Bestemmingsplan Achtersloot 122
Tekst van het document
Bestemmingsplan partiële herziening bestemmingsplan Landelijk Gebied, Achtersloot 122
Gemeente IJsselstein
Planstatus:
vastgesteld
Identificatiecode:
NL.IMRO.0353.Achtersloot122-Va01
Datum:
29 april 2021
Contactpersoon Plannen-makers:
Dhr. C. Vaartjes
Kenmerk Plannen-makers:
PM16018
Opdrachtgever:
Fam. Keijzer
Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht www.plannen-makers.nl BTW id: NL002150639B90 KvK nummer: 59112751
Pagina 2
Bestemmingsplan Achtersloot 122
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 Aanleiding ................................................................................................................................ 4 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4 Ligging plangebied .................................................................................................................. 4 Vigerend bestemmingsplan Landelijk Gebied ......................................................................... 5 Beschrijving plan...................................................................................................................... 6
2
Beleidsmatige onderbouwing ........................................................................................................ 11 Inleiding ................................................................................................................................. 11 Rijksbeleid ............................................................................................................................. 11 Provinciaal beleid................................................................................................................... 13 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 17
3
Milieutechnische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 19 Milieueffectrapportage (m.e.r.) .............................................................................................. 19 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 20 Geluidhinder .......................................................................................................................... 20 Ecologie ................................................................................................................................. 21 Bodem ................................................................................................................................... 22 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 22 Externe Veiligheid .................................................................................................................. 24 Archeologie ............................................................................................................................ 26 Waterhuishouding ..................................................................................................................
27 Verkeer en Parkeren ............................................................................................................. 29
4
Juridische planbeschrijving ............................................................................................................ 32 Plansystematiek..................................................................................................................... 32 Opzet van de regels .............................................................................................................. 32 De bestemmingen.................................................................................................................. 33
5
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid...................................................................... 34 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 34 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 34
6
Bijlage(n) ........................................................................................................................................ 37
Pagina 3
Bestemmingsplan Achtersloot 122
1 Inleiding Aanleiding De voormalige boerderij aan de Achtersloot 122 is reeds lange tijd in gebruik als woning. De bestemming van de locatie is echter nog altijd Agrarisch met waarden. Het feitelijk gebruik komt niet meer overeen met de bestemming. De beoogde ontwikkeling voor de locatie is om de achterliggende huisstal om te bouwen tot een woning. De huisstal wordt omgebouwd waarbij Nul-op-de-meter het uitgangspunt is. In de volgende paragrafen wordt het plan en de duurzaamheidsmaatregelen toegelicht. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw planologisch kader nodig. Voorliggend plan voorziet in een nieuw (postzegel)bestemmingsplan. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk door het wijzigen van de bestemming van Agrarisch naar Wonen. Binnen de bestemming Wonen zijn twee woningen toegestaan. Dit bestemmingsplan motiveert dat de ontwikkeling ruimtelijk inpasbaar is in zijn omgeving en dat voldaan kan worden aan een goede ruimtelijke ordening.
Leeswijzer In hoofdstuk 1 is de aanleiding en het plan beschreven. In hoofdstuk 2 volgt de beleidsmatige onderbouwing van het plan. In hoofdstuk 3 is beschreven hoe het plan voldoet aan de wettelijke (milieu)regelgeving. Hoofdstuk 4 gaat in op de regels zoals die gelden voor het bestemmingsplan. Tot slot beschrijft hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke haalbaarheid van het plan.
Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Achtersloot 122 te IJsselstein. De Achtersloot is een ontsluitingsweg aan de noordzijde van IJsselstein van het aangrenzende agrarische buitengebied. Aan de Achtersloot ligt van oudsher lintbebouwing. De bebouwing en de functies aan de Achtersloot zijn zeer divers en in de tijd van met name agrarisch gewijzigd naar meer gemengd van wonen, agrarisch, recreatief en kleinschalige bedrijvigheid. Achtersloot 122 is de eerste bebouwing buiten de bebouwde kom van IJsselstein aan de oostzijde van de weg.
Luchtfoto met plangebied in omgeving (bron: Google Earth)
Pagina 4
Bestemmingsplan Achtersloot 122
Luchtfoto van plangebied met globale plangrens (bron: Google Earth)
Vigerend bestemmingsplan Landelijk Gebied Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie is ‘Landelijk Gebied Noord en Zuid’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 17 december 2015. Het bestemmingsplan is voor wat betreft de opzet van de regelgeving gebaseerd op het omliggende den voor de locatie vigerende bestemmingsplan Landelijk Gebied. Planspecifiek Onderstaand is een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan weergegeven. De uitsnede toont dat de huidige bestemming ‘Agrarisch met waarden’ is. Tevens geldt de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie – 3’. Om de woonbestemming en de tweede woning mogelijk te maken is een nieuw planologisch beleidskader nodig. Voorliggend plan voorziet in het nieuwe planologische kader.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan met globale plangrens (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Pagina 5
Bestemmingsplan Achtersloot 122
Beschrijving plan 1.5.1
Inrichtingsplan
De eigenaar is voornemens de huisstal met bijkeuken te verbouwen tot woonhuis. Het perceel zal dan gesplitst worden in het voorhuis met bijkeuken en dubbele garage en een bewoonbaar gemaakte huisstal met bijkeuken, kapschuur, stal en wagenberging Het achterliggende weiland wordt ecologisch ingericht ten behoeve van de woonfunctie. De planontwikkeling is in overleg met de gemeente en de ervenconsulent tot stand gekomen. Het overleg met de ervenconsulent heeft geresulteerd het ontwerp op de volgende pagina. In onderstaande paragraaf wordt de inrichting van de locatie beschreven. Onderstaand erst de luchtfoto met de bestaande onderdelen, daarna het ontwerp van de ervenconsulent en de bijbehorende toelichting.
Luchtfoto Achtersloot 122 bestaande situatie
Pagina 6
Bestemmingsplan Achtersloot 122
Inrichtingsplan (bron: Ervenconsulent - Mooisticht) De boomgaard aan de voorzijde zal in stand gehouden worden. Op verzoek van de Gemeente zal er geen tweede brug komen en zal de bestaande brug niet verlegd worden. De oprit zal afgesplitst worden na de bestaande brugopgang, door de boomgaard naar de zijkant en achter de bestaande schuren. De bestaande bomen zullen, waar mogelijk, in tact gelaten worden, de meeste bomen zijn echter oud, ziek en van slechte kwaliteit, en moeten wel binnen afzienbare tijd vervangenworden door gezonde exemplaren. Achter de stallen gaat deze oprit over in een pad van 3,5 meter breed. De noodzakelijke ingrepen aan de bebouwing (onderhoud/herstel en geschikt maken aan de nieuwe functies) worden met gevoel voor de originele uitstraling van het erf gedaan. Samenhang tussen de bebouwing is daarbij belangrijk. Stal 6 en de bijkeuken zullen aan de buitenkant bekleed worden met hout, aangevuld met gevelbeplanting. De uitstraling wordt zo ondergeschikt aan de woning. De herenboerderij uit 1928 zal de uitstraling blijven bepalen vanaf de Achtersloot. Het gehele beeld blijft van een boerderij op de oude stroomrug van de Hollandse IJssel met achterliggende strokenverkaveling. De scheidslijn tussen de twee percelen zal lopen op de huidige scheiding van de 2 bijkeukens, ongeveer 3 meter uit de gevel van de stalwoning.
Het voorperceel zal dan bestaan uit het voorhuis met bijkeuken, bijgebouw, voor- en zijtuin. Het achterliggende perceel bestaat uit de duurzaam verbouwde stalwoning met bijkeuken, 2 bijgebouwen, omliggend erf en achterliggend weiland. Er zal een groene afscheiding geplaatst worden vanaf de scheidslijn van de aanbouw tot de sloot aan de zuidkant. Deze zal bestaan uit een takkenril van wilgentakken met staanders van essenhout, die van onze eigen knotbomen gesnoeid worden. Hierdoor ontstaat een natuurlijke afscheiding, wat een goed toevluchtsoord is voor veel vogeltjes, insecten en kleine zoogdieren. Deze takkenril kan aan beide kanten vergroend worden door bijvoorbeeld klimplanten of een beukenhaag. De hoogte is max. 1.80 meter. De zichtlijnen zullen behouden blijven vanuit de omgeving naar het achterliggende land, om de landschappelijke beleving vanaf het lint (Achtersloot) en de naastgelegen woonwijk te waarborgen (zie kaart). Door de sloop van de mestplaat wordt het aanzicht zelfs verbeterd. Het woongedeelte zal wel de Pagina 7
Bestemmingsplan Achtersloot 122
benodigde privacy moeten krijgen. Dit kan door een vlechthaag te maken langs de slootkant tegen de inkijk vanuit het speelveld op het terras en de achterpui. Een vlechthaag werd van oudsher al toegepast om weilanden op een natuurlijke manier af te bakenen. Deze zal bestaan uit inheemse soorten en besdragende struiken. Dit levert bessen voor mens, vogels en muizen. Tevens biedt het wederom beschutting en nestgelegenheid voor vogels en kleine zoogdieren. Door de sloop van de wagenberging komt er een meer geleidelijke en ruimtelijke overgang van erf naar landschap. Het terras zal onderbroken worden met veel groene elementen. Rond de verbouwde stal en stal 6 zal ook beplanting komen waardoor deze beter opgaan in het landschap. Tevens zal er lijnafwatering ingebracht worden, waarbij het regenwater afgevoerd wordt in de sloten en deels opgeslagen zodat het gebruikt kan worden voor de bewatering van de planten. Naar het weiland toe zullen een aantal fruitbomen geplant worden in een huisboomgaard die hier oorspronkelijk ook was, gecombineerd met een moestuin. Op de oude stroomrug van de Hollandsche IJssel is deze huisboomgaard een karakteristiek element behorende bij de erven en kenmerkt zich door de kleinere omvang en grotere verscheidenheid aan soorten en rassen, zoals appels, peren, kersen en pruimen. Dit zorgt voor een grotere ecologische nis en verscheidenheid.
Zo blijft de nutsbeplanting bij de woning en gaat dit geleidelijk over naar grasland voor de dieren en natuur Het grootste deel zal grasland met bloeiende akkerranden blijven met ruimte om te kunnen paardrijden. Achter stal 6 is de slechte betonnen ondergrond reeds vervangen door nieuwe betonplaten, waar de pony’s op kunnen staan bij natte omstandigheden. De pony’s hebben een gedeelte nodig om bereden te worden. Dat kan niet op het gras in het weiland, omdat dit het grootste deel van het jaar drassig is. Aansluitend aan de woonbestemming aan de Noordzijde is een gedeelte gepland waar een gedraineerde bodem kan komen om op te rijden van 20 x 40 meter. De paardenbak zal onopvallend in het weiland opgaan, indien mogelijk slechts met onopvallend schikdraad, of met een lage haag van dezelfde inheemse soorten als de vlechthaag (afhankelijk van de paarden die in de toekomst bereden gaan worden). Er zullen geen hoge lichtmasten geplaatst worden. De exacte ligging van de paardenbak is opgenomen in de verbeelding. Deze is enkele meters oostelijker gesitueerd dan in de afbeelding op de voorgaande pagina. Er wordt zo voldoende afstand tot omliggende percelen gehouden. Slootkanten zijn reeds veelal afgevlakt en extra waterberging is gerealiseerd door gegraven extra sloten.
Met de afgevlakte slootkanten willen wij de biodiversiteit bevorderen: weidevogels, uilen, insecten/bijen, watervogels en amfibieën kruidachtigen. Er zal geen bemesting zijn van het weiland zodat kruidachtigen meer kans krijgen. De slootkanten zullen bestaan uit eenjarige en meerjarige akkerrandbegroeiing met bloemen voor nectar en zaaddragende grassen voor vogels. Afgelopen jaren is deze akkerrand al ingezaaid, de omwonenden zijn hier zeer enthousiast over en er zijn veel meer vlinders, insecten en kleine zoogdieren gezien. Er zijn achter in het weiland reeds 6 bijenkasten geplaatst zodat de fruitbomen en bloemen in de omgeving bestoven kunnen worden. Nestmogelijkheden voor diverse vogelsoorten zijn al gerealiseerd, waaronder 2 nestkasten voor kerkuilen. Er worden een aantal bomen verspreid aangeplant die horen in deze omgeving en bij de uitstraling van de boerderij met een hoge ecologische waarde. Een aantal bomen komen in het weiland als solitair (bijvoorbeeld walnoot), een aantal komen dichter bij de bebouwing om een vloeiende overgang te creëren (bijvoorbeeld diverse bloeiende prunussen, vijg). Verder planten wij diverse soorten fruitbomen aan in de boomgaard (appel, peer, pruim, kers). Deze bomen zorgen voor nestgelegenheid en voedsel voor vogels en voor nectar in het vroege voorjaar voor de bijen als de akkerranden nog niet bloeien.
Achter de bestaande stallen zal parkeergelegenheid gerealiseerd worden. Hierdoor staan de auto’s verdekt buiten de zichtlijnen en tegenover het grote parkeerterrein van het naastgelegen Pagina 8
Bestemmingsplan Achtersloot 122
huis. Aan de zuidzijde wordt het zicht op de auto’s weggenomen door groen. De asbest daken op de beide schuren zullen vervangen worden. Op de nieuwe daken komen zonnepanelen die de stalwoning energieneutraal maken. Tevens kan de opgewekte energie gebruikt worden voor het opladen van een elektrische auto. 1.5.2
Architectonische uitwerking
Voor de verbouwing van de huisstal in een duurzame Nul-op-de-meter woning is door BYTR architecten een ontwerp gemaakt.
Gevel oostzijde
Gevel zuidzijde
Pagina 9
Bestemmingsplan Achtersloot 122
1.5.3
Duurzaamheidsmaatregelen
De huisstal aan de Achtersloot 122 te IJsselstein wordt duurzaam gerenoveerd. De energievraag die nodig is voor verwarming en warmwater, ventilatie en verlichting zal zeer laag zijn. De woning gaat alleen gebruik maken van elektriciteit en zal dus niet aangesloten worden op aardgas. Bouwkundige maatregelen De geheel te renoveren gebouwschil zal een zeer goede thermische kwaliteit krijgen. Daarmee wordt deze woning geschikt voor het gebruik van energiezuinige installaties met een goed comfort. Het schuine dak krijgt nieuwe dakplaten voorzien van isolatie met een Rc-waarde van 6. De bestaande dakpannen worden zoveel mogelijk hergebruikt. De oude stalvloer gaat vervangen worden door een nieuwe geïsoleerde betonnen vloer met een Rc-waarde van 3,5. Deze vloer dient tevens als vloerverwarming. De gevel krijgt aan de binnenzijde een nieuwe geïsoleerde voorzetwand met een Rc-waarde van 4,5. Alle raamkozijnen worden vernieuwd en voorzien van beglazing (U<1,1) en deuren (U<2). De uitgekiende positionering van de ramen behoudt het oorspronkelijke karakter van de woning terwijl het tevens optimaal de zon benut voor het binnenklimaat en daglichttoetreding. Naden en kieren worden gedicht. Installatie maatregelen De verwarmingsinstallatie en het ventilatiesysteem zijn samengesteld voor een goed comfort in deze woning. Verwarming en warmwater wordt verzorgd door een elektrische warmtepomp.
In de woning is een lage temperatuur verwarming aangebracht bestaande uit vloerverwarming en convectoren. Het binnenklimaat wordt goed en energiezuinig geventileerd door een mix van vraaggestuurde ventilatie op de bovenverdiepingen en een balanssysteem met warmteterugwinning in de leefvertrekken op de begane grond. Circa 40 zonnepanelen produceren jaarlijks evenveel elektriciteit als nodig is voor de gehele woning en het huishouden. Nul-op-de-meter De energievraag in deze grote woning is met een verwacht gebruik van 4500 kWh voor verwarming, warmwater, ventilatie en koken zeer laag. De helft van de zonnepanelen (20 stuks) is voldoende om het jaarlijks benodigde elektriciteitsverbruik op een duurzame wijze op te wekken. De andere helft van de zonnepanelen is bestemd voor het overige huishoudelijke verbruik. Daarmee wordt de woning en het huishouden energieneutraal.
Pagina 10
Bestemmingsplan Achtersloot 122
2 Beleidsmatige onderbouwing Inleiding Op basis van de Wet ruimtelijke ordening wordt er onderscheidt gemaakt tussen beleid en normstelling (juridische verankering). Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. Normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat concrete beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Momenteel is de Omgevingswet in voorbereiding. Deze wet bundelt veel ruimtelijke wetgeving in één wet. Deze wet zal naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treden. Voorliggend plan wordt op basis van de huidige wet ingediend en afgerond. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het geldende beleidskader dat relevant is voor het plangebied. Paragraaf 2.2 belicht het rijksbeleid. Het provinciaal/regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 2.3 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 2.4.
Rijksbeleid 2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR is de opvolger van de Nota Ruimte en de Nota mobiliteit. Het Rijk kiest daarin een aantal doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voorts benoemt het Rijk 13 nationale belangen. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) wordt ook de samenhang met decentrale belangen en regionale opgaven besproken. Planspecifiek Voorliggend plan is op basis van de SVIR in de stedelijke regio met topsectoren, de ‘Noordvleugel’, gelegen.
Het gaat om de topsectoren: HSL/ICE knooppunt, vestigingsplaats +500 MW elektriciteitsvoorziening en binnenhaven van nationale betekenis. Voorts wordt voor de Noordvleugel aangegeven dat het voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren nodig is om te beschikken over een voldoende voorraad (kwalitatief en kwantitatief) woningen, bedrijventerreinen, kantoren en andere voorzieningen. Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. Het plan draagt, zij het zeer bescheiden op noordvleugelniveau, bij aan de kwaliteit van het woonmilieu en daarmee aan de aantrekkelijkheid van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio. Het plan dat kwalitatief ingepast is in het landelijk gebied draagt, zij het zeer beperkt, bij aan de doelstelling van de Noordvleugel en daarmee de SVIR.
Pagina 11
Bestemmingsplan Achtersloot 122
2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 2011) Om uitvoering te geven aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, is op 30 december 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Hierin staat een aantal projecten beschreven die van Rijksbelang zijn en waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het vaststellen van bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen. De projecten zijn exact ingekaderd en voorzien van regels, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het betreft de onderstaande projecten: • • • • • • • • • • • • • • •
Mainport ontwikkeling Rotterdam Kustfundament Grote rivieren Waddenzee en Waddengebied Defensie Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Rijksvaarwegen Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening Ecologische hoofdstructuur Primaire waterkeringen buiten het kustfundament IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) Veiligheid rond rijksvaarwegen Verstedelijking in het IJsselmeer Toekomstige rivierverruiming van de Maastakken
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6) Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. De gebruiker wordt geholpen om de meest duurzame ruimte te vinden voor verstedelijking buiten het (bestaand) stedelijk gebied. Het (potentiële) aanbod aan modaliteiten is sturend. De beantwoording van twee vragen staat centraal: 1.
Welke plekken zijn of worden op korte termijn multimodaal ontsloten op een wijze die past bij de schaal van de ontwikkeling? 2. Wat is een optimale afstemming tussen de resterende regionale vraag en het aanbod aan passende (in potentie) multimodaal ontsloten of op korte termijn te ontsluiten locaties? Het antwoord op deze vragen is het eindresultaat van de toepassing van de ladder: zicht op (in potentie) multimodale locaties die passen bij de schaal en de omvang van de ontwikkeling.
Pagina 12
Bestemmingsplan Achtersloot 122
Planspecifiek Door het nationale karakter van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft dit bestemmingsplan zeer beperkt raakvlak met dit nationale juridische kader. Het plangebied is niet gelegen in een van de projecten. De ladder duurzame verstedelijking dient te worden toegepast voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Een stedelijke ontwikkeling wordt in het Besluit ruimtelijke ordening gedefinieerd als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Op grond van de jurisprudentie (AbRvS 16 september 2015, nr. 201501297/1/R4) wordt de bouw van 11 woningen in de bebouwde kom niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. In dit geval neemt het woningaantal met 1 toe. De ladder is in dit geval derhalve niet van toepassing. Er kan daardoor geconcludeerd worden dat onderhavige plan niet in strijd is met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
Provinciaal beleid 2.3.1 Provinciaal ruimtelijke structuurvisie 2013 - 2028 De Provinciaal Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is op 5 maart 2013 vastgesteld door de Provinciale Staten (PS). De Provinciaal Ruimtelijke Structuurvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. In de structuurvisie staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Elke vier jaar wordt de Structuurvisie opnieuw bekeken en eventueel aangepast. Dit proces wordt herijken genoemd. Op 12 december 2016 is door PS een herijkte versie van de Structuurvisie van 4 februari 2013 vastgesteld: de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016). Bij de PRS is een Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (herijking 2016) (PRV) gemaakt. De verordening zorgt voor de doorwerking van de structuurvisie naar de gemeenten. De ambitie is dat de provincie Utrecht aantrekkelijk blijft om te wonen, werken en recreëren. De met vele regiopartijen opgestelde Strategie Utrecht2040 is daarbij de stip aan de horizon. Het ruimtelijk beleidsvizier is daar op gericht.
De doelen uit Strategie Utrecht2040 vragen om een integrale aanpak die voor het ruimtelijk beleid resulteert in drie pijlers: • een duurzame leefomgeving • vitale dorpen en steden • landelijk gebied met kwaliteit Deze pijlers leiden tot de volgende twee belangrijkste beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats: Accent op de binnenstedelijke opgave Het is de ambitie om ten minste 2/3 van de woningbouwopgave binnenstedelijk te realiseren. Dit sluit aan bij de vraag, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave. Behoud en versterken kwaliteit landelijk gebied Utrecht heeft een aantrekkelijk landelijk gebied. Deze kwaliteit moet behouden blijven en versterkt worden, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De binnenstedelijke opgave vraagt als contramal ook om een aantrekkelijk en bereikbaar landelijk gebied met hoge kwaliteit van landschap, natuur en recreatieve voorzieningen. De zware terugval van financiële middelen voor natuur en recreatie om de stad wordt onder andere opvangen door rood-voor-groenconstructies mogelijk te maken.
De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische Pagina 13
Bestemmingsplan Achtersloot 122
landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. De landbouw is een belangrijke drager van het agrarische cultuurlandschap. Die rol vergt ruimte voor een economisch duurzame landbouw. De aanwezigheid van zo’n 1,2 miljoen inwoners biedt afzetmogelijkheden voor de producten die dit oplevert. Bij dit alles is het kunnen beleven van rust en ruimte van belang. Ruimtelijke kwaliteit In het ruimtelijke beleid van de provincie Utrecht heeft ruimtelijke kwaliteit een centrale plek, blijkt uit paragraaf 3.4 van de PRS. Volgens de provincie Utrecht heeft ruimtelijke kwaliteit betrekking op zowel het behoud van het bestaande als het creëren van nieuwe kwaliteit. De afweging of een ruimtelijke ontwikkeling een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit legt de provincie Utrecht bij de gemeenten. De provincie Utrecht heeft in haar beleid wel geprobeerd aan te geven waar het voor haar om gaat bij ruimtelijke kwaliteit. Zij vinden bij ruimtelijke kwaliteit de volgende thema’s belangrijk: •
•
• • •
behouden van bestaande kwaliteiten en het versterken ervan. Dit geldt zowel op het schaalniveau van de gebiedskenmerken als op dat van samenhangende ensembles, bijvoorbeeld landgoederenzones, linies en historische stads- en dorpsgezichten als ook de diversiteit van bebouwing en functies in het stedelijk gebied; samenhang en continuïteit herstellen, ontbrekende schakels toevoegen, versnipperde onderdelen samenvoegen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het herstellen van landschappelijke samenhang in en tussen gebieden, het verbinden van natuurgebieden en het creëren van goede stad-land-verbindingen; diversiteit vergroten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de functiemenging in het stedelijk gebied, woningdifferentiatie en het recreatieaanbod en de natuurgebieden; robuustheid vergroten. De kwaliteit van recreatievoorzieningen en van natuurgebieden kan toenemen door de robuustheid te vergroten; beleefbaar en toegankelijk maken. Mooie wijken en landschappen en cultuurhistorische objecten winnen aan waarde als ze te bewonderen zijn.
Landschap Het plangebied ligt in het Utrechtse deel van het Groene Hart. Dit deel heeft een divers landschap. Rust en open weidegebieden vormen haar essentie. Maar het Groene Hart biedt van oudsher ook zones waar dynamiek de overhand heeft. Hier hebben oude economische dragers en transportassen - vooral rivieren en hun oevers - vaak moderne opvolgers gekregen, in de vorm van (rijks-)wegen, spoorlijnen en kanalen. Deze hebben op hun beurt weer nieuwe impulsen gegeven aan wonen en werken. De aanleg van buitenplaatsen heeft geleid tot het ontstaan van landschappen met monumentale bebouwing en oude parkbossen, die vooral intiem en besloten zijn. Intimiteit en beslotenheid zijn ook kernbegrippen voor grote delen van het petgatenlandschap en de randen van plassen. Het Groene Hart ontleent zijn waarden en bestaansrecht mede aan het contrast met en belang voor de grote stedelijke agglomeraties er om heen. Economische dynamiek, infrastructuur, de interactie met het stedelijk gebied en de voor de bewoners van de grote steden zo belangrijke recreatiegebieden betekenen dat niet alleen rust, maar ook reuring van nature bij delen van het Groene Hart hoort. Het Utrechtse deel van het Groene Hart kent vaak eeuwenoude overgangen tussen landschappen. Deze zijn soms scherp, soms diffuus.
Minstens zo belangrijk zijn de hedendaagse overgangen tussen stad en land en de manieren waarop snelwegen en de (groene) omgeving met elkaar ademen. Het Groene Hart is te verdelen in twee typen landschappen: “zones” en “velden”. De zones worden als volgt beschreven:
Pagina 14
Bestemmingsplan Achtersloot 122
zones (rivierlinten, oude stroomruggen, Lekzone): Lineaire landschappen met een meanderende rivier als basis. Rond de rivier heeft zich een beschut en intiem landschap ontwikkeld, met een mozaïek van gemengd grondgebruik, hoge bomen en bosschages, linten langs slingerende wegen en af en toe een dorp of stadje aan de rivier. De rivieren vormden van oudsher de grote transportaders door het landschap. Deze functie is veelvuldig uitgebouwd met moderne grootschalige infrastructuur (wegen, spoor, etc.), parallel aan de rivier. Van oudsher kennen de stroomruggen(relatief) meer dynamiek. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. Het plan ligt in het landelijk gebied zoals aangeduid in de structuurvisie. Een belangrijk uitgangspunt is dat het plan landschappelijk goed ingepast is. Voor het plan is een inrichtingsplan gemaakt om te kunnen voldoen aan de zorgvuldige inpassing. In paragraaf 1.5.1 is het inrichtingsplan beschreven. Voorliggend plan sluit aan op het principe van de structuurvisie. In de provinciale verordening, toegelicht in de volgende paragraaf, zijn de meer harde eisen volgend uit het beleid van de structuurvisie opgenomen.
Tussen de ontwerpfase en de vaststelling van voorliggend plan is de nodige tijd verstrekken. Onlangs is op 10 maart 2021 de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht vastgesteld. Er heeft na de ontwerpfase een scan plaatsgevonden of er geen grote strijdigheden met het nieuwe beleid ontstaat. In de provinciale verordening is de planlocatie aangewezen als bebouwingsenclaves en -linten (art 9.5) kernrandzone (art. 9.8). Beide artikelen schrijven voor dat verstedelijking gepaard moet gaan met het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit. Dit komt overeen met het voorgaande beleid en in paragraaf 1.5.1. is beschreven hoe hier invulling aan wordt gegeven. Het plan is in overeenstemming met het nieuwe provinciale beleid en dit beleid vormt ook geen extra randvoorwaarden voor het plan. 2.3.2 Provinciale Ruimtelijke verordening De provinciaal ruimtelijke verordening (PRV) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht. De PRV is in 2016 herijkt, in 2017 zijn er correcties doorgevoerd en in 2018 is een 2e partiële herziening vastgesteld. De verordening is een uitwerking van het ruimtelijk beleid uit de provinciale structuurvisie in toetsbare regels. De verordening stelt regels en voorwaarden waaraan de inhoud van (gemeentelijke) bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen moeten voldoen.
Inhoudelijk gaat de verordening onder andere in op het realiseren van stedelijke functies buiten de rode contour, het vrijkomen van agrarische bebouwing, regels over uitbreiding van bedrijventerreinen en glastuinbouw en natuur- en landschapsbescherming. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. De verordening maakt verstedelijking en daarmee nieuwe woningen in het landelijk gebied enkel onder voorwaarden mogelijk. Om te bepalen of het plan past binnen het provinciaal beleid is de digitale kaart van de provincie geraadpleegd. Hiernavolgend is voor de twee relevante thema’s die van toepassing zijn op het plangebied aangegeven of het plan aansluit op het provinciaal beleid of op welke wijze gemotiveerd afgeweken kan worden van het provinciale beleid. Het plan is gelegen in experimenteerruimte duurzame energie (artikel 3.12). Dit artikel stelt: 3.12 Duurzame energie, met uitzondering van windenergie Pagina 15
Bestemmingsplan Achtersloot 122
1. Als ‘duurzame energie, met uitzondering van windenergie’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML- bestand en is verbeeld op de kaart Duurzame energie. 2. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘duurzame energie, met uitzondering van windenergie’ kan bestemmingen en regels bevatten die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie toestaan, met uitzondering van windenergie, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast of beperkt, en b. voor bio-energie en zonne-energie geldt aanvullend dat vestiging in aansluiting op bestaande bebouwde agrarische bouwpercelen, hoofdinfrastructuur of stedelijke functies plaatsvindt, in overeenstemming met de schaal van de bebouwde omgeving, tenzij op een andere locatie een betere landschappelijke inpassing kan worden bereikt en c. de ontwikkelingen niet leiden tot onevenredige aantasting van landschappelijke kernkwaliteiten, natuurwaarden en de cultuurhistorische waarden. 3. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘duurzame energie, met uitzondering van windenergie’ bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing.
Voorliggend plan maakt als nieuwe ontwikkeling een Nul-op-de-meter woning mogelijk op een voormalig agrarisch bouwperceel. Het plan past daarmee binnen artikel 3.12 van de verordening. De vereiste landschappelijke inpassing is beschreven in paragraaf 1.5.1. In hoofdstuk 3 is toegelicht dat er geen belemmering van omliggende agrarische bedrijven optreed.
Uitsnede paragraaf Landelijk gebied De paragraaf landelijk gebied geeft de voorwaarden aan voor toename van verstedelijking, Het toevoegen van de Nul-op-de-meter woning betreft een vorm van verstedelijking. Hiernavolgend per relevant artikel een toelichting. 3.5 BEBOUWINGSENCLAVES EN -LINTEN 1. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landelijk gebied’ kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. gelijktijdig met de verstedelijking de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd, en 2. bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten, en 3. belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast.
Pagina 16
Bestemmingsplan Achtersloot 122
2. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landelijk gebied’ bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing. In artikel 3.5 wordt aangegeven dat verstedelijking is toegestaan in bebouwingslinten en enclaves. Een bebouwingslint betreft volgens de definitie van de verordening: ‘aaneengesloten bebouwing in een langgerekte vorm, waarvoor geen rode contour is opgenomen’ Voorliggend plangebied ligt aan de Achtersloot dat heel duidelijk onder deze definitie valt. Op basis van dit artikel is het toevoegen van een woning mogelijk. Er wordt voldaan aan de voorwaarden: De landschappelijke inpassing, zoals beschreven in paragraaf 1.5.1. toont aan dat er sprake is van een verhoging van de kwaliteit. De extra woning wordt gerealiseerd in een bestaande agrarische schuur. Er wordt derhalve niet buiten het bestaande lint gebouwd. In hoofdstuk 3 is aangetoond dat er geen belemmeringen voor omliggende bedrijven optreden. Het achterliggende terrein blijft open landschap en krijgt de bestemming Agrarisch met waarden – Landschap en cultuur Gelet op het bovenstaande wordt duidelijk dat het plan past binnen de provinciale ruimtelijke verordening.
Gemeentelijk beleid 2.4.1 Structuurvisie IJsselstein ‘Kwaliteit met Karakter’ De structuurvisie is vastgesteld in 2003. De visie zet in op versterking van kwaliteit en karakter van de stad. In de visie worden de lijnen uitgezet voor de ruimtelijke ontwikkeling tot circa 2020. De volgende doelstellingen zijn geformuleerd: a. versterking van de eigen identiteit van IJsselstein binnen de stadsregio als middelgrote dynamische stad met historisch karakter aan de Hollandsche IJssel als poort naar het Groene Hart; b. werken aan een duurzaam leefbare stad, met aandacht voor kwaliteit en een gedifferentieerd aanbod van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen, met respect voor landshap en natuur en een duidelijke plaats voor water; c. benutten van de potenties van de Hollandse IJssel voor wonen, recreatie en natuur. Voor het landelijk gebied is een onderscheid aangebracht tussen de gebiedsdelen noord en zuid. Voor het noordelijk deel zijn de ambities: a. Groene recreatieve inrichting van het gebied ten noordoosten van de Hollandsche IJssel; Groot groengebied; b. Overwegend duurzaam gebruik voor het gebied Achtersloot en IJsseldijk – Zuid; c. Afrondende bebouwing in de omgeving van de Broeksdijk Voor het zuidelijk deel richt de ambitie zich op een duurzame parkachtige (her)inrichting met groene, blauwe en rode functies (groen woonlandschap), in combinatie met natuurontwikkeling.
Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. Het plan sluit aan op de ambitie van de structuurvisie omdat de toegevoegde Nul-op-de-meter woning een duurzaam invulling is van wonen aan de Achtersloot. Daarnaast past het plan in de algemene doelstelling van een leefbare stad met aandacht voor kwaliteit, zie hiervoor o.a. het inrichtingsplan in paragraaf 1.5.1, en het draagt bij aan een gedifferentieerd aanbod van woningen. Pagina 17
Bestemmingsplan Achtersloot 122
2.4.2 De Toekomstvisie 2025: IJsselstein Dichtbij De Toekomstvisie 2025: IJsselstein Dichtbij is op 21 januari 2010 vastgesteld. Deze visie is opgesteld om richting te kunnen geven aan het keerpunt in de geschiedenis waarin de gemeente IJsselstein zich bevind. Na jaren van planmatige en fysieke groei, heeft IJsselstein een omvang en regionale verzorgingsfunctie bereikt die een voldoende basis is om op voort te borduren en kwalitatief verder uit te werken. Deze richting vertaald zich in een viertal doelen die voor IJsselstein Dichtbij 2025 zijn geformuleerd: a. Een vitale samenleving van bewoners en ondernemers: dit doel heeft betrekking op de verbondenheid van IJsselsteiners met elkaar. De gemeente wilt deze kwaliteit van de stad behouden omdat het zorgt voor een gezonde samenleving. b. Herkenbare historische en ruimtelijke structuren: de gemeente IJsselstein wilt de kenmerkende historie van de stad en het groene buitengebied voor 2025 verder versterken. De gemeente richt zich daarbij op versterking van de ruimtelijke structuur waarbij de historie en het groen meer tot uitdrukking komen als beeldbepalend voor de stad. c. Dichtbij groen en de stedelijke omgeving: de bevolking van de gemeente IJsselstein is sterk gericht op het groene gebied de Lopikerwaard. IJsselstein hoort vooral bij het Groene Hart en samenwerking met nabije gemeenten is hierbij belangrijk.
Door deze samenwerking liggen er kansen om meerwaarde te creëren in het regionale voorzieningenaanbod. d. Een duurzame samenleving en duurzame omgeving: in 2025 wil de gemeente IJsselstein koploper zijn als het gaat om duurzaamheid. De gemeente geeft op drie manieren invulling aan het begrip duurzaamheid. Het krijgt een plek in het sociale beleid, de fysieke inrichting van de stad en de lokale economie. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. Het plan sluit geheel aan op de toekomstvisie. Door het behoud van de bestaande boerderij en de schuren blijft het agrarische karakter van de Achtersloot behouden. De Nul-op-de-meter woning draagt bij aan de ambitie van de gemeente om koploper te worden op het gebied van duurzaamheid. 2.4.3 Groenstructuurplan IJsselstein Het Groenstructuurplan IJsselstein is een actualisatie van het plan uit 1996 en is in september 2009 vastgesteld. Deze actualisatie geeft vorm aan het beleidskader en de planningsrichting voor het openbare groen. Het groenstructuurplan is een visiedocument en levert de randvoorwaarden en uitgangspunten voor de beleids- en beheerplannen voor alle groene deelproducten.
Het plan geeft richting aan de belangenafwegingen ten opzicht van andere ruimtelijke claims. Enerzijds bestaat het groenstructuurplan uit voorstellen voor de inrichting, anderzijds zijn er de groenstructuren in aangegeven. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. In het groenstructuurplan wordt aangegeven dat een open zichtrelatie behouden moet blijven vanuit de kern IJsselstein met het buitengebied ter plaatste van de Achtersloot en ook meer oostelijk vanuit de Leeuwenbrug en Gunterstein. Voorliggend plan betreft geen nieuwe bebouwing en of objecten die de zichtrelatie verstoren. Er is dan ook geen strijdigheid met het groenstructuurplan.
Pagina 18
Bestemmingsplan Achtersloot 122
3 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging optreedt, en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd blijft.
Milieueffectrapportage (m.e.r.) 3.1.1 Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit-m.e.r. gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een MER moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor m.e.r.-plichtige activiteiten, zijn getalsmatige grenzen uit het Besluit-m.e.r. niet meer 'hard', maar hebben deze meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een plan-m.e.r. moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project)m.e.r.
noodzakelijk is; de activiteiten in het bestemmingsplan mogelijk leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een (projectof besluit)-m.e.r. betreft een besluit op grond waarvan geen nader Besluit-m.e.r. of (beoordelings)plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer-(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit-m.e.r. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (plan-m.e.r.). In geval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij. Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële m.e.r.beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn.
3.1.2 Planspecifiek Voorliggend plan betreft geen activiteit zoals benoemt in het Besluit-m.e.r. (Bijlage C en D). Dit betekent dat er geen sprake is van een m.e.r.-plicht en dat geen vormvrije m.e.r. beoordeling noodzakelijk is. Voor onderliggend plan kan voor de milieugevolgen op basis van de in dit hoofdstuk behandelde milieuaspecten geoordeeld worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Pagina 19
Bestemmingsplan Achtersloot 122
Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Er dient dus beoordeeld te worden: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Voor deze afstanden in de brochure geldt dat naast de factoren aard en omvang van het bedrijf deze mede afhankelijk zijn van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden.
Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. In de nabijheid van het plangebied is één perceel met een bedrijfsbestemming. Het betreft Achtersloot 37 aan de overzijde van de weg met de agrarische bestemming. Op het perceel is een veeteeltbedrijf toegestaan. De locatie is momenteel in gebruik als veeteeltbedrijf. In de huidige situatie zijn direct ten noorden en zuiden van Achtersloot 37 woningen gelegen. Deze woningen liggen dichterbij Achtersloot 37 dan onderhavig plangebied. Daarnaast is in de bestaande situatie de woning van Achtersloot 122 reeds als bedrijfswoning van derden aan te merken. In de bestaande situatie zijn er dus reeds gevoelige bestemmingen aanwezig die de bedrijfsmogelijkheden van het veeteelt bedrijf beperken. De toevoeging van een extra woning op het perceel van 122 vormt daarmee geen extra belemmering voor de bedrijvigheid in de omgeving. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan.
Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudentie gelden aanvullende onderzoekverplichtingen. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. Om te bepalen of aan geluidsnormen volgens de Wet geluidhinder en de normen op basis van een goede ruimtelijke ordening voldaan kunnen worden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. De conclusie van het onderzoek luidt’ De geluidbelasting op de voorgevel van een nieuw te realiseren woning in de huidige stal aan de Achtersloot 122 bedraagt ten gevolge van het wegverkeer op deze Pagina 20
Bestemmingsplan Achtersloot 122
weg maximaal Lden=47 dB. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai, deze is 48 dB, wordt voor deze woning niet overschreden. De geluidbelasting op de voorgevel van de bedrijfswoning, te bestemmen tot burgerwoning, bedraagt Lden=50 dB. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai met 2 dB overschreden, de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn financieel te kostbaar gezien het feit dat het slechts om één woning gaat. B&W van IJsselstein dient een Hogere waardeprocedure te doorlopen. De te verlenen Hogere waarde bedraagt 50 dB.’ Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
Ecologie In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan nadelige effecten kan hebben voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of vernietiging van beschermde soorten of hun leefgebied kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen dan wel gecompenseerd wordt. Planspecifiek soortenbescherming Om te bepalen of er als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen beschermde soorten in het geding zijn is een ecologische rapportage opgesteld door Eco-line, zie bijlage 2. Eco-line heeft een veldinspectie uitgevoerd mede omdat op de locatie een bezette uilenkast aanwezig is. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Er zijn geen dieren aangetroffen die bijzondere aandacht verdienen in verband met de verbouwingsplannen. Mits er geen ingrijpende verandering in de directe omgeving, erfbeplanting en dergelijke plaatsvindt, zal er geen verstorend effect van de plannen zijn op de aanwezige uilen.’ Gebiedsbescherming Om te bepalen of het plan nadelige invloeden heeft op nabijgelegen beschermde gebieden is de site van het ministerie van economische zaken http://www.synbiosys.alterra.nl/ geraadpleegd. In de directe omgeving zijn geen Nature 2000 gebieden gelegen.
Ten oosten en westen zijn wel EHS gebieden gelegen.
Luchtfoto met EHS gebieden in de omgeving, plangebied nabij pijl (://www.synbiosys.alterra.nl/) Pagina 21
Bestemmingsplan Achtersloot 122
De afstand tot deze gebieden bedraagt minimaal 500 meter. Omdat het plan het toevoegen van de woonfunctie binnen de bestaande bebouwing betreft kan geconcludeerd worden dat geen nadelige effecten te verwachten zijn op de ecologische waarden van de beschermde gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
Bodem Het is wettelijk geregeld in de Wet Bodembescherming (Wbb) en de bouwverordening dat bouw en gebruik van gronden pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nul-op-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. Dit houdt in dat onderzocht dient te worden of de ondergrond geschikt is voor het beoogd gebruik. Om de geschiktheid te bepalen is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie van het bodemonderzoek luidt: ‘Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘verdachte locatie’ (strikt genomen) aangenomen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater.
De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.’ Gezien deze conclusie is het aspect bodem geen belemmering voor onderhavig plan.
Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen, (Titel 5.2. Wet Milieubeheer, (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk)). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) langs wegen van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel: grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit
Grenswaarde 40 µg / m³ 200 µg / m³
Geldig sinds 2015
40 µg / m³ 50 µg / m³
vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011
25 µg / m³
Sinds 2015
In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Pagina 22
Bestemmingsplan Achtersloot 122
In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. Voorliggend plan betreft het wijzigen van de bestemming van een agrarische bouwperceel naar de woonbestemming en het toevoegen van een Nulop-de-meter woning in een voormalige agrarische schuur. De ontwikkeling blijft ruim onder de NIBMnorm en nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Aanvullend is bepaald wat de huidige luchtkwaliteit is in en nabij het plangebied. Hiervoor is de website luchtmeetnet.nl geraadpleegd. Navolgende afbeeldingen tonen de meetresultaten ten aanzien van fijnstof en stikstofdioxide in 2016.
Uitsnede fijnstofkaart met globale planbegrenzing 2015 (bron: site:luchtmeetnet.nl)
Uitsnede stikstofkaart met plangebied nabij pijl (bron: site:luchtmeetnet.nl) De fijnstofkaart toont dat in het plangebied een concentratie van fijnstof tussen de 20-25 µg/m³ aanwezig is. De stikstofkaart toont dat in het plangebied een concentratie van stikstof tussen de 15-20 µg/m³ aanwezig is. Beide waarden blijven ruim onder de grenswaarden.
Pagina 23
Bestemmingsplan Achtersloot 122
Geconcludeerd kan worden dat de bestaande en toekomstige luchtkwaliteit voldoende is. Het plan blijft onder het NIBM-criterium. Tevens zal het beëindigen van de agrarische activiteiten en het omzetten naar de functie ‘wonen’ leiden tot minder vervoersbewegingen en daardoor tot een verbetering voor wat betreft de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. • Elektromagnetische straling Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.