2.3 Bijlagebundel Vergunningen, Toezicht en Handhaving beleid 2020-2022 gemeente IJsselstein
Tekst van het document
Bijlage 22: Handhaving bij overtreding eigen organisatie of andere overheid Handhaving van voorschriften bij een object van een andere overheid of van een onderdeel van de eigen organisatie is niet anders dan handhaving van voorschriften bij derden. Als er sprake is van een incident, ongewoon voorval of overtreding door de eigen organisatie, dan heeft dit echter in principe altijd prioriteit.
Bijlage 23: Toetsingskader voor bouwen, ruimtelijke ordening, aanleggen en slopen In deze bijlage zijn de diverse toetsingskaders opgenomen met betrekking tot bouwen, slopen, ruimtelijke ordening en aanleggen. 23.1 Toetsingskader voor bouwen, ruimtelijke ordening, aanleggen en slopen 23.1.1 Wabo De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) benoemt onder meer bouwwerken met een geringe ruimtelijke uitstraling die als vergunningsvrij worden aangemerkt. Bij het bouwen van dergelijke bouwwerken aan een voorgevel of in een beschermd stads- of dorpsgezicht, geldt uit esthetische overwegingen het vergunningsvrije stelsel niet, zodat een preventieve welstands- of bestemmingsplantoets mogelijk is. Dit brengt echter ook mee dat de toets aan het Bouwbesluit en Bouwverordening relevant wordt, met alle bijbehorende (administratieve) lasten van dien. Ter beperking van die (administratieve) lasten worden bouwwerken die primair als vergunningsvrij zijn aangemerkt, maar om esthetische overwegingen alsnog aan een vergunningplicht zijn onderworpen (monument of beschermd gezicht, kleine wijzigingen aan de voorgevel), preventief uitsluitend getoetst aan welstand en het geldend planologisch regime. 23.1.2 Bouwbesluit 2012 Het Bouwbesluit 2012 geeft landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen.
Het bevat voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Ten aanzien van vergunningverlening is de keuze gemaakt om geen aanvullende prioriteiten te stellen boven hetgeen wettelijk verplicht is. Het toetsen van elke aanvraag aan alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 is binnen de huidige formatie niet mogelijk en ook niet noodzakelijk. Bij vergunningverlening vindt prioritering plaats door keuzes te maken in het niveau van diepgang van toetsing van de aanvraag. Niet alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 zijn namelijk voor alle bouwwerken van even groot belang en bovendien dreigt door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, het toetsen van een aanvraag aan het Bouwbesluit 2012 door marktpartijen te gaan geschieden. Bij het toetsen van bouwaanvragen aan het Bouwbesluit 2012 legt de gemeente altijd de nadruk op constructieve veiligheid en brandveiligheid. De aandacht voor de overige aspecten uit het Bouwbesluit 94
kan per jaar verschillen afhankelijk van de ervaringen uit voorgaande jaren. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt aangegeven waar in dat jaar specifiek aandacht aan wordt geschonken. Een extern constructiebureau controleert de constructieberekeningen. 23.1.3 Bouwverordening De gemeente heeft een bouwverordening waarin nog een beperkt aantal voorwaarden staan waaraan bouwwerken dienen te voldoen. De verwachting is dat deze verordening op termijn zal verdwijnen. De aspecten die de gemeente met deze verordening regelt, worden straks namelijk zoveel mogelijk ingebracht in het omgevingsplan onder het regime van de nieuwe Omgevingswet. Zolang de bouwverordening bestaansrecht heeft, wordt ieder plan dat nog door de gemeente wordt getoetst, gecheckt op de daarin opgenomen voorschriften 23.1.4 Planologische regime De gemeente toetst iedere omgevingsvergunningaanvraag aan het geldende planologisch regime. Doel hiervan is om de ruimtelijke inrichting van de gemeente welke is vastgelegd in onder meer bestemmingsplannen te beschermen. Voor zover een aanvraag niet past binnen de hierin gestelde regels, kan op basis van het ‘kruimelbeleid’ gronden en bouwwerken die vallen binnen de reikwijdte van artikel 4 van bijlage II van het BOR alsnog een vergunning worden verleend.
23.1.5 Welstand In de welstandsnota staat per gebied/ wijk welke welstandseisen gelden wanneer er gebouwd of verbouwd wordt. Op 13 augustus 2013 is vastgesteld dat de gemeente IJsselstein twee welstandsluwe gebieden kent, namelijk de woongebieden Groenvliet en Jacob Schellingerhof. De gemeente IJsselstein is verder welstand plichtig. De toetsing of dat bouwplannen qua architectuur past binnen de omgeving wordt uitgevoerd door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit of op ambtelijk niveau. Wanneer er bij ambtelijke toetsing sprake van twijfel is, wordt de ambtelijke toets via stedenbouw naar de commissie opgeschaald. De verdeling is inzichtelijk in figuur 6.
* De voor- en achterzijde van een perceel of gebouw wordt bepaald aan de hand van de 6-meter regeling als beschreven in §2.5 van Welstandsnota 2013 gemeente IJsselstein.
Figuur 6: Overzicht welstandplicht IJsselstein
Voor het aanpassen van rijksmonumenten is een vergunning vereist. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van alle belangen van zowel de belanghebbende(n) als van het object zelf. Deze afweging wordt gemaakt door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (gecombineerde welstands- en
95
monumentencommissie), uit monde van de Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed. De binnenstad van IJsselstein is aangewezen tot beschermd stadsgezicht. Voor gemeentelijke monumenten geldt eveneens dat er een afweging tussen de belangen van de belanghebbende(n) en het object zelf dient plaats te vinden bij bouw en verbouw. Bij een omgevingsvergunning voor bouwen moet de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (gecombineerde welstands- en monumentencommissie) verplicht om advies gevraagd worden. 23.1.6 Sloopmeldingen (inclusief eventuele asbestverwijdering) De gemeente heeft de taak risico's die kunnen ontstaan bij de sloop van bouwwerken en asbestverwijdering beheersbaar te houden. Mensen die dergelijke activiteiten willen uitvoeren zijn wettelijk verplicht dit minimaal vier weken van te voren te melden conform het Bouwbesluit 2012 art. 1.26 en/of het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De gemeente beoordeelt de meldingen in ieder geval op de aanwezigheid van plannen voor de te nemen sloopveiligheidsmaatregelen, onderzoeksrapporten naar de aanwezigheid van asbest in het te slopen bouwwerk en certificaten waarmee de uitvoerders dienen aan te tonen dat ze gekwalificeerd zijn om het asbestgevaar te beoordelen en/of het sloop- en verwijderingswerk uit te voeren. Op basis hiervan stelt de gemeente de melder op de hoogte van de uitkomst van de toets die op de melding is uitgevoerd.
Vanaf 1 maart 2017 zijn gecertificeerde partijen in de asbestketen, verplicht om met het Landelijk Asbest Volgsysteem (LAVS) te werken. Het LAVS maakt het mogelijk om informatie over de aanwezigheid van asbest én de genomen maatregelen vast te leggen in een centraal systeem. Ook kan vanuit het LAVS de benodigde sloopmelding voor asbestverwijdering worden gedaan. 23.2 Toetsingskader voor Brandveilig De taak op het gebied van brandveiligheid wordt uitgevoerd door de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). De medewerkers van Risicobeheersing voeren namens de gemeenten werkzaamheden uit op het gebied van advisering over bouw en gebruiksvoorschriften en het toezicht op de brandveiligheid. Dit doen zij bij bestaande bouw, (nieuw)bouw, evenementen, milieu inrichtingen, BRZO-bedrijven en bij vuurwerkopslag- en verkooppunten. In overeenstemming met de handhavingspartners wordt daar waar nodig een integrale benadering toegepast. Daarnaast wordt er door het team brandveilig leven ook binnen de gemeente voorlichting gegeven bij bedrijven, (zorg)instellingen, Verenigingen van Eigenaren en scholen. Dit om brandveilig gedrag te stimuleren en de verantwoordelijkheid van inwoners, bedrijven en instellingen te vergroten.
23.3 Toetsingskaders voor de beoordeling van milieubelastende activiteiten Het doel van het verlenen van vergunningen is, door het toetsen van aanvragen en het opleggen van voorschriften, bijdragen aan een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu. Op milieugebied is de beleidsruimte voor het voeren van een eigen VTH-beleid beperkt. Vanuit Europese (NEC en IPPCrichtlijnen) en landelijke (Wabo, Wet VTH, diverse AMvB’s) wet- en regelgeving wordt bepaald welke procedures gevolgd moeten worden en welke voorschriften gelden voor inrichtingen, activiteiten en toestellen en installaties. Ook worden er eisen gesteld aan het actueel hebben en houden van de vergunningen en daarin opgenomen voorschriften. Dit houdt ook in het intrekken van vergunningen voor niet meer in gebruik zijnde bedrijven. In de wet VTH is bepaald dat een belangrijk deel van de milieu gerelateerde taken (de zogenaamde basistaken) niet door de gemeente maar door een omgevingsdienst (bij ons is dat de de ODRU) moet worden uitgevoerd. In het Besluit omgevingsrecht is vervolgens bepaald dat de ketenpartners die deel uitmaken van deze dienst per 2020 gezamenlijk het VTH-beleid opstellen voor de taken die door de omgevingsdienst worden uitgevoerd. De gemeente oefent, via haar vertegenwoordiging in de ambtelijke werkgroepen en het bestuur van omgevingsdienst invloed uit op de na te streven kwaliteitsniveaus.
In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s is onder andere opgenomen bij welke soort inrichtingen in dat betreffende jaar een toets naar de actualiteit van (de voorschriften van) de vergunning plaatsvindt. 23.4 Toetsingskaders voor de beoordeling van APV-vergunningaanvragen In de Algemene Plaatselijke Verordening heeft de gemeente de mogelijkheid om activiteiten die in de leefomgeving plaatsvinden aan extra regels te binden. Doel hiervan kan liggen in de bescherming van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 96
Voor een aantal activiteiten eist de APV expliciet dat vooraf een vergunning wordt aangevraagd. Bij het verlenen van vergunningen voor evenementen wordt hierbij de Notitie evenementen beleid IJsselstein 2010 in acht genomen. 23.5 Toetsingskaders voor het beoordelen van aanvragen Drank- en Horecawet (DHW) De DHW vereist dat ieder bedrijf of organisatie die alcoholhoudende dranken schenkt en/of verkoopt daarvoor een vergunning bezit. Bij de gemeente nog niet bekende aanvragers van drank- en horeca vergunningen worden altijd in persoon uitgenodigd om hun aanvraag toe te lichten. Dit heeft ook een relatie met de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (de Wet Bibob). Bestaande ondernemers die hun ondernemingsvorm wijzigen, worden normaliter niet uitgenodigd voor een gesprek. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een drank- en horecavergunning wordt ook standaard gekeken of de aanvrager aanpalende vergunningen nodig heeft zoals een vergunning op basis van de wet op de kansspelen en/of een terrasvergunning. Bij wijziging van bestaande vergunningen wordt de aanvraag alleen getoetst aan het onderdeel dat wordt gewijzigd (bijvoorbeeld leidinggevende of capaciteitsuitbreiding). Voor de beoordeling van de aanvraag voor een vergunning of een tijdelijke ontheffing wordt de DHW gevolgd en is er verder geen apart toetsingskader.
23.6 Toetsingskaders voor aanvragen op grond van de Wet op de Kansspelen (WOK) Voor de behandeling van een aanvraag voor een aanwezigheidsvergunning voor speelautomaten wordt de WOK gevolgd, dit wordt uitgevoerd door de ODRU. De aanwezigheidsvergunning is persoonsgebonden en wordt voor onbepaalde tijd verleend. Wanneer het een kansspelvergunning betreft wordt dit behandeld door de gemeente. 23.7 Toetsingskaders voor toepassing van de Wet Bibob De Wet Bibob, geeft de gemeente de mogelijkheid de achtergrond van een bedrijf of persoon te laten onderzoeken. Als er ernstig gevaar dreigt dat de vergunning of de subsidie wordt misbruikt, dan kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning of subsidie intrekken. Leidend hierin is het Bibob beleid gemeente IJsselstein 2018.
97
Bijlage 24: Beleidsregels intrekken vergunningen 24.1 Intrekken vergunningen en ontheffingen Na het verlenen van een vergunning of ontheffing wordt vaak snel gevolg gegeven aan de uitvoering of ingebruikname. Het komt ook voor dat geen of pas na lange tijd gebruik wordt gemaakt van een verleende vergunning of ontheffing. Het kan daardoor voorkomen dat ongebruikte vergunningen of ontheffingen jaren geleden zijn verleend en niet zijn ingetrokken. De houder van de vergunning of ontheffing behoudt nog steeds het recht om hiervan gebruik te maken. Om uiteenlopende redenen is het ongewenst om verleende vergunningen en ontheffingen in stand te laten zonder dat daar binnen een bepaalde termijn gebruik van wordt gemaakt. Voor de rechtszekerheid van omwonenden en belanghebbenden is het ongewenst oude vergunningen en ontheffingen in stand te houden. Doordat de bekendmaking van deze besluiten lang geleden kunnen hebben plaatsgevonden, kunnen zij alsnog verrast worden door de activiteiten. Ook vanuit administratief oogpunt is het gewenst dat het gemeentelijke (bouw)archief zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie. Ook voor het beheer van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is een actuele administratie nodig. Aanleiding voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen kan zijn handhaving, waarbij het intrekken van een vergunning als sanctie wordt gezien.
Intrekken op verzoek van de vergunninghouder of belanghebbende. Ook kan ambtshalve de procedure tot het intrekken van vergunningen of ontheffingen worden gestart. 24.1.1 Voorbereidingsprocedure Op basis van de Wabo kan het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk de omgevingsvergunning intrekken via een reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure. In artikel 3.15 Wabo staat de procedure van intrekking beschreven. Onderscheid moet worden gemaakt tussen het op verzoek van vergunninghouder of ambtshalve (gedeeltelijk) intrekken van de omgevingsvergunning. Uitgangspunt is dat het ambtshalve intrekken van een omgevingsvergunning dezelfde procedure kent als het verlenen ervan. 24.1.2 Intrekkingsgronden Burgemeester en wethouders kunnen onder bepaalde omstandigheden een omgevingsvergunning intrekken, artikel 2.33 Wabo. De intrekkingsgronden zijn onderverdeeld in imperatieve en facultatieve intrekkingsgronden. Bij imperatieve intrekkingsgronden kan de gemeente geen gebruik maken van haar beleidsvrijheid, in het geval van facultatieve intrekkingsgronden kan een omgevingsvergunning alleen worden ingetrokken voor zover het nodig is om aan de grond tot intrekking te voldoen. 24.1.3 Termijnen Een omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu” kan worden ingetrokken wanneer gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Voor bouwen, slopen of aanleggen geldt een termijn op 26 weken of een in de omgevingsvergunning opgenomen termijn. Na verstrijken van die termijn kan de intrekkingsprocedure actief worden opgestart als er een wijziging heeft plaatsgevonden in de grondslagen van de verleende vergunning zoals wijzingen in het bestemmingsplan, eisen bouwbesluit. Indien de vergunninghouder niet reageert op het voornemen tot intrekking, wordt besloten de omgevingsvergunning sowieso in te trekken. Indien door de vergunninghouder gronden worden aangevoerd waarom er nog geen uitvoering is gegeven aan de omgevingsvergunning zal goed onderzocht en afgewogen moeten In familiaire kwesties (scheiding, ziekte, overlijden) kan, indien door de vergunninghouder de reden goed kan worden beargumenteerd worden afgezien van intrekking. Wanneer er een gegronde reden is om af te zien van intrekking zal een periode van maximaal 1 jaar worden gesteld waarbinnen de vergunninghouder alsnog van de vergunning gebruik dient te maken. 24.1.4 Uitsluiting overige intrekkingsgronden Deze beleidsregel laat de besluitvorming over de overige in artikel 2.33 van de Wabo of andere wetgeving opgenomen intrekkingsgronden onverlet.
24.1.5 Intrekken overige vergunningen en ontheffingen Behalve in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn ook in andere wetgeving regels opgenomen voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen. Net als voor omgevingsvergunningen geldt voor andere vergunningen en ontheffingen in het algemeen dat voorkomen moet worden dat regels 98
en inzichten doorkruist worden door oude vergunningen of ontheffingen. Het is daarom nodig na verloop van een bepaalde periode overige vergunningen en ontheffingen geheel of gedeeltelijk in te trekken. Tenzij wettelijk een andere minimum termijn is bepaald, worden overige vergunningen en ontheffingen na een termijn van één jaar ingetrokken. De stappen en overwegingen in de besluitvorming vinden plaats op dezelfde wijze als omschreven bij omgevingsvergunningen, met inachtneming van de geldende wettelijke voorschriften.
99