3.1 RKIJ PvA ondermijning raad en college
Tekst van het document
Plan van aanpak onderzoek ondermijning 17 januari 2025
Inleiding Het onderwerp ‘ondermijning’ staat op de groslijst van onderwerpen voor onderzoek en is in de recente enquête relatief vaak aangegeven als interessant door de raadsleden. Ondermijning betreft, in het kort, de schadelijke (lokale) eHecten van georganiseerde criminaliteit1 op de samenleving. Bij ondermijnende criminaliteit geldt dat de ondermijning zelf niet het uiteindelijke doel is van criminelen, maar eerder een bijeHect van hun activiteiten. Er is daarmee altijd sprake van een gronddelict waarmee (veel) geld wordt verdiend. Daarnaast zijn bij ondermijning de boven- en onderwereld met elkaar verweven. Dit tast de beoogde en legale werking van het samenlevingssysteem aan. Een belangrijk ondermijnend eHect is dat georganiseerde criminaliteit te vaak loont en dat (witgewassen) crimineel geld wordt geïnvesteerd in vastgoed en bedrijven (LIEC, 2019). Dit resulteert in bewegingen van de ‘onderwereld’ naar de ‘bovenwereld’. Criminelen maken gebruik van legale diensten van de bovenwereld, bijvoorbeeld: banken, verzekeraars of financieel adviseurs om criminele winsten wit te wassen, post- en pakketdiensten om xtc-pillen te versturen, een elektricien voor de aanleg van een hennepkwekerij, huiseigenaren of vastgoedbedrijven die (onder druk) panden laten gebruiken voor handel in drugs of wapens en huisjes op vakantieparken voor illegale prostitutie of drugshandel.
De kern van het begrip ondermijning is dus dat het niet alleen gaat om georganiseerde criminaliteit an sich, maar om de maatschappelijke schade daarvan. Deze criminaliteit is bedreigend vanwege onder meer het risico op verslaving, geweld, slachtoHerschap (b.v. uitbuiting) of oneerlijke concurrentie. Ondermijnende criminaliteit kan bijvoorbeeld leiden tot: onveiligere woonwijken door brandgevaarlijke drugslabs en hennepkwekerijen, corruptie van ambtenaren door omkoping of afpersing, jongeren die worden benaderd en ingezet als drugskoerier, verkoop van drugs op festivals en evenementen, drugsafval dat wordt gedumpt in de natuur, boeren die (onder druk) hun schuur afstaan voor de productie van drugs en afrekeningen in het criminele circuit op straat en op klaarlichte dag. Tegelijkertijd gaat er aantrekkingskracht uit van de criminele wereld (Tops & Tromp, 2017). Met drugshandel, drugsproductie, arbeidsuitbuiting en fraude kan veel geld worden verdiend. Criminelen investeren in bedrijven, zorgen voor illegale en semi-illegale werkgelegenheid of leveren (te) goedkope arbeidskrachten.
Ondermijnende criminaliteit is georganiseerde Er is sprake van georganiseerde criminaliteit ‘‘indien groepen die primair gericht zijn op illegaal gewin systematisch misdaden plegen met ernstige gevolgen voor de samenleving, en in staat zijn deze misdaden op betrekkelijk e;ectieve wijze af te schermen.” (Fijnaut et al., 1996)
1
criminaliteit die dicht bij burgers, lokale bestuurders en gemeenteambtenaren komt (Tops & Van der Torre, 2015). Criminelen schermen praktijken af, maar georganiseerde criminelen hebben de legale wereld – waaronder het lokaal bestuur – hard nodig. Bijvoorbeeld voor vergunningen (b.v. een horeca- of een bouwvergunning), voor een wijziging van een bestemmingsplan, om arbeidsmigranten in te schrijven, om BSN-nummers aan te vragen, voor een subsidieaanvraag, om vastgoedprojecten te ontwikkelen of om zorgcontracten af te sluiten. Het is daarom belangrijk dat ambtenaren en bestuurders zaken niet alleen juridisch of economisch beoordelen, maar ook op ondermijningsrisico’s. Het betekent ook dat ‘ondermijning’ niet een kwestie is van alleen de burgemeester of van ambtenaren op het terrein van openbare orde en veiligheid en van toezicht, handhaving en vergunningverlening. Ondermijning raakt veel afdelingen of teams in de gemeentelijke organisatie. Naast klassieke veiligheidsafdelingen gaat het in bijzonder om de ‘harde sector’ (vastgoed, projectontwikkeling, economische zaken), het sociaal domein, burgerzaken en allerhande ambtenaren of (ingehuurde) professionals die vanwege hun taak op straat komen.
Rode draden uit het vooronderzoek In het vooronderzoek is aan de hand van onderzoeken, websites, het raadsinformatiesysteem van de gemeente IJsselstein en een oriënterend gesprek over het onderwerp op ambtelijk niveau, bekeken of het onderwerp geschikt is om uit te werken tot een onderzoeksvoorstel. Hierbij is gekeken naar onderzoekbaarheid, mogelijke focus, en timing (ten opzichte van lopende evaluaties en ontwikkelingen binnen de gemeente). Uit dit vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het onderwerp Ondermijning in IJsselstein een zinvol onderwerp is voor nader rekenkameronderzoek. Ook kan worden vastgesteld welke inhoudelijk focus en timing van het onderzoek hierbij wenselijk zijn. Rode draden •
Bij de preventieve en repressieve aanpak van ondermijning heeft de gemeente een belangrijke taak, in aanvulling op misdaadbestrijding door opsporingsinstanties. In het Coalitieakkoord 2022-2026 ‘Vóór IJsselstein’ is dan ook een van de acties op het gebied van veiligheid: ‘Samen met onze partners werken we aan de bestrijding van de Georganiseerde Ondermijnende Criminaliteit (GOC).’
•
Op landelijk en regionaal niveau blijft er aandacht voor het thema ondermijning. Elke vier jaar stelt de Minister van Justitie en Veiligheid de landelijke veiligheidsagenda vast. Daarin zijn landelijke beleidsdoelstellingen voor de taakuitvoering van de politie opgenomen. Ondermijning en georganiseerde criminaliteit is hierin een van de vier thema’s. Deze thema’s zijn binnen de veiligheidscoalitie Midden-Nederland vertaald naar de regionale veiligheidsstrategie, gezamenlijk opgesteld door de politie, openbaar ministerie en gemeenten. Hierin is het één van de drie prioriteiten.
•
Ook lokaal is er veel aandacht voor ondermijning. In het Integraal Veiligheidsplan (IVP) IJsselstein 2023-2026 komt het thema uitgebreid aan bod. Ondermijnende criminaliteit wordt als serieuze bedreiging voor de veiligheid en integriteit van de gemeente IJsselstein gezien, waarbij men ook een belangrijke rol ziet voor de gemeente zelf: “De aanpak van georganiseerde misdaad zelf is primair een taak voor de politie en het Openbaar Ministerie, maar het terugdringen en voorkomen van maatschappelijke eHecten is een
primaire verantwoordelijkheid van de gemeente. Beide zijn twee kanten van dezelfde medaille, en er is een breed terrein waarin bestuur en strafrechtketen intensief moeten samenwerken.” •
De lokale aandacht werd tot voor kort versterkt door de trekkersrol van de burgemeester van IJsselstein in de regio, waarin met OM en politie beslissingen werden genomen over strategie en capaciteitsinzet. Het beeld is dat het belang bij alle burgemeesters in de regio wordt gezien, maar dit leidt desalniettemin in verschillen in capaciteitsinzet. Uit het oriënterend gesprek blijkt wel een toenemende trend in politiek belang. Dit uit zich ook aanverwante politieke discussies in de raad; het mensenhandelbeleid was geen hamerstuk en ook het beleid rond de drugsgerelateerde criminaliteit, en de aantrekkingskracht daarvan op jongeren en jongvolwassenen (‘jonge aanwas’) was afgelopen jaar een thema dat actief is besproken in de raad.
•
In de aanpak van ondermijning wordt intensief samengewerkt met een groot aantal partners/actoren, in de eerste plaats in het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC). Het RIEC verbindt informatie, expertise en krachten van de verschillende overheidsinstanties. Elk RIEC werkt binnen regionale grenzen, onder aansturing van een zelfstandige regionale stuurgroep. De RIEC’s vormen voor partners een informatieknooppunt voor casuïstiek. Het RIEC stelt integrale handhavingsadviezen op en stemt projectmatig bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en fiscale interventies af met regionale partners. De gemeente werkt via het RIEC samen met: o o o o o o o o o o o
•
Provincies Openbaar Ministerie (OM) Politie Belastingdienst (ook Toeslagen) Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) Douane Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (FIOD) Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) Koninklijke Marechaussee Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
Er zijn drie speerpunten benoemd in de aanpak van ondermijning: o
o
Uit het IVP blijkt dat de gemeente IJsselstein in de aanpak van ondermijning signaalgericht werkt. Er zijn ook integrale controles, maar de meerderheid van het werk is signaalgestuurd. Er wordt daarom ingezet op meldingsbereidheid (meld misdaad anoniem of meldingen openbare ruimte) en interne en externe bewustwording. In een intern ondermijningsoverleg bespreekt men de signalen (in de context met informatie van politie of andere partners). Op basis hiervan volgt een inschatting of het ‘licht genoeg is’ om lokaal om te pakken of dat er een noodzaak is om op te schalen naar het RIEC. Het beeld in het verkennend gesprek is dat er meer regionaal dan lokaal wordt opgepakt. Ook is er expliciet aandacht voor integriteit van het handelen van de gemeente zelf. Een ‘weerbare gemeentelijke organisatie’ is nodig. In het verkennend gesprek wordt duidelijk dat dit opnieuw neerkomt op interne bewustwording (trainingen op de afdelingen), maar ook op het creëren van barrières om te zorgen dat de organisatie niet makkelijk infiltreerbaar is. De Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Bibob) speelt hierbij een belangrijke rol. Dit is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument en geeft overheidsinstanties, zoals een gemeente, de mogelijkheid om de
o
•
Uit de acties in het IVP ’19-‘22 en de ambities uit de IVP ’23-’26 wordt duidelijk hoe men de benoemde speerpunten aan wil pakken. Gerealiseerde acties uit het IVP ’19-’22 zijn: o
o
o o
o
o
o
•
achtergrond van bedrijven en personen met wie zij zakendoen, te screenen. Als er een ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt, kan de bevoegde overheidsinstantie de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Regionaal is budget verkregen via Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) voor een kwartiermaker voor de Bibob. Hier worden de krachten en expertise gebundeld en door de regionale aanpak verwacht men ook te voorkomen dat als de situatie in een gemeente wordt aangepakt, die problemen vervolgens elders in de regio de kop opsteken – zogeheten waterbed-e;ect . Het derde speerpunt is de drugsgerelateerde criminaliteit, en de aantrekkingskracht daarvan op jongeren en jongvolwassenen. Het IVP stelt: “Drugscriminelen rekruteren jongeren soms al op de basisschool. Ze worden de criminaliteit in gezogen en raken hun toekomst kwijt. De gemeente streeft ernaar om te voorkomen dat jonge jongens en meisjes, grote criminelen worden in een nieuwe generatie in de criminaliteit.”
Vanaf juli 2020 is de drugsaanpak door de invoering van Damocles-beleid (de beleidsregels toepassing 13b Opiumwet) versterkt. Bij besluit van 1 juli 2020 zijn beleidsregels vastgesteld waarin is aangegeven hoe deze bevoegdheid zal worden toegepast. In 2020 is in de binnenstad een eerste integrale controleactie geweest, waarbij meerdere locaties zijn bezocht. In 2021 is hier een vervolg aan gegeven in de vorm van 6 integrale controles. In december 2022 hebben meerdere controles op een industrieterrein plaatsgevonden. In 2020 is een weerbaarheidsscan opgesteld. Dit biedt inzicht in de weerbaarheid van de organisatie tegen ondermijning. Begin 2022 is een Operationeel projectleider tegengaan jonge aanwas van start gegaan. De projectleider verrijkt het beeld in de gemeente op het gebied van Jonge aanwas en ontwikkelt samen met de partners zoals, politie, OM en het RIEC een e;ectieve, proactieve aanpak met als doel de jonge aanwas in de cocaïnehandel duurzaam terug te dringen. In 2022 heeft een voorlichtingsbijeenkomst over ondermijning voor ambtenaren plaatsgevonden. Ook heeft een actie tegen ondermijning plaatsgevonden op bedrijventerrein Lagedijk. Samen met het RIEC, de politie, ODRU en de belastingdienst zijn verschillende bedrijven bezocht.
Daarnaast is een intern meldpunt opgericht waar medewerkers terecht kunnen om melding te maken van ondermijnende criminaliteit in IJsselstein. De gemeente IJsselstein heeft de afgelopen jaren diverse bestuursrechtelijke maatregelen opgelegd naar aanleiding van het dealen van drugs. Dit betreft het opleggen van een last onder dwangsom en sluiten van woningen. Vanaf 2022 krijgen de medewerkers van de gemeente IJsselstein in het kader van bewustwording een introductiecursus “basiskennis informatieveiligheid”. Elke twee weken krijgen zij een vraag over informatieveiligheid per e-mail.
In de IVP ’23-’26 wordt de ambitie uitgesproken om: o
o
Er worden mogelijkheden onderzocht om bestuurlijke barrières op te werpen om het verdienmodel van criminele organisaties te dwarsbomen. Tevens zal zo nodig beleid worden aangepast met nieuwe wettelijke mogelijkheden. Daarbij overweegt de gemeente (zorgvuldig) de mogelijkheden voor het toepassen van een (aanvullende) vergunningplicht. Men wil zichtbaar aanwezig zijn als overheid in de stad, zowel regulier als op risicolocaties en in zetten op normaliseren van controles bij ondernemers.
o
o o o
Bestuurlijke instrumenten - beleid, regelgeving en vergunningen, toezicht en handhaving – worden actueel gehouden en consequent ingezet in samenwerking met partners om de speelruimte van ondermijnende criminaliteit verder te verkleinen. Lokale initiatieven voor criminaliteitspreventie worden gestimuleerd en mogelijke publiek-private samenwerkingen onderzocht om ondermijning te voorkomen. Ondernemers, inwoners en instellingen worden geïnformeerd over hun risico’s en hoe ze moeten handelen. Er wordt ingezet op bereidheid tot melding en aangifte. De gegevensuitwisseling met partners/collega’s wordt middels een privacyconvenant geborgd, om de samenwerking optimaal te benutten. Hierdoor kan worden toegewerkt naar een verbetering van de informatiepositie om het lokaal ondermijningsoverleg te versterken.
Afbakening Ondermijning is een breed uitwaaierend thema. Om dit onderzoek focus mee te geven is gekozen voor een afbakening waarbij één van de drie speerpunten wordt onderzocht, namelijk een ‘weerbare gemeentelijke organisatie’. We kijken hierbij niet uitsluitend naar het bestuur en de afdeling veiligheid, maar naar de gehele gemeentelijke organisatie, inclusief de raad. Op dit thema is de invloedssfeer van de gemeente het grootst, waar veel andere aan ondermijning gerelateerde thema’s primair regionaal worden opgepakt. Er zal aandacht zijn voor de volgende zaken: •
•
•
de informatiepositie - in hoeverre de informatiepositie van de gemeente op orde is en in hoeverre de informatiepositie van de gemeente in staat is zicht te krijgen op patronen van ondermijnende criminaliteit en potentiële voedingsbodems hiervan, bijvoorbeeld door zicht op criminele uitbuiting, misbruik van vastgoed, drugsproblematiek en verdachte transacties. Hierbij speelt ook de manier waarop het informatie wordt uitgewisseld met relevante partners bij de aanpak van ondermijning een rol. de beleidsinstrumenten en de handhaving - in hoeverre het beleid actueel is en consequent wordt uitgevoerd. De laatste jaren hebben bestuursorganen steeds meer mogelijkheden (en verplichtingen) gekregen om op lokaal niveau bestuursrechtelijk te handhaven. De Wet Bibob geeft bijvoorbeeld nieuwe mogelijkheden om een integriteitstoets uit te voeren. Daarnaast kan een gemeente een eigen invulling geven aan bepaalde wettelijke mogelijkheden door lokaal beleid vast te stellen dat zich specifiek richt op bepaalde lokale probleemgebieden. We kijken of al het bestuurlijke instrumentarium wordt ingezet om ondermijning te voorkomen en te bestrijden. de bewustwording binnen de organisatie - in hoeverre medewerkers, college en raad zich bewust zijn van de risico’s van ondermijnende criminaliteit. Hoe worden volksvertegenwoordigers en ambtenaren opgeleid in het signaleren van morele en juridische grenzen.
Denk hierbij aan corruptie, fraude met facturen en betalingen, of ambtenaren die valse paspoorten uitgegeven aan criminelen en onbevoegd grasduinen in systemen. Met name decentrale volksvertegenwoordigers kunnen vanwege hun publieke rol extra risico lopen om benaderd te worden voor criminele zaken. Zo behoren volksvertegenwoordigers immers betrokken en toegankelijk te zijn voor inwoners. Zij komen daarbij in contact met mensen met verschillende (al dan niet criminele) agenda’s. Zij zullen zich hier, zeker in eerste instantie, niet altijd van bewust zijn. Dit is problematisch, mede aangezien de overheid (en daarmee haar bestuurders en ambtenaren) een voorbeeldfunctie hebben voor de samenleving. Dit betekent dat we
•
onderzoeken of signalen van ondermijning worden herkend en gemeld en of er hiervoor structureel en organisatiebreed aandacht is (van planvorming tot en met uitvoering). een veilige werkomgeving - in hoeverre ambtenaren, bestuurders en volksvertegenwoordigers veilig en zonder oneigenlijke druk hun taak kunnen uitoefenen. Het gaat hier ook over preventieve beveiligingsmaatregelen en adequaat reageren op zaken als agressie en intimidatie.
Het onderzoek kijkt terug op de periode van het vorige integrale veiligheidsplan (IVP ’19-’22), maar geeft ook inzage in het huidige, nog vigerende beleid van de gemeente IJsselstein (IVP ’23’26). Hierdoor kenmerkt het onderzoek zich als combinatie van een ex-post en een ex-durante onderzoek. De onderzoeksperiode is 2019 tot 2024.
Onderzoeksdoel Dit onderzoek heeft tot doel om inzicht te verkrijgen in de aandacht die de gemeente heeft voor de weerbaarheid van de gemeentelijke organisatie tegen ondermijning, waarbij ook aandacht is voor de rol van de raad op dit dossier, teneinde de weerbaarheid van de gemeente tegen ondermijning te vergroten.
Vraagstelling Voor dit onderzoek heeft de Rekenkamer de volgende hoofdvraag geformuleerd: In hoeverre is de gemeente IJsselstein weerbaar tegen ondermijning van de gemeentelijke organisatie? De hoofdvraag is verder geoperationaliseerd naar vijf deelvragen: 1. Wat verstaat de gemeente IJsselstein onder ‘ondermijning’ – specifiek in relatie tot een ‘weerbare gemeentelijke organisatie’ - en hoe breed ziet de gemeente de taak voor zichzelf? 2. Beschikt de gemeente IJsselstein over een samenhangend beleid of programmatische aanpak ten aanzien van een ‘weerbare gemeentelijke organisatie’ in relatie tot ondermijning? a. Welke doelen worden in het beleid geformuleerd? b. Is er samenhang tussen beleid en uitvoeringsprogramma’s? 3. Is er sprake van een adequate uitvoering van gemeentelijke projecten en programma’s op het gebied van ondermijning? a. Is de organisatie qua capaciteit, kennis, kunde en mandaat voldoende geëquipeerd voor de uitvoering van het beleid? b. Welke informatiepositie heeft de gemeente? Wordt er – waar nodig – informatie gedeeld met lokale veiligheidspartners om ondermijning aan te pakken? c. Welke bestuurlijke instrumenten heeft de gemeente tot haar beschikking en worden die adequaat ingezet? d. Is er binnen de gemeentelijke organisatie voldoende bewustzijn over de maatschappelijke risico’s van ondermijning? e.
Op welke wijze wordt er ingezet op een veilige werkomgeving? 4. Wat zijn de eHecten van de aanpak?
a. Worden de resultaten en eHecten van de uitvoering gemonitord en wordt erover gerapporteerd? b. Welk inzicht is er in de uitvoering van de beoogde activiteiten en de daarmee samenhangende resultaten en eHecten? 5. Hoe wordt de raad in staat gesteld haar kaderstellende en controlerende taken uit te voeren? a. Hoe is de gemeenteraad betrokken bij het beleid en in welke mate is zij op de hoogte (gebracht) van ontwikkelingen? b. Wordt de gemeenteraad voldoende geïnformeerd over de resultaten en eHecten van het gevoerde beleid?
Onderzoeksactiviteiten Het onderzoek bestaat uit de volgende fasen: 1. In de eerste fase van het onderzoek vindt deskresearch plaats, waarin openbare documenten over beleid en werkwijze met betrekking tot de weerbaarheid van de gemeentelijke organisatie op het gebied van ondermijning in de gemeente IJsselstein worden verzameld en geanalyseerd alsook rekenkamerrapporten van andere gemeenten. Een deel van dit onderzoek heeft reeds plaatsgevonden in het kader van het schrijven van deze onderzoeksopzet. 2. In de tweede fase van het onderzoek wordt een bijeenkomst georganiseerd met de betrokken ambtenaren. In deze bijeenkomst wordt het onderzoek nader toegelicht, worden afspraken gemaakt over de contacten, de te interviewen personen, wordt aanvullende informatie opgevraagd, waaronder interne beleids- en uitvoeringsinformatie etc. 3. Op basis van de bevindingen uit de voorgaande fasen vinden in de derde fase ca. tien (groeps)interviews2 plaats op ambtelijk niveau. Deze interviews zijn gericht op het aanvullen van ontbrekende gegevens, het zo nodig checken van informatie en het reflecteren op tussenresultaten. Voor de hand ligt om een aantal individuele interviews in te plannen met ambtenaren die direct betrokken zijn bij de aanpak (adviseur openbare orde en veiligheid, de gemeentesecretaris en/of de medewerker rechtspositie/ARBO en Preventie).
Ook aan de gemeente verbonden partijen zoals medewerkers van de Omgevingsdienst en RIECmedewerkers kunnen potentieel een belangrijke gesprekspartner zijn. Daarnaast spreken we graag een selectie van ambtenaren die meer indirect betrokken zijn, maar wel op posities zitten waar een verhoogd risico op ondermijning is. Mogelijk is ook de Functionaris gegevensbescherming een belangrijke gesprekspartner met het oog op deelvraag 3a-i. Ook willen we graag de raad in de onderzoeksperiode betrekken, dan wel via een groepsgesprek, dan wel via een online enquête. De precieze samenstelling van de interviews stemmen we graag op in samenspraak met (de contactpersoon) van de gemeente en de griHie af, om zo eHiciënt mogelijk tot een zo volledig mogelijk beeld te komen.
2
Van alle interviews wordt een verslag gemaakt dat voor akkoord wordt voorgelegd. De interviews hebben – in lijn met het onderzoeksprotocol van de RKC IJsselstein – een vertrouwelijk karakter.
De ervaring leert dat deze fase ook zorgt voor een periode van aanvullend deskresearch. In de interviews passerende stukken worden opgevraagd en bestudeert. 4. In de vierde fase vindt een interview plaats met de portefeuillehouder op het gebied van veiligheid voor het bestuurlijk perspectief. 5. In de vijfde en laatste fase volgt de beschrijving van de bevindingen, de analyse, het formuleren van conclusies en aanbevelingen en de afronding van de rapportage inclusief het ambtelijk en bestuurlijk wederhoortraject.
Normenkader Bij de hiervoor geformuleerde deelvragen zijn normen geformuleerd. Voor de formulering van de normen is gebruik gemaakt van diverse rekenkamerrapporten. Deelvraag 1 Wat verstaat de gemeente IJsselstein onder ‘ondermijning’ – specifiek in relatie tot een ‘een ‘weerbare gemeentelijke organisatie’ - en hoe breed ziet de gemeente de taak voor zichzelf? 2 In hoeverre beschikt de gemeente IJsselstein over een samenhangend beleid of programmatische aanpak ten aanzien van ondermijning in relatie tot een ‘weerbare gemeentelijke organisatie’? • •
3
Welke doelen worden in het beleid geformuleerd? Is er samenhang tussen beleid en uitvoeringsprogramma’s?
Is er sprake van een adequate uitvoering van gemeentelijke projecten en programma’s? •
•
•
•
Is de organisatie qua capaciteit, kennis, kunde en mandaat voldoende geëquipeerd voor de uitvoering van het beleid? Welke informatiepositie heeft de gemeente? Wordt er – waar nodig – informatie gedeeld met lokale veiligheidspartners om ondermijning aan te pakken? Welke bestuurlijke instrumenten heeft de gemeente tot haar beschikking en worden die adequaat ingezet? Is er binnen de gemeentelijke organisatie voldoende bewustzijn over de maatschappelijke risico’s van ondermijning?
Norm Geen norm. Beschrijvende deelvraag.
• • • •
• • •
• • • •
Er is sprake van een eenduidig beeld bij ondermijning op het gebied van een ‘weerbare gemeentelijke organisa<e’. Er zijn heldere doelen opgesteld op de aanpak van ondermijning op het gebied van een ‘weerbare gemeentelijke organisa<e’. Er is sprake van samenhang en integraliteit tussen regionaal en lokaal beleid. Er is sprake van samenhang en integraliteit tussen beleid en de uitvoeringsprogramma’s van de gemeente zelf. Voor de uitvoering van het beleid is voldoende capaciteit, kennis, kunde en mandaat beschikbaar. De gemeentelijke projecten en programma’s worden adequaat uitgevoerd. Informa<e van samenwerkingspartners wordt adequaat en binnen de weEelijke mogelijkheden gedeeld om de informa<eposi<e van de gemeente te op<maliseren. De risico’s van ondermijning zijn in kaart gebracht en bekend binnen de organisa<e. Er is sprake van navolgbaar en ‘bewust’ handelen ten aanzien van gesignaleerde risico’s. Het bestuurlijke instrumentarium wordt adequaat ingezet. Er is sprake van een effec<eve aanpak gericht op bewustwording waarin niet alleen organisa<e en college, maar ook de (leden
•
Op welke wijze wordt er ingezet op een veilige werkomgeving?
• •
4
5
Wat kan worden gezegd over de eHecten van de aanpak? • Worden de resultaten en e;ecten
•
van de uitvoering gemonitord en wordt erover gerapporteerd? Welk inzicht is er in de uitvoering van de beoogde activiteiten en de daaropvolgende resultaten en e;ecten?
•
Hoe wordt de raad in staat gesteld haar kaderstellende en controlerende taken uit te voeren?
•
•
•
•
Hoe is de gemeenteraad betrokken bij het beleid en in welke mate is zij op de hoogte (gebracht) van ontwikkelingen? Wordt de gemeenteraad voldoende geïnformeerd over de resultaten en e;ecten van het gevoerde beleid?
en de rol van de) gemeenteraad expliciet is meegenomen. Er is sprake van voldoende (bestuurlijke en ambtelijke) weerbaarheid. Er is sprake van een effec<eve aanpak gericht op een veilige werkomgeving. De resultaten en effecten worden gemonitord en er wordt over gerapporteerd. De in het beleid geformuleerde presta<es en doelen worden gerealiseerd.
De gemeenteraad wordt voldoende geïnformeerd over de resultaten en effecten van het beleid. De gemeenteraad maakt passend gebruik van de instrumenten/bevoegdheden die hij heeM.
Onderzoeksteam en planning Het onderzoeksteam bestaat uit het RKIJ-lid Tijmen Siermann (email: onderzoek@siermann.com, tel. 06 33 30 98 07) en vanwege het specialistische onderzoeksthema een extern onderzoeker, Jolijn Broekhuizen van Bureau Broekhuizen. Omdat het geen intern onderzoek is, zal er geen specifieke tegenlezer worden aangewezen en treden zowel Roxana Chandali als Mathijs van den Berg op als tegenlezer. De planning voor het onderzoek is gericht op oplevering in Q4 van 2025 en ziet er als volgt uit: Jaar
2025
Maand
Jan.
Feb.
Uitzetten verzoek tot inhuur externe expertise
x
x
Fase 1 Oriëntatie en deskresearch Fase 2 Ambtelijke kick-off Fase 3 Interviews en aanvullend deskresearch Fase 4 Bestuurlijk interview Fase 5 Rapportage Ambtelijk en bestuurlijk wederhoor Presentatie rapportage
Maa.
Apr.
x
x
Mei.
Jun.
x
x
Jul.
Aug.
x
x
Sep.
Okt.
x
x
Nov.
x
x
x