CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bij rvs - eindrapportage en advies Innovatieagenda WIL-Gemeenten

Commissie Samenleving 27 oktober 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 20:10 uur Raadsvoorstel Innovatieagenda WIL-Gemeenten34.485 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Eindrapportage & Advies Evaluatie Innovatieagenda WIL -Gemeenten 2019-2021

Juli 2021

ZO!

Inhoud Inleiding ............................................................................................................................... 3 Bestuurs- en managementsamenvatting ............................................................................. 4 Deel I: Evaluatie...................................................................................................................10 1.

Waar kijken we naar?...................................................................................................11

2.

Welke veranderingen zien we door het werken met lokale werkteams? ...................14

3.

Hoe waarderen inwoners met een bijstandsuitkering lokaal werken?.......................26

4.

Welke effecten zijn er op de contacten met werkgevers? ............................................33

5.

Wat zijn effecten op de samenwerking met partners in het sociaal domein? .............36

6.

Hoe werken wij en welke meningen zijn hierover? .....................................................40

7.

Wat vinden uitvoerend betrokkenen van het lokaal werken? ....................................44

8.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen uit deze evaluatie? .........................................47

Deel II. Advies .....................................................................................................................52 9.

Wat is nodig voor een goede uitvoering van de Participatiewet? ................................53

10.

Welke scenario’s zijn er? ..........................................................................................55

11.

Wat is de best passende keuze voor de uitvoering? .................................................60

12.

Aandachtspunten voor de bedrijfsvoering ...............................................................66

13.

Samenvatting advies .................................................................................................71

Bijlage 1: Doelen en beoogde maatschappelijke effecten ...................................................74 Bijlage 2: Evaluatiematrix ...................................................................................................76 Bijlage 3: Adviezen en tekstverwijzingen binnen deze rapportage ....................................78 Bijlage 4: Actiepunten implementatie.................................................................................81

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

1

Leeswijzer: Dit rapport is opgebouwd uit twee onderdelen: - Deel 1 bevat de evaluatie - Deel 2 bevat het advies n.a.v. deze evaluatie. De rapportage is voorzien van een bestuurs- en managementsamenvatting. Deze is vooral bedoeld voor een snel overzicht van de belangrijkste bevindingen. De samenvatting van de uitkomsten van de evaluatie is te lezen in hoofdstuk 8. De samenvatting van het advies is opgenomen in hoofdstuk 13. Een belangrijk doel van deze evaluatie is lessen te trekken uit het innovatietraject om zo het uitvoerend werk rond werk en participatie verder te helpen. De beschrijvingen in de evaluatie zijn daarom soms wat uitgebreid. Dit doet recht aan de bijdragen die er door veel collega’s zijn geleverd aan de evaluatie. Het biedt tegelijkertijd handvaten om de evaluatie op verschillende niveaus te bespreken en na besluitvorming in de uitvoering hierop door te bouwen. Tot slot: in de tekst komt een aantal keren een onderstreping voor. Deze onderstreping is gebruikt om vanuit de bijlagen 3 en 4 directe verwijzingen te maken naar relevante tekstpassages uit deze rapportage. Ook zijn in de tekst af ten toe linkjes gemaakt voor een snelle tekstverwijzing naar andere onderdelen van dit evaluatierapport.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

2

Inleiding Hierbij treft u de evaluatie van de Innovatieagenda 2019-2021 WIL-gemeenten. In de Innovatieagenda werd samengewerkt om een nieuwe vorm en nieuwe inhoud te geven aan dienstverlening op het gebied van werk en inkomen: lokaal nabij, gericht op werk én participatie, integraal werkend samen met andere partners in het sociaal domein en goed verbonden met lokale prioriteiten en sturing hierop door de gemeenten. De uitvoering werd gestart in de zomer van 2019. Oorspronkelijk was de looptijd van de Innovatieagenda bedoeld tot eind 2020, door de corona is dit verlengd tot eind 2021. Voor de evaluatie van het werken met lokale werkteams en de evaluatie van de Innovatieagenda zijn een aantal activiteiten uitgevoerd: een enquête, interviews en gesprekken en dataonderzoek. •

•

•

De enquête is uitgezet bij alle betrokken uitvoerende medewerkers, de direct rond de uitvoering betrokken staf- en beleidsmedewerkers, de projectleiders van de lokale werkteams en het direct betrokken management van WIL. Dit gaf alle betrokkenen de gelegenheid hun mening te geven over de bereikte resultaten en effecten van het lokaal werken en de Innovatieagenda. De resultaten van de enquête werden uitgewerkt in een rapportage. Deze rapportage vormde mede de basis voor verdere gesprekken en interviews. De gesprekken hadden als doel om verdere kleuring en diepte aan te brengen in de bevindingen en te horen – en soms te toetsen - welke voorstellen en suggesties er zijn voor verdere verbeteringen in de toekomst. Tot slot is er voor het meten van bereikte resultaten ook gekeken naar gegevens uit databestanden, zoals uitstroom, gedeeltelijke uitstroom en het goed in beeld zijn van mensen in de bijstand. Doel hiervan is om zo veel mogelijk de bereikte effecten te toetsen.

Evalueren beschouwen we hier als ‘terugkijken om vooruit te komen’. De evaluatie mondt uit in een advies over de vraag hoe verder? Hoe werken WIL en de gemeenten in de toekomst verder aan de uitvoering van de Participatiewet? Welke vorm en opdracht passen hier het beste bij? En welke punten markeren we om op basis van deze evaluatie in de komende periode aandacht te geven?

Hans Zuidema Projectleider Innovatieagenda WIL-Gemeenten 2019-2021

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

3

Bestuurs- en managementsamenvatting De gemeenten Nieuwegein, Houten, IJsselstein, Lopik en de GR Werk Inkomen Lekstroom (WIL) gaven in de periode vanaf de zomer 2019 tot heden uitvoering aan de Innovatieagenda. Voor de jaren 2022 en verder is een beslissing nodig over de simpele vraag: hoe verder? Daarvoor is deze evaluatie van de Innovatieagenda van belang en het advies dat op basis van deze evaluatie is uitgewerkt. Wat zijn de belangrijkste punten uit deze evaluatie? Bij het opstellen van de Innovatieagenda is uitgegaan van de wensen van de vijf gemeenten voor vernieuwing en verandering bij de uitvoering van taken op het gebied van inkomen, werk en schuldhulpverlening. Kern hierbij was de wens van de gemeenten, om de dienstverlening aan eigen inwoners op het terrein van werk en inkomen meer lokaal uit te voeren als belangrijk onderdeel van de gewenste integrale aanpak binnen het sociaal domein. Deze verschuiving in focus is erop gericht om de kansen bij het versterken van lokale netwerken voor kwetsbare doelgroepen beter te benutten en naast werk ook aandacht te geven aan participatie, ontwikkeling en hulp en ondersteuning van inwoners die een beroep doen op dienstverlening uit de Participatiewet. Het uitvoeren van de Innovatieagenda en het werken met de lokale werkteams heeft hiervoor veel opgeleverd.

De belangrijkste veranderingen geven goede invulling aan de door de gemeenten in de Innovatieagenda gemaakte beleidskeuzen. En werken aan de Innovatieagenda bleek ook ‘handwerk’ in het neerzetten en professionaliseren van de werk- en participatiedienstverlening. Met de start van de Innovatieagenda bleek dat een belangrijk deel van de inwoners met bijstand niet of niet voldoende in beeld was. Dit ging vooral om dat deel van de inwoners die eerder door WIL aan de gemeenten was overgedragen. Dit paste bij de oude opdracht van WIL: de focus op mensen die kunnen uitstromen en aan het werk kunnen en het overdragen van andere klantgroepen naar de gemeente voor sociale activering en ondersteuning. Deze door de gemeenten gemaakte beleidskeuze was evenwel onvoldoende ingericht met een uitvoeringspraktijk gericht op het daadwerkelijk contact hebben met deze inwoners en hun ondersteuningsvragen. Tegelijkertijd was er ook binnen WIL – door prioritering en beheersing van caseloads – sprake van een intern ‘algemeen (wacht)bestand’. Ook aan dit deel van het bestand moest gewerkt worden om weer een actueel inzicht te krijgen van de situatie van betrokken inwoners en de vraag hoe deze richting werk en participatie actief waren of geactiveerd en ondersteund moesten worden.

Door de lokale werkteams is veel werk verricht in het in beeld brengen van iedereen die een beroep doet op de dienstverlening rond werk en participatie en welke mogelijkheden deze mensen hebben. Aan welke doelen kan worden gewerkt? Welke activiteiten zijn passend en nodig in de ontwikkeling en ondersteuning van betrokkenen? Welke nieuwe afspraken kunnen hierbij worden gemaakt? Betrokken professionals geven aan dat inwoners deze aandacht positief waarderen, dat hiermee stappen in de ontwikkeling van mensen worden gezet en dat zo adequatere ondersteuning wordt geboden. Zo werd aangetoond dat er veel kansen voor lokale werkteams zijn: om mensen naar werk te helpen, mensen te ondersteunen in hun ontwikkeling, mensen deel te laten nemen aan allerlei maatschappelijke activiteiten en passende ondersteuning in te zetten die inwoners verder helpt. De werkwijze in de uitvoering is ook in praktische zin aangepast: zo werd de opdracht verbreed naar werk én participatie en werd een sterke interne functiedifferentiatie bij de werkcoaches omgebogen naar een bredere inzetbaarheid voor alle klantgroepen. Verder werd (en wordt) veel gedaan om inwoners weer in beeld te brengen en de informatie daarvoor op orde te hebben, werden basisnormen voor de werkdienstverlening besproken en werden alle in te zetten activiteiten voor werk en

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

4

participatie uitgewerkt en beschreven. Ook kwam een Dashboard tot stand om werkcoaches en hun leidinggevenden zicht te geven op de feitelijke voortgang en aandachtspunten binnen de uitvoering. Deze wijzigingen zijn bij elkaar genomen omvattend en hebben een stevige impact op het werk van de medewerkers en de teams. Verder is vanuit de lokale werkteams veel gedaan in het verbeteren van de dienstverlening door breed en integraal te kijken naar inwonersvragen en de samenwerking met partners in het sociaal domein en de lokale infrastructuur bij het ondersteunen van inwoners in de bijstand. Dit evaluatieverslag bevat veel opgedane bevindingen in deze uitvoeringspraktijk. Door de samenwerking tussen de lokale werkteams en de lokale sociale teams en andere partners is de lokale sociale infrastructuur hierdoor op uitvoerend niveau sterk ontwikkeld. Integraal werken wordt op deze wijze nu echt onderdeel van de uitvoering van professioneel handelen en de verbinding tussen werk en inkomen en de andere domeinen wordt zo aan de hand van concrete inwonerssituaties, op casusniveau, gelegd. Professionals zien de voordelen van uitwisseling, afstemming, snelheid van handelen en contact, wat ten goede komt aan inwoners met complexe problemen op meerdere leefgebieden.

In overleg werken aan een logisch plan met de inwoner in regie werkt beter dan naast elkaar werken met per instelling een eigen plan. Het integraal werken is samenwerken vanuit verschillende expertises. Kijken met een brede blik en met de inwoner bespreken wat nodig is, wat zelf kan worden gedaan, waar ondersteuning nodig is en wie die ondersteuning ook het beste kan bieden. Over de grenzen van het eigen vak werken vraagt een vernieuwing van professioneel handelen, breed kijken en anderen inschakelen en eigen acties hierop afstemmen zodat de inwoner de ondersteuning krijgt die past. Verder is veel verbeterd in de samenwerking tussen de gemeenten en WIL. Het zo samen werken aan verbeteringen heeft op verschillende niveaus betekenis: op uitvoerend niveau, op het niveau en projectleiders, direct leidinggevenden en management. Ook het respect voor elkaars werk en de ervaren inbreng en expertise zijn hierbij als punten benoemd. Uit de evaluatie werd voldoende scherp dat het lokaal werken – aanvullend op de regionale uitvoering – voor de Lekstroomgemeenten en haar inwoners toegevoegde waarde heeft. Tegelijkertijd kwam naar voren dat de potentie van het lokaal werken nog niet volledig is gerealiseerd. Dit speelt bij de vraag rondom het lokaal experimenteren met andere aanpakken, om samen beter te kijken en te ontdekken welke aanpakken (nog) effectiever werken.

En het speelt bij de mate waarin integraal werken tijdens de afgelopen periode kon worden ontwikkeld. Daarin zijn belangrijke stappen gemaakt, maar dat is zeker niet klaar. De lastige omstandigheden rond de corona spelen hierin een grote rol. De arbeidsmarkt is (en wordt) door het laatste ingrijpend veranderd. Positief is dat het percentage mensen dat in de periode 2021 tot heden een beroep deed op de bijstand zich in de Lekstroomgemeenten relatief gunstig ontwikkelde. Dit in verhouding tot de eigen arbeidsmarkregio en de landelijke ontwikkeling. Wat zijn de belangrijkste punten voor het advies: hoe verder? Op basis van de evaluatie is de belangrijkste conclusie om door te blijven werken met de door de lokale werkteams uitgevoerde nieuwe aanpak. Een effectieve en doelgerichte uitvoering van de Participatiewet – met de nieuwe beleidsuitgangspunten – is gebaat bij een goed werkende lokale én regionale infrastructuur. Lokale werkteams voegen waarde voor inwoners toe. Het is goed deze blijvend en integraal deel te laten uitmaken van deze lokale én regionale infrastructuur. Belangrijk hierbij is dat de gemeenten de keuze bevestigen om te willen blijven werken aan ondersteuning van iedereen met bijstand. We zetten dat af tegen de oude opdracht van de GR WIL die vooral gericht was op ondersteuning van het werkfitte en kansrijkere deel van inwoners met bijstand.

De focus in deze opdracht was gericht op werk. Gemeenten maakten bij de start van de Innovatieagenda de keuze voor een bredere aanpak: gericht op werk én participatie en gericht op een bredere en op elkaar afgestemde ondersteuning van inwoners door integrale dienstverlening binnen

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

5

het sociaal domein. Bij deze keuze helpt het werken met lokale werkteams. De organisatorische vorm ondersteunt het werken aan deze gewijzigde beleidsprioriteiten gericht op het uitgangspunt iedereen doet mee en iedereen doet ertoe. Een tweede belangrijk punt is dat de gemeenten ook de middelen beschikbaar stellen om de gemaakte beleidskeuzen in de ondersteuning van hun inwoners waar te kunnen maken. Gelijktijdig met het uitwerken van dit evaluatierapport is daarom per gemeente ook gekeken welke middelen beschikbaar zijn voor deze taken en welke extra middelen de komende jaren nodig zijn om deze aanpak uit te kunnen voeren. De benodigde financiën verschillen per gemeente omdat de middelen uit het Participatiebudget ook per gemeente verschillen. Daarom is de afspraak gemaakt deze lokale middelen per gemeente in beeld te brengen en gelijktijdig met het advies over deze evaluatie per gemeente bij de besluitvorming onder de aandacht te brengen. Extra benodigde middelen gaan over de lokale opdracht rond de werkteams en de vraag of de hiervoor beschikbare middelen toereikend zijn. Het gaat dan om middelen voor lokale uitvoering, de formatie van de lokale werkteams, het lokaal aansturen van deze teams en de extra (beleids)taken die hiervoor door de gemeenten worden uitgevoerd.

Voor de regionale opdracht zijn als gevolg van het werken met lokale werkteams geen blijvende extra middelen nodig. Wel is een eenmalig implementatiebudget nodig om de benodigde veranderingen definitief door te voeren. De hiervoor benodigde eenmalige middelen worden t.b.v. de bestuurlijke besluitvorming over dit advies in beeld gebracht, zodat ook deze informatie bij de besluitvorming over dit rapport beschikbaar is. Het advies wordt ingeleid met een statement over wat nodig is om een goede uitvoering van de Participatiewet te kunnen borgen. Een opbrengst van de Innovatieagenda is namelijk ook dat er met veel meer scherpte kan worden omschreven hoe verschillende onderdelen daadwerkelijk in een op elkaar aanvullende samenwerking kunnen worden ondergebracht. Daarmee wordt ingezet op echt complementair werken, wat meer is dan samenwerken. Lokaal én regionaal werken worden hierbij beiden in kun kracht gezet: aanvullend op elkaar zodat de som meer wordt dan de afzonderlijke delen. Verder wordt in het advies aandacht besteed aan het belang van een sterke gemeenschappelijke sociale dienst. Het model met lokale werkteams én regionale uitvoering vraagt verder een aantal heldere afspraken en waarborgen t.b.v. een goede en efficiënte bedrijfsvoering. Eenvoudig gesteld: verschillende onderdelen moeten “samenwerken, samenwerken en samenwerken”.

Anders nemen bedrijfsrisico’s toe en ontstaan negatieve effecten op de dienstverlening en ook op de kosten van bijstandsdienstverlening. Het werken met lokale teams is inhoudelijk de moeite waard. Maar het vraagt meer van goede samenwerking in de uitvoering en het monitoren van hierbij horende ‘checks en balances’. Om op deze punten te ondersteunen gaat het advies ook dieper in op de aandachtspunten voor een goede bedrijfsvoering. In de afsluiting is een samenvattend advies opgenomen. De adviespunten zijn: 1. Zet het lokaal werken met de lokale werkteams door Met de ervaringen vanuit de Innovatieagenda staan de kracht en betekenis van de lokale werkteams voldoende vast. Het advies is hierop voort te bouwen. Niet alles is klaar en nog niet alle potentie is – ook door de coronacrisis – al benut. Voor het verder uitbouwen van de lokale dienstverlening van de werkteams is ook de komende periode aandacht nodig. 2. Kies voor het vanuit de gemeenten sturing blijven geven aan lokale werkteams Het advies is de keuze te maken voor een hoofdscenario waarbij de gemeenten rechtstreeks – via de door hen aan te sturen projectleiding – sturing geven aan de werkzaamheden van de lokale werkteams. Dit is de keuze voor het hoofdscenario D, zoals in dit advies werd uitgewerkt.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

6

3. Werk vanuit het domein werk verder aan de samenwerking met partners in het sociaal domein en integrale resultaatgerichte inwonersondersteuning Vanuit de uitvoering Werk en Inkomen zijn betekenisvolle eerste stappen gezet in de afstemming en verbinding met andere onderdelen van het sociaal domein. De evaluatie geeft her en der aanwijzingen voor een ontwikkelprogramma, volgend op de Innovatieagenda, dat samen met deze partners aandacht zou moeten krijgen. Een meer facilitair punt hierbij is de wenselijkheid om gezamenlijk uit te werken hoe in deze samenwerking goed omgegaan kan worden met vraagstukken rond gegevensuitwisseling en de AVG. Belangrijk hierbij is de instemming van inwoners zelf. Maar onduidelijkheden over wat wel en niet is toegestaan verstoren het samenwerken tussen de professionals. 4. Investeer in innovatie en methodiekontwikkeling In de Innovatieagenda hebben gemeenten beoogd samen lerend verder te ontwikkelen welke aanpakken het beste werken voor wie. Door experimenten, uitwisseling, inbreng van kennis en ervaring vanuit ook andere gemeenten werken we aan de beste aanpak en methode voor inwoners van de Lekstroomgemeenten. Door de omstandigheden in de coronaperiode kon dit samen leren nog niet goed worden opgepakt.

De uitnodiging is om ook in de volgende fase de op innovatie en methodiekontwikkeling gerichte aanpak en de onderlinge uitwisseling aandacht te geven. 5. Blijf investeren in samenwerking tussen gemeenten en WIL In de Innovatieagenda is de samenwerking tussen WIL en de gemeenten sterk verbeterd. Dat geldt zowel op uitvoerend niveau als op het niveau van overleg op beleid- en managementniveau. Dat gaat niet altijd vanzelf. Gemeenten en WIL moeten daarin alert blijven en het gesprek blijven voeren over hoe de samenwerking optimaal blijft. Als onderdelen tegen elkaar in gaan werken ontstaat gemakkelijk schade. 6. Eenduidige sturing lokale werkteams Voor de aansturing van de lokale werkteams is het belangrijk te zorgen voor een duidelijke eenhoofdige aansturing: dit zijn de projectleiders c.q. de toekomstig leidinggevenden van de lokale werkteams. 7. Regionale taken: aansturing vanuit de GR WIL Voor de opdracht aan WIL is het van belang om naast het faciliteren van de lokale werkteams ook het belang van de regionaal uit te voeren gezamenlijke taken te benoemen. Dit moet tot uitdrukking komen in de nieuwe opdracht voor de GR WIL. Het in dit rapport opgenomen schema voor de lokale en de regionale opdracht vormt daarbij het kader. 8.

De gezamenlijke ‘ruggengraat’: aansturing vanuit de GR WIL Het belang van een sterke bedrijfsvoering en gezamenlijke backbone wordt in dit advies benadrukt. Gemeenten en WIL worden geadviseerd om dit ook de komende tijd als zelfstandig punt te bewaken en hierover afspraken te maken. 9. Werken aan werk en participatie als expertise Het advies is om binnen de GR WIL als extra focuspunt aandacht te besteden aan de ontwikkeling van methodisch werken, vak-expertise en de eigen ontwikkeling van de medewerkers werkzaam binnen de lokale werkteams. Hiervoor is een programmatische aanpak wenselijk.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

7

10. Inwoners met dienstverlening actueel in beeld houden: basisnormen van dienstverlening. Voor de dienstverlening aan inwoners zijn een aantal (minimale) basisnormen ontwikkeld. Het advies is om deze basisnormen voor de komende jaren vast te houden en gemeenschappelijk via het bestuur van de GR vast te stellen. 11. Formatie lokale teams – basisformatie lokale werkteams en opplussen op basis lokale afspraken Voor de minimaal benodigde basisformatie van de lokale teams zijn afspraken nodig. Dit is de benodigde vaste formatie die vanuit WIL t.b.v. de lokale werkteams beschikbaar moet komen. Daarnaast moeten gemeenten in staat zijn op basis van lokale keuzes personeelsformatie toe te voegen. Gemeenten ondervinden hiervan – via de kosten van de bijstand - ook de effecten. Hiervoor moet een verbetering van de bekostigingssystematiek worden uitgewerkt. 12. Budget lokale teams Het advies is de in gang gezette verbeteractie t.a.v. periodieke tussentijdse informatievoorziening aan de projectleiders - met een toereikende verplichtingenadministratie en tenminste maandelijks inzicht in budgetten - met voortvarendheid door te zetten en tijdig af te ronden. Dit moet op tijd klaar zijn zodat hier per 1 januari 2022 mee kan worden gewerkt. 13.

Informatievoorziening: doorzetten ondersteuning resultaatgericht werken Goede informatievoorziening - zoals rond de Innovatieagenda is ontwikkeld in het Dashboard Participatie - is voor de uitvoering essentieel. Het advies is hierop door te bouwen, dit aan te vullen met resultaatsgerichte informatie en hier het geheel van managementinformatie verder mee in lijn te brengen. Dit ook als basis voor verdere verbeteringen in de verantwoordingsinformatie. 14. Attentie houden voor bedrijfsrisico’s Het werken met een model van lokale werkteams geeft voor de bedrijfsvoering blijvend specifieke aandachtspunten mee. Als resultaten teruglopen zijn de verantwoordelijkheden diffuser omdat de sturing en de daarbij horende verantwoordelijkheden meer zijn verdeeld. Deze risico’s zijn met blijvende aandacht voor samenwerking en passende maatregelen goed te beheersen. In het kader van ‘good governance’ is het van waarde deze risico’s actief te benoemen in de planning& control cyclus van de GR WIL.

Besluitvorming uitkomsten evaluatie, hoofdscenario en uitwerking 2022 De uitkomsten van de evaluatie en het daaraan verbonden advies worden voor besluitvorming voorgelegd aan de colleges en de raden van de Lekstroomgemeenten (Houten, IJsselstein, Lopik en Nieuwegein). De primaire vraag voor de besluitvorming is of de raden in kunnen stemmen met het blijven werken met lokale teams en met het in het advies voorgestelde hoofdscenario D. In dit scenario wordt de uitvoering van de Participatiewet uitgevoerd door WIL samen met de gemeenten. Regionale samenwerking wordt hier gecombineerd met lokale werkteams die rechtstreeks vanuit elke gemeente wordt aangestuurd. Dit model is uitgewerkt omdat zo op de beste wijze ondersteuning kan worden geboden aan inwoners bij werk en participatie en/of aan inwoners die een beroep doen op inkomensondersteuning vanuit de Participatiewet. Lokale werkteams voegen waarde toe aan de bestaande regionale uitvoering door een bredere benadering gericht op werk, participatie en passende ondersteuning, op het beter kunnen inzetten van alle lokale mogelijkheden bij deze

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

8

ondersteuning, door een goede integrale lokale dienstverlening samen met ander partners in het sociale domein en door het vergroten van nabijheid, dicht bij de leefwereld van eigen inwoners. In dit advies zijn schematisch de hoofdlijnen van de uit deze keuze voorvloeiende nieuwe opdracht uitgewerkt. Dit is een opdracht voor de gemeenten die gaat over het lokale werken en een schets voor de nieuwe opdracht aan de GR WIL. Na besluitvorming door de raden kan deze opdracht verder worden uitgewerkt. Dit geldt ook voor de diverse punten die in het advies zijn opgenomen voor het goed regelen van de bedrijfsvoering in dit model. Een belangrijk deel van deze punten gaat over te nemen besluiten binnen de GR WIL of besluiten te nemen door de colleges. Een deel van de te nemen besluiten (bijv. over evt. wijzigingen van de GR of de verordeningen) zal ook aan de raden van de gemeenten worden voorgelegd. Deze verdere uitwerkingsbesluiten zullen dan in de loop van 2022 ter besluitvorming worden voorgelegd.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

9

Deel I: Evaluatie Indeling hoofdstukken In deze evaluatie ligt de focus op de volgende vragen en thema’s: • • • • • •

Welke veranderingen zien we door het werken met lokale werkteams? Hoe waarderen inwoners met een bijstandsuitkering lokaal werken? Welke effecten zijn er op de contacten met werkgevers? Wat zijn effecten op de samenwerking met partners in het sociaal domein? Hoe werken wij en welke meningen zijn hierover? Wat vinden uitvoerend betrokkenen van het lokaal werken?

De hoofdstukindeling van deze evaluatie volgt deze vragen.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

10

1.

Waar kijken we naar?

De Innovatieagenda Door de gemeenten Nieuwegein, Houten, Lopik, IJsselstein en Vijfheerenlanden (Vianen) werd eind 2018/begin 2019 de “Startnotitie voor de Innovatieagenda 2019-2020 WIL-gemeenten” vastgesteld.1 De startnotitie markeerde de tussenstap die de gemeenten en WIL met elkaar willen nemen in het kader van het herijken van de opdracht voor WIL bij de uitvoering van de Participatiewet, zoals neergelegd in de Gemeenschappelijke Regeling Werk en Inkomen Lekstroom (WIL). De Innovatieagenda is gestart om lerende wijs tot een nieuwe opzet te komen van een innovatieve GR: een transformatieproces naar WIL 3.0. In de Innovatieagenda werden het proces en de inhoudelijke hoofdlijn van de uit te voeren lokale plannen beschreven. Bij het opstellen van de Innovatieagenda is uitgegaan van de wensen van de vijf gemeenten voor vernieuwing en verandering bij de uitvoering van taken op het gebied van inkomen, werk en schuldhulpverlening. Kern hierbij was de wens van de gemeenten om de dienstverlening aan eigen inwoners op het terrein van werk en inkomen meer lokaal uit te voeren. Dit was ook een belangrijk uitgangspunt van de visie Lekstroom Werkt 2020 die eerder door de gemeenten werd vastgesteld. Het meer lokaal uitvoeren van deze taken door de gemeenten sluit aan bij de gewenste integrale aanpak binnen het sociaal domein.

Deze verschuiving in focus is erop gericht om de kansen bij het versterken van lokale netwerken voor kwetsbare doelgroepen beter te benutten en naast werk ook aandacht te geven aan participatie, ontwikkeling en hulp en ondersteuning van inwoners die een beroep doen op dienstverlening uit de Participatiewet. Het ging bij de Innovatieagenda dus om het vormgeven van door de gemeenten aangepaste beleidskeuzen, die zijn gebaseerd op het eerder door de raden vastgestelde Schetsontwerp Lekstroom Werkt 2020. Gemeenten maakten daarmee bij de start van de Innovatieagenda de keuze voor een bredere aanpak: gericht op werk én participatie en gericht op een bredere en op elkaar afgestemde ondersteuning van inwoners door integrale dienstverlening binnen het sociaal domein. Deze beleidskeuzen vatten we hier samen in: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪

Iedereen doet mee en iedereen doet ertoe. We werken aan het maximaal laten meedoen van iedereen. Alle inwoners met bijstand zijn actueel in beeld. Met deze inwoners te komen tot passende afspraken, niet alleen gericht op werk, maar ook gericht op participatie en/of hulp en ondersteuning. In de aanpak werken vanuit persoonlijke aandacht, kijken naar mogelijkheden en kijken vanuit de vraag wat inwoners nodig hebben om te komen tot het voor hun maximaal niveau van ‘meedoen’ en economische en maatschappelijke participatie. Werken vanuit nabijheid, vanuit de leefwereld van inwoners en het inzetten op complete oplossingen en integraal werken, samen met lokale partners binnen het sociaal domein.

Om dit vorm te geven werd gekozen voor het werken met de Innovatieagenda en met het werken met lokale teams, aangestuurd door projectleiders die vanuit de gemeenten werden aangewezen en aangestuurd. Daarmee verschoof de opdracht voor de uitvoering van de Participatiewet die gericht was op het werkfitte en kansrijke deel van inwoners die ondersteuning vanuit de Participatiewet ontvingen (de ‘oude’ opdracht van de GR WIL). Bij het vaststellen van de Innovatieagenda is besproken dat dit een transformatieprogramma is, waarmee de gemeenten de gewenste verandering in de aanpak en samenwerking tussen WIL en de 1 Door het uittreden van Vijfheerenlanden uit de GR WIL in 2020 participeert deze gemeente niet meer in de Innovatieagenda.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

11

gemeenten inzetten. De inzet hierbij was om via de praktijkweg en op een meer organische wijze het antwoord te geven op de vraag welke uiteindelijke nieuwe opdracht er voor WIL ligt, om de gemeenten bij hun verantwoordelijkheid op het gebied van werk en inkomen te ondersteunen. En in de voorstellen voor de Innovatieagenda werd ook naar voren gebracht dat gemeenten meer ruimte willen voor het vormgeven van een lokale aanpak en lokale sturing op de uitvoering van de werkdienstverlening. Gemeenten wilden zelf bij de lokale situatie passende keuzen kunnen maken.

Doelen en beoogde maatschappelijke effecten van de Innovatieagenda Bij het opstellen van de Innovatieagenda 2019-2020 WIL-Gemeenten is als inzet destijds aangehouden te komen tot zo concreet mogelijk benoemde voorstellen en aanpakken. Hierbij wordt het gewenste maatschappelijk resultaat vooropgezet, met de te realiseren doelen voor burgers en voor de samenleving. Vervolgens wordt gekeken welke afspraken nodig zijn om deze resultaten in de samenwerking tussen WIL en de gemeenten te realiseren. De WAT-vraag gaat zo bewust vooraf aan de HOE-vraag. Deze beoogde maatschappelijke effecten vormen ook de kern van de evaluatie van de Innovatieagenda en de evaluatiematrix die hiervoor in deze notitie is uitgewerkt. In de bijlagen zijn deze beoogde maatschappelijke effecten in een schema opgenomen.

Effecten corona-crisis De corona-crisis verbrak half maart 2020 vrij abrupt de opgestarte dienstverlening van de lokale werkteams. Er is toen door WIL en de gemeenten samengewerkt om de eerste effecten van de coronacrisis op te vangen. Dit betrof vooral het snel en goed uitvoeren van de ondersteuningsregeling TOZO en het door WIL uitvoeren van alle kritische bedrijfsprocessen waaronder het goed borgen van het tijdig verstrekken van uitkeringen. Met WIL en de gemeenten werd vervolgens een plan uitgewerkt hoe de te verwachten hogere instroom in de bijstand door de corona-crisis goed kon worden opgevangen. Ondertussen is ook gekeken hoe het werk binnen de lokale werkteams zo goed mogelijk kon worden gecontinueerd. Duidelijk is dat de effecten van de corona-crisis de uitvoering van de Innovatieagenda sterk hebben beïnvloed. Dit door de verstoring van de mogelijkheden tot fysiek contact met mensen in de bijstand, de effecten op het maatschappelijk leven, de mogelijkheden van maatschappelijke participatie en op de door deze crisis volledig gewijzigde situatie op de arbeidsmarkt, waardoor plaatsingskansen op werk negatief worden beïnvloed.

Het effect van de corona-crisis op deze evaluatie is ook dat het meten van ‘harde’ resultaten van door de Innovatieagenda veroorzaakte effecten minder goed mogelijk is en dat in de evaluatie hierdoor meer nadruk komt te liggen op een kwalitatieve weging. Dit blijkt ook uit de reacties uit deze enquête. Met de gemeenten is besproken dat door het tijdelijk nagenoeg stil komen liggen van het werk van de lokale teams het niet goed mogelijk was – zoals eerder was gepland - de evaluatie van de Innovatieagenda en het lokaal werken te laten plaatsvinden in het voorjaar van 2021. De werking van de Innovatieagenda is daarom verlengd tot eind 2021, met de afspraak de evaluatie af te ronden voor de zomer van 2021. Met deze afspraak kunnen de colleges en de raden nog binnen deze bestuursperiode (2018-2022) beschikken over de bereikte resultaten en de aanbevelingen die uit het uitvoeren van de Innovatieagenda voortkomen, zodat hierover besluitvorming kan plaatsvinden.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

12

Van doelen naar meetpunten in deze evaluatie Om de kunnen beoordelen of de doelen en beoogde maatschappelijke effecten zijn behaald is een evaluatiematrix gebruikt die in de bijlage is opgenomen. We maken in de evaluatie een onderscheid tussen: • • •

Het tellen van resultaten; De waardering van inwoners, werkgevers en samenwerkingspartners; De effecten op cultuur, organisatie en de bedrijfsvoering bij WIL en bij de gemeenten c.q. de lokale werkteams.

De vragen uit de enquête zijn vanuit deze evaluatiematrix uitgewerkt in vijf thema’s die in de hoofdstukken van deze evaluatie terugkomen: A. B. C. D. E. F.

Welke veranderingen zien we door het werken met lokale werkteams? Hoe waarderen inwoners met een bijstandsuitkering lokaal werken? Welke effecten zijn er op de contacten met werkgevers? Wat zijn effecten op de samenwerking met partners in het sociaal domein? Hoe werken wij en welke meningen zijn hierover? En tot slot een afsluitend vragenblok over: Wat vinden uitvoerend betrokkenen van het lokaal werken?

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

13

2.

Welke veranderingen zien we door het werken met lokale werkteams?

Resultaten enquête De resultaten die vanuit de lokale werkteams bereikt zijn worden vooral gezien in het feit dat met meer mensen met een bijstandsuitkering contact is en dat hun mogelijkheden voor participatie en werk daarmee actueel in beeld zijn. Verder wordt aangegeven dat inwoners door het contact met de werkcoaches positieve stappen zetten in hun ontwikkeling, dat er heldere afspraken zijn gemaakt over uit te voeren activiteiten, dat de klantdiagnoses actueel zijn gemaakt en dat er heldere afspraken zijn gemaakt over de activiteiten van inwoners met bijstand. Ook ervaren de professionals dat zo beter hulp en ondersteuning kan worden geboden. En in de reacties zijn er positieve signalen dat maatschappelijke participatie en het werken aan re-integratie toeneemt. Kortom: de gestelde beleidsdoelen zijn herkenbaar en zichtbaar in de uitvoering. Een minder eenduidig beeld is er over de vraag of de activiteiten ook hebben geleid tot hogere uitstroom uit de bijstand of toename van parttime werk. Professionals geven hierbij aan dat de coronacrisis deze resultaten in belangrijke mate heeft beïnvloed. Maar ook dat het extra contact vooral is ontstaan met de groep van inwoners met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. En dat deze groep complex is en dat een snel en groot effect op resultaten richting werk en uitstroom daarom ook niet te verwachten is.

Opvallend is ook dat het percentage ‘weet niet’ bij sommige van de op resultaatgerichte vragen hoog is. Dit wordt veroorzaakt doordat voor een deel van de deelnemers aan de enquête minder zicht is op de directe uitvoering En een rol speelt dat uitvoerende medewerkers geen directe informatie ontvangen over bereikte resultaten. Bij de enquête wordt dan ook een aantal keren toegevoegd dat het goed zou zijn als in de uitvoering meer informatie over de effecten van inspanningen wordt gedeeld en dat er behoefte is meer te weten over de resultaten van alle uitvoerende activiteiten. Dat is zeker een tip die voor het vervolg en de betrokkenheid van uitvoerende medewerkers bij deze resultaten belangrijk is.

A

Welke veranderingen zie je door het werken met lokale werkteams?

1

Weet niet

Oneens

Neutraal

Eens

Meer mensen met bijstand en een grote afstand tot de arbeidsmarkt stroomden door betaald werk uit de uitkering.

34%

24%

26%

16%

2

Meer mensen met een bijstandsuitkering werken parttime.

48%

14%

22%

16%

3

Meer mensen met een bijstandsuitkering doen vrijwilligerswerk of een maatschappelijke activiteit.

40%

12%

16%

32%

Voor mensen met bijstand is er nu een groter aanbod aan activiteiten gericht op maatschappelijke participatie.

28%

24%

16%

32%

Het aanbod aan activiteiten voor maatschappelijke participatie sluit beter aan bij de mogelijkheden en behoeften van inwoners.

30%

18%

26%

26%

4

5

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

14

6

Meer mensen met bijstand werken aan de verbetering van hun leven richting re-integratie.

36%

12%

24%

28%

7

De meeste mensen met wie de werkcoaches contact hadden zetten positieve stappen in hun ontwikkeling.

0%

0%

36%

64%

Meer mensen met bijstand nemen deel aan activiteiten, zoals werkervaringsprojecten, reintegratie-activiteiten en taalontwikkeling.

40%

10%

18%

32%

9

We bieden nu betere ondersteuning, hulp en advies.

18%

16%

12%

54%

10

Mensen met een bijstandsuitkering zijn (opnieuw) in beeld en hun mogelijkheden zijn bekend.

22%

8%

14%

56%

Met de mensen waarmee we contact hadden zijn heldere afspraken gemaakt over uit te voeren activiteiten.

36%

4%

8%

52%

12

De klantdiagnose en de activiteiten zoals vermeld in de systemen zijn actueel.

24%

6%

18%

52%

13

Mensen met een bijstandsuitkering maken door het lokaal werken eerder gebruik van zorg en hulpverlening.

34%

14%

4%

48%

8

11

Ook in de vrije tekst wordt toegelicht dat de resultaatgerichte vragen niet door iedereen goed zijn te beantwoorden. Soms omdat de kennis er niet is, soms omdat de vragen meer functiegericht zijn gesteld en de medewerker wat verder afstaat van de directe uitvoering en de vragen over ‘zachte’ effecten minder goed kunnen worden beantwoord. Bij de verwerking van de enquête was te zien dat medewerkers vanuit beleids- en stafafdelingen en het management vaker gebruik maakten van het antwoord ‘weet niet’. Ook wordt wel opgemerkt dat het referentiepunt (beter t.o.v. wat) niet voor iedereen scherp is. Dit omdat medewerkers pas bij of na de start van het lokaal werken aan de slag zijn gegaan en concrete cijfers van de ‘oude’ werkwijze niet bekend zijn. Door verschillende medewerkers wordt in de vrije tekst aandacht besteed aan de effecten van de corona-crisis. Dat de resultaten hierdoor zijn beïnvloed staat voor deze medewerkers vast. Tegelijkertijd wordt aangegeven dat hiermee creatief is omgegaan en dat ook binnen coronatijd contact met inwoners mogelijk bleef. Aan positieve resultaten wordt hier in de vrije tekst vooral genoemd: - Het betere contact met inwoners, lokaal en laagdrempelig. - Het ontwikkelen van de teams met een duidelijke opdracht richting werk en participatie, waarmee met lokale partners wordt samengewerkt en stappen worden gezet.

- Het kunnen geven van aandacht aan inwoners die voorheen buiten beeld bleven. Dit met een toename van contact en gesprekken. - Het naast werk ook aandacht kunnen geven aan maatschappelijke participatie en het inzetten van bredere hulp en ondersteuning. - De toename van waardering van inwoners, contact op het lokale gemeentehuis en ook een laagdrempelige en minder als ‘intimiderend’ ervaren dienstverlening die met het lokaal werken is ontstaan. - En tot slot: kortere lokale lijnen, snelle beslissingen en meer maatwerk.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

15

In de vrije tekst zijn ook een aantal meer kritische geluiden te horen. Die kritische geluiden voeren niet de boventoon, maar ze zijn er wel en behoeven ook aandacht. Zo wordt de vraag gesteld of alle aandacht om iedereen in beeld te krijgen niet ten koste gaat van mensen die werkfit zijn. En wordt de vraag gesteld of het wel onderdeel van de taken van een werkcoach moet zijn om aandacht te geven aan participatie, hulp en ondersteuning gezien ook het te verwachten effect op uitstroom. Kortom: is dat niet erg inefficiënt? De bredere aanpak van alle doelgroepen – zo lezen we in één van de reacties mist focus op de meest kansrijke mensen en is minder gericht op uitstroom. Dit komt ten goede aan de vergeten groep, maar gaat ten koste van de aanpak voor kansrijkere klanten. Ook wordt de extra bemoeienis van de gemeenten niet door iedereen als een verbetering omarmd. In deze reacties komt tot uitdrukking dat de keuze voor een bredere taakopvatting: naast werk ook onbetaald werk, maatschappelijke participatie en bredere aandacht voor alle inwoners met bijstand, in de soms ook lastige uitvoeringspraktijk, zeker nog aandacht moet hebben. De wijzigingen vanuit de Innovatieagenda zijn een stevig veranderingsproces voor een aantal uitvoerenden gebleken. Zij hebben dit als een top-down proces ervaren waarin taken en taakinhoud zijn verschoven en prioriteiten zijn herijkt.

Zij stellen zich de vraag of de bredere aandacht en focus op werk én participatie wel een taak zou moeten zijn voor WIL. En in dat laatste wijken zij af van de nieuwe beleidskeuze die de gemeenten met de Innovatieagenda maakten. Resultaten interviews In de interviews is het beeld over de bereikte resultaten met gesprekken verder ingekleurd. Primair gaat dit over het feit dat groepen inwoners met bijstand opnieuw actueel in beeld zijn gekomen en dat inwoners daar ook waardering voor uitspreken. In de gesprekken is naar voren gebracht dat bij de start van de lokale teams een groot deel van de klantgroep niet of niet actueel in beeld was. Dit gold voor de in formele zin aan de gemeente overgedragen (oude) “klantgroep 4” en ook voor een deel van het ‘algemeen bestand’ van inwoners die dienstverlening van WIL ontvingen. Inwoners bleken soms al heel lang niet gesproken. Dat ging dan meestal om mensen die weinig of geen kans op uitstroom uit de bijstand hadden, maar ook om meerdere situaties waarin de omstandigheden die eerder hadden geleid tot deze ‘wachtbestanden’ inmiddels sterk waren gewijzigd en er hernieuwde mogelijkheden bleken rond werk, ontwikkeling of participatie. Het hernieuwd contact is ook door inwoners positief gewaardeerd. Ook werden nieuwe afspraken gemaakt. En lokaal werken blijkt voor mensen met een wat grotere afstand tot de arbeidsmarkt een voordeel.

Door per gemeente te werken neemt, zo geven medewerkers aan, “de kennis over wat lokaal te bieden sterk toe en worden contacten met andere organisaties nu persoonlijke contacten waarin het veel makkelijker en sneller gaat in de samenwerking”. In de gesprekken werd dan ook verder toegelicht dat de bereikte resultaten leiden tot een beter contact en betere kwaliteit van dienstverlening. En dat daarbij de belangrijkste elementen zijn de zich versterkende samenwerking met partners in het sociaal domein en het integraal werken in de gewone uitvoering. Niet als beleidstaal in volzinnen, maar in de dagelijkse uitwisseling van medewerkers uit de werkteams met andere professionals in het sociaal domein. We gaan hier in een volgend hoofdstuk uitgebreider op in. Medewerkers in de uitvoering geven aan dat de huidige resultaten vooral liggen in het opnieuw in beeld komen van alle inwoners met bijstand. Hierdoor is meer zicht op wat mensen doen en kunnen en worden ook meer activiteiten ingezet, zoals bijvoorbeeld werkervaringsplaatsen. De indruk is ook dat parttime werk binnen de bijstand een kans heeft om toe te nemen. Er zijn geen hoge verwachtingen over het stijgen van de uitstroom. De periode vinden medewerkers hiervoor te kort en de ontwikkelmogelijkheden van mensen die al lang in de bijstand zitten is ook beperkt.

Toegelicht is dat dit enerzijds te maken heeft met de complexiteit van de doelgroep die door de lokale werkteams 210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

16

wordt ondersteund en ook dat de coronacrisis voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt ook extra beperkt. Ook in de gesprekken met de gemeenten is besproken dat deze aanpak het meedoen naar vermogen echt ondersteund en dat hieraan nu – eindelijk volgens sommigen - praktisch invulling wordt gegeven. En dat het vanzelfsprekender is geworden om mensen in beweging te brengen, te laten participeren en te kijken naar de vraag welke partijen of voorzieningen ingezet kunnen worden om mensen te ondersteunen. Dit is het verschuiven naar de norm ‘iedereen is in beweging’ en doet iets passend bij wat hij of zij kan richting werk of participatie. Meerdere personen gaven in de interviews aan dat plaatsingen richting werk in coronatijd fors is bemoeilijkt en dat de uitstroom van kwetsbare groepen daarmee lastiger is geworden. Al worden er tegelijkertijd ook kansen gezien in sectoren waar juist extra vraag naar personeel is ontstaan. De taakverdeling tussen lokaal en regionaal wordt door alle betrokkenen op de hoofdlijn logisch gevonden. Enkele aandachtspunten hierbij komen verderop in deze evaluatie aan de orde, maar dit gaat om verbeteringen binnen die hoofdlijn. Belangrijk hierbij is de samenwerking tussen de lokale teams en de Poort. Er is voor gekozen om alle nieuwe instroom via het gezamenlijk team Poort te beoordelen.

Bij deze taakverdeling werd voor het opvangen van de te verwachten effecten van de coronacrisis op instroom in de bijstand gezamenlijk de keuze gemaakt om de Poort te versterken in de vorm van een Matchingsteam. Dit team kreeg tot taak om werkfitte kandidaten uit de nieuwe instroom aan de Poort te begeleiden richting werk. Mensen met recente werkervaring en met een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt kunnen zo direct worden ondersteund bij het vinden van werk en zoveel mogelijk ‘van werk naar werk’ worden begeleid. In de nadien gemaakte afspraken tussen de werkteams en de Poort komt dit ook tot uitdrukking: enerzijds de versterking op het direct bemiddelen van werkfitte kandidaten en anderzijds vlotter verwijzen van nieuwe instromers die baat hebben bij de dienstverlening vanuit de lokale werkteams. Opvallend punt is dat meerdere gesprekspartners aangaven eigenlijk niet zo goed een beeld te hebben over de feitelijke effecten en of deze nu positief, neutraal of negatief zijn. Dat de gegevens over resultaten er (nog) niet actueel zijn wordt ook als gemis ervaren. Het zicht op resultaten moet dus worden versterkt. Gegevens hierover komen in de rapportages van WIL achteraf beschikbaar. Bij die rapportages worden kanttekeningen geplaatst.

Maar de opmerking is vooral dat het tussendoor weten en beoordelen van bereikte resultaten – ook specifiek van de lokale werkteams zelf – niet goed genoeg wordt gefaciliteerd. Veel tevredenheid is er over de inmiddels via het Dashboard Participatie voor het bestandbeheer beschikbaar gekomen informatie. Daarop moet volgens betrokkenen verder worden doorgebouwd, met goede direct toegankelijke informatie over de bereikte resultaten.

Gegevensanalyse – facts & figures Ten behoeve van deze evaluatie is parallel aan de interviews gekeken naar beschikbare relevante data. Daarbij is het natuurlijk lastig om te zien welke effecten er nu zijn opgetreden door het werken met lokale teams en de (majeure) actuele omstandigheid van de zo sterk veranderde arbeidsmarkt en werkkansen in de coronacrisis. Om dit toch zo goed en actueel mogelijk te kunnen bekijken is gekeken naar de prestaties op het bijstandsvolume, in- en uitstroom, duurzaamheid van uitstroom en gedeeltelijke uitstroom in de bijstand van de Lekstroomgemeenten t.o.v. anderen in de arbeidsmarktregio en het landelijk beeld. Waar relevant keken we ook naar verschillen tussen de Lekstroomgemeenten onderling.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

17

-

Ontwikkeling inwoners met bijstand

Voor de ontwikkeling van het aantal mensen in de bijstand is gekeken naar de meest recente gegevens uit de Divosa Benchmark Werk en Inkomen. We kijken hier naar de gegevens over de periode 1 januari 2019 tot en met april 2021. In de landelijke ontwikkeling van de bijstand (alle deelnemers) zien we dat het volume in de bijstand in de periode januari 2019 tot januari 2020 nog is gedaald en daarna – als doorwerking van de effecten van de coronacrisis – weer stijgt. In de arbeidsmarktregio is deze stijging hoger dan bij het landelijk beeld. Bij de WIL-gemeenten is dit beeld gunstiger. Ook hier zien we door de coronacrisis een toename van het aantal mensen in de bijstand. Maar de stijging is veel lager dan de stijging in de arbeidsmarktregio en ook lager dan het landelijk beeld.

In de ontwikkeling van bijstand zitten verschillen tussen de Lekstroomgemeenten. IJsselstein en Houten ontwikkelden zich relatief goed en bleven onder het (al gunstige) gemiddelde van WIL. Nieuwegein zit hier iets boven en komt meer in de richting van het groeipercentage dat ook voor de arbeidsmarktregio Midden-Utrecht geldt. Dit wordt geïllustreerd in de grafiek over de ontwikkeling van de bijstand per gemeente. Bij Lopik past hier vanwege kleinere bijstandsaantallen wel de relativering dat kleinere wijzigingen in aantallen bijstand zich sneller vertalen in percentages en schommelingen hierin. De lijn van Lopik in deze grafiek is hierdoor ook wat grilliger.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

18

Bij de analyse van ontwikkeling van de bijstand is apart gekeken naar de instroom, de uitstroom en de kwaliteit van uitstroom. De ontwikkeling van instroom en uitstroom (die samen de volumeontwikkeling bepalen) geeft geen extra bijzonderheden op de hiervoor toegelichte trend. De kwaliteit van de uitstroom is beoordeeld door te kijken naar de duurzaamheid van uitstroom (% herinstroom in de bijstand binnen 6 respectievelijk 12 maanden). De duurzaamheid van de uitstroom is bij WIL beter dan het landelijk niveau. Dat positieve beeld is met het lokaal werken ook ongewijzigd gebleven. De conclusie uit de vergelijking met de benchmarkgegevens is dat de volumeontwikkeling voor WIL in vergelijking met de eigen arbeidsmarktregio en in vergelijking met het landelijk beeld gunstig is verlopen. Het aantal mensen dat een beroep doet op de bijstand stijgt weliswaar, maar deze stijging is in verhouding met de regio en het landelijk beeld beperkt gebleven. Natuurlijk is hierbij de vraag of voor deze relatief gunstige ontwikkeling als verklaring het werken met de lokale teams kan worden aangevoerd. Dat doen wij hier niet. Er zijn ook andere factoren die hierbij van belang zijn, zoals het gezamenlijk door WIL en de gemeenten versterken van de dienstverlening bij nieuwe instroom in het met de coronacrisis opgerichte matchingsteam.

Deze snelle aanpak heeft zeker ook geleid tot het beperken van instroom in de bijstand. Wat we wel uit deze gegevens kunnen constateren is dat de prestaties van WIL met het lokaal werken en de Innovatieagenda in deze bijzondere tijd goed zijn gebleven. De gemaakte keuzes werpen vruchten af. En omgekeerd maar ook belangrijk: met alle veranderingen en het nieuwe werken met lokale werkteams zijn er geen negatieve effecten ontstaan op het bijstandsvolume. Ook dat is belangrijk omdat in een stevig 210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

19

veranderingsproces zoals de Innovatieagenda een (tijdelijke) terugval van resultaten niet is opgetreden.

-

Aandeel parttimewerkenden in de bijstand

Aan de hand van de gegevens uit de Divosa Benchmark Werk en Inkomen is ook gekeken naar de ontwikkeling van het aandeel parttime werkenden in de bijstand. Landelijk is het aantal parttime werkenden in de bijstand begin 2019 ongeveer 10%, wat onder invloed van de coronacrisis is gedaald naar circa 9%. De WIL gemeenten kennen – ook historisch – een lager percentage parttime werkenden. De ontwikkeling in de periode laat een vergelijkbaar effect zien van de doorwerking van de coronacrisis: begin 2019 was het aandeel parttime werkenden 7%. Dit is gedaald naar ongeveer 6%.

Het overall beeld is dus dat voor het aandeel parttime werkenden weinig effect is ontstaan. Er is sprake van een daling van het aantal parttime werkenden in de bijstand, maar deze daling is volledig verklaarbaar uit de doorwerking van de coronacrisis. De grafieken over het aandeel parttime werken laten ook zien dat hier nog wel kansen liggen die beter kunnen worden benut. Ook ten opzichte van de eigen arbeidsmarktregio is het aandeel parttime werkenden van de Lekstroomgemeenten in de hele periode lager. Er zijn ook verschillen per gemeente. Te zien is dat in de gemeenten Houten en IJsselstein het aantal parttime werkenden boven het gemiddelde van de Lekstroomgemeenten is gekomen. Nieuwegein ligt 210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

20

daar onder. Dat geldt ook voor Lopik, maar i.v.m. kleine aantallen mensen in de bijstand past daarbij wel een relativering omdat kleine wijzigingen in aantallen al snel effect hebben op het percentage.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

21

Een opvallend gegeven bij parttime werken in de bijstand is dat weliswaar het aandeel lager is, maar de gemiddelde inkomsten van parttime werkenden in de Lekstroom juist hoger zijn.

Bij WIL zijn deze inkomsten (in april 2021) gemiddeld € 725 per maand, terwijl het landelijk gemiddelde net boven € 600 ligt. Ook hier zijn er verschillen tussen de gemeenten. Bij Nieuwegein liggen deze inkomsten boven het gemiddelde, net onder de € 800 per maand en bij Houten liggen deze onder het gemiddelde op circa € 640 per maand.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

22

Dit lijkt bijzonder: een lager percentage parttime werkenden combineert zich met hogere gemiddelde inkomsten van deze parttime werkenden in de bijstand. En ook het omgekeerde: een hoger percentage parttime werkenden combineert zich met lagere gemiddelde inkomsten uit werk. Toch is dit niet bijzonder. Als parttime werken binnen de bijstand wordt gestimuleerd betekent dit in de regel dat twee deelgroepen aan de slag zijn: mensen die 2-3 dagen per week kunnen werken én mensen die met kleinere baantjes aan slag gaan. Met deze laatste groep wordt dan breder ingezet op economische participatie. Het aandeel parttime werkenden stijgt, maar doordat zij minder uren werken daalt tegelijkertijd het gemiddelde van de met de bijstand te verrekenen inkomsten. In het kader van deze evaluatie is voor parttime werk vooral de conclusie dat er met het lokaal werken geen merkbare veranderingen zijn ontstaan op het aandeel parttime werkenden. De gemeenten hebben – ook historisch – een lager aandeel parttime werkenden in de bijstand. Economische participatie van mensen die gedeeltelijk kunnen werken en in hun eigen inkomsten kunnen voorzien lijkt hiermee een kans waarop gericht verdere actie kan worden ingezet. Ook andere gemeenten experimenteren op deze weg en deze lijkt kansrijk. -

Uitstroom nader bekeken

Tot slot keken we naar de vraag waardoor de uitstroom uit de bijstand wordt ‘veroorzaakt’. Uitstroom uit de bijstand vindt plaats om veel verschillende redenen. Door verhuizing, door het aangaan van relaties, door het gaan volgen van opleidingen, door handhaving en rechtmatigheidscontroles, door werk of door recht dat kan ontstaan op andere sociale verzekeringen zoals de AOW.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

23

Of uitstroom nu wordt bereikt vanuit de lokale teams of vanuit activiteiten van de Poort is natuurlijk een belangrijk gegeven. Met de huidige informatievoorziening is dit nog niet goed vast te stellen, maar er is wel een goede en aannemelijke benadering mogelijk. We vonden een benadering van de ‘oorzaak’ van uitstroom door de Poort of vanuit de lokale werkteams door het onderscheid van uitstroom binnen 6 maanden na start van de bijstand, of uitstroom na deze eerste periode van 6 maanden. Het is een benadering die indicatief een voldoende scherp beeld toont. We maken hierbij onderscheid tussen ‘alle uitstroom’ en uitstroom ‘naar werk en/of studie’. De totale uitstroom in deze periode 1 januari 2019 tot 30 april 2021 (28 maanden) betreft 1587 personen. Van deze uitstroom ontstaat 23,8% binnen de periode van 6 maanden na instroom. En 76,2% van deze uitstroom betreft personen met een bijstandsuitkering van meer dan 6 maanden.

Uitstroom uit de bijstand: uitstroomreden en duur bijstand Bron: WIL (Suite registratie) - periode 1 januari 2019 - 30 april 2021 (28 maanden)

Houten IJsselstein Lopik Nieuwegein Totaal

< 6 maanden na instroom Werk en studie Overige 44 36 29 40 11 13 106 98 190 187 12,0% 11,8%

> 6 maanden na instroom Totaal 80 69 24 204 377 23,8%

Werk en studie 134 100 21 185 440 27,7%

Overige 174 163 32 401 770 48,5%

Totaal 308 263 53 586 1210 76,2%

De benadering die wij hier spiegelen is dat snelle uitstroom in hoofdzaak gerealiseerd wordt door activiteiten bij de Poort en dat uitstroom van mensen die meer ondersteuning nodig hebben en dus langer in de bijstand zitten, samenvalt met de doelgroep van de lokale werkteams. We keken hierbij ook naar de reden van uitstroom die in twee groepen is onderverdeeld: uitstroom naar werk of studie of uitstroom om andere redenen. Bij uitstroom binnen 6 maanden zien wij een hoger aandeel van uitstroom naar werk en studie. Van deze 377 personen betreft dit 190 personen. Dus 50,4 % van de uitstroom binnen 6 maanden is uitstroom naar werk of studie. Bij de uitstroom > 6 maanden is dit aandeel 440 personen op het totaal van 1210 personen, dat is 36,4%. Evengoed is het te zien dat het aandeel van de uitstroom vanuit de lokale werkteams, zowel naar werk als om overige redenen, verantwoordelijk is voor 75% van de uitstroom. En dat in deze periode van 28 maanden 630 personen naar werk of studie zijn uitgestroomd. Circa 190 rekenen we hierbij toe aan snellere dienstverlening die in principe rond de Poort wordt verzorgd en 440 aan vanuit het bestand van de lokale werkteams uitgestroomde personen.

Samenvattend: de belangrijkste veranderingen door het lokaal werken De belangrijkste veranderingen door het lokaal werken uit dit hoofdstuk zijn: - Het opnieuw in beeld komen van iedereen in de bijstand en het maken en vernieuwen van afspraken over activiteiten die de ontwikkeling van mensen richting werk, ontwikkeling en participatie ondersteund. - Het door het lokaal werken op uitvoeringsniveau vormgeven aan samenwerking met partners in het sociaal domein en het benutten van lokale netwerken.

210907 Eindrapport evaluatie Innovatieagenda WIL - Gemeenten 2019-2021

24

-

-

-

-

De effecten op de omvang uitstroom richting werk is – ook door de coronacrisis – moeilijker om op dit moment te relateren aan het lokaal werken. Wat bemoedigend is, is dat het bijstandsvolume in de betrokken Lekstroomgemeenten zich gunstig heeft ontwikkeld t.o.v. het landelijk beeld en ten opzichte van de eigen arbeidsmarktregio. De gemaakte keuzen lijken dus zeker op te leveren. En wat we in elk geval hard kunnen vaststellen is dat door het lokale werken geen negatieve effecten op het bijstandsvolume ontstonden. Meer aandacht voor de groep mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt leidt dus niet tot verlies aan uitstroom, al is er natuurlijk ook extra capaciteit op ingezet om deze extra taken ook uit te kunnen voeren. Bij parttime werk tijdens de bijstand is er sprake van een grotendeels ongewijzigd beeld. Bij de Lekstroomgemeenten is het percentage parttime werkenden relatief laag, met overigens gemiddeld genomen een hoog inkomstenniveau per parttime werkende in de bijstand. Dit wijst erop dat hier nog kansen liggen die kunnen worden benut. De deelname aan maatschappelijke activiteiten en ontwikkelingsgerichte activiteiten zoals werkervaringsplaatsen lijkt volgens betrokkenen toe te nemen, maar er zijn geen harde data beschikbaar om dit te toetsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10597750/1