van hun financiële situatie. Dit doen we in het platform hypotheken. Zo kunnen ouderen die door lokale en regionale inspanningen of door de informatiecampagne gestimuleerd worden na te denken over een verhuizing geholpen bij hun verhuisbeslissing door de juiste (financiële) experts. Ouderen ontzorgen voor en tijdens de verhuizing Bij een verhuizing komt veel kijken. Ouderen kunnen tegen dit regelwerk opzien, waardoor een eventuele beslissing om te verhuizen uitgesteld wordt, of uitblijft.
Om ouderen te ontzorgen en taken uit handen te nemen die bij een verhuizing komen kijken bestaan al verscheidene initiatieven als verhuiscoaches, seniormakelaars, voorrangsregelingen en huurgewenning. Door middel van een gedragsonderzoek onder ouderen die weerstand voelen om te verhuizen wil het Rijk ontdekken welke praktische zaken van belang zijn in de keuze voor ouderen om niet te verhuizen. Wanneer deze redenen in beeld zijn kunnen diensten worden aangeboden die de zorgen rondom deze zaken wegnemen. In de eerder genoemde toolkit worden ook instrumenten aangeboden die gericht zijn op het ontzorgen van ouderen. Bij de doorstroming van ouderen is echter nog weinig kennis wat daar geschikte beleidsinstrumenten voor zijn. Hiernaar wordt onderzoek gedaan. Door middel van werksessie worden gemeenten daarna geholpen aan de slag met de geschikte beleidsinstrumenten. Corporaties krijgen hierin ook een rol, vanwege hun instrumenten om doorstroming in hun huurdersbestand te bevorderen.
Programma ‘Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen’ (WOZO) Vanuit de portefeuille van de minister voor langdurige zorg (Conny Helder, Langdurige Zorg en Sport) is in juli 2022 het programma ‘Wonen, Zorg en Ondersteuning voor Ouderen’ (WOZO) gepresenteerd. Dit programma gaat vooral in op de beleidslijnen om ondersteuning en zorg te moderniseren en tegelijkertijd betaalbaar en uitvoerbaar te houden. De link met wonen betreft vooral het zelfstandig wonen van ouderen met een zorgbehoefte. Hiervoor worden – binnen het programma Woningbouw – tot en met 2030 tenminste 170.000 nultredenwoningen en 80.000 geclusterde woningen gerealiseerd. In de planning wil het Rijk dat deze afspraken voor het eind van het jaar geconcretiseerd zijn en heeft de provincie een rol om binnen de woondeal een subtafel wonen, ondersteuning en zorg voor ouderen te organiseren.
Programma Langer Thuis Het doel van het programma is dat ouderen in hun eigen omgeving zelfstandig oud kunnen worden met een goede kwaliteit van leven. Er zijn 3 actielijnen opgesteld om de doelstelling te behalen. 1. Samenhangend ondersteunings- en zorgaanbod bieden, wat beter is afgestemd op individuele behoeften en wensen van ouderen. Hierbij moet: ● de zelfredzaamheid van ouderen en hun sociale omgeving versterkt worden; ● professionals als team werken rond kwetsbare groepen; ● ouderen met een complexe zorgvraag een persoonlijke ondersteunings- en zorgplan krijgen; ● geriatrische expertise op het juiste moment, op de juiste plek; ● doorstroom naar tijdelijk verblijf soepeler worden. Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 8
2.
3.
Ondersteuning en/of respijtzorg aan mantelzorgers en vrijwilligers moet eenvoudig en snel worden geboden indien nodig. Mantelzorgers moeten zich bewust zijn van mogelijke ondersteuning, er moet ondersteuningsaanbod en respijtzorg op maat zijn en de samenwerking tussen zorgprofessionals en informele zorgverleners moet goed zijn. Er moeten voldoende mogelijkheden zijn om de eigen woning aan te passen en het aanbod van geschikte woningen en (nieuwe) (geclusterde) woonzorgvormen moet vergroot worden. Hiervoor moet de lokale woonopgave per gemeente in beeld gebracht worden.
Integraal Zorgakkoord Het Integraal Zorgakkoord ‘Samen werken aan Gezonde Zorg’ heeft als doel om de zorg in de toekomst toegankelijk, goed en betaalbaar te houden. De zorg staat vanwege onder andere maatschappelijke ontwikkelingen voor verschillende opgaven op deze gebieden: ● Toegankelijkheid. Vanwege de vergrijzing, arbeidstekort in de zorg, gebrek aan passende zorg en ongelijke bereikbaarheid van zorg neemt de toegankelijkheid van zorg af. ● Kwaliteit. De zorg is niet effectief ingedeeld, met een gebrek aan samenwerking tussen verschillende zorgprofessionals. ● Betaalbaarheid. Vanwege krapte op de arbeidsmarkt en hervormingen in de zorg wordt zorg steeds kostbaarder. In het Integraal Zorgakkoord wordt ingezet op gelijke toegang tot kwalitatief goede zorg voor alle groepen in de samenleving. Gezondheid en welzijn wordt bevorderd door middel van preventie en ondersteuning. Door een gezonde leefstijl te bevorderen en de zelfredzaamheid te versterken, wordt een (zware) zorgvraag voorkomen of verminderd. Om de kwaliteit te waarborgen wordt ingezet op het afremmen van medicalisering. Niet alle zorgvragen kunnen of hoeven medisch te worden beantwoord. Hulp in het sociale domein, ondersteuning door lotgenoten, beweegaanbod of een combinatie kan ook uitkomst bieden.
Daarnaast wordt ingezet de beschikbare capaciteit van zorg zo efficiënt mogelijk te gebruiken en administratieve lasten te verminderen. Het behouden van goede zorgprofessionals en het werk aantrekkelijk houden is van belang. Het IZA zet daarnaast in op goede gegevensuitwisseling tussen zorgprofessionals als essentiële randvoorwaarde voor goede en veilige zorg, evenals het snel en effectief verspreiden van bewezen innovaties en het afschalen van zorg dat niet (meer) passend is. Ook wordt ingezet op gerichte ondersteuning van zorgmedewerkers door technologische toepassingen (eHealth). Om de zorg betaalbaar te houden met een minimale impact op klimaat, milieu en omgeving, ligt de focus op duurzame zorg met spaarzaam en circulair gebruik van grondstoffen en materialen. Aan de hand van deze focuspunten is de volgende werkagenda gedefinieerd: 1. Passende zorg: waardegedreven – samen met patiënt, pakket en kwaliteit. Continu leren en verbeteren van zorg. Verschaffen van informatie aan patiënt zodat deze een goede keuze kan maken in de eigen situatie. 2. Regionale samenwerking: concentratie en spreiding van medisch specialistische zorg. Versterken van samenwerking in acute zorg. 3. Versterken organisatie eerstelijnszorg welke blijvend beschikbaar is voor iedereen. Afspraken tussen zorgverleners en verzekeraars over verlichte werkdruk.
Samenwerking tussen alle zorgprofessionals in eerste lijn en tussen eerste lijn en andere domeinen. 4. Samenwerking sociaal domein, huisartsen en ggz. Betere organisatie van zorg en ondersteuning nodig vanwege gebrek aan toegankelijkheid zorg. 5. Ondersteuning voor gezond leven en preventie. 6. Arbeidsmarkt en ontzorgen zorgprofessionals door aantrekkelijkheid zorgsector te verbeteren. 7. Digitalisering en gegevensuitwisseling om goede en veilige zorg te bieden. Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 9
8.
Contractering: kijken naar proces en prikkels ervan. Zorgverzekeraars scherper op inkoop van passende zorg.
Wet versterking regie volkshuisvesting De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) heeft met de programma’s koers gezet naar een aantal beleidswijzigingen. Deze krijgen verder vorm met het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting die in februari 2023 is gepresenteerd. Op drie lijnen wil de minister meer regie voeren: 1. Voldoende woonruimte: overheden leggen ambities, doelen en maatregelen meerjarig vast; hoeveel woningen worden er gebouwd, hoeveel betaalbare woningen, en waar komen de woningen. Rijk maakt afspraken met provincies, de provincie coördineert richting gemeenten. 2. Bestaande voorraad: voldoende passende woonruimte voor verschillende urgente of aandachtsgroepen en regels rondom de verdeling van de beschikbare woonruimten. 3. Samenhang tussen prestatieafspraken: nationaal, provinciale/regionale opgaven en lokale prestatieafspraken. De wet leidt tot aanpassingen in de Omgevingswet, Huisvestingswet, Woningwet en de Wmo. In het wetsvoorstel stellen gemeenten niet langer een ‘woonvisie’ op, maar een verplicht ‘programma volkshuisvesting’. Dit programma gaat voor zowel het Rijk, provincies als gemeenten gelden. Gemeenten zullen op basis van onderzoek naar de actuele woonbehoefte (en de woongerelateerde zorg- en ondersteuningsbehoefte per aandachtsgroep) hun beleid voor woningbouw en locaties concretiseren.
Ook voor provincies gaat dit verplichte programma gelden. Dit volkshuisvestingsprogramma moet uiterlijk 1 januari 2026 zijn vastgesteld zoals nu in de memorie van toelichting opgenomen. Tot die periode werken Rijk, provincies en gemeenten aan de hand van de nationale programma’s van de NWBA en de daarin vastgestelde doelen en aantallen. In het wetsvoorstel komt het begrip 'woonzorgvisie' niet meer terug in de toelichting bij de wet, net zomin als de woonvisie. De gedachte van de woonzorgvisie komt wél sterk naar voren. De essentie is immers dat gemeenten als onderdeel van een verplicht volkshuisvestingsprogramma (deze vervangt de woonvisie als basis voor het maken van prestatieafspraken met woningcorporaties) de woonbehoefteen opgave van aandachtsgroepen en ouderen in beeld brengen (zie Figuur 1 hieronder). Omdat deze huisvestingsopgave ook deels een bovenlokale opgave betreft, moeten gemeenten en de provincie dit onderdeel van het volkshuisvestingsprogramma regionaal afstemmen. Verwachting is dat de huisvesting van sommige specifieke aandachtsgroepen enkel regionaal of zelfs provinciaal haalbaar is.
Figuur: Samenhang tussen de woonzorgvisie en het Volkshuisvestingsprogramma (Bron: presentatie BZK-bijeenkomsten ‘Samen aan de slag met Volkshuisvesting’, eind maart/begin april 2023) Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 10
Figuur: Overzicht van de wijze waarop de overgang van woonzorgvisies naar de volkshuisvestingsprogramma’s gemaakt wordt (Bron: presentatie BZK-koplopersbijeenkomst woonzorgvisies, april 2023)
Het streven van de minister is om de Wet versterking regie volkshuisvesting in 2024 in werking te laten treden. In 2026 moet er op gemeentelijk niveau een volkshuisvestingsprogramma zijn vastgesteld, waar de woonzorgvisie onderdeel van is. Het vaststellen van het volkshuisvestingsprogramma is een collegebevoegdheid, zoals nu opgenomen in het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting. Het betreft een (verplicht) programma als uitwerking van de gemeentelijke Omgevingsvisie, die wel door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Het is aan gemeenten zelf hoe zij het bestuurlijke proces inrichten. Door middel van instructieregels werken programma’s op elkaar door. Het Rijk zet hier het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor in om te bepalen wat in de volkshuisvestingsprogramma’s moet komen. De inhoud van de woonzorgvisies wordt daar sowieso onderdeel van. Figuur 2 geeft de ontwikkeling van de woonzorgvisies naar de volkshuisvestingsprogramma’s weer.
Afbeelding: onderdelen volkshuisvestingsprogramma. Bron BZK en VWS (2023)
Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 11
Nationaal actieplan dakloosheid ‘eerst een thuis’ Vanwege het groeiend aantal daklozen in Nederland is vanuit de overheid ingezet op het voorkomen en verminderen van dakloosheid. Uitgangspunt is hierbij dat een plek om te wonen de basis is voor werken aan herstel en bouwen aan een toekomst. De structurele oorzaken van dakloosheid staan centraal: bestaansonzekerheid en tekort aan betaalbare huisvesting. Door het ondertekenen van de Lissabon Verklaring heeft Nederland zich gecommitteerd aan de ambitie dakloosheid eind 2030 te beëindigen en o.a. te werken aan de volgende doelstellingen. De maatregelen in dit plan dragen aan deze doelstellingen bij: 1. Dakloze mensen slapen niet buiten door gebrek aan toegankelijke, veilige en passende opvang; 2. Niemand verblijft langer in een nood- of tussenvoorziening dan strikt noodzakelijk is voor een succesvolle doorstroom naar een duurzame stabiele huisvestingsoplossing; 3. Niemand wordt ontslagen uit een instelling (gevangenis, ziekenhuis, zorginstelling) zonder een aanbod van passende stabiele huisvesting, niet zijnde maatschappelijke opvang; 4. Huisuitzettingen worden zoveel mogelijk voorkomen en niemand wordt uitgezet zonder hulp voor een passende duurzame huisvestingsoplossing; 5. Niemand wordt gediscrimineerd vanwege zijn dakloosheidsstatus.
In het actieplan worden zes leidende principes in acht genomen op basis van het gedachtegoed van Housing First en bestaande adviezen van o.a. de Raad van Volksgezondheid en Samenleving en de commissie Dannenberg, waarbij Wonen Eerst en regie voor de inwoner centraal staan. 1. Dakloosheid voorkomen is altijd beter dan opvang of herhuisvesting; 2. Huisvesting is een mensenrecht. Het maakt zelfstandig leven mogelijk en sociale en gezondheidsproblemen worden meest effectief aangepakt wanneer huisvesting duurzaam en veilig is; 3. Respect voor keuze en eigen regie van mensen. De persoon staat centraal bij elke beslissing en wordt in staat gesteld autonoom te beslissen over zaken die hem of haar raken; 4. Scheiden van wonen en zorg. Huisvesting is gescheiden van zorg en behandeling. Een woning is een voorwaarde voor iemand om zijn leven zelf in te kunnen richten en daar zelf samen met zijn omgeving regie over te nemen; 5. Ondersteuning is gericht op herstel, zodat mensen (weer) op eigen wijze kunnen leven, werken, leren en participeren in de samenleving. Ondersteuning door middel van helpen het leven te verbeteren in plaats van beheersen; 6. Ondersteuning is flexibel en op maat. De behoeften en levensdoelen van de cliënt staan centraal, zolang dit in overeenstemming is met prettig en veilig wonen, waardoor de professionele hulp hierop aan moet sluiten.
Op basis van het actieplan zijn zes actielijnen opgesteld die met de doelstellingen in 2030 behaald moeten zijn: 1. Versterken van de bestaanszekerheid (inkomsten/financiën) om dakloosheid preventief tegen te gaan. Zo wordt het bestaansminimum geborgd; 2. Preventie van dakloosheid door het op orde hebben van de bestaanscondities van mensen op het gebied van wonen, zinvolle daginvulling, inkomen, toegang tot zorg, zelfregie, informele zorg en de sociale basis om te werken aan sociale inclusie; 3. Wonen eerst: mensen moeten met zo min mogelijk tussenstappen een passende stabiele huisvesting kunnen vinden. De focus gaat naar huisvesting op de eerste plaats, waarvoor de af- en ombouw van de opvang en de beschikbaarheid van woonplekken met begeleiding noodzakelijk is; 4. Versterken van de uitvoeringspraktijk. Er moet integraal en snel passende hulp en ondersteuning geboden kunnen worden, waarbij een goede integrale samenwerking tussen alle betrokken professionals van belang is; 5. Ervaringskennis in de hele beleidscyclus. Het is belangrijk om ervaringskennis uit de praktijk meer in het beleidsvormingsproces te betrekken om de kloof tussen beleidswereld en belevingswereld te verkleinen; 6. Er moet aandacht en extra inzet zijn voor bijzondere groepen (jongeren, LHBTQI+ - en EU-burgers), wanneer de generieke aanpak niet toereikend genoeg.
Dit moet de inclusie van deze groepen versterken.
Bijlage 1 - Landelijke wet- en regelgeving - 12