5.4 Besluit vaststelling bijdragen en wegingsfactoren kunststofproducten voor eenmalig gebruik 2024
Tekst van het document
Besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van [datum], nr. IENW/BSK2024/179342, houdende vaststelling van de kostenaandelen zwerfafval per kunststofproductsoort, de bijdragen per kunststofproductsoort en de wegingsfactoren per overheidsorganisatie over het peiljaar 2023 als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik (Besluit vaststelling bijdragen en wegingsfactoren kunststofproducten voor eenmalig gebruik 2024) De minister van Infrastructuur en Waterstaat; Gelet op de artikelen 3.1 en 3.2 van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik; BESLUIT: Artikel 1 Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: grote steden: grote gemeenten: middelgrote gemeenten: kleine gemeenten: kunststofhoudende tabaksfilters:
gemeenten met 300.000 inwoners of meer; gemeenten met 300.000 tot 100.000 inwoners; gemeenten met 100.000 tot 30.000 inwoners; gemeenten tot 30.000 inwoners; tabaksproducten met kunststofhoudende filters en kunststofhoudende filters die worden verkocht voor gebruik in combinatie met tabaksproducten als bedoeld in artikel 5 van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik.
Artikel 2 Kostenaandeel per productsoort Het kostenaandeel zwerfafval per kunststofproductsoort als bedoeld in artikel 3.1, derde lid, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik over het kalenderjaar 2023 bedraagt voor: a. voedselverpakkingen: € 3.121.029,11; b. zakjes en wikkels: € 8.652.252,62; c. drankverpakkingen: € 8.751.727,40; d. drinkbekers: € 4.719.832,98; e. lichte plastic draagtassen: € 1.858.263,50; f. vochtige doekjes: € 1.461.241,51; g. ballonnen: € 152.366,84; h. kunststofhoudende tabaksfilters: € 42.994.311,40; i. bewustmakingsmaatregelen 1: € 1.650.665,27; j. uitvoeringskosten: € pm Artikel 3 Totale bijdrage per productsoort 1. De totale bijdrage voor de onder artikel 2, onderdelen a t/m e, genoemde kunststofverpakkingen bedraagt de som van de aldaar vermelde bedragen vermenigvuldigd met 361/365, zijnde € 26.806.085,27, vermeerderd met 37,15% van de uitvoeringskosten van onderdeel j. 2. De totale bijdrage voor de onder artikel 2, onderdeel f, genoemde vochtige doekjes bedraagt het aldaar vermelde bedrag vermenigvuldigd met 271/365, zijnde € 1.084.921,78, vermeerderd met 1,50% van de uitvoeringskosten van onderdeel j. 3. De totale bijdrage voor de onder artikel 2, onderdeel g, genoemde ballonnen bedraagt het aldaar vermelde bedrag vermenigvuldigd met 271/365, zijnde € 113.127,16, vermeerderd met 0,16% van de uitvoeringskosten van onderdeel j. 4.
De totale bijdrage voor de onder artikel 2, onderdelen h en i, genoemde kunststofhoudende tabaksfilters en bewustwordingsmaatregelen bedraagt de som van de aldaar vermelde bedragen
1 De bijdrage onder artikel 2, onderdeel j, betreft de bewustmakingsmaatregelen voor kunststofhoudende tabaksfilters. Zie voor meer informatie de Toelichting, I algemeen, artikel 4.
vermenigvuldigd met 361/365, zijnde € 44.155.716,65, vermeerderd met 61,19% van de uitvoeringskosten van onderdeel j. Artikel 4 Bijdrage per eenheid product De bijdrage per kunststofproductsoort als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik bedraagt voor: a. vochtige doekjes: € 42,05/1000kg; b. ballonnen: € 0,22/kg; c. kunststofhoudende tabaksfilters: € 4,35/1000 stuks. [N.B. De in dit artikel vermelde bedragen zijn een schatting en worden nog aangepast. De uitvoeringskosten die nog niet bekend zijn nog worden verdisconteerd.] Artikel 5 Bijdrage per producent De bijdrage per producent bedraagt de op basis van het kostenonderzoek bepaalde bijdrage per eenheid product vermenigvuldigd met het aantal of de hoeveelheid in 2023 door de betreffende producent in de handel gebrachte producten en vermenigvuldigd met een factor 361/365 voor kunststofverpakkingen en kunststofhoudende tabaksfilters en een factor 271/365 voor vochtige doekjes en ballonnen. Artikel 6 Wegingsfactoren per overheidsorganisatie De wegingsfactor per type overheidsorganisatie bedraagt voor de vergoeding van de kosten voor het opruimen, het vervoer en de verwerking van zwerfafval onderscheidenlijk de vergoeding van de kosten van bewustmakingsmaatregelen voor: a. grote steden: 38,19% 10,99%; b. grote gemeenten: 17,11% 17,74%; c.
middelgrote gemeenten: 26,58% 41,98%; d. kleine gemeenten: 10,69% 25,81%; e. provincies: 0,75% 0,01%; f. waterschappen: 2,11% 2,67%; g. Rijkswaterstaat: 2,47% 0,72%; h. ProRail: 2,10% 0,08%; i. Staatsbosbeheer: 0% 0%. Artikel 7 Vergoeding per gebiedskenmerk De kosten per gebiedskenmerk als bedoeld in artikel 3.2, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik bedragen voor: a. grote steden: € 10,79/inwoner; b. grote gemeenten: € 2,91/inwoner; c. middelgrote gemeenten: € 2,42/inwoner; d. kleine gemeenten: € 2,65/inwoner; e. provincies: € 12,54/km2 oppervlakte; f. waterschappen: € 6,42/km waterweg.
Artikel 8 Vergoeding per overheidsorganisatie 1. De hoogte van de vergoeding als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik wordt als volgt bepaald: a. voor gemeenten: het aantal inwoners vermenigvuldigd met de kosten per inwoner voor gemeenten in de desbetreffende grootteklasse; b. voor provincies: de oppervlakte van de provincie in km2 vermenigvuldigd met de kosten per km2. c. voor waterschappen: de totale lengte van de waterwegen in km vermenigvuldigd met de kosten per km waterweg; d. voor Rijkswaterstaat, ProRail onderscheidenlijk Staatsbosbeheer: de wegingsfactor van de desbetreffende overheidsorganisatie als vermeld in artikel 3 vermenigvuldigd met de totale kosten voor zwerfafval als bedoeld in artikel 2, leden 1 tot en met 4, zijnde € 72.159.850,86, vermeerderd met de uitvoeringskosten van artikel 1, onderdeel j. 2. De uit te keren vergoeding wordt overeenkomstig artikel 3.2, tweede lid, eerste volzin, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik gecorrigeerd voor het geïnde bedrag op [datum]. 3. Nadien binnengekomen vergoedingen worden overeenkomstig artikel 3.2, vijfde lid, tweede volzin, van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik aangehouden en naar rato uitbetaald op een later moment.
Artikel 9 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel 10 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling bijdragen en wegingsfactoren kunststofproducten voor eenmalig gebruik 2024. DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
Mark Harbers
TOELICHTING I Algemeen 1. Inleiding In 2019 is Richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten voor eenmalig gebruik op het milieu (PbEU 2019, L 155), (hierna: richtlijn 2019/904), gepubliceerd. Richtlijn 2019/904 is in Nederland geïmplementeerd door middel van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik, hierna: het Besluit. Met dit Besluit is ook het Besluit beheer verpakkingen 2014 gewijzigd (hierna: Besluit verpakkingen). In de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik (hierna: de Regeling) wordt op grond van artikel 9.5.2, zevende lid, van de Wet milieubeheer maatregelen uit het Besluit en het Besluit verpakkingen nader uitgewerkt. In artikel 15f van het Besluit verpakkingen en in de artikelen 4 en 5 van het Besluit is vastgesteld dat, voor de producten waarop deze artikelen betrekking hebben, een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (hierna: UPV) geldt voor de kosten voor het opruimen van zwerfafval.
In de Regeling worden nadere regels gesteld aan deze UPV, waarbij wordt geregeld hoe de kosten voor het opruimen van zwerfafval worden bepaald en geïnd bij producenten (artikel 3.1) en hoe dit geld wordt verdeeld over de overheidsorganisaties die een gebied beheren (hierna: gebiedsbeheerders) (artikel 3.2) en hoe de producentenverantwoordelijkheid t.a.v. de bewustmakingsmaatregelen wordt ingevuld (art. 3.3). Daarnaast regelt de Regeling enkele rapportage- en monitoringsverplichtingen die volgen uit richtlijn 2019/904 en het Besluit (artikel 4.1 en 4.2). Dit besluit betreft de uitwerking van artikel 3.1, 3.2 en 3.3 van de Regeling. Ten aanzien van artikel 3.3 geldt dat dit besluit alleen toeziet op de door de tabaksproducenten te betalen bijdrage aan de door de gebiedsbeheerders genomen bewustmakingsmaatregelen. De overige producenten zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van bewustwordingsmaatregelen zoals beschreven in artikel 3.3 van de Regeling. Bijdragen en vergoedingen volgend uit het kostenonderzoek Artikel 3.1, derde lid, van de Regeling schrijft voor dat het kostenaandeel zwerfafval kunststofproducten per kunststofproductsoort door de Minister wordt vastgesteld op basis van een, ten minste vierjaarlijks te verrichten, kostenonderzoek waarbij rekening wordt gehouden met een jaarlijks onderzoek naar het aandeel kunststofproducten in het zwerfafval.
Op basis van artikel 3.2 van de Regeling hebben overheidsorganisaties die kosten maken voor het opruimen van het zwerfafval van kunststofproducten als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdeel b, en 5, eerste lid, van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik en artikel 15f, derde lid, van het Besluit beheer verpakkingen 2014, recht op een vergoeding. Voortvloeiend uit het Kostenonderzoek kan gesproken worden over vaststaande en variabele bijdragen en vergoedingen. Per periode dat een kostenonderzoek vigerend is, geldt de in dat kostenonderzoek vastgesteld bedrag voor het totaal aan kosten dat door gebiedsbeheerders jaarlijks wordt gemaakt voor het opruimen van zwerfafval. De te betalen bijdragen per producent en per product en de te ontvangen bijdragen door gebiedsbeheerders kunnen jaarlijks wijzigen omdat deze afhangt van de volgende zaken: 1. De hoeveelheid zwerfafval binnen de categorie kunststofproducten voor eenmalig gebruik als onderdeel van de totale hoeveelheid zwerfafval. Wanneer het aandeel van een categorie kunststofproducten voor eenmalig gebruik toe- dan wel afneemt, zal de totale bijdrage door producenten van die categorie toe- dan wel afnemen, en de vergoeding voor gebiedsbeheerders dus ook. 2. De samenstelling van het zwerfafval binnen de categorie kunststofproducten voor eenmalig gebruik.
Binnen deze categorie kan de verhouding tussen de verschillende kunststofproductsoorten, zoals beschreven in Artikel 2, wijzigen. Wanneer deze samenstelling wijzigt, dan zal ook de bijdrage per producent wijzigen. 3. Het aantal op de markt gebrachte kunststofproducten voor eenmalig gebruik. De totale bijdrage voor een bepaalde productcategorie wordt omgeslagen over het aantal op de markt gebrachte producten. Als er dus bijvoorbeeld meer producten op de markt worden gebracht, daalt de bijdrage per product.
Op de bijdragen die gebiedsbeheerders ontvangen heeft dit geen effect aangezien de totale bijdrage voor de betreffende categorie gelijk blijft. De door producenten van kunststofproducten voor eenmalig gebruik te betalen vergoeding bestaat uit de kosten voor het inzamelen, transport en verwerking van zwerfafval (Artikel 3.1, derde lid van de Regeling) vermeerderd met de uitvoeringskosten van de door de Minister aangewezen organisatie (Artikel 3.1, derde lid, onderdeel d. van de Regeling). Voor producenten van tabaksfilters komen hier de kosten van de genomen bewustmakingsmaatregelen bij (zie Artikel 4: Uitwerking Artikel 3.3 (bewustmakingsmaatregelen) van dit besluit). Niet alle kosten uit het kostenonderzoek zwerfafval zijn onderdeel van de regeling. De kosten die de gebiedsbeheerders maken voor onder andere beleid, handhaving en monitoring maken geen deel uit van de vergoeding. Ook de kosten die gebiedsbeheerders maken voor het legen en verwerken van afvalbakken zijn geen onderdeel van de bijdragen die producenten betalen. Zonder deze posten bedragen de kosten voor alle gebiedsbeheerders gezamenlijk 215 miljoen euro. De bijdragen zijn alleen van toepassing op het aandeel zwerfafval kunststofproducten, zoals genoemd in de bijlage, deel E, van de EU-richtlijn kunststofproducten voor eenmalig gebruik.
Op basis van aantal, volume en gewicht bedraagt het aandeel zwerfafval kunststofproducten in het totale zwerfafval 33%. Dit komt overeen met een vergoeding voor de publieke gebiedsbeheerders van € 71,7 miljoen. Het aandeel van de verschillende categorieën zwerfafval kunststofproducten in het zwerfafval zijn bepaald in het samenstellingsonderzoek. Dit onderzoek maakt gebruik van de Landelijke monitor zwerfafval, getiteld Landelijke zwerfafvalmonitor, incl. extra gebiedstypen, Jaarrapportage 2023 2 en Kentallen zwerfafval: meting 2022 3. De samenstelling van de zwerfafval kunststofproducten is als volgt: I. Kunststofproducten voor eenmalig gebruik die vallen onder artikel 8, lid 2, inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid Kunststofproducten voor eenmalig gebruik
2 3
1. 2. 3. 4. 5.
voedselverpakkingen, d.w.z. containers zoals dozen, met of zonder deksel, voor voedingsmiddelen zakjes en wikkels gemaakt van flexibel materiaal drankverpakkingen van maximaal drie liter drinkbekers, doppen en deksels inbegrepen lichte plastic draagtassen
-
Drank en eetverpakkingen o Take-away eetverpakkingen (drink/koffie/ijs) plasticbekers 6,6% (friet)bakjes plastic 2,6% Zakken/ (omverpakingen) plastic 2,0% o Snoepen Plastic snoepwikkels/zakjes etc. 4,5% o Drinken (kleine drankverpakkingen) Drankenkartons 3,4% kunststofflesjes < 1 liter (met statiegeld) 3,2% kunststofflesjes < 1 liter (zonder statiegeld) 2,0% kunststofflesjes 1 liter of meer 2,0% knijpverpakkingen/zakjes 0,7% doppen/sluitingen van plastic drankverpakkingen 0,7% o Overige verpakkingen (Overige drank- en eetverpakkingen of supermarktgerelateerde grootverpakkingen) kunststof 1-persoons plastic flexibel 1,2% kunststof 1-persoons plastic hard 0,4% kunststof meerpersoons plastic flexibel 4,3%
Bron: nog te publiceren op https://open.rijkswaterstaat.nl/open-overheid/onderzoeksrapporten/ Bron: Kentallen zwerfafval: meting 2022 - Rijkswaterstaat Publicatie Platform
kunststof meerpersoons plastic hard dunne plastic hemddraagtas (markt, winkel) plastic draagtas (winkel)
1,3% 1,5% 1,5%
II. Kunststofproducten voor eenmalig gebruik die vallen onder artikel 8, lid 3, inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid -
Materialen en overige verpakkingen o Kunststoffen (niet eet/drinkverpakkingen en overige kunststof) Vochtige doekjes 2,0% Ballonnen 0,2%
III. Andere kunststofproducten voor eenmalig gebruik die vallen onder artikel 8, lid 3, inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid -
Klein en organisch o Sigarettenpeuken met filter
59,9%
2. Uitwerking Artikel 3.1 (bijdrage opruimen van zwerfafval) Artikel 3.1, derde lid, van de Regeling schrijft voor dat het kostenaandeel zwerfafval kunststofproducten per kunststofproductsoort door de Minister wordt vastgesteld op basis van een, ten minste vierjaarlijks te verrichten, kostenonderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met een jaarlijks onderzoek naar het aandeel kunststofproducten in het zwerfafval. Het kostenonderzoek dat ten grondslag ligt aan de berekeningen in dit besluit is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, getiteld Definitieve bevindingen kostenonderzoek Zwerfafval – Peiljaar 2021 4 en gepubliceerd op 15 maart 2023. De totale kosten voor het voorkomen, opruimen, monitoren en verwerken van zwerfafval in Nederland bedroegen in het peiljaar € 324 miljoen. Zoals gesteld bepaalt het kostenonderzoek in combinatie met het jaarlijkse onderzoek naar het aandeel van kunststofproducten in het zwerfafval het kostenaandeel per productsoort. Op basis van het samenstellingsonderzoek dat jaarlijks wordt gepubliceerd is geconcludeerd dat voor 2023 € 70,5 miljoen toe te rekenen is aan de kunststofproducten vallend onder de Regeling.
Voor producenten van tabaksproducten geldt dat zij naast hun deel van het voornoemde bedrag tevens € 1,6 miljoen dienen bij te dragen voor de bewustmakingsmaatregelen (zie Artikel 4 van deze toelichting voor nadere uitwerking). Omdat de Regeling voor wat betreft verpakkingen en tabaksfilters in werking is getreden op 5 januari 2023 en daarmee dus niet het gehele eerste peiljaar van de regeling beslaat, wordt hiervoor gecorrigeerd. Met betrekking tot verpakkingen en tabaksfilters wordt daarom een correctiefactor van 361/365 toegepast. Voor wat betreft ballonnen en vochtige doekjes geldt de regeling met ingang van 5 april 2023. Ook hiervoor wordt een correctiefactor van in dit geval 271/365 toegepast. Dit is vastgelegd in Artikel 3 van dit besluit. Artikel 3.1, vierde lid, van de Regeling schrijft voor de minister jaarlijks in het kalenderjaar na het peiljaar de hoogte van de bijdrage vaststelt. De datum van 1 juni is in 2024 niet gehaald, mede omdat niet alle verslagen van de producenten tijdig beschikbaar waren. Zonder een volledig overzicht van het aantal in de handel gebrachte kunststofproducten voor eenmalig gebruik is het niet mogelijk om per product en producent de bijdrage te bepalen. De bijdrage per product is vastgesteld voor 8 producttypen.
Het gedeelte van de totale kosten dat toe te rekenen is aan ieder producttype is vastgesteld op basis van de frequentie waarmee de producten voorkomen in het zwerfafval. Dit wordt gemeten of in opdracht van Rijkswaterstaat middels 6-jaarlijkse metingen. Twee keer per jaar wordt een memo gepubliceerd met de resultaten tot en met het laatste halfjaar. Deze memo’s worden ook naar de Tweede Kamer gestuurd.
Bron: https://open.rijkswaterstaat.nl/open-overheid/onderzoeksrapporten/@258329/definitieve-bevindingenkostenonderzoek/ 4
De bijdrage per product is op basis van bovenstaande gegevens vast te stellen door de kosten die toe te rekenen zijn aan een bepaald producttype te delen door het aantal producten van dat type dat op de markt is gebracht. Die getallen worden gemeld door de producenten op grond van artikel 4.1 van de Regeling (en dit maakt dat deze informatie ontvangen moet zijn voordat de bijdrage kan worden vastgesteld). In dit besluit worden de resultaten van deze berekeningen weergegeven. Daarmee stelt de Minister die bedragen per producttype in dit besluit vast, conform artikel 3.1, vierde lid, van de Regeling. 3. Uitwerking Artikel 3.2 (vergoeding overheidsorganisaties opruimen zwerfafval) Op basis van artikel 3.1 van de Regeling hebben overheidsorganisaties die kosten maken voor het opruimen van het zwerfafval van kunststofproducten als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdeel b, en 5, eerste lid, van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik en artikel 15f, derde lid, van het Besluit beheer verpakkingen 2014, recht op een vergoeding. Artikel 3.2 de Regeling van de regeling bepaalt dat deze vergoeding het te ontvangen deel is van de geïnde bijdrage. Bij het Kostenonderzoek is onderzocht welke factor het best correleert met de gemaakte kosten voor het opruimen van zwerfafval. De wegingsfactoren zijn op basis van het Kostenonderzoek vastgesteld op: -
Voor gemeenten: bedrag per inwoner 5
Voor gemeenten worden de bijdrages bepaald door de gemiddelde kosten per inwoner te vermenigvuldigen met het inwoneraantal. Voor de gemiddelde kosten wordt aangesloten bij de clusterindeling uit het kostenonderzoek: 1. 2. 3. 4.
Grote gemeenten (≥ 300.000 inwoners) Middelgrote gemeenten (≥ 100.000 < 300.000 inwoners) Middelkleine gemeenten (≥ 30.000 < 100.000 inwoners) Kleine gemeenten (≤ 30.000 inwoners).
-
Voor provincies: bedrag per vierkante kilometer oppervlak provincie 6
Voor provincies is er een sterke correlatie met het oppervlak van de provincie. Het oppervlak van de provincies is het beste gebiedskenmerk om de bijdragen voor provincies te bepalen. -
Voor waterschappen: bedrag per lengte waterwegen waterschap 7
Voor de waterschappen geldt dat de lengte van de beheerde watergangen de sterkste correlatie heeft met de zwerfafvalkosten en deze zal worden toegepast om de bijdragen voor waterschappen te bepalen. 4. Uitwerking Artikel 3.3 (bewustmakingsmaatregelen) In de toelichting op artikel 3.3 in de Regeling wordt gesteld dat producenten van tabaksproducten niet zelf bewustmakingsmaatregelen mogen nemen. In plaats hiervan dragen zij financieel bij aan de bewustmakingmaatregelen die gebiedsbeheerders nemen. De producenten zijn verplicht het deel van de bewustmakingsmaatregelen te betalen dat overeenkomt met hun aandeel in het zwerfafval. Wanneer het zwerfafval bijvoorbeeld voor 25% (in stuks, volume en gewicht) uit sigarettenfilters bestaat, worden producenten van filters geacht 25% van de kosten van bewustmakingsmaatregelen van de gebiedsbeheerders te vergoeden. De formule voor het berekenen van de bijdrage van tabaksproducenten aan de bewustmakingsmaatregelen is: de totale kosten van bewustmakingsmaatregelen vermenigvuldigd met het percentage sigarettenfilters in het zwerfafval. 5 Het aantal inwoners wordt bepaald op basis van CBS inwoneraantallen op 1 januari van het peiljaar waarover de vergoeding wordt uitgekeerd. 6 Oppervlakte provincies (inclusief water); bron CBS.
7 Bron: Aantal km waterlopen (primair en overig) uit waves databank van Unie van Waterschappen: https://livewaves.databank.nl/jive?workspace_guid=f9624aed-fb8c-4aae-9752-f300fda68ae0
Op basis van het Kostenonderzoek waren de totale kosten van de bewustmakingsmaatregelen in 2023 € 8.245.704,31. Dit bedrag is de som van de communicatiekosten die gebiedsbeheerders op basis van het kostenonderzoek maakten. Volgens het meest recente samenstellingsonderzoek bestaat het zwerfafval voor 20,02% uit sigarettenfilters (in stuks, volume en gewicht). De totale bijdrage voor tabaksfabrikanten aan de bewustmakingsmaatregelen komt hiermee op € 1.650.665,27. Dit bedrag, vermenigvuldigd met de correctiefactor 361/365, is opgeteld bij het totaalbedrag dat is toe te rekenen is aan de kunststofproducten vallend onder de Regeling zoals beschreven bij lid 2 van deze toelichting. 5. Juridische kanttekening In de toelichting bij de Regeling stond vermeld dat dit Besluit zou worden voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij is ervan uitgegaan dat dit Besluit een zogenoemd concretiserend besluit van algemene strekking zou zijn, waar rechtsmiddelen tegen openstaan. Bij nader inzien gaat het om een besluit van algemene strekking niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift waartegen geen rechtsmiddelen openstaan. Om toch belanghebbenden en anderen gelegenheid te bieden te reageren op het ontwerpbesluit is besloten tot internetconsultatie.
Rechtsbescherming staat open tegen de beschikkingen die zullen worden genomen op basis van de Regeling en dit besluit waarbij voor individuele producenten, producentenorganisaties en overheidsorganisaties de hoogte van de bijdragen onderscheidenlijk de vergoedingen worden vastgesteld. Ook in dit opzicht is sprake van voortschrijdend inzicht, in de toelichting bij de Regeling ervan werd uitgegaan dat in ieder geval de vaststelling van de hoogte van de vergoeding niet een besluit betrof maar een feitelijke handeling. II Artikelsgewijs Artikel 1 In dit artikel wordt een aantal begrippen gedefinieerd. Artikel 2 Artikel 3.1, derde lid, van de Regeling schrijft voor dat de Minister het kostenaandeel zwerfafval kunststofproducten per kunststofproductsoort ten minste vierjaarlijks op basis van kostenonderzoek vaststelt. Met dit artikel is daaraan voor het peiljaar 2023 toepassing gegeven. De uitvoeringskosten bedoeld in onderdeel d en de kosten van bewustmakingsmaatregelen bedoeld in onderdeel f staan hier apart vermeld maar worden uiteindelijk verdisconteerd in de bijdrage per product.
Artikel 3 Ingevolge artikel 3.1, zesde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing als een producentenorganisatie een afvalbeheerbijdrage int voor een kunststofproductsoort, genoemd in de bijlage, deel E, van de EU-richtlijn kunststofproducten voor eenmalig gebruik op grond van een overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage als bedoeld in artikel 15.36 van de wet en de te innen afvalbeheerbijdrage ten minste het door de Minister vastgestelde kostenaandeel zwerfafval kunststofproducten als bedoeld in het tweede lid, voor een kunststofproductsoort bedraagt. Deze bepaling is van toepassing ten aanzien van kunststofverpakkingen als bedoeld in artikel 15f van het Besluit beheer verpakkingen nu producentenorganisatie Verpact betreffende bijdragen int op grond van de algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een afvalbeheerbijdrage voor verpakkingen. Het totaal van deze bijdragen moet ten minste het in dit artikel genoemde som bedragen die is gebaseerd op het eerder vermelde Kostenonderzoek en een correctiefactor nu de financiële UPV-verplichting eerst op 5 januari 2023 inging. Van belang om hierbij te vermelden is dat het gaat om eenmalig toegepaste correctiefactor, aangezien de UPV verplichting in toekomstige jaren steeds voor het gehele jaar zal gelden.
Artikel 4 Voor vochtige doekjes, ballonnen en tabaksfilters is er niet een producentenorganisatie die een afvalbeheerbijdrage int, zodat artikel 3.1, eerste en tweede lid, van de Regeling ten aanzien van deze kunststofproducten voor eenmalig gebruik wel van toepassing is. Het tweede lid bepaalt dat de Minister de bijdrage per in de handel gebracht kunststofproduct vaststelt. De hoogte van de bijdrage bedraagt het kostenaandeel zwerfafval per kunststofproductsoort, gedeeld door het aantal in de handel gebrachte kunststofproducten van die soort. Daarbij is voor de eenheid waarover de bijdrage moet worden betaald
aangesloten bij de wijze waarop wordt gerapporteerd. Voor vochtige doekjes en ballonnen zijn dit gewichtseenheden en voor tabaksfilters aantallen. De bijdragen per product zijn op hele centen naar beneden afgerond, opdat producenten in ieder geval niet te veel hoeven te betalen. Artikel 5 Dit artikel bepaalt hoe de bijdrage die producenten moeten betalen wordt bepaald en dat deze wordt gecorrigeerd met een factor die aangeeft op welk deel van het jaar de verplichting betrekking heeft. Artikel 6 Artikel 6 maakt inzichtelijk hoe de kosten zijn verdeeld over de verschillende typen overheidsorganisaties die gebied beheren en daarbij verantwoordelijk zijn voor het opruimen van zwerfafval. De verschillende (typen) overheidsorganisaties waren in de toelichting van de Regeling reeds geïdentificeerd. Met betrekking tot gemeenten is gebleken dat de kosten voor het opruimen van zwerfafval sterk variëren met de relatieve grootte van de gemeente. Vooral in de vier grote steden blijken de kosten voor het opruimen van zwerfafval relatief hoog te zijn. Er is daarom een nader onderscheid gemaakt tussen grote steden, (overige) grote gemeenten, middelgrote gemeenten en kleine gemeenten. Nu Staatsbosbeheer geen gegevens heeft overgelegd, is de wegingsfactor op 0% gesteld. Ook voor de kosten van bewustmakingsmaatregelen is een verdeling over de verschillende typen overheidsorganisaties opgenomen.
Artikel 7 In artikel 7 is bepaald dat voor gemeenten het inwonertal het bepalende gebiedskenmerk is, voor provincies de oppervlakte en voor waterschappen de lengte van de waterwegen. Voor de overige overheidsorganisaties die gebied beheren – Rijkswaterstaat, ProRail en Staatsbosbeheer – is niet nodig een gebiedskenmerk te identificeren, nu het steeds om één organisatie gaat. Daarbij is uitgegaan van de werkelijke kosten die betreffende overheidsorganisaties in 2023 hebben gemaakt om plastic zwerfafval op te ruimen. Artikel 8 Het eerste lid van artikel 8 maakt inzichtelijk hoe de vergoeding per overheidsorganisatie vervolgens wordt uitgerekend. Voor gemeenten, provincies en waterschappen betreft dit het product van het gebiedskenmerk – inwonertal, oppervlakte resp. lengte waterwegen – met de kosten per gebiedskenmerk zoals bepaald in artikel 7. Voor de overige overheidsorganisaties is dat de desbetreffende wegingsfactor van artikel 6 vermenigvuldigd met het te innen totaalbedrag, zijnde de som van de in artikel 3 genoemde bedragen per kunststofproductsoort. Daarbij moet worden aangetekend dat overeenkomstig het tweede lid de uit te keren vergoeding is gebaseerd op het feitelijk geïnde bedrag op de peildatum. Immers kan niet worden uitgesloten dat niet alle verschuldigde bedragen op die datum binnen zijn bij de uitvoerende organisatie.
Dat betekent niet dat producenten die bijdragen daarna niet meer hoeven betalen, of dat overheidsorganisaties daarop geen aanspraak meer kunnen maken. Later binnengekomen betalingen worden overeenkomstig het derde lid aangehouden en op een later moment naar rato uitgekeerd, ten laatste bij de volgende uitkeringsronde in 2025.