CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

3.Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026

Raadsvergadering 9 juli 2026, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Nieuwe verordeningen voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning9.338 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026 Algemeen deel Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: wet) en valt binnen de kaders van het ‘Verdrag inzake de rechten van een personen met een handicap’. Met de wet is de gemeente verantwoordelijk geworden voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking. Een van de uitgangspunten is dat er telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner en zijn sociale netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen en of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten voorziet de gemeente in de behoefte aan beschermd wonen en opvang.

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de inwoner, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociale netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de wet valt. De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom, in hoofdlijnen, vast. Indien de inwoner van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar.

De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

De wet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel nietondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De verordening Maatschappelijke ondersteuning wordt met deze herziening losgekoppeld van de verordening Jeugdhulp. Voor deze herziening was dit één integrale verordening, maar gezien het proces in de praktijk én de Jeugdwet en de wet niet volledig overeenkomen, is ervoor gekozen een aparte verordening Maatschappelijke ondersteuning te realiseren. Om de overeenkomsten tussen beide verordening wel te waarborgen, is de volgorde van de verordening Maatschappelijke ondersteuning en de verordening Jeugdhulp zo veel mogelijk hetzelfde. Wat de gemeente moet regelen in de Verordening De wet schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.

In de verordening moet overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de wet in ieder geval bepaald te worden: •

• • • •

•

• •

op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners vereist is; ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; op welke wijze ingezeten, waaronder inwoners of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.

Ook moet de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de wet per verordening regels te stellen: •

•

voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de wet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Keuzes voor de gemeente vanuit de wet Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de wet: •

•

•

•

bepalen dat inwoners voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de inwoner de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de inwoner en zijn partner; bepalen dat in geval van een minderjarige inwoner die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de inwoner uitoefent; bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Artikelsgewijze toelichting Hier worden enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven nader toegelicht. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen In dit hoofdstuk zijn alle begrippen gedefinieerd die belangrijk zijn om de verordening te begrijpen. Begrippen die in de wet gedefinieerd worden, worden – in de regel – niet opgenomen in de begripsbepaling van de verordening. Daarbij hebben alle begrippen die in de verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven, dezelfde betekenis als in de wet.

Artikel 1. Definities Onderdeel a: algemeen gebruikelijke voorziening Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de inwoner, draait het om het beantwoorden van de vraag of de inwoner ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal criteria een rol spelen, zoals: a. de voorziening is algemeen verkrijgbaar; b. de voorziening is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking; c. de voorziening is niet aanzienlijk duurder dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel. Daarnaast spelen de individuele omstandigheden van de inwoner, zoals leeftijd en inkomen, een rol. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college daarom altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager. Dit past ook bij het oordeel van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) die aangeeft dat een voorziening algemeen gebruikelijk is wanneer deze naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten. Onderdeel b: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp.

Er vindt voorafgaand geen diepgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner. Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig. Onderdeel c: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de inwoner kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Onderdeel f: cliëntondersteuning Onafhankelijke cliëntondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Onderdeel g: eigen bijdrage Uit artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. De eigen bijdrage vanuit de wet wordt geïnd door het CAK, zoals benoemd in artikel 2.1.4b van de wet.

Onderdeel h: eigen kracht De inzet van sociale netwerken bij het aanspreken van de eigen kracht, oftewel de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en diens omgeving, is een rode draad in de geschiedenis bij maatschappelijke ondersteuning. Achterliggende gedachte is dat door de inzet van eigen kracht en het benutten van het sociale netwerk inwoners minder afhankelijk worden van professionele hulp en dat de effecten van hulp duurzamer zijn. Onderdeel j: hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van inwoner is. Wanneer de inwoner zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk. Onderdeel k: inwoner Omwille van de toegankelijkheid en duidelijkheid van deze verordening is het begrip inwoner in deze verordening geïntroduceerd. Een inwoner is een cliënt als bedoeld in wet. De cliënt kan, als hij ingezetene is van de gemeente IJsselstein, in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 van de wet).

Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) belangrijk is maar niet doorslaggevend. De gemeente IJsselstein gaat uit van de daadwerkelijke verblijfplaats, waarbij de inschrijving in het BPR als hulpmiddel wordt gebruikt. Van belang bij vaststelling van iemands woonplaats zijn de concrete feiten en omstandigheden. Daarbij kijk je bijvoorbeeld naar: -

De plek waar iemand slaapt; Waar iemand zijn persoonlijke bezittingen heeft; Waar iemand meestal eet, doucht, de was doet en zijn administratie regelt; Waar iemand zijn sociale contacten heeft.

Onderdeel n: melding Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de inwoner de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de inwoner zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een inwoner alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een

algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Onderdeel p: persoonlijk plan Het persoonlijk plan omschrijft de ondersteuning die de inwoner nodig heeft om deel te kunnen nemen aan de samenleving en zo zelfstandig mogelijk te zijn, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de wet. In het plan kan de client, al dan niet tezamen met zijn persoonlijk netwerk, de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 onderdelen a tot en met g van de wet en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 onderdelen a tot en met g van de wet, worden onderzocht door het college. Doordat de client hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de client zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de client een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de wet versterkt.

Onderdeel q: pgb Het bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een client van derden heeft betrokken. Het persoonsgebonden budget wordt in het spraakgebruik vaak aangeduid als ‘pgb’. Onderdeel r: pgb-plan Dit plan, waarvoor een format van de gemeente beschikbaar is, gaat over de inzet van een pgb. Naast het pgb-plan dat de inwoner zelf invult, moet de zorgaanbieder of zorgverlener een zorgplan maken. In het pgb-plan geeft de inwoner aan wat er ongeveer moet gebeuren. In het zorgplan moet heel precies staan wat de zorgverlener voor de inwoner gaat doen en hoe de zorgverlener dat gaat doen. Dat moet dus veel duidelijker dan in het pgb-plan.

Hoofdstuk 2. Vormen van maatschappelijke ondersteuning Artikel 2. Algemene voorzieningen Het college is ervoor verantwoordelijk dat er voldoende toegankelijke voorzieningen zijn voor inwoners met een hulpvraag, waaronder algemene voorzieningen. Dit zijn laagdrempelige voorzieningen voor inwoners met een hulpvraag, waarvoor geen officiële verwijzing nodig is. In dit artikel worden algemene voorzieningen benoemd die in ieder geval beschikbaar zijn.

Artikel 3. Maatwerkvoorzieningen In dit artikel worden de maatwerkvoorzieningen benoemd die in ieder geval beschikbaar zijn. Een maatwerkvoorziening is niet vrij toegankelijk. De toegang en procedure via het college zijn beschreven in hoofdstuk 3 van deze verordening. De voorwaarden die verbonden zijn aan een maatwerkvoorzieningen zijn benoemd in hoofdstuk 4. De maatwerkvoorzieningen worden regionaal ingekocht bij verschillende aanbieders. Welk type maatwerkvoorziening nodig is, verschilt per individuele situatie. Daarom doet het college eerst zorgvuldig onderzoek naar de hulpvraag en daarbij passende hulp. Uit dat onderzoek kan ook naar voren komen dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter ontlasting van een mantelzorger. Dit noemen we respijtzorg.

Hoofdstuk 3. Toegang Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de inwoner de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de wet. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de inwoner geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de inwoner zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de inwoner na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet.

Artikel 4. Melding Lid 1 In de wet is bepaald in artikel 2.3.2 lid 1 dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling is ook verankert in de verordening. De melding is vormvrij en kan ‘door of namens de inwoner’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Lid 2 In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd, zoals benoemd in artikel 2.3.2 lid 1, slotzin, van de wet. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2 lid 1 van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Lid 3

Overeenkomstig artikel 2.2.4 lid 1 van de wet moet het college ervoor zorgen dat er voor alle ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is. Bovendien moet de inwoner en zijn mantelzorger voor het onderzoek gewezen worden op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning, zoals benoemd i artikel 2.3.2 lid 3 van de wet. Volgens artikel 2.2.4 lid 2 moet het college de inwoner op de hoogte stellen van de mogelijkheid om een persoonlijk plan te overhandigen aan het college. Dit kan binnen zeven dagen na de melding. Lid 4 In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Lid 1 en 2 Bij het onderzoek zal in samenspraak met de inwoner en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een maatwerkvoorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de inwoner (en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger) wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de inwoner en de thuissituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de inwoner (en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger).

Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de hulpvraag Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is.

Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost Slechts voor zover die eigen mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen.

Lid 3 Deze bepaling is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Doordat de gemeente aan de inwoner een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt, wordt deze in staat gesteld een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Het ondersteuningsplan bevat echter geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken. Een goede weergave hiervan maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de inwoner. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek anders zijn naar gelang de uitkomsten van het onderzoek variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de inwoner van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente het ondersteuningsplan ook gebruiken als een met de inwoner overeengekomen plan voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien worden vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de

inwoner dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het ondersteuningsplan. Soms kan een ondersteuningsplan al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de inwoner bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is een paar dagen tijd na het gesprek nuttig. Als een inwoner aangeeft dat hij niet akkoord is met het ondersteuningsplan en daarbij tevens de reden aangeeft, dan wordt onderzocht of deze inbreng relevant is voor de uitkomst van het onderzoek en of dit een wijziging betekent van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 6. Aanvraag maatwerkvoorziening In het eerste lid is aangegeven dat naast de inwoner alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de inwoner die een melding kan doen (artikel 4 van de verordening). Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van ondertekende ondersteuningsplan hoeft niet in behandeling genomen te worden. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5 lid 2 van de wet). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af.

Artikel 7. Advisering Het is mogelijk om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt.

Hoofdstuk 4. Voorwaarden maatwerkvoorzieningen Artikel 8. Criteria maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3 lid 2 onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Daar is in dit artikel uitvoering aan gegeven, met de

kanttekening dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening altijd op maatwerk aankomt. In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de inwoner zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Lid 3 Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere maatwerkvoorzieningen ‘Wonen’. De achterliggende gedachte is dat er op die manier zo efficiënt mogelijk kan worden omgegaan met de beschikbare woningvoorraad en financiële middelen. Hoe het primaat van verhuizen wordt getoetst is verder opgenomen in artikel 11 van de verordening. Het college onderzoekt hierbij wel altijd, of een voorziening voor verhuizing en inrichting een passende compenserende voorziening is. Dit volgt uit jurisprudentie hierover, zoals in CRvB 09-12-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6971 en CRvB 31-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6619.

Lid 5 Bureau HHM is een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau. Dit bureau heeft een normenkader tot stand gebracht voor het resultaatgericht indiceren van maatwerkvoorzieningen ‘Huishouden’, met een onderbouwing die voldoet aan de eisen die de rechter hieraan stelt. Zie voor jurisprudentie CRvB 10-12-2018, ECLI:NL;CRVB:2018:3835. Lid 6 Het college mag volstaan met een maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ waarmee een inwoner tot 1500 kilometer per jaar kan reizen. Dit volgt onder andere uit jurisprudentie: CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463. Lid 8 In sommige gevallen zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen mogelijk. Het college mag dan kiezen voor de goedkoopste voorziening, zolang deze voorziening passend is bij de hulpvraag. Een voorbeeld hiervan is de driewielfiets met trapaandrijving. Als een driewielfiets zonder trapaandrijving passend is om de hulpvraag op te lossen, zal het college hiervoor kiezen. Ook als de inwoner de voorkeur geeft aan een elektrische driewielfiets. Deze wordt niet vergoed als daartoe geen noodzaak is.

Artikel 10. Financiële tegemoetkoming Dit artikel is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de CRvB dat het (ook) onder de wet mogelijk is om een financiële tegemoetkoming te verstrekken. Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen. Deze is niet in de verordening opgenomen, waarvan de onderbouwing in de beleidsregels staat. Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de inwoner aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van artikel 2.3.6 van de wet voldoet. De wet verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële tegemoetkomingen. Toch is ervoor gekozen, om de inzet van financiële tegemoetkomingen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Met ‘financiële tegemoetkoming’ wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie gegeven, het betreft een verstrekkingswijze (in zekere zin de 3e variant, naast in natura en als pgb).

Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) tegemoetkoming ‘een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’. Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. Deze mag echter niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dan kan deze namelijk niet gelden als maatwerkvoorziening.

Artikel 12. Weigeringsgronden Uit artikel 2.1.3 van de wet volgt dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Een afwijzing van een maatwerkvoorziening zal gebaseerd moeten worden op in de verordening opgenomen weigeringsgronden. Dit is van belang voor de rechtszekerheid. Lid 1 onderdeel a Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de wet. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de inwoner niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 van de wet).

Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. Dat kan een andere voorziening zijn, zoals een voorziening vanuit de Wet langdurige Zorg of Zorgverzekeringswet. Ook kan het bijvoorbeeld gaan om een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals mediation bij echtscheiding of een lokaal aanbod vanuit de welzijnsorganisatie of andere organisaties. De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de wet open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de inwoner daar echt aanspraak op heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat inwoner daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).

Lid 1 onderdeel b In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (kamerstukken II, 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) beschreven dat een maatwerkvoorziening uitdrukkelijk een hekkensluiter is: ‘Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. Denk hierbij aan iemand die is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht. Dan had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen’.

De wet stelt in artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, aanhef en onder a dat er in elk geval bij verordening moet worden vastgesteld op welke wijze en op basis van welke criteria of voorwaarden wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Daarom is het van belang ook expliciet

weigeringsgronden op te nemen voor afwijzing van een maatwerkvoorziening. Gelet op het citaat hierboven, kan het college een maatwerkvoorziening afwijzen als ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Lid 1 onderdeel c Soms maakt een inwoner al langere tijd gebruik van een voorziening, die ook als maatwerkvoorziening te verstrekken is. De inwoner heeft deze voorziening steeds zelf bekostigd. Er was immers geen noodzaak tot een maatwerkvoorziening als gevolg van een beperking. Als er na enige tijd wel een beperking ontstaat bij de inwoner kan de inwoner een maatwerkvoorziening op basis van deze verordening wensen. Na onderzoek kan in die gevallen de conclusie getrokken worden dat er geen meerkosten zijn ontstaan ten aanzien van de situatie voordat de beperking optrad. Het college hoeft in dat geval geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Lid 1 onderdeel d Soms meldt een inwoner zich bij het college terwijl de hulp al is gestart of afgerond. De inwoner vraagt dan om vergoeding van deze hulp, op grond van deze verordening. In het geval dat hulp al is afgerond op het moment van melding, dan vergoedt het college deze hulp niet met terugwerkende kracht. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om de hulpvraag tijdig te melden bij het college.

Uit jurisprudentie ECLI:NL:RBOBR:2014:3092 kan worden afgeleid dat het college de hulp niet hoeft te vergoeden als er op het moment van aanvraag sprake is van voldoende eigen kracht. Dit ligt iets anders als een inwoners zich meldt bij wie nog sprake is van een actuele hulpvraag. Als de inwoner zelf al hulp heeft ingezet, maar er is nog wel sprake van een hulpvraag, dan zal het college moeten onderzoeken of deze hulp inderdaad passend is. Dit sluit aan bij jurisprudentie die hierover in de oude Wmo 2007 is verschenen ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6485. Lid 1 onderdeel e Hier wordt gedoeld op de situatie dat de inwoner een voorziening aanvraagt, nadat hij deze al heeft gerealiseerd of aangekocht. Als het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer kan beoordelen, kan het college de voorziening weigeren. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Lid 1 onderdeel f Als een maatwerkvoorziening onveilig is, of risico’s met zich meebrengt voor de inwoner of anderen zal deze niet worden ingezet. Onder risico’s wordt ook de (dreigende) overbelasting verstaan van degene die de hulp aan inwoner biedt. Maatwerkvoorzieningen dienen immers veilig, doeltreffend, en cliëntgericht te zijn.

Dit volgt uit artikel 3.1 lid 2 onder a van de wet.

Lid 1 onderdeel i Een maatwerkvoorziening heeft uiteindelijk als doel om de zelfredzaamheid van de inwoners zoveel mogelijk te stimuleren, te herstellen of te ondersteunen. In sommige gevallen draagt hulp hier op de lange termijn niet aan bij. Zowel onder de WVG als de Wmo 2007 oordeelde de CRvB dat een voorziening met een anti-revaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat deze voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen (zie CRvB 11-052016, ECLI:NL:CRVB:2016:1741, CRvB 23-10-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2254, CRvB 15-01-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1077 en Vzr. Rechtbank Maastricht 2507-2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9826). Lid 1 onderdeel j Een maatwerkvoorziening wordt pas verstrekt als deze noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid van de inwoner. Als er al de nodige hulp aanwezig is die passend is bij de hulpvraag, dan zal er daarnaast of in plaats daarvan, geen nieuwe maatwerkvoorziening worden toegekend. Lid 2 onderdeel a Hier wordt benadrukt dat een inwoner alleen in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening ‘Wonen’ voor een woning die het gehele jaar door bewoond wordt. Ook hier geldt dat het uitgangspunt de hulpvraag is. Het college zal samen met de inwoner, binnen de hiervoor gestelde kaders, zoeken naar een passende oplossing voor de hulpvraag.

Lid 2 onderdeel b Een maatwerkvoorziening op basis van de wet wordt verstrekt als een voorziening die op een individu is gericht. Daarom worden geen maatwerkvoorzieningen verstrekt ten behoeve van een openbare ruimte van bijvoorbeeld wooncomplexen. In de beleidsregels wordt dit nader toegelicht. Lid 2 onderdeel c Een maatwerkvoorziening ‘Wonen’ hoeft niet van hetzelfde uitrustingsniveau te zijn als de rest van de woning. Zolang de voorziening toereikend is voor de hulpvraag van de inwoner, zal worden uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. Lid 2 onderdeel d Het college zal onderzoeken of er sprake is van een algemeen gebruikelijke renovatie van (een deel van) de woning. Lid 2 onderdeel e Het college mag een maatwerkvoorziening ‘Wonen’ weigeren als de behoefte aan die voorziening het gevolg is van een verhuizing, waarvoor geen noodzaak bestond op grond van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie of een andere

belangrijke reden. Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid om te kiezen voor een woning die passend is bij hun behoeften. Dit volgt uit jurisprudentie, onder andere: CRvB 02-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1751 en CRvB 10-04-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7735. Lid 2 onderdeel f Als er al beperkingen aanwezig zijn voordat een inwoner een nieuwe woning betrekt, mag van de inwoner verwacht worden hierover vooraf contact te zoeken met het college. Zo kan gezamenlijk bekeken worden of er een beter passende woning beschikbaar is of een woning die gemakkelijker aan te passen is aan de behoeften van de inwoner. Dit volgt uit jurisprudentie hierover: CRvB 19-09-2013, nr. 11/4840. Lid 3 Wanneer een maatwerkvoorziening is verstrekt en deze voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Hiermee wordt verspilling van nog goed functionerende maatwerkvoorzieningen voorkomen. Behalve de technische staat van de maatwerkvoorziening kunnen er andere redenen zijn, waarbij vervanging noodzakelijk en mogelijk is. Dit kan het geval zijn als de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen. Bijvoorbeeld oorzaken van buitenaf zoals een verkeersongeluk of woningbrand.

Het belangrijkste daarbij is dat de inwoner geen schuld heeft aan het feit dat de voorziening niet meer adequaat of bruikbaar is. Als er wel sprake is van verwijtbaar gedrag of omstandigheden die aan de inwoner zelf zijn toe te rekenen, kan de maatwerkvoorziening slechts verstrekt worden als de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten.

Hoofdstuk 5. Beschikking Artikel 13. Inhoud beschikking De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Uitgangspunt van het college is dat de inwoner een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget.

Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden budget Artikel 14. Regels voor pgb

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Als de inwoner in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een pgb-plan opstellen. De wet noemt in artikel 2.3.6 een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het pgb-plan uit lid 1 en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. De inwoner wordt namelijk verplicht een pgb plan aan te leveren. In dit plan (inclusief eventuele bijlagen) beschrijft de inwoner onder andere op welke manier het budget besteed zal worden, welke ondersteuning wordt ingekocht, bij wie en waarom voor een (on) gecontracteerde aanbieder is gekozen. Het pgb plan is nodig voor het college om onder andere te kunnen vaststellen of de inwoner in staat is een pgb te beheren en of de ondersteuning die de inwoner wil inkopen veilig, doeltreffend en inwonergericht is. Het college stelt een format ter beschikking uit praktische overwegingen. Ze is dan verzekerd van ontvangst van alle benodigde informatie en weet waar deze informatie in het pgb plan te vinden is.

Als een inwoner ervoor kiest met het pgb professionele ondersteuning in te kopen, gelden hiervoor dezelfde kwaliteitseisen aan de aanbieder van deze ondersteuning als wanneer deze ondersteuning via zorg in natura door het college zou zijn ingekocht. Deze kwaliteitseisen zijn opgenomen in de beleidsregels.

Artikel 16. Hoogte pgb Lid 1 en 2 Op grond van artikel 2.1.3 lid 2 onder b van de wet dient bij verordening de essentialia te worden vastgesteld voor het bepalen van de hoogte van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. In het eerste en tweede lid is vastgesteld hoe de hoogte van het pgb wordt berekend. Hierbij gaat het tweede lid specifiek in op de hoogte van het pgb voor een zaak, oftewel hulpmiddelen en woningaanpassingen. Lid 3 Een op basis van deze berekening vastgesteld budget moet de inwoner in staat stellen de benodigde ondersteuning van derden te betrekken. Waarbij dus geldt dat het college het pgb gedeeltelijk kan weigeren wanneer de kosten van het pgb hoger zijn dan de maatwerkvoorziening in natura. De hoogte van een pgb wordt in belangrijke mate bepaald door wat dit het college zou kosten als het de betreffende maatwerkvoorziening in natura zou verstrekken (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura’).

Zoals blijkt uit onderdeel b is het college bevoegd een lager tarief dan het tarief in natura voor de berekening als uitgangspunt te hanteren, aangezien een zelfstandige zonder personeel met aanzienlijk lagere overheadkosten ondersteuning kan bieden dan de grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen. De 25% lagere kosten overhead is een redelijke norm gerekend vanuit de cao VVT/GGZ. In dit lid is vastgelegd dat als de zorg die met het pgb wordt ingekocht geleverd wordt door het sociaal netwerk, hiervoor altijd een tarief wordt gerekend ongeacht de professie van de aanbieder. Het pgb-tarief voor informele hulp moet hoog genoeg zijn om tenminste het wettelijke minimumloon en vakantiegeld te betalen. Met de hoogte van dit tarief wordt aansluiting gezocht bij het minimumloon. Als in een individueel geval aantoonbaar is dat de berekeningswijze zoals verwoord in dit artikel leidt tot een pgb-hoogte waarmee de inwoner niet in staat is de benodigde ondersteuning van derden te betrekken, dan wordt er in dat geval van de berekeningswijze afgeweken. Uiteraard nog steeds met de kanttekening dat het college een pgb voor dat deel kan weigeren waar de kosten van het betrekken van de ondersteuning van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura.

Het is aan het college om (cijfermatig) te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderbouwen en/of te onderzoeken dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde ondersteuning van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij het college. Het is evenwel aan de inwoner om eventuele bijzonderheden aan te kaarten.

Hoofdstuk 7. Bijdrage in de kosten De gemeente mag van inwoners een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen. Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorziening, inclusief pgb Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.4a van de wet. Alle maatwerkvoorzieningen zijn bijdrageplichtig, met uitzondering van collectief vervoer en de wettelijk uitgesloten maatwerkvoorzieningen zoals rolstoelen (lid 3). Zie hiervoor het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Voor algemene voorzieningen wordt geen eigen bijdrage gevraagd, deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Hiermee wordt beoogd dat de toegang laagdrempelig is waarmee de algemene voorzieningen een preventieve werking kunnen hebben. De bijdrage in de kosten wordt voor de gemeente geïnd door het CAK. De bijdrage in de kosten mag niet hoger zijn dan de

landelijk vastgestelde kaders. Ook mag de bijdrage niet hoger zijn dan de kostprijs die de gemeente voor de maatwerkvoorziening betaalt. De wijze waarop door de gemeente de kostprijs wordt bepaald is vastgelegd in het vijfde lid. Lid 5 onderdeel c Aan een inwoner wordt voor elke rit per collectief vervoer als maatwerkvoorziening een ritbijdrage gevraagd. Dit is een gereduceerd tarief dat een inwoner betaalt voor het reizen in de directe woon- en leefomgeving. Lid 6 Het is denkbaar dat aan een inwoner, ook als er geen eigen bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet gevraagd wordt, bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening of een algemene voorziening wel een kleine vergoeding gevraagd wordt bij het gebruik van deze voorziening. Bijvoorbeeld het nuttigen van koffie met taart of het gebruik van bijzondere materialen. Het gebruik maken hiervan is altijd vrijwillig en de kosten zijn nooit hoger zijn dan de algemeen gebruikelijke kosten hiervoor. Lid 7 Op grond van artikel 2.1.5 lid 1 van de wet kan de gemeente bepalen dat in geval van een minderjarige inwoner die niet zelf de eigenaar is van de woning, de bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de inwoner uitoefent.

Hoofdstuk 8. Herziening, intrekking, terugvordering en controle Artikel 18. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 lid 4 van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is echter een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de inwoner en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Het artikel bevat grotendeels een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikelen 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 van de wet). Met opname van deze

wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In de artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het zesde lid is dan ook een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom of in bruikleen verstrekte voorzieningen.

Artikel 19. Fraudepreventie en controle Artikel 6.1 lid 1 van de wet geeft de verplichting een toezichthouder aan te wijzen. Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen gaat als het goed is een poging vooraf dit te ‘voorkomen’. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de inwoner en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het vierde lid deze ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.

Hoofdstuk 9. Kwaliteit Artikel 21. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders. De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven.

Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel

2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. In artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de kwaliteitseisen. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen.

Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2 Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Lid 3 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. Lid 4 Dit lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen.

Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Lid 5 Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 van de wet). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 23. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 23 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen (eerste lid) en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld (derde lid).

Hoofdstuk 10. Klachten, inspraak en medezeggenschap Artikel 24. Klachten De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet een regeling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot de klachtregeling door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Artikel 25. Betrekken van inwoners bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Het gaat dus uitdrukkelijk om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. In het verleden moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (hierna: Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de wet is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen en slotbepalingen Artikel 27. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Mantelzorgers komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering, het betreft hier zowel mantelzorgers die wonen in de gemeente IJsselstein of mantelzorg verlenen in de gemeente IJsselstein. De blijk van waardering kan ook aan mantelzorgers worden toegekend die in een andere gemeente wonen maar mantelzorg verlenen aan een inwoner van IJsselstein. Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan artikel 2.1.6 van de wet.

Het is niet relevant of aan inwoners ook een voorziening op grond van deze verordening is toegekend. Wel is het belangrijk dat de mantelzorgers zich hebben aangemeld bij het Steunpunt Mantelzorg, zodat het college weet wie de mantelzorgers zijn.

Artikel 28. Evaluatie Het door het college gevoerde beleid wordt tenminste eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, wordt de verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na vier jaar na inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 29. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid van dit artikel is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen, die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. In lid 4 is bepaald dat lopende bezwaarschriften volgens de oude verordening worden afgehandeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16991491/1