CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

7.3 Lopik of Loopjij versie 05 02 2021

Commissie Bestuur 4 maart 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven4.718 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Lopik of Loopjij? Dit zeer belegen grapje met een baard van een overjarige hipster is misschien toch wel actueler dan gedacht. Lopen we zelf of loopt een ander voor ons. Anders gezegd; zijn we nog in staat om zelf te bepalen welke taken we uitvoeren en – nog belangrijker – hoe we ze uitvoeren? Of bepalen anderen dat voor ons en zijn we alleen maar volgend. In de afgelopen maanden heeft vooral de financiële situatie van de gemeente – terecht – heel veel aandacht gekregen. De noodzaak om tot een sluitende begroting te komen en daarnaast ook de winkel open te houden maakt dat er vooral reactief wordt gehandeld. Er wordt vooral heel hard gewerkt aan oplossingen en daardoor is er weinig of geen aandacht voor de oorzaak van het probleem. Daardoor ontstaat een vicieuze cirkel die lastig doorbroken kan worden. De tijd ontbreekt om strategische keuzes te maken omdat de problemen van vandaag nu om oplossingen vragen en niet kunnen wachten tot morgen.

Maar morgen zijn er weer nieuwe problemen terwijl de oude nog niet zijn opgelost. Als we de tijd stil hadden kunnen zetten in 2018 hadden we zo goed als zeker een sluitende begroting kunnen presenteren voor 2021. Echter de tijd staat verre van stil en de corona crisis heeft dat nog eens in een stroomversnelling gebracht. En daardoor lijkt het er steeds meer op dat we niet zelf lopen maar dat vooral anderen met ons lopen, of misschien wel een loopje met ons nemen. Om de eerder genoemde vicieuze cirkel te doorbreken is meer nodig dan een voortzetting van eerder gestarte processen. Het gaat er namelijk niet meer om of de gemeentewerf een dag meer of minder open is zoals een raadslid onlangs terecht opmerkte. En ook de afweging welk kwaliteitsniveau we gaan toepassen in de openbare ruimte gaat niet het verschil maken. Maar dit is wel de waan van de dag en hier over discussiëren is redelijk eenvoudig omdat het heel tastbaar is en we er ook allemaal een gevoel bij hebben en het zelfs kunnen visualiseren.

1

De echte vraag “zijn we (nog) in staat om de belangen van de inwoners goed te dienen” wordt wel gesteld maar zeker niet beantwoord. En om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst de vraag helder zijn. En voor een goed antwoord is het nodig dat er niet met meel in de mond wordt gepraat. Misschien zijn we de afgelopen tijd wel te veel blijven hangen in beeldspraak en mooie metaforen. Met scenario’s uitwerken is op zich niet zoveel mis mee maar ze hebben het gevaar in zich dat er met een meerkeuzeantwoord antwoord op een open vraag gegeven moet worden.

De vraag der vragen De vraag “zijn we (nog) in staat om de belangen van de inwoners goed te dienen” vergt verdieping voordat de vraag goed beantwoord kan worden. En het antwoord zal ook nooit een meerkeuzeantwoord kunnen zijn, er zijn meerdere antwoorden goed. Iedereen zal voor zichzelf een andere afweging maken en de vraag ook anders beantwoorden. En om tot een goede vraagverheldering te komen, is het soms nodig om de uitersten op te zoeken. In het antwoord kan de nuance worden aangebracht. Maar als de vraag al wordt genuanceerd zal het antwoord altijd vaag en nietszeggend blijven, het zal niet leiden tot het maken van keuzes. Om de vraag te verdiepen is het belangrijk om de definitie van het woord “dienen” in de vraag goed te formuleren. Is “goed dienen” dat inwoners eens in de 10 jaar een paspoort en/of rijbewijs af kunnen halen op een goed bereikbare plaats en op een moment dat het de inwoner uitkomt? Of is “goed dienen” dat zorgvragen snel en adequaat worden beantwoord. Of dat vergunningen snel en zorgvuldig worden verleend. Of dat inwoners hun ideeën kwijt kunnen in een ideeën-bus en dat het idee daarna wordt uitgevoerd. Dit zijn voorbeelden waar het vooral gaat over dienstverlening. De gemeente die dienstbaar is aan de samenleving in een faciliterende rol. Dit is voor inwoners en ondernemers ook de meest zichtbare rol van de gemeente.

Op verjaardagen wordt gesproken over het niveau van onderhoud van de openbare ruimte, over de snelheid/traagheid waarmee vergunningen worden verleend, enz. Op maar heel weinig verjaardagen zal gesproken worden over de vraag of de gemeente nadenkt over de invulling van beschermd wonen, de energietransitie anders dan “geen windmolens”, over de toekomst van de agrarische sector enz. Dat is ook logisch want ook de meeste inwoners zijn vooral bezig met het hier en nu en hun directe omgeving. Maar het is zeer de vraag of dat betekent dat een gemeente zich ook kan beperken tot alleen de opgaven van vandaag. Inwoners zijn uiteindelijk ook gediend met een visie van de gemeente op de lange(re) termijn. Inwoners en ondernemers mogen van de gemeente verwachten dat er nagedacht wordt over de vertaling van de landelijke opgaven naar een lokale invulling. En hoe meer taken er gedecentraliseerd worden, hoe groter deze opgave wordt. Dat geldt niet alleen voor het uitvoeren van die taken maar ook voor het ontwikkelen van beleid om die taken te kunnen uitvoeren.

2

En hier zit misschien wel de grote blinde vlek. Bij alle decentralisaties gaat de meeste aandacht uit naar het uitvoeren van de taak en gaat het vooral over het “wat”. Het “waarom” en “hoe” komt veel minder aan bod. Voor een groot deel is dat ook het gevolg van het feit dat bij de decentralisatie van rijksbeleid de landelijke overheid in ieder geval het “waarom” al heeft ingevuld en vaak het “hoe” ook al heeft voorgeschreven. Dat wil niet zeggen dat er helemaal geen ruimte is voor lokale afwegingen. De gedachte achter de decentralisaties is juist ook vaak dat de gemeente als eerste overheid dichter bij de inwoners staat en dit beter zou moeten kunnen invullen. In de praktijk echter slokt de uitvoering van het “wat” al zoveel capaciteit op dat gemeenten onvoldoende toekomen aan de “waarom” en “hoe” vraag. Om dit deels te ondervangen worden er veel – informele – samenwerkingsverbanden opgetuigd om zo met meerdere gemeenten de beleidslacune in te vullen. Groot nadeel hiervan is dat iedere gemeente capaciteit moet en/of wil leveren om de lokale belangen te borgen. Met als gevolg dat er in totaal heel veel capaciteit wordt besteed aan overleggen en het zoeken van consensus. Helaas leiden veel van dit soort samenwerkingen zelden tot echt samenwerken maar blijft het bij samenpraten.

Met als gevolg dat door de decentralisaties de gemeente de uitvoering van het “wat” wellicht goedkoper kan dan de rijksoverheid. Maar door de regionale decentralisatie van de invulling van de “waarom” en “hoe” vraag de totale maatschappelijke kosten fors toenemen. Een praktisch voorbeeld hiervan is de nog te effectueren decentralisatie van het beschermd wonen. Nu voert de stad Utrecht dat uit als regiogemeente en inmiddels blijkt dat de uitvoeringskosten 2,5% bedragen. De eerste financiële modellen in Lekstroom laten zien dat dit fors zal oplopen tot voor Lopik waarschijnlijk meer dan 50%. Dit is vooral een gevolg van het gegeven dat in Utrecht een relatief klein team exclusief voor deze taak verantwoordelijk is. En door de decentralisatie moet uit iedere gemeente een ambtenaar zich verdiepen in deze nieuwe taak inclusief opleidingen enz.

3

Een ander zeer belangrijk aspect van het “dienen” is de mate waarin de lokale democratie kan functioneren. Is er ruimte voor de gemeenteraad als volksvertegenwoordiging om de ambities te vertalen in acties om te komen tot resultaat. En is de organisatie in staat om de resultaten te meten en zo te bepalen of de inwoners inderdaad zijn gediend met de ingezette koers. In een relatief kleine organisatie dreigt vaak de focus alleen te liggen op de rechtmatigheid van de ingezette middelen en blijft de doelmatigheid onderbelicht. Ook is niet uit te sluiten dat de organisatie niet in balans is met de omvang van de wensen van het bestuur. Bestuur moet hier gelezen worden als algemeen bestuur – de gemeenteraad – en het dagelijks bestuur - het college. De uitvoering van de ambities van het bestuur zorgen voor (teveel) druk op de organisatie waardoor plannen niet tot uitvoer komen en daar zijn de inwoners en de ondernemers dan weer niet mee gediend.

Is er iets nieuws onder de zon De vraag is terecht of het voorgaande niet van alle tijden is en waarom de vraag over het dienen van de inwoners nu zoveel nadrukkelijker gesteld moet worden dan een paar jaar geleden. Hiervoor is wel een aantal ontwikkelingen te benoemen die het verklaarbaar maken. Als eerste natuurlijk de steeds verdergaande decentralisatie van Rijksbeleid. Dit gaat echt verder dan alleen de decentralisaties in het zorgdomein. De decentralisaties in het zorgdomein zijn in feite nog vooral decentralisaties van uitvoering geweest. Dat is met name complex door de efficiencykorting die gelijk is toegepast. Waar een misschien wel grotere opgave uit volgt zijn de echte beleidsdecentralisaties zoals de energietransitie, het ruimtelijke domein waar niet langer een verantwoordelijk ministerie voor is en het hele vraagstuk van klimaatadaptatie. Onder het mom van “dit moet vooral van onderaf komen” is ook de hele beleidsontwikkeling gedecentraliseerd. En helaas zijn ook hier de benodigde middelen in onvoldoende mate mee gedecentraliseerd. En dit wreekt zich het meest in de kleine (landelijke) gemeenten. Want anders dan bij eerdere decentralisaties is er niet altijd een verband tussen het aantal inwoners en de omvang van de taak. Sterker nog; in het ruimtelijk domein is die voor Lopik juist omgekeerd evenredig.

Door de grote omvang van het buitengebied vraagt bijvoorbeeld de energietransitie op dit moment misschien wel meer capaciteit van de organisatie dan van een gemeente als IJsselstein met relatief weinig buitengebied. En daarmee komen we weer op de kernvraag; zijn we in staat om de belangen van de inwoners goed te dienen door dit soort ontwikkelingen er in feite maar een beetje ‘bij te doen’. Door de decentralisaties van bovenaf verandert de verhouding tussen overheden onderling. Daarnaast verandert de verhouding tussen de gemeente en de samenleving. Inwoners willen meer invloed uitoefenen op hun eigen leefomgeving. Dit vraagt om een gemeente die faciliteert maar ook stimuleert. Dit vraagt andere competenties van zowel de politiek, bestuur als ambtelijke organisatie. En daarnaast blijft er ook altijd behoefte aan de klassieke overheidstaken. Inwoners willen meedenken over hun eigen leefomgeving maar willen dat de gemeente handhaaft als de buurman iets doet waar men last van heeft. Het is maar de vraag of 4

het haalbaar is om alle deze competenties in de verschillende taakvelden te organiseren in een kleine organisatie. In de huidige situatie is de omvang van de werkvoorraad van een individuele werknemer bepalender voor wie een casus oppakt dan de competenties van die zelfde medewerker. Daardoor is het lang niet altijd mogelijk om de organisatie maximaal te laten “dienen”, maar moeten er concessies worden gedaan. Een andere ontwikkeling waar we als Lopik nauwelijks invloed op hebben, is de steeds verder gaande digitalisering. Dit gaat al lang niet meer alleen over het digitale werken in het gemeentehuis. Een goed zaaksysteem is uiteraard belangrijk maar maakt niet het verschil. Het gaat tegenwoordig steeds meer over de vraag of de organisatie in staat is data-analyse toe te passen door slimme verbindingen te maken. Het gebruik van data kan enorm helpen bij beleidsontwikkeling en het maken van keuzes. Een goede beleidsevaluatie is door slimme dataanalyse enorm veel sneller uit te voeren dan door een beleidsambtenaar. Maar data zelf is niet de oplossing, het gaat om het toepasbaar maken van data. Daar zijn heel andere competenties voor nodig dan in de huidige analoge situatie. Doordat het gebruik van ICT-systemen gewild en ongewild enorm zal blijven toenemen, neemt ook het belang van informatieveiligheid enorm toe.

Ook dit is een ontwikkeling die niet evenredig meeschaalt met het aantal inwoners. Doordat er altijd een bepaald basisniveau gehaald moet worden, is het aantal uren per inwoner dat hieraan besteed wordt hoger dan in een grote organisatie. De procesaudit voor het verstrekken van paspoorten e.d. is in Lopik niet anders dan in Nieuwegein. Alleen het aantal paspoorten waarover deze kosten kunnen worden uitgesmeerd is in Nieuwegein wel veel groter. Uiteraard is het een keuze om hier het absolute minimumniveau qua informatieveiligheid te hanteren. Maar ook hier is dan weer de vraag gerechtvaardigd of de inwoners daarmee gediend zijn. Samenvattend is de definitie van “dienen” dus niet enkelvoudig maar omvat het meerdere aspecten. Het is zeker geen volledige lijst maar om een antwoord op de vraag “zijn we (nog) in staat om de belangen van de inwoners goed te dienen” te geven moeten de volgende subvragen worden beantwoord. 1. Zijn we in staat om dienstverlening te verlenen die verwacht mag worden in 2021 en verder? 2. Zijn we in staat om de juiste strategische keuzes te maken in het belang van onze inwoners? 3. Zijn we in staat om innovatief bezig te zijn; en niet alleen reactief te zijn, maar proactief te worden om te werken aan een toekomstbestendige gemeente?

Maar kunnen we dat betalen Stel dat het antwoord ja is, of ja zou moeten worden, dan komt er ongetwijfeld nog een stevige “maar” achteraan. In dit geval; “maar het moet wel betaalbaar zijn en/of blijven”. De balans tussen kosten en opbrengsten moet in evenwicht zijn. Dit is uiteindelijk de echte politieke afweging. Het is geen rekensom waarvan de uitkomst van te voren vast staat. Het zal vooral erg afhangen van hoeveel belang gehecht wordt aan de antwoorden op de 5

subvragen. Iemand die weinig belang hecht aan innovatie zal een andere afweging maken dan iemand die juist maximaal gebruik wil maken van alle (technische) mogelijkheden om de dienstverlening aan inwoners en ondernemers te maximaliseren. Bij deze afweging zal wel rekening gehouden moeten worden met het feit dat de andere “put”; het gemeentefonds de komende jaren zeker niet meer op zal gaan leveren. De eerste signalen over de uitkomsten van de herverdeling van het gemeentefonds in zowel het zogenaamde klassieke domein zijn erg negatief voor kleinere (landelijke) gemeenten. De definitieve herverdeling is weliswaar uitgesteld maar het is niet reëel om te verwachten dat er geen negatief effect zal optreden voor kleinere gemeenten. Laat staan dat er van uitgegaan kan worden dat er meer geld beschikbaar gaat komen vanuit het gemeentefonds voor het bestaande takenpakket. Dus in de meest gunstige situatie kan uitgegaan worden van een ongeveer gelijkblijvende algemene uitkering. Maar veel reëler is om rekening te houden met een verlaging van de algemene uitkering van 50 euro per inwoner. Voor Lopik zou dit neerkomen op een totaal bedrag van € 750.000 euro per jaar. Omdat er geen andere inkomstenbronnen van betekenis zijn zal dit leiden tot hogere lokale belastingen als de kosten niet dalen.

Alleen al om de lagere algemene uitkering te compenseren zal ruim 130 euro per huishouden per jaar extra betaald moeten worden. Het antwoord op de vraag op basis van feiten In het hier en nu is het antwoord op de vraag “zijn we (nog) in staat om de belangen van de inwoners goed te dienen” kortweg nee als we ook alle subvragen meewegen. De organisatie is nog steeds in staat om de basisdienstverlening op orde te houden. Maar is onvoldoende in staat om op strategisch niveau alle ballen in de lucht te houden. Dit is geen diskwalificatie van de medewerkers maar komt door de kwantitatieve beperkingen. Simpel gezegd; er is te weinig personeel om alle taken te verrichten die de inwoners van een gemeente zouden mogen verwachten. Dus de organisatie beperkt zich noodgedwongen steeds meer tot een reactieve taakuitoefening. Eén praktisch voorbeeld; het behandelen van ruimtelijke plannen gaat voor op het reageren op de concept Provinciale Omgevings Visie (POVI). Hiervoor leunen we volledig op de regio en de zienswijze die is ingediend door de Lopikerwaard gemeenten is één op één overgenomen door het college. Nu hoeft dat op zich helemaal niet erg te zijn, het kan ook heel goed een bewuste keuze zijn. Maar dan wel met de nadruk op bewust, nu is het geen keuze maar een onvermijdelijk gevolg van juist niet kiezen.

Het niet kiezen komt onder andere tot uiting in de ruim 1 miljoen euro die voor incidenteel personeel is opgenomen in de begroting. Dit is de minimale aanvulling op het structurele P-budget wat nodig is om de taken uit te voeren zoals vastgesteld. Zonder extra keuzes moet minimaal dit bedrag structureel worden opgenomen in de begroting om voldoende realisatiekracht te houden. En dan gaat het in hoofdzaak alleen nog maar over het realiseren van de bekende opgaven. Er is dan nog nauwelijks of geen ruimte om 6

extra ambities op te pakken. Zonder forse investering in de organisatie neemt de komende jaren - bij een steeds verder gaande decentralisatie van rijksbeleid - de onbalans tussen realisatiekracht en de opgaven ambities alleen maar toe.

Het gewenste antwoord Het gewenste antwoord is voor een groot deel een politiek antwoord. Uiteraard wil in eerste instantie iedereen de vraag met een volmondig ja beantwoorden. Maar de “maar” zal snel volgen en daar zal in ieder geval het woord betaalbaar een keer in voorkomen. Dus het antwoord op zichzelf houdt al een keuze in, een keuze in welke mate “dienen” ingevuld moet worden. Of met andere woorden; wanneer zijn we tevreden of denken we dat de inwoners tevreden zijn. Als de belangen van de inwoners uit niet meer bestaan dan een adequate verstrekking van rijbewijzen dan is het antwoord redelijk eenvoudig. Als we echter vinden dat de inwoners mogen verwachten dat de gemeente ook nadenkt over de toekomst dan is het antwoord veel complexer. Middel of doel In de afgelopen maanden is meer dan alle jaren ervoor gesproken over de bestuurlijke toekomst van Lopik. In het coalitieakkoord staat onder “dienend Lopik” dat de kleinschaligheid gekoesterd wordt en dat “we dus zo lang mogelijk zelfstandig blijven”. Los van dat “zo lang mogelijk” een subjectief begrip is kan het zeker geen kwaad om eens echt stil te staan bij de vraag of zelfstandigheid een doel of een middel is. En ook dit is een discussie die zeker niet volledig objectief gevoerd kan worden. Ieder voor zich weegt namelijk de afzonderlijke thema’s op de balans anders.

En op de puntjes kan altijd wel een naam van een persoon, groep personen of een adviesboer worden ingevuld die de weging willen beïnvloeden.

7

Toch is het in het belang van de inwoners nodig om dit soort gevoeligheden aan de kant te schuiven en een open debat te voeren over de toekomst van Lopik. Het is namelijk helemaal niet in het belang van de inwoners van Lopik als achteraf geconstateerd moet worden dat het moment van “zo lang mogelijk” is gepasseerd. Met al het voorgaande in acht nemend, lijkt dit het moment om niet alleen na te denken over de toekomst van Lopik maar daar ook stevige keuzes in te maken. Alleen uitgaan van “zo lang mogelijk” is niet genoeg, daar zijn de huidige opgaven te groot voor. De vraag is dan ook of zelfstandigheid nog steeds het juiste middel is of dat het inmiddels vooral een doel op zich is geworden. Om tot de kern van de echte discussie te komen, is het nodig de keuze zo scherp mogelijk te formuleren; blijft Lopik zelfstandig of niet. Alle tussenvormen zoals vergaande samenwerking zorgen voor teveel ruis en verhullen de echte discussie in mist.

Kiezen met consequenties Alhoewel niet kiezen op zich ook een keuze is en forse consequenties heeft, gaat het in dit deel over de consequenties van een actieve keuze. De keuze tussen een zelfstandige gemeente Lopik of een gefuseerde gemeente. Uit het voorgaande kan misschien gelezen worden dat er gestuurd wordt op een bepaalde keuze maar dat is zeker niet het geval. Het is bedoeld om de consequenties van de keuze beter te kunnen doorgronden. Wel zijn we van mening dat een puur rationele keuze een andere uitkomst zou kunnen hebben dan een meer emotionele keuze. Als het namelijk een wiskundige formule met maar één mogelijke uitkomst zou zijn, was het niet zo ingewikkeld. Maar zo simpel is het niet – sterker nog - het versimpelen tot een rekensom zou de ingewikkeldheid van de keuze groot geweld aan doen.

Lopik als zelfstandige gemeente Als het uitgangspunt blijft dat Lopik zelfstandig moet blijven dan moet er een stevige keuze gemaakt worden met betrekking tot de benodigde realisatiekracht. Zonder forse investering in de ambtelijke organisatie is in ieder geval het antwoord op de subvragen 2 en 3 zonder meer nee. De dienstverlening blijft dan echt beperkt tot het leveren van de primaire producten. Voor de strategische opgaven is dan geen enkele ruimte meer beschikbaar; deze zal ten opzichte van nu nog verder afgebouwd worden. Een lidmaatschap van de U16 bijvoorbeeld is dan niet aan de orde. Wat in de praktijk inhoudt dat vooral anderen over de toekomst van Lopik gaan praten. De basisdienstverlening blijft door de kleinschaligheid en daardoor de korte lijnen op een acceptabel niveau. Door de geringe omvang van de organisatie is deze wendbaar en goed op de hoogte van de lokale situatie en kan daardoor doelmatiger kunnen opereren. Wel allemaal heel 8

erg situationeel en reactief en dus niet gebaseerd op strategische keuzes of langere termijn visie(s). Het is een politieke afweging of de inwoners van Lopik hiermee voldoende gediend worden omdat de grotere opgaven niet meer opgepakt kunnen worden. Het alternatief is dat er (fors) wordt geïnvesteerd in de organisatie zodat in ieder geval ook subvraag 2 met ja beantwoord kan worden. Lopik wordt dan onder andere lid van de U16 wat naast een – beperkt – bedrag per inwoner ook een bijdrage in de vorm van capaciteit vergt. Als daarnaast ook de energietransitie en de opgave van de klimaatadaptatie enz. goed opgepakt moet worden, vraagt ook dat een extra investering in de organisatie. Naast de ruim 1 miljoen euro die incidenteel is opgenomen in de begroting 2021 vragen de hier genoemde thema’s ook minimaal 5 fte. Omdat dit gaat om strategische functies zijn dit hogere loonschalen en moet inclusief overhead (bedrijfsvoering) gedacht worden aan 100.000 euro per fte. In totaal moet er dus minimaal 1,5 miljoen structureel extra beschikbaar komen voor personeel om ook de strategische opgaven goed op te kunnen pakken. Dit is dan nog steeds vooral gericht op het volgen van de (landelijke) decentralisaties en andere ontwikkelingen. Een scenario waarin ook subvraag 3 met ja beantwoord kan worden vergt een nog forsere investering.

Om ook innovatief te kunnen werken en/of eigen ambities op te pakken is meer nodig dan alleen meepraten met anderen. De gemeente moet dan niet alleen faciliterend werken maar ook stimulerend. Er moet wel een kanttekening worden gemaakt bij een investering in de organisatie. Het is namelijk in de huidige arbeidsmarkt verre van zeker dat de benodigde medewerkers ook te vinden zijn en/of dat men voor Lopik wil werken. Het is namelijk maar zeer de vraag of een kleine organisatie aantrekkelijk genoeg is voor strategische functies. In de uitvoerende functies kan het juist aantrekkelijk zijn om starters de ruimte te geven maar in de strategische functies wordt toch een bepaalde ervaring verwacht. Want ondanks een forse investering in de organisatie blijft de beleidscapaciteit relatief beperkt en kan men niet terugvallen op meerdere collega’s. Dit vraagt dus om generalisten met een behoorlijke kennis, kennis die in de praktijk vooral door ervaring moet zijn opgedaan. Ervaren mensen hebben de banen voor het uitkiezen. Het gevaar is aanwezig dat we aangewezen zijn op de inhuurmarkt en dan komt er nog een behoorlijk inhuurbedrag bovenop de benodigde investering.

9

Lopik kiest voor bestuurlijke opschaling Net zoals schaalvergrotingen in het bedrijfsleven gaat ook de schaalvergroting in bestuurlijk Nederland steeds door. In 1989, het jaar dat de huidige gemeente Lopik is ontstaan, waren er nog 702 gemeenten in Nederland. Inmiddels zijn dat er nog (maar) 352 en dus een halvering in 30 jaar tijd. Het is nu ook niet meer voor te stellen dat Benschop en Lopik nog zelfstandige gemeenten zouden zijn. Over nog eens 30 jaar is Lopik zo goed als zeker ook geen zelfstandige gemeente meer. De vraag is alleen “laten we dat een keer gebeuren of kiezen we er zelf voor om te bepalen wanneer de tijd voor opschaling is aangebroken”, wanneer is “zo lang mogelijk” voorbij? Zoals in het plaatje met de weegschaal te zien is, zijn er veel argumenten die voor of tegen een fusie pleiten. Objectief gezien zijn er ook zeker kansen te benoemen. Bij een bestuurlijke fusie ontstaan als gevolg van de toenemende schaalomvang van de ambtelijke organisatie zeker voordelen. De strategische beleidscapaciteit neemt toe doordat alle beetjes uit de huidige organisaties samen een grote maken. Doordat de ontwikkelmogelijkheden voor het personeel toenemen, wordt de nieuwe gemeente als werkgever aantrekkelijker. De bestuurskosten dalen doordat er maar één raad, college en griffie nodig zijn.

Maar een grotere ambtelijke organisatie vraagt meer management en de absolute overhead neemt toe ten opzichte van de autonome gemeenten. De ervaring in een recent heringedeelde gemeente (Vijfheerenlanden) leert wel dat de totale personeelskosten die in de autonome gemeenten zijn begroot voldoende zijn om een kwalitatief en kwantitatieve organisatie op te bouwen. Anders gezegd voor het geld van nu kunnen wel alle vragen met ja worden beantwoord. Dus de inwoners krijgen meer kwaliteit voor hetzelfde geld. Uiteraard zijn er niet alleen maar voordelen. Tegenover de toegenomen slagkracht in de regio staat een mindere wendbaarheid in de kernen. De lokale keuzevrijheid wordt minder en het voordeel van efficiëntie door een groter volume is ook gelijk een nadeel. De afstand tussen de inwoners en bestuur neemt toe; dit kan worden ondervangen door goed kernenbeleid maar dit komt niet vanzelf. Voor goed kernenbeleid is het noodzakelijk dat de nieuwe gemeente in aard aan blijft sluiten bij het gebied. Dus met een eventueel besluit dat Lopik kiest voor bestuurlijke opschaling zijn we er nog niet. De vraag uit welke gemeenten de nieuwe gemeente zou moeten bestaan is een zeer belangrijke. Wordt de huidige samenwerking in het sociaal domein in Lekstroomverband als basis genomen, dan ontstaat er een meer stedelijke gemeente.

Of wordt er gekozen voor de Lopikerwaard-gemeenten waar in ieder geval de opgaven in het landelijke gebied hetzelfde zijn. Los van welke keuze het wordt, kan het een overweging zijn om deze keuze heel bewust te maken als Lopik. Dus ook hier geldt de vraag; Lopik of Loopjij, besluiten we zelf, of laten we het ons overkomen?

10

De Gulden Middenweg De verleiding is groot om bij een hele ingewikkelde keuze tussen twee uitersten op zoek te gaan naar een veiliger middenweg. Vaak met het idee om te proberen alle voordelen van beide keuzes in één keuze samen te laten komen zonder de nadelen. In gemeenteland heet de gulden middenweg dan vaak ambtelijke fusie of samenwerking. De ambtelijke organisaties gaan dan samen in één organisatie maar de afzonderlijke besturen blijven. De achterliggende gedachte is dat in dit soort constructies wel geprofiteerd kan worden van de grotere ambtelijke schaal maar dat er niet wordt ingeleverd op lokale autonomie. In de praktijk blijkt dit echter een stuk weerbarstiger dan op papier. Om de nieuwe ambtelijke organisatie goed te laten functioneren is kiezen voor beleidsharmonisatie onontkoombaar. Als dat niet gewenst is, moet geaccepteerd worden dat de kosten van de nieuwe organisatie hoger zijn dan de totale kosten van de autonome organisaties. Bij de ontvlechting van de UW Samenwerking tussen Montfoort en IJsselstein is dit nog weer eens onderzocht in een benchmark. Opnieuw bleek dat dergelijke samenwerkingen minimaal 5% duurder zijn. Dit is een gevolg van de hogere afstemmingskosten tussen de opdrachtgevers (bestuur) en de opdrachtnemer (ambtelijke organisatie). Overigens geldt dit ook voor een keuze richting een regiegemeente of iets dergelijks.

Regie voeren vergt andere competenties en meer afstemming. Ook hier nemen de kosten toe als tot hetzelfde resultaat gekomen moet worden. In het verleden zijn hier al meerdere rapporten over opgesteld en steeds weer blijkt dat de Gulden Middenweg niet bestaat en zeker niet van goud is. Wat wel voorkomt is dat eerst de ambtelijke organisaties fuseren en er op een vooraf vastgesteld moment een bestuurlijke fusie volgt.

Het besluit is aan u Een beetje rapport of iets dergelijks sluit af met een conclusie, het liefst één waar niemand om heen kan zodat die conclusie ook eenvoudig kan worden overgenomen. Dit stuk sluit niet af met een conclusie in die vorm. De enige conclusie die getrokken kan worden op basis van het voorgaande is dat de tijd gekomen is om een serieus besluit te nemen over de (bestuurlijke) toekomst van Lopik. De inwoners en ondernemers van Lopik VERDIENEN het.

11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9761234/1