5.4 Regionale zienswijze provinciale ontwerp omgevingsverordening
Tekst van het document
Geacht college van Gedeputeerde Staten, Op 1 juni 2021 heeft u de ontwerp Omgevingsverordening ter inzage gelegd. Via deze brief maken wij gebruik van de mogelijkheid om onze zienswijze op uw ontwerp omgevingsverordening te geven. De Omgevingswet: een cultuurverandering In het huidige omgevingsrecht ligt de nadruk te vaak op zekerheid en het mijden van risico’s. De huidige snel veranderende samenleving en maatschappelijke opgaven waar wij nu én in de toekomst voor staan vragen om een andere benadering. De wetgever geeft overheden met de Omgevingswet een instrument in handen, waarmee deze verandering kan worden gerealiseerd. De Omgevingswet biedt ruimte voor een cultuurverandering, waardoor overheden gemakkelijker kunnen handelen op basis van vertrouwen en het oplossend vermogen van de samenleving. In plaats van regels moeten doelen centraal komen te staan. Uiteraard valt of staat bovengenoemde cultuurverandering met de bereidheid van overheden om deze nieuwe denk- en werkwijze te omarmen. Oude patronen en zekerheden moeten worden losgelaten en nieuw gedrag moet worden aangeleerd. Een stap waar moed en doorzettingsvermogen voor nodig is. Een noodzakelijke stap om als overheden mee te gaan met de huidige tijdsgeest en aansluiting te houden op de samenleving van vandaag de dag.
Overigens is het goed om te beseffen dat de Omgevingswet niet enkel gaat over de relatie tussen burger en overheid, maar ook over de relatie tussen overheidslagen onderling. Wederzijds vertrouwen tussen overheidslagen is essentieel voor het welslagen van de Omgevingswet en de daarbij behorende cultuurverandering. Vertaling van intenties De Omgevingswet stelt overheden voor de uitdaging om de intenties van de wetgever te vertalen in aan de wet gerelateerde omgevingsvisies, -verordeningen en daaraan verbonden programma’s. Als gemeenten zien wij dat u worstelt met deze uitdaging. In uw Omgevingsvisie zien wij een sturingsfilosofie en uitgangspunten, die goed aansluiten op de doelstellingen en intenties van de Omgevingswet. Daarnaast brengt de invoering van regionale programma’s meer flexibiliteit in provinciaal beleid en regelgeving en voelen wij tijdens bestuurlijke overleggen de wil om op basis van vertrouwen samen te werken om de kansen van de Omgevingswet ten volle te benutten. In tegenstelling tot de bovenstaande goede intenties zien wij in uw ontwerp Omgevingsverordening weinig verandering ten opzichte van de bestaande regels. Op het gebied van wonen, werken en recreëren, zowel in het landelijk als het stedelijk gebied, verschilt de regelgeving weinig met de voormalige provinciale ruimtelijke verordening (PRV).
Hiermee lijkt de ontwerp Omgevingsverordening nog steeds schatplichtig aan de huidige wetten. Het toevoegen van flexibiliteit wordt vooral gezocht in het aanbieden van experimenteerruimte en het opnemen van een hardheidsclausule. In het licht van de beoogde cultuurverandering en het door u in de provinciale Omgevingsvisie gehanteerde principe ‘lokaal wat kan, provinciaal wat moet’ hadden wij op meer ruimte voor lokale afwegingen gehoopt. Immers: de lokale democratie is bij uitstek de bestuurslaag die dicht bij de burger kan komen tot afweging van verschillende belangen. Daarnaast hebben initiatiefnemers in de praktijk nu vaak te maken met twee overheden, wat leidt tot onnodige bureaucreatie. Voorbeelden uit de verordening Concrete voorbeelden hiervan zien wij onder andere op het gebied van het verstedelijkingsverbod landelijk gebied, kantoren en detailhandel. U hanteert op deze gebieden, in respectievelijk de artikelen 9.2, 9.19 en 9.20 uit uw verordening, strikte instructieregels, terwijl onze belangen vermoedelijk niet ver uiteenlopen. Net als u willen wij leegstand in winkelmeters en kantoren voorkomen en kennen wij veel waarde toe aan ons landelijk gebied. Flexibelere instructieregels met als eis een goede motivering volgens de landelijk voorgeschreven ladder voor duurzame verstedelijking zijn in onze ogen beter op hun plaats.
Op deze manier komt u daadwerkelijk tegemoet aan het principe ‘lokaal wat kan, provinciaal wat moet’. Ook de regels verbonden aan uw ambitie om kleinen kernen via woningbouw een vitaliteitsimpuls te geven (art. 9.14) roepen bij ons vragen op. U stelt in art. 9.14 de eis dat de woningbouw bijdraagt aan een goede kwaliteit van de kernrandzone. De eisen die u stelt aan een kernrandzone (9.10) komen 1
overeen met de in het verleden gehanteerde provinciale regels. Hierdoor vragen wij ons af of uw ambitie om een eenmalige uitbreiding voor kleine kernen eenvoudiger te maken aan de hand van deze regels daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Ruimte voor afwijking en overleg Bovenstaande artikelen zijn slechts enkele voorbeelden. Wij zien op diverse plekken in uw verordening mogelijkheden voor minder zware instructieregels en meer ruimte voor afwegingen op lokaal niveau. Daarnaast kan het inzetten van alternatieve minder belastende instrumenten dan regelgeving uitkomst bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bestuursakkoorden. Op basis van het door u in 2018 vastgestelde koersdocument ‘koersen met kwaliteit’1, waarin onder andere wordt aangegeven op welke manier u met ons wilt samenwerken, hadden wij de verwachting sterker te zullen worden betrokken bij de afwegingen over proportionaliteit en subsidiariteit van de provinciale regels. In onze ogen liggen hier kansen om de huidige ontwerp omgevingsverordening te verbeteren en meer in lijn te brengen met de gedachten achter de Omgevingswet. Aan de andere kant begrijpen wij, dat het doorvoeren van een cultuurverandering geen gemakkelijke opgave is en tijd kost. Wij willen u graag bij deze opgave helpen. Deze zienswijze kunt u beschouwen als een bijdrage om een goede stap te zetten naar de definitieve verordening.
Daarnaast zijn wij uiteraard bereid om met u mee te denken over het herformuleren van (instructie)regels, zodat deze beter aansluiten op de intenties van de Omgevingswet en hetgeen de samenleving van ons vraagt. Onze positie dichtbij de samenleving en kennis van de praktijk kan een goede aanvulling vormen op uw kennis en kunde. Wij vragen u dan ook om ons actief te betrekken bij de vervolgstappen naar een definitieve verordening of, op zijn minst, bij een eventuele herijking van de verordening. Los van bovenstaande handreiking verzoeken wij u om in de toekomst in ieder geval veelvuldig gebruik te maken van de door u in de verordening ingebouwde ventielen. Wees ruimhartig met het toebedelen van experimenteerruimte en het toepassen van de hardheidsclausule. Zorg op deze wijze voor flexibiliteit in de regelgeving en ruimte voor (lokaal) maatwerk. Gebruik deze instrumenten om recht te doen aan de intenties van de Omgevingswet, waaronder het belangrijke principe ‘Decentraal, tenzij’. In onze ogen is dit nodig om de maatschappelijke opgaven waar wij voor staan het hoofd te bieden. Wij kijken uit naar uw reactie op onze zienswijze en worden graag betrokken bij de totstandkoming van de definitieve verordening. Indien u behoefte heeft aan een mondelinge toelichting, dan zijn wij hier uiteraard toe bereid.
Met vriendelijke groeten, Hans Adriani Trekker Bestuurstafel Gezonde woon- en leefomgeving U10 Namens de wethouders van de 16 deelnemende gemeenten
1
https://omgevingswet.provincie-utrecht.nl/sites/omgevingswet/files/202005/koersdocument_koersen_met_kwaliteit.pdf 2