Beantwoording art 35 vragen VVD - GR-vorming regio (RBL)
Tekst van het document
postadres Postbus 26, 3400 AA IJsselstein
bezoekadres Overtoom 1 3401 BK IJsselstein
Gemeenteraad IJsselstein Postbus 26 3400 AA IJSSELSTEIN
t 14 030 f 030 6884350 e info@ijsselstein.nl
betreft
Beantwoording schriftelijke vragen op grond van artikel 35 GR-vorming regio (RBL) .
uw kenmerk uw brief van behandeld door
zaaknummer
305114
datum
5 november 2025
blad 1 van 4 bijlagen
Lisa Kaarls
Geachte raadsleden, Op 3 oktober 2025 heeft raadslid de heer Nagtegaal van de VVD-fractie schriftelijke raadsvragen gesteld op grond van artikel 35 van het “Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente IJsselstein 2017”. Deze vragen gaan over GR-vorming regio (RBL) .
Met vriendelijke groet, Het college van IJsselstein,
Wilma van de Werken secretaris
Ester Weststeijn burgemeester
De gemeente IJsselstein gebruikt uw persoonsgegevens uitsluitend voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. Voor meer informatie daarover verwijzen wij u naar www.ijsselstein.nl/privacy.
Bankrelatie BNG NL79BNGH028.50.09.958 Bankrelatie RABO NL83RABO0320.72.82.85
datum ons kenmerk blad 2 van
5 november 2025 305114 4
Beantwoording schriftelijke vragen op grond van artikel 35 d.d. 03-10-2025 door raadslid de heer Nagtegaal van de VVD-fractie over GR-vorming regio (RBL) . Inleiding Naar aanleiding van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg wordt IJsselstein verplicht om mee te gaan in een Gemeenschappelijke regeling voor specialistische jeugdzorg. In de Nota Verbonden Partijen is opgenomen dat er op natuurlijke momenten beoordeeld wordt of het doel van de huidige samenwerking binnen de regio nog steeds het best gerealiseerd kan worden in de huidige samenwerkingsvorm. De omzetting van de huidige netwerksamenwerking in het sociaal domein in een centrumregeling, beschouwt het College als een natuurlijk moment. Daarom hebben wij onderzoek gedaan naar de wijze waarop wij onze doelstellingen het best kunnen realiseren. Dit onderzoek en onze conclusie hebben wij met u gedeeld.
Vraag 1: Waarom is het college van mening dat meer beleidsvrijheid op het gebied van inkoop nodig is? ➔ Antwoord vraag 1: Naar aanleiding van het onderzoek is het college van mening dat meer beleidsvrijheid op het gebied van de inkoop van Wmo ervoor zorgt dat we o.a. zorg dichtbij huis, kwalitatief en lokaal kunnen organiseren. In IJsselstein bestaat de ondersteuning van Wmo uit voornamelijk lokale, niet-specialistische diensten (b.v. huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, woningaanpassingen en verstrekken van hulpmiddelen). Kwaliteit staat hierbij voorop. Wij hebben geconcludeerd een andere visie te hebben dan de andere gemeenten op de inkoop, contractmanagement en toezicht van Wmo. Een voorbeeld is dat wij voor huishoudelijke ondersteuning willen werken met een klein aantal partners, die ieder een deel van IJsselstein verzorgen. De toezicht op kwaliteit wordt beter en de administratieve lasten en reiskosten kunnen beperkt worden. Daarnaast zijn we voornemens om woningaanpassingen door lokale, betrouwbare aannemers te laten uitvoeren. Deze voorbeelden geven een ‘couleur locale’ aan die wij in IJsselstein willen behouden en daardoor niet passend is in de voorgestelde centrumregeling.
Vraag 2: Waarom is het nodig om meer grip op contractmanagement en toezicht op Wmo leveranciers te hebben? ➔ Antwoord vraag 2: Goed contractmanagement en toezicht is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de kwaliteit conform afspraak geleverd wordt en er niet meer gefactureerd wordt dan overeengekomen is. Hierdoor houden we grip op het contractmanagement en kunnen we beter sturen op Wmo leveranciers. Wij geloven dat contractmanagement en toezicht op lokale schaal tot veel betere resultaten leidt. Het aantal contractpartijen is namelijk veel kleiner en er is geen fysieke afstand tussen uitvoering en contractmanagement. Een voorbeeld is een recente casus met een zorgaanbieder. In deze casus zijn onregelmatigheden in facturatie niet geconstateerd en is de slechte financiële situatie van deze zorgaanbieder, mede door het grote aantal aanbieders, ontgaan. Het voorbeeld geeft aan dat wanneer het contractmanagement ‘verder weg’ georganiseerd wordt, de gemeente minder grip heeft en hierdoor deze casus kan ontstaan.
datum ons kenmerk blad 3 van
5 november 2025 305114 4
Vraag 3: Als dit allebei nodig is, waarom is het college dan niet eerder met voorstellen, brieven of mededelingen daarover naar de raad gekomen? ➔ Antwoord vraag 3: Omdat deze samenwerking regionaal georganiseerd is, hebben we eerst geprobeerd dit binnen het huidige samenwerkingsverband Lekstroom te agenderen. Dat is, naar de mening van IJsselstein, onvoldoende gebeurd. Daarom gebruiken we dit moment om de afweging opnieuw te maken: meegaan in de Gemeenschappelijke Regeling voor zowel Jeugd als Wmo (het uitgangspunt van de rest van de regio) of dit moment aangrijpen en onderzoeken of wij dit ook wenselijk achten, of dit in lijn ligt met de landelijke politieke richting en of dat wij een andere vorm beter passend vinden. Vraag 4: Waarom concludeert het college dat het risico op een lagere inkoopkracht, en de daaropvolgende kwetsbaarheid, laag genoeg is om scenario 3 als voorkeur te hebben? ➔ Antwoord vraag 4: Wij organiseren als zelfstandige gemeente al Wmo contracten lokaal in plaats van regionaal. We hebben dus al aangetoond dat het mogelijk is om als zelfstandige gemeente zelf de inkoop van Wmo te organiseren en dit op een correcte wijze te doen. De kwetsbaarheid en het risico is dus lager omdat het over een relatief aantal kleine contracten gaat die goed zelf te organiseren zijn.
Deze Wmo contracten en/of producten zijn relatief eenvoudig met meer potentiële aanbieders en meer capaciteit in de markt. Dit is anders bij jeugdzorg.
Vraag 5: Waarom concludeert het college dat het risico op een niet-dekkend zorglandschap, lagere kwaliteit, minder keuzevrijheid of juist meer maatwerk, laag genoeg is om scenario 3 als voorkeur te hebben? ➔ Antwoord vraag 5: Het niet-dekkend zorglandschap en meer maatwerk zijn eventuele risico’s wanneer blijkt dat het vinden van de juiste Wmo-leveranciers lastig blijkt te zijn als zelfstandige gemeente. Echter heeft de ervaring wel geleerd dat het mogelijk is, aangezien we al een deel van de Wmo contracten lokaal organiseren. Deze Wmo-contracten en/of producten zijn relatief eenvoudig met meer potentiële aanbieders en meer capaciteit in de markt. Dit is anders bij jeugdzorg. De kwaliteit van de leveranciers/zorg wordt niet per definitie lager, die zou juist in theorie hoger moeten liggen omdat we meer grip en sturing hebben op de Wmo leveranciers en duidelijke afspraken kunnen maken tijdens het opstellen van een contract. Vraag 6: De raad en het college hebben meermaals uitgesproken dat minder maatwerk over de gehele linie, dus ook bij de Wmo, een wenselijk uitgangspunt is. Waarom kiest het college dan voor een scenario wat als risico meer maatwerk heeft? ➔ Antwoord vraag 6: Het college wenst inderdaad minder maatwerk over de gehele linie. Het zelf inkopen en organiseren van de ondersteuning van de Wmo betekent niet dat we meer maatwerk gaan toepassen.
De opmerking in het rapport over maatwerk heeft vooral betrekking op de Jeugdzorg.
datum ons kenmerk blad 4 van
5 november 2025 305114 4
Vraag 7: Waarom is directe aansturing van eigen backoffice medewerkers volgens het college nodig? ➔ Antwoord vraag 7: Als we kiezen voor scenario 3 is het gevolg dat we onze eigen backoffice-medewerkers aansturen. Dit hebben we in het rapport als voordeel benoemd omdat we dan zelf kunnen bepalen hoe we ons contractmanagement/toezicht inrichten. Vraag 8: Om scenario 3 op termijn goed te regelen, is een aanzienlijke tijdsinvestering nodig. Een risico van ditzelfde scenario is een hogere kwetsbaarheid door een kleine formatie voor backoffice taken. Waarom concludeert het college dat dit risico, in het licht van de aanzienlijke tijdsinvestering die nodig is, laag genoeg is om voor scenario 3 te kiezen? ➔ Antwoord vraag 8: Het organiseren van de inkoop van Wmo en het organiseren van het juiste personeel voor onze eigen organisatie kost tijd. We zullen dan ook vanaf vaststelling direct stappen zetten om te zorgen dat implementatie zo snel en soepel mogelijk kan verlopen. We sturen in overleg met gemeente Houten aan op januari 2028 zodat we ruim de tijd hebben om ons goed te goed organiseren. De kwetsbaarheid van een kleine formatie speelt ook op heel veel andere functies/domeinen. Hier gaan we mee om en moeten we scherp op blijven voor in de toekomst. We proberen de kwetsbaarheid al wel te verlagen door processen goed vast te leggen en vervanging binnen de teams goed te organiseren.
Vraag 9: Waarom acht het college democratische legitimering op specifiek dit gebied (inkoop, contractmanagement en toezicht) nodig? ➔ Antwoord vraag 9: Om te zorgen dat elke gemeente binnen de Gemeenschappelijke Regeling voldoende invloed heeft om zeggenschap te kunnen tonen op de verschillende onderdelen, is het van belang dat democratische legitimering gewaarborgd is. Dit is bij een Centrumregeling een nadeel omdat daar de grootste invloed door de centrumgemeente uitgeoefend kan worden. We zien echter in onze huidige samenwerkingsovereenkomst en dienstverleningsovereenkomst mogelijkheden om mee te bewegen naar een Centrumregeling. De risico’s van democratische legitimering zijn goed te overzien omdat veel is ondervangen in de Centrumregeling en daarbijhorende Dienstverleningsovereenkomst.
Vraag 10: Als dit nodig is, waarom is het college dan niet eerder met voorstellen, brieven of mededelingen daarover naar de raad gekomen? ➔ Antwoord vraag 10: Democratische legitimering is in de huidige samenwerkingsovereenkomst en dienstverleningsovereenkomst binnen Lekstroom niet aan de orde geweest. Dit is pas een vraagstuk geworden vanwege de omzetting van privaat naar publiekrechtelijke samenwerking vanwege het wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. De Eerste Kamer heeft officieel pas begin oktober 2025 ingestemd met dit wetsvoorstel.