19.2 Toekomstvisie 2040 SGL-SBB DigiToegankelijk
Tekst van het document
• Maak verbindingen en versterk deze door groenblauwe dooradering en stapstenen aan te leggen tussen de verschillende deelgebieden, met de Hollandsche IJssel als verbindingsas. • Maak en versterk ecologische en landschappelijke verbindingen tussen het gebied van de Hollandsche IJssel en de omgeving: zoals de oeverwallen Rijnenburg en de Lopikerwaard met houtwallen en eendenkooien. • Zet in op de ontwikkeling en inrichting van de uiterwaarden Hollandsche IJssel. Hier ligt NNN-gebied, en er zijn kansen om dit uit te breiden naar naastliggende gebieden.
35
Financiële consequenties • Intensiveren van recreatieve inrichting (Noordwesthoek, Nedereindse Park en Plas) zorgt voor een intensiever beheer, en daardoor door hogere jaarlijkse beheerkosten. • Ook het realiseren van nieuwe verbindingen vraagt investeringen, en heeft beheerconsequenties. • Het toevoegen van commerciële exploitaties bij het Nedereindse Park en Plas en de Noordwesthoek zorgen voor inkomsten. • Het combineren van recreatie met duurzame landbouw (zoals een toegankelijk voedselbos) en het aangaan van samenwerkingen met maatschappelijke of particuliere initiatieven die een rol kunnen spelen in uitvoering, kan bijdragen aan lagere beheerkosten voor Recreatieschap Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer. Tegelijkertijd kan dit leiden tot een intensiever en meer gewenst gebruik van het gebied. • Er moeten afspraken gemaakt worden met het Waterschap over waterberging en aanleg van natuurvriendelijke oevers. Dit kan namelijk resulteren in een bijdrage in aanlegkosten en mogelijk een bijdrage in de beheerkosten. • Door koppeling van paden met groenblauwe dooradering (in kader van UPLG) kan een bijdrage aan aanleg, en mogelijk ook voor een deel beheer gerealiseerd worden.
36
Figuur 5.7 Gewenste zonering cluster 4
37
Figuur 5.8 Vogelvlucht cluster 4
5.5 Cluster 5 – Vinkeveense Plassen Opgaven In dit cluster is het ten eerste belangrijk om de bestaande plannen voor eilanden 1 en 4 en Marickenland te realiseren. Daarnaast spelen er nog een aantal opgaven op de eilanden: • Het aanbrengen van meer variatie in beheer en uitstraling van de eilanden. Elk eiland heeft zijn eigen functie en gebruik, maar er is onderling niet altijd een juiste samenhang hierin. Door in te zetten op meer variatie en het creëren van balans tussen intensivering en extensivering is het mogelijk recreanten te spreiden. • De lange termijn financiële opgave voor dit gebied is groot, vanwege de (toegenomen) kosten om de oeverconstructies van de legakkers en eilanden te herstellen. Dit is een belangrijke opgave om rekening mee te houden in de begroting. Bij polder Demmerik ligt de opgave om het veenweidelandschap te behouden en door te ontwikkelen als weidevogelgebied en locatie voor natuurinclusieve landbouw. Recreatie heeft hier een zeer extensief karakter. Strategie In dit cluster richt de strategie zich op een combinatie van intensiveren en extensiveren, afhankelijk van het deelgebied waar we het over hebben. Vanwege de diversiteit van de deelgebieden en de omvang van dit cluster is het aanwijzen van één passende strategie lastig. In potentie is er namelijk een logische zonering in dit cluster aanwezig.
Zo zijn er in de Vinkeveense Plassen enkele eilanden die recreatief intensief worden gebruikt, en een aantal eilanden die extensiever worden gebruikt. Intensivering en extensivering wordt in dat geval door Stichtse Groenlanden gedaan. Daarnaast is Polder Demmerik vanwege de natuurwaarden vooral geschikt voor extensieve recreatie, en in Marickenland zijn er in de toekomstplannen voorzieningen voor meer intensieve recreatie voorzien (door Staatsbosbeheer). Ontwikkelrichtingen Zonering en gebiedsentrees • Het uitvoeren van bestaande plannen voor eilanden 1 en 4 (uit de pijlers ‘basis op orde’ en ‘recreatief investeren’ van de handelingsperspectieven): o.a. uitbreiding horeca eiland 1 en multifunctioneel gebouw eiland 4. Dit zorgt voor het intensiveren van het recreatief gebruik en de voorzieningen met commerciële exploitaties, en versterkt de jaarrond mogelijkheden. Hier hoort ook bij het verbeteren van de entrees (o.a. verbeteren zichtbaarheid en vindbaarheid Winkelpolder) in combinatie met langjarig onderhoud. • In aanvulling hierop is het advies om in te zetten op het versterken van de aantrekkingskracht van eiland 2, zodat de bezoekers die nu vooral gebruik maken van eiland 1 beter worden gespreid. Dit zorgt voor het beter managen van de bezoekersstromen op eiland 1. • De eilanden 6, 7 en 9 lenen zich juist beter voor een meer natuurlijk (extensiever) beheer.
Zet daar op in om bij te dragen aan differentiatie. Eiland 9 is specifiek een locatie voor groepskamperen en mogelijke locatie voor de scouting. Daarom extensiever beheer, maar behoud inrichting. • Voor Marickenland is beoogd de weidegronden om te zetten naar natuurgebied, waarmee o.a. meer ruimte geboden kan worden aan waterberging. Nadat deze ontwikkelingen hebben plaatsgevonden zal de zonering veranderen naar A, B en C, afhankelijk van de plek binnen Marickenland. Zet bij de
• •
ontwikkeling van Marickenland in op vernatting door het realiseren van moerasblokken, (moeras)natuur en (matig)intensieve recreatie, gericht op bezoekers die op zoek zijn naar avontuur en natuur. Behoud Polder Demmerik als weidevogelgebied met agrarisch natuurbeheer, en een extensieve recreatieve invulling gericht op wandelen. Minimaliseer hiermee ook de natuurverstoring bij het Bellopad. Verken de mogelijkheid voor één gebiedsentree naar de Vinkeveense Plassen, Marickenland en polder Demmerik (zie vogelvlucht) met onder meer informatievoorziening, bewegwijzering en als startpunt van wandel- en fietsroutes.
Gebieden Winkelpolder (SGL)
Opp. (ha)
Zonering nu
Zonering gewenst
Toelichting
B
Intensiever inrichten voor recreatie
4,6 A
Noordplas (SGL)
271,7 A, B en C
Zuidplas (SGL)
198,2 B
Kleine plas (SGL)
8,6 C
Eiland 1 (SGL)
2,0 A
Eiland 2 (SGL)
3,3 B en C
Eiland 3 (SGL)
2,8 B
Eiland 4 (SGL)
2,3 A
Eiland 5 (SGL)
1,9 B
Eiland 6 (SGL)
0,5 C
Eiland 7 (SGL)
0,9 B
Eiland 8 (SGL)
4,4 B
Eiland 9 (SGL)
3,1 B
Eiland 10-13 (SGL)
1,7 C
Marickenland (SBB)
197,0 C
Polder Demmerik (SBB)
160,5 C en D
De Gagels (SBB)
12,6 B en C
Kockengen (SBB)
32,0 B en C
Angstelkade (SBB)
1,9 C
Nieuwer Ter Aa (SBB)
5,9 C
Natuurlijk (extensiever) beheer en inrichting voortzetten C
Natuurlijk (extensiever) beheer en inrichting
C
Natuurlijk (extensiever) beheer
A, B en C
Intensiever inrichten voor recreatie
De grijs gemarkeerde gebieden in de tabellen zijn gedurende het proces toegevoegd, zodat we een meer compleet overzicht van oppervlakten en zonering konden maken. Deze zijn geen onderdeel van de gebiedspaspoorten en visie, maar wel meegenomen in de zonering.
40
Identiteit • Vertel het verhaal van de Hollandse Waterlinies (forten en werking verdedigingsstelsel) in dit cluster. De aanwezigheid van deze elementen zijn uniek en bieden daardoor kansen om bij te dragen aan een meer onderscheidende identiteit. Dit sluit ook aan op de visie recreatie en toerisme van gemeente De Ronde Venen (ligt nog voor ter vaststelling). • Hetzelfde geldt voor het vertellen van het verhaal van vervening en het unieke karakter en de geschiedenis van de legakkers in de Vinkeveense Plassen. • Verbeter de (zicht)relatie tussen land en water rond de Vinkeveense Plassen, bijvoorbeeld door het introduceren van een watertaxi die land- en waterroutes met elkaar verbindt. Verbindingen • Zet in op een goede recreatieve verbinding tussen de Vinkeveense Plassen en Marickenland. Biodiversiteit • Zorg voor een robuust natuurnetwerk door Polder Demmerik te verbinden met omliggende natuurgebieden zoals de Nieuwkoopse plassen en de Vechtplassen. • Werk aan een natuurverbetering in de Vinkeveense Plassen door de aanleg van natuurvriendelijke oevers en een kwaliteitsimpuls bij de legakkers (bijv. met de aanleg van vissenbossen, of het gebruik maken van inheemse beplanting voor oeverversterking). Financiële consequenties • Toevoegen en versterken van commerciële exploitaties op eilanden 1 en 4 zorgen voor bescheiden structurele extra inkomsten.
Deze zijn hard nodig gezien de bestaande financiële situatie. Optimaliseer hiermee de inkomsten door de mogelijkheden van het bestemmingsplan te verzilveren. • Het verbeteren van de entrees vraagt daarentegen een eenmalige investering voordat er inkomsten binnenkomen (de kosten gaan voor de baten uit). • Extensivering van de inrichting en beheer van enkele eilanden (bijv. zandeilanden extensiever maaien en meer natuurgericht maken) zorgt voor kostenbesparing.
41
Figuur 5.9 Gewenste zonering cluster 5
42
Figuur 5.10 Vogelvlucht cluster 5
5.6 Cluster 6 – Gebieden langs de Lek
Opgaven In dit cluster is de belangrijkste opgave het juist zoneren en het beter op elkaar afstemmen van recreatie en natuur. Langs de hele rivier moeten zowel de recreatieve als natuurlijke verbindingen versterkt worden zodat natuur beleefbaar wordt vanaf de dijk. Strategie Bovengenoemde opgaven vragen in dit cluster om een strategie gericht op extensiveren van gebieden en het creëren van een nieuwe onderlinge balans. Bij Tull en ’t Waal en de uiterwaarden ligt deze taak bij Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer, bij Heulse Waard bij een andere partij. Voor Salmsteke en Honswijkerplas is de strategie intensiveren door Stichtse Groenlanden zelf. ’t Waalse Bos en Eikenlaantje hebben geen specifieke strategie en blijft inrichting en beheer zoals het nu is. Ontwikkelrichtingen Zonering en gebiedsentrees • Werk aan een sterkere afwisseling en variatie in de buitendijkse natuur- en recreatieterreinen. De natuur heeft behoefte aan meer stapstenen, terwijl de bestaande dagkampeerterreinen kunnen worden verkleind en andere geïntensiveerd. De ontwikkelingen bij Salmsteke en (mogelijk) de Honswijkerplas zorgen voor een intensivering van de inrichting. Zorg dat intensivering bij Honswijkerplas overeenkomt met de Mobiliteitsvisie Eiland van Schalkwijk. Op andere plekken kan inrichting en beheer extensiever en meer natuurlijker ontwikkeld worden.
• Geef de dagrecreatieterreinen heldere entrees met voorzieningen zoals informatieborden, picknickbankjes, toiletten en parkeerplaatsen. Daarbuiten kan de intensiteit van inrichting en beheer dan afnemen (zie vogelvlucht). • De Heulse Waard krijgt te maken met de dijkversterking en de bestaande gebruikswaarde is ook te vinden in Salmsteke, Tull en ’t Waal en de Honswijkerplas. Dit gebied moet daarom geëxtensiveerd worden of worden getransformeerd naar natuur met recreatief medegebruik. In andere gebieden kan dan inrichting en beheer geïntensiveerd worden, bijvoorbeeld nabij Fort Honswijk. • De Boomgaard heeft op dit moment een beperkte recreatieve functie. Overweeg dit gebied te transformeren zodat de recreatiefunctie ontwikkeld wordt. Doe dit samen met de gemeente en met de bewoners en de Stichting Leefbaarheid Tull en ’t Waal. Gedacht kan worden aan het toevoegen van een maatschappelijke functie. • Salmsteke, Tull en ’t Waal en Honswijkerplas: realiseer de plannen, waar naast dijkversterking ook de uiterwaarden heringericht worden voor natuur en recreatie. Herijk daarbij de plannen voor recreatief knooppunt ’t Waal. De plannen zorgen voor intensivering van de inrichting, waardoor op andere plekken de inrichting natuurlijker en extensiever kan worden. Zet bij ’t Waal Oost en West in op gedeeltelijk extensiever maaibeheer.
Gebieden
Opp. (ha)
Zonering Zonering Toelichting nu gewenst
Bosje A27 (SGL)
2,0 D
’t Waal West (SGL)
13,4 B
B en C
Gedeeltelijk extensiever maaibeheer
Boomgaard ’t Waal (SGL)
5,9 D
C
Op dit moment heeft het gebied een beperkte recreatieve functie, maar er kan hier wel een extensieve recreatiefunctie ontwikkeld worden.
’t Waal oost (SGL)
10,4 B
B en C
Gedeeltelijk extensiever maaibeheer
’t Waalse bos (SGL)
21,2 C
Recreatieplas Honswijkerplas (SGL)
53,9 A
A en C
Recreatieplas A, zuidelijke plas wordt natuurplas (C)
Honswijkerwaard (SBB)
18,7 B en D
Tull en ’t Waal (SBB)
23,4 B
Werk aan de Waalse wetering (SBB)
18,9 B
Inundatiekanaal (SBB)
2,6 B
Werk aan de Korte Uitweg (SBB)
2,7 B
Werk aan de Groeneweg (SBB)
10,3 B
Steenwaard (SBB)
94,7 D
Heulse waard (SGL)
6,9 B en D
C en D
Transformatie naar natuur, i.v.m. dijkversterking.
Collegewaard (SBB)
13,1 B
Horde (SBB)
2,7 C
Salmsteke (SGL)
23,9 B
A
Bij de omgeving van het nog te bouwen paviljoen wordt dit deelgebied intensief gebruikt voor recreatie, waardoor de zone verandert naar A.
De grijs gemarkeerde gebieden in de tabellen zijn gedurende het proces toegevoegd, zodat we een meer compleet overzicht van oppervlakten en zonering konden maken. Deze zijn geen onderdeel van de gebiedspaspoorten en visie, maar wel meegenomen in de zonering.
Identiteit • In dit cluster is de Hollandse Waterlinies en de rivier bepalend voor de identiteit, en hiermee kan de beleving worden versterkt. De terreinen op het Eiland van Schalkwijk vormen samen met de Waterlinies in potentie een aantrekkelijk recreatief en cultuurhistorisch gebied. Verbindingen • Verbind de binnendijkse gebieden (o.a. ‘t Waalse bos) en buitendijkse gebieden beter met elkaar door (duidelijke gemarkeerde) oversteken over de dijk (zie vogelvlucht). • De gebieden rond Tull en ’t Waal moeten in de toekomst beter verbonden worden met de regio door nieuwe (fiets)verbindingen aan te leggen richting Houten over het Amsterdam-Rijnkanaal en de Hagesteinse sluis. • Zet in om in de omgeving van Jaarsveld en Salmsteke nieuwe struinpaden aan te leggen langs de rivier en de polder richting Lopik. • Verken de mogelijkheden om bij de uitwerking van de Sterke Lekdijk een doorgaand buitendijks wandelpad aan te leggen in combinatie met de dijk, als verbinding tussen de prinses Beatrixsluizen in Nieuwegein en Fort Honswijk. • Maak rondjes en doorgaande wandel- en fietsroutes in combinatie met de dijken mogelijk die de natuur niet verstoren, veilig zijn en waarmee zowel de uiterwaarden als binnendijks beleefd kan worden.
45
Biodiversiteit • De uiterwaarden van de Lek lenen zich bij uitstek voor het versterken van de biodiversiteit en het verbeteren van de waterkwaliteit. Op de strak gemaaide dagkampeerterreinen kan met sinus- of mozaiekbeheer meer soorten aan insecten en vlinders worden aangetrokken. De oevers langs de rivier kunnen ontsteend worden en verflauwd en aan de voet van de dijk kan een smalle zone met ondiepe poelen ontwikkeld worden als migratieroute voor amfibieën en reptielen. In het kader van dijkversterking zal HDSR bloemrijke dijken realiseren. Financiële consequenties • Door in gelijke verhoudingen extensiever en intensiever beheer toe te passen, kan dit qua beheerkosten budgetneutraal uitgevoerd worden. Kostenbesparingen die voortkomen uit extensiever beheer (zoals minder frequent maaien en het inzetten van natuurlijke begrazing), kunnen direct worden ingezet om hogere kosten van intensiever beheer op andere locaties te dekken. • Door aan te haken op de gebiedsontwikkelingen zoals de dijkversterking en afronding Honswijkerplas kunnen (additionele) investeringsmiddelen vrijkomen. • De ontwikkeling van commerciële exploitaties leveren hier structurele inkomsten op. Een deel hiervan kan voor nieuwe verbindingen en opgeknapte entrees ingezet worden.
46
Figuur 5.11 Gewenste zonering cluster 6
47
Figuur 5.12 Vogelvlucht cluster 6, excl. Salmsteke
Figuur 5.13 Vogelvlucht cluster 6 – Salmsteke
49
5.7 Cluster paden en routes Naast de zes gebiedsclusters spelen er ook opgaven en kansen rondom paden en routes. Voor een overzicht van de paden en routenetwerken binnen de scope van deze visie verwijzen wij naar de kaarten in het paspoort. Opgaven Voor de paden en routes geldt dat alle eerdergenoemde hoofdopgaven van toepassing zijn: 1. Meer en veranderende recreatiebehoefte 2. Beperkte middelen voor beheer van de paden 3. Creëren van overzicht en sturen op variatie en balans 4. Realiseren/versnellen ambities en plannen voor de gebieden 5. Rekening houden met klimaatverandering Met het oog op de toenemende behoefte aan bewegen in het groen en de toenemende recreatievraag zijn meer paden gewenst die de verschillende gebieden met elkaar verbinden, evenals meer routes die starten vanuit de woongebieden. Echter, het beschikbare budget voor deze ontwikkelingen is beperkt. Strategie Vanwege de veelomvattende opgaven waar de routestructuren mee te maken hebben, zijn alle mogelijke ontwikkelrichtingen van toepassing op de paden en routes: • Voor paden en routes moet extensivering (weghalen van paden) beperkt en zeer gericht ingezet worden, en altijd in combinatie met intensivering elders vanwege de groei van routegebonden recreatie. Paden die weinig gebruikt worden, kunnen mogelijk weggehaald of qua beheer geëxtensiveerd worden.
Hierbij moet wel goed gekeken worden naar de impact op het recreatieve (route)netwerk. Tegelijk moeten dan elders (aansluitend op de behoefte) nieuwe paden gerealiseerd worden, in verband met de benodigde ruimte, de diverse functies en gebruikers, veiligheid en eigenaren. Het herinrichten en ontwikkelen van bestaande paden ligt meer binnen de invloed van Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer, maar vraagt ook ruimte en extra middelen. • Op plekken waar ruimte is om te intensiveren gaat het om het verbreden van de paden, het realiseren van nieuwe paden en het herinrichten van paden. Leg hierbij de focus op de paden binnen de vernieuwde routenetwerken. • Nieuwe (vrijliggende) fietspaden zijn belangrijk om gebieden te verbinden met elkaar en de woonkernen. Omdat paden vaak zowel een recreatieve als utilitaire functie hebben en vanwege de relatief hoge beheerkosten per m2, moet (op basis van kosteneffectiviteit en locatie) goed gekeken worden wie deze paden gaat realiseren en beheren. • Paden die veelal utilitair gebruikt worden of geïsoleerd liggen kunnen waar mogelijk worden overgedragen aan de provincie of desbetreffende gemeente. Ontwikkelrichtingen Op basis van de opgaven en de strategie is het advies voor de paden en routes als volgt: • Leg de focus qua ontwikkeling op paden en routes voor wandelen en fietsen vanwege het maatschappelijk belang en impact.
Andere routevormen kunnen behouden blijven (sloepennetwerk), op een andere manier worden beheerd (kano) of verwijderd worden (skateroutes). • Zet in op het realiseren van ontbrekende wandel- en fietsverbindingen aanhakend op transitieopgaven en gebiedsontwikkelingen. Benut de ambitie om groenblauwe dooradering van het landelijk gebied te realiseren (UPLG) voor het maken van onverharde paden (zoals boerenlandpaden) voor recreatie. • Bij het realiseren van nieuwe paden die in beheer komen van Recreatieschap Stichtse Groenlanden of Staatsbosbeheer is van belang dat de extra beheerkosten gedekt worden door een bijdrage van de deelnemers. In verschillende gebieden, zoals Laagraven, Regiowout en rond de Hollandsche IJssel
•
• • •
•
• •
zijn vanuit Groen Groeit Mee plannen om meer paden te realiseren om de recreatieve mogelijkheden te vergroten. Intensiveren, verbreden van paden en verdichten van het padennetwerk is zinvol in gebieden waar knelpunten zijn qua drukte en dubbelgebruik van wandelaars, fietsers, sporters, etc. (bijvoorbeeld in Noorderpark-Ruigenhoek, Gagelbos, Nieuw-Wulven). Ook het aanleggen van paden in gebieden met hoge natuurwaarden om de beleefbaarheid te vergroten bieden kansen, mits goede inrichting (met een micro-zonering) met fysieke grens om verstoring tegen te gaan. Paden die vooral een utilitaire functie hebben, kunnen overgedragen worden naar bijvoorbeeld gemeente of provincie. Extensiveren kan aan de orde zijn in gebieden waar natuur knelt met recreatie en meer ruimte voor de natuur gewenst is, met behoud van de essentiële verbindingen (doorgaande routes). Stichtse Groenlanden blijft namens de deelnemers opdrachtgever van het Routebureau. De knooppuntenroutes vormen de basis voor het recreatieve wandelen en fietsen. Verken of het mogelijk en wenselijk is om het eigendom van het wandelnetwerk aan de provincie over te dragen (zonder financiële consequenties). Ook de andere netwerken voor wandelen en fietsen zijn bij de provincie in eigendom.
Werk samen met het Routebureau aan vernieuwing van de routenetwerken voor wandelen en fietsen en de plannen voor het aanbrengen van samenhang, vernieuwing en bekendheid van de TOPs. Pak met de revisie van het wandelnetwerk tegelijk de volgende punten aan; oude gemarkeerde routes van het Recreatieschap weghalen, gemarkeerde routes van Staatsbosbeheer opnemen in het netwerk en overtollige markering weghalen, analyse van vrijliggende wandelpaden in beheer (kunnen er paden weg, moeten er paden bij?). De bewegwijzerde skateroutes kunnen weggehaald worden (doordat ze online onvindbaar zijn, (voor ons) onbekend zijn of ze nog gebruikt worden en skategebruik vaak over fietspaden gaat). Het beheer van de kanoroutes kan in samenwerking met vrijwilligers (kanoverenigingen) opgepakt worden. Hier wordt dan ingezet op het transformeren of afstoten van routes.
51
5.8 Gebiedsoverstijgende thema’s In aanvulling op de thema’s en opgaven die spelen voor specifieke clusters, zijn er ook een aantal gebiedsoverstijgende thema’s te benoemen die voortkomen uit de toenemende en veranderende vraag naar recreatieruimte. Deze thema’s worden hieronder toegelicht. Honden Door het groeiende aantal inwoners, zijn er steeds meer bezoekers aan de gebieden en is er meer variatie in type bezoekers, waaronder ook steeds meer mensen die hun hond uitlaten. De komst van de wolf zorgt daarnaast voor extra bezoekers met hond in het veelal open landschap, omdat hondeneigenaren zich in de bossen van de Utrechtse Heuvelrug niet altijd meer veilig voelen.
Figuur 5.14 Regels voor honden in de recreatiegebieden (bron: eigen foto)
Aangezien de regels voor honden op dit moment onduidelijk zijn (onduidelijke bebording en regels over losloop of aanlijning), is naleving ervan door gebruikers de voornaamste uitdaging. Daarnaast verschillen de regels tussen de gebieden van Recreatieschap Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer en zijn er ook uitzonderingen op de geldende regels. Dit maakt het voor gebruikers onduidelijk welke regels er gelden. Het advies is om een hondenbeleid incl. verordening en bebordingsplan op te stellen om zo uniformiteit en helderheid te creëren voor bezoekers. Ontwikkel hierbij ook een heldere zonering (bijv. door middel van sloten en paden). Doe dit in elk geval voor de Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer gebieden, en betrek indien mogelijk ook de gebieden van de andere terreinbeheerders erbij. Vervolgens kan gekeken worden of verbeteringen mogelijk zijn. Handhaving en naleving Een andere gebiedsoverstijgende opgave ligt in de handhaving en naleving van geldende regels in het algemeen. Een deel van de recreanten gebruikt de gebieden en wateren, zonder rekening te houden met gebruiksregels, de natuur en andere gebruikers. Dit zorgt voor een handhavingsopgave, terwijl er op dit moment onvoldoende capaciteit beschikbaar is voor handhaving.
Figuur 5.15 Toegangsregels Honswijkerplas (bron: eigen foto)
Financieel gezien is het niet gemakkelijk om de capaciteit op te hogen. Bij (her)inrichting van gebieden is het zodanig inrichten en zoneren van het gebied een aandachtspunt, zodat (scheiding van de) gebruikersgroepen duidelijk is en handhaving minder nodig is. Gastheerschap Het publieke beheer (gastheerschap) gaat verder dan handhaving van de regels. Het is belangrijk om de (gewenste) gebruikers te ontvangen en goed te informeren. Dat kan bijvoorbeeld door (letterlijk) de weg te wijzen, communicatie, educatie en organiseren van activiteiten. Dit in combinatie met de fysieke inrichting zoals informatiepanelen, routeaanduidingen en bebording. In samenwerking met (organisaties uit) de wijken kan er nog beter aangesloten worden op behoeften van bewoners en (nieuwe) doelgroepen. Het draagt bij aan het gebruik en de beleving van de gebieden en voor bewoners aan de gezondheid, gevoel van veiligheid en sociale cohesie. In Noorderpark-Ruigenhoek is door Staatsbosbeheer de pilot 'stadsboswachter' uitgevoerd, met positieve ervaringen. Het zou goed zijn hier structureel op in te zetten, maar daarvoor is nog geen financiering.
52
Heldere en uitnodigende entrees naar verschillende gebieden Om te voorzien in de toenemende recreatiebehoefte op een gestructureerde manier is het van belang heldere en uitnodigende entrees naar verschillende gebieden te ontwikkelen. Deze plekken kunnen ingezet worden als een startpunt van waaruit de recreant het gebied in kan trekken. Deze plekken moeten verschillende recreatieve voorzieningen hebben en vragen om intensief beheer en onderhoud. Op deze manier wordt er bijgedragen aan de recreatieve toegankelijkheid. Aandachtspunten zijn het hebben van voldoende en passende voorzieningen (zoals informatievoorziening en toiletvoorzieningen), een goede aansluiting op het openbaar vervoer en de verbinding tussen de entrees, om een grotere druk van gemotoriseerd verkeer en parkeren te voorkomen. Synergie in beheer door Recreatieschap Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer Gebieden van Recreatieschap Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer die naast elkaar liggen, vormen voor de recreanten eigenlijk al één gebied. In veel clusters is ontwikkeling en beheer in samenhang nodig om zowel intern als extern naar bezoekers toe uniformiteit en duidelijkheid te creëren. Dit geldt bijvoorbeeld voor Noorderpark-Ruigenhoek en gebieden langs de Lek.
Het opzoeken van deze synergie is al onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst van Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer en blijft nodig om voor alle clusters een efficiëntieslag te kunnen maken. Exotenbeheer is een thema dat synergie kan opleveren in uitvoering en financieel, wanneer dat door Recreatieschap Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer tegelijk (geïntegreerd) wordt opgepakt. Daarnaast kan synergie ook tussen Staatsbosbeheer en gemeenten plaatsvinden. Gemeenten zouden een rol kunnen spelen in het onderhouden van gebieden waar Staatsbosbeheer relatief veel beheer- en onderhoudskosten heeft en omgekeerd waarbij jaarlijks een vereffening plaatsvindt. Grensoverschrijdende aanpak De gebieden en routes van Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer staan niet op zichzelf. Om kwaliteiten en waarden voor recreatie, natuur en andere opgaven te behouden of versterken kan niet alleen binnen de begrenzing van de gebieden gekeken worden, maar is ook aansluiting met de omgeving nodig met ruimte voor verbindingen, buffering en uitbreiding. Het heeft meerwaarde voor de samenwerking aan (grotere) gebiedsprocessen als Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer vanwege hun kennis van de terreinen, het functioneren en beheer. Dit past echter niet binnen de (reguliere) financiering.
53
6. Financiën In dit hoofdstuk bieden we inzicht in de financiële consequenties van de visie. Hiervoor beschrijven we eerst de financiële regelingen ‘achter’ de gebieden van Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer. Daarna geven we een overzicht met een indicatie van financiële consequenties van de voorgestelde ontwikkelrichtingen in hoofdstuk 5.
6.1 Financiële situatie Stichtse Groenlanden Kosten De uitgaven van Recreatieschap Stichtse Groenlanden voor de instandhouding van gebieden bestaan uit beheer en onderhoud (uitvoeren terreinbeheer, terreininspecties, beheerinformatie), exploitaties (beheer vastgoed en gronden en de daarop rustende exploitatieovereenkomsten), vergunning verlening (VOT), Toezicht en handhaving, en kosten m.b.t. bedrijfsvoering (bestuurlijke-, financiële en juridische diensten). Tevens worden kosten gemaakt voor planvorming, project-, programmama- en omgevingsmanagement, communicatie en de doorontwikkeling van het areaal. Van de totale begroting van circa 6 tot 6,5 miljoen euro, is het overgrote deel (ca. 5,0 miljoen) voor gebiedsbeheer (bron: Concept Programmabegroting 2025). Met behulp van het Terreinbeheermodel (TBM) worden de kosten voor duurzame instandhouding geraamd (bestaande uit regulier onderhoud, meerjarenonderhoud en vervangingsinvesteringen) op basis van oppervlakte of aantal en (norm)kosten per oppervlakte of aantal. De volgende categorieën worden hierbij onderscheiden: beplanting; gras & open ruimte; water & harde oevers; wegen & paden; en uitzonderingen / overige voorzieningen. Gastheerschap, handhaving en toezicht zijn geen onderdeel van het TBM. Vanwege het hogere inrichtingsniveau met recreatievoorzieningen zoals paden, parkeerplaatsen, etc.
zijn de kosten voor beheer en onderhoud van een recreatiegebied per hectare gemiddeld hoger dan de kosten van natuurgebieden. Inrichtingselementen die (volgens TBM) in absolute termen de hoogste beheer- en onderhoudslasten met zich meebrengen zijn voor SGL A (asfalt) fietspaden, gebouwen, speel- en ligweides, strandbadbeheer en bruggen. Voor SGL B zijn de harde oevers, gebouwen, recreatieve routes, bruggen en speel- en ligweiden de inrichtingselementen die (volgens TBM) de meeste beheer- en onderhoudslasten vragen. Inrichtingselementen die relatief gezien (per eenheid of oppervlakte) het meest kostbaar zijn, zijn sierbeplanting, halfverharding, asfaltverharding, en bijzondere elementen zoals bedriegertjespleintje, oeverzwaluwenwand, en spartelbadjes. Kostenverhogend is de geïsoleerde ligging van gebieden en voorzieningen, zoals eilanden en vrijliggende fietspaden. Financiering De financiering van Recreatieschap Stichtse Groenlanden bestaat uit bijdragen en eventuele extra opdrachten4 van de deelnemers (ca. 4,8 miljoen jaarlijks) en inkomsten uit exploitaties en opbrengsten van evenementen. Exploitaties zijn inkomsten uit bijvoorbeeld pacht van een ondernemer op de terreinen (erfpacht- opstal-, huur- en gebruiksovereenkomsten) en inkomsten uit toegangskaartjes (bij de Maarsseveense Plassen wordt toegang gevraagd).
De totale inkomsten uit exploitaties en evenementen (zoals opgenomen in de begroting) variëren per jaar tussen de 1 en 1,5 miljoen euro. Ontwikkelingen van gebieden worden gefinancierd vanuit (gelabelde posten in) de reserves. Reserves zijn middelen die onder het eigen vermogen vallen en waarvan het algemeen bestuur over de inzet kan besluiten. Voor de financiering van meerjarig onderhoud worden voorzieningen gemaakt. Dit zijn ‘gereserveerde’ middelen voor risico’s en verplichtingen waarvan de omvang kan worden ingeschat.
4
Voor het beheer van de Haarrijnse Plassen doet de gemeente Utrecht een extra bijdrage aan SGL.
54
Kosten en financiering vergeleken Uit analyses die op dit moment gemaakt worden met het terreinbeheermodel komt naar voren dat de opgebouwde reservering voor vervangingsinvesteringen in het verleden ontoereikend is. Staatsbosbeheer adviseert om die reservering daarom aan te passen. Dit zorgt er voor dat de lasten in de begroting hoger worden. Hier tegenover staat dat er dan een bedrag gereserveerd kan worden waarmee voorzieningen te zijner tijd vervangen kunnen worden (bijvoorbeeld vervanging van oeverbeschoeiingen). Om de financiën van Stichtse Groenlanden te managen wordt, afzonderlijk van dit traject, onderzocht wat binnen het nu beschikbare budget de keuzemogelijkheden zijn, en wat de consequenties van de keuzes zijn voor de gebieden.
6.2 Financiële situatie Staatsbosbeheer Kosten De kosten van Staatsbosbeheer zijn gericht op het beschermen, beleven en benutten van de gebieden en bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Het beheer en onderhoud van natuur, recreatie, landschap en erfgoed is zowel ‘fysiek’ voor de instandhouding van de gebieden en de inrichting, als ook ‘publiek’ waaronder ook toezicht, handhaving, publieksbegeleiding en omgevingsmanagement, gericht op de gebieden en op maatschappelijke betrokkenheid. Om dit te organiseren en aan te sluiten maakt Staatsbosbeheer ook kosten voor bijvoorbeeld planning & ontwikkeling, economisch beheer, financiële, juridische en bestuurlijke diensten. Dit is vergelijkbaar met de type uitgaven van Stichtse Groenlanden, behalve dat Staatsbosbeheer ook verantwoordelijk is voor erfgoed (waaronder bijvoorbeeld enkele forten en bijzondere landschapselementen). Er wordt voor de kostenraming meestal gewerkt met normbedragen die gelden voor grotere eenheden dan de in de visie opgenomen gebieden. Bij Staatsbosbeheer vormen de recreatieve voorzieningen een kostenpost binnen het beheer en onderhoud. Het gebruik en het inrichtingsniveau voor recreatie is in deze regio (rond Utrecht) intensief, vergeleken met de gemiddelde recreatieve inrichting van natuurgebieden, vanwege de grote recreatieve behoefte in deze dichtbevolkte regio.
In vergelijking met Stichtse Groenlanden hebben de meeste gebieden van Staatsbosbeheer minder intensieve inrichting voor recreatie: de voorzieningen bestaan vooral uit paden, routes, parkeerplaatsen etc. en weinig ‘recreatieve attracties’. De elementen die relatief gezien prijzig zijn, zijn recreatievoorzieningen (waaronder paden, speelplekken), gebouwen en monumenten. Kostenverhogend zijn de geïsoleerde ligging van gebieden en voorzieningen op slappere (veen)ondergronden. Voor Staatsbosbeheer geldt eveneens dat de te verwachten kosten voor beheer en onderhoud de komende jaren zullen stijgen door inflatie, klimaatverandering en toenemende vraag (zie paragraaf 6.1). Financiering De financiering van Staatsbosbeheer bestaat uit Rijksbijdragen, bijdragen van de provincies voor het beheer van natuur (SNL) en projectbijdragen. Daarnaast zijn er ook inkomsten uit exploitaties van gebouwen en gebieden, en houtopbrengst. De financiering van het fysieke beheer van de gebieden voor Staatsbosbeheer is gekoppeld aan de kenmerken en “status” van het gebied. We onderscheiden de volgende typen gebieden: • Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL): vanuit dit stelsel financieren provincies het beheer van natuurgebieden die onderdeel zijn van het natuurnetwerk Nederland (NNN).
De SNL-bijdrage is bedoeld voor natuur en landschap en is gebaseerd op het type natuur en werkt met standaardkostprijzen. Voor opengestelde gebieden, natuur met recreatief medegebruik, is een
55
•
•
bijdrage per hectare voor beheer recreatieve voorzieningen (beheerjaar 2025: €58/ha) en voor handhaving en toezicht (€26/ha) (bron: Openstellingsbesluit subsidies natuur provincie Utrecht 2025). Voor het beheer ten behoeve van recreatie en handhaving in de gebieden, is deze norm echter (veel) te laag. Recreatie om de Stad (RodS) zijn groengebieden met recreatiefunctie die in het kader van verstedelijking in het verleden zijn gerealiseerd, en met financiering vanuit het rijk beheerd werden (tot 2012). RodS was bedoeld voor beheer van recreatiegebieden en SNL is bedoeld voor beheer van natuur met gemiddeld recreatief medegebruik. Het inrichtingsniveau is afgestemd op deze recreatiedoelen, dat wil zeggen dat RodS-gebieden over het algemeen een hoger inrichtingsniveau hebben dan volgens de SNL-normen. In provincie Utrecht wordt via een beheerovereenkomst, en bijbehorende subsidie, geregeld dat provincie en de betrokken gemeenten bijdragen aan de financiering van het ‘basisniveau recreatief beheer’ door Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Voor de periode 2024-2027 is dit verlengd. De drie RodS-gebieden in beheer bij Staatsbosbeheer maken onderdeel uit van de clusters en zijn: Gagelbos, Nieuw Wulven en IJsselsteinse Bos-Zuid.
Hier geldt geen SNL, maar Staatsbosbeheer draagt zelf wel 25% van de beheerkosten en zoekt hiervoor dekking uit bijvoorbeeld de exploitatie-inkomsten uit deze gebieden. Voor de periode na 2027 moet een andere financiering gevonden worden. Er zijn enkele gebieden die niet onder SNL én niet onder RodS vallen en waarvan het beheer gedekt moet worden uit andere bronnen, zoals boscompensatie en exploitatie. Dit geldt in het gebied van Hollandsche IJssel voor IJsselsteinse Bos-Noord en voor de (nog te ontwikkelen) Noordwesthoek.
Voor het 'publieke' beheer (gastheerschap, toezicht en handhaving, communicatie en voorlichting), wat ook zeer belangrijk is voor het gebruik van de gebieden (zie 5.8), is geen structureel dekkende financiering. De pilot Stadsboswachter in 2024 was alleen mogelijk door tijdelijke financiering door LVVN. Voor de inzet voor ontwikkeling van gebieden, waaronder deelname aan gebiedsprocessen, en (her)inrichting van gebieden heeft Staatsbosbeheer geen middelen. Dit moet altijd gedekt worden vanuit (externe) projectfinanciering. Er is geen reserve die hiervoor kan worden ingezet. Kosten en financiering vergeleken De SNL-vergoeding die Staatsbosbeheer ontvangt voor beheer is ontoereikend voor gebieden met een belangrijke recreatiefunctie. Dit maakt instandhouding op lange termijn onzeker, zorgt ervoor dat ook voor Staatsbosbeheer exploitatie-inkomsten belangrijk(er) zijn. Het tekort heeft twee oorzaken; ten eerste is de vergoeding vanuit de SNL-voorzieningenbijdrage niet gebaseerd op daadwerkelijke kosten, het is een normbedrag voor zeer extensief recreatief medegebruik. Het bedrag is structureel te laag en daardoor onvoldoende voor instandhouding van de voorzieningen. Verschillende onderzoeken, landelijk en in Utrecht, komen tot deze conclusie (Buck Consultants, 20175, Bureau Waardenburg, 20156, Bureau ZET, 2015)7.
Daarbij komt (ten tweede) dat in de provincie Utrecht het recreatief gebruik en het inrichtingsniveau hoger is dan landelijk gemiddeld, wat ervoor zorgt dat het tekort hier aanzienlijk is. Staatsbosbeheer is bezig om voor de eigen terreinen het verschil tussen SNL-normen en kosten voor recreatie in beeld te brengen (op een hoger schaalniveau). Dit richt zich nog alleen op de 'fysieke' kant van het beheer van recreatievoorzieningen en nog niet op het benodigde 'publieke’ beheer (waaronder toezicht en handhaving).
5
Buck Consultants international, Naar een huishoudboekje van de Heuvelrug, 2017. Het onderzoek van Buck gaat uit van de voorzieningen op de Utrechtse Heuvelrug, en is gebaseerd op de daadwerkelijke kosten van Staatsbosbeheer in De Vuursche, Leersum en Austerlitz, inclusief vervanging. 6 Soomers, H., F. van Vliet, J.D. Buizer & G.F.J. Smit, 2015. Evaluatie standaardkostprijzen SNL 2015. Bureau Waardenburg Rapportnr. 15-196. Bureau Waardenburg, Culemborg. In opdracht van Bij12. Het onderzoek van Waardenburg gaat uit van een basisopenstelling met (veel) minder voorzieningen per hectare (bijvoorbeeld 40 meter per ha wandelpad en 4 m/ha fietspad en geen andere soorten paden) exclusief vervanging. 7 Bij12 (2015). Evaluatief vooronderzoek Standaardkostprijzen SNL, Eindrapport Bureau ZET
56
6.3 Ontwikkeling van kosten voor beheer en investeringen De verwachting is dat de kosten voor beheer en onderhoud in de toekomst, meer dan de reguliere inflatie, zullen stijgen door toenemend gebruik en klimaatverandering. Klimaatverandering zorgt voor extremer weer zoals droogte, natte perioden, buien en stormen. Dit heeft de volgende gevolgen op de kosten voor beheer (bron: notitie "Klimaatbestendige en duurzame recreatie bij en met Recreatie Midden-Nederland", 11 juni 2020): • Langer groei- en recreatieseizoen. Door de klimaatsverandering wordt het groeiseizoen en recreatieseizoen langer. Voor het terreinbeheer betekent een langer groeiseizoen o.a. een langer maaiseizoen en meer groei van onkruid. Een langer recreatieseizoen betekent dat recreanten over een langere periode gebruik maken van de terreinen en voorzieningen, dit genereert o.a. meer schoonmaakwerk(zwerfvuil) en herstelwerk, evenals meer toezicht, handhaving en publieksbegeleiding. Het betekent ook dat de periode om typische winterwerkzaamheden uit te voeren zoals snoeiwerk, groot onderhoud en renovatie, korter wordt. • Wortelopdrukken van bomen bij asfalt fietspaden. Tijdens droge zomers gaan bomen met hun wortels op zoek naar water. Onder asfaltverhardingen is vaak nog wat vocht aanwezig (condensvorming). Het is een bekend gegeven op droge zandgronden en wordt nu ook meer gezien bij andere (klei)grondsoorten.
• Scheuren en openbreken van halfverhardingen en coating. Tijdens droge, hete zomers droogt halfverharding sterk in en kan gaan scheuren, verbrokkelen en openbreken. De hitte kan ook de coating van peuterbaden doen barsten. • Te natte werkomstandigheden. Met name in laagveengebied blijft gedurende de winter ter terrein onbegaanbaar voor zwaar materieel. Noodzakelijk snoeiwerk kan daardoor niet of enkel met extra kosten (lichter materieel) uitgevoerd worden. • Schade door extreme regenval en storm. In zomer bij extreme regenbuien ontstaan er tijdelijke ‘stroombeddingen’ op de terreinen, waardoor stukken terrein wegspoelen en verharding verzakt. Ook stranden kunnen wegspoelen, en storm veroorzaakt schade aan bomen en gebouwen. • Water geven aan jonge beplantingen en inboet. Droge zomers zorgen er voor dat er meer nazorg nodig is bij jonge beplanting en dat er meer uitval is. • Herstel van grasvelden na droogte. Droge grasvelden worden op festivalterreinen compleet weggelopen. Herstellen van deze schade aan grasvelden is onmogelijk bij droogte, het graszaad ontkiemt niet. Bovendien worden terreinen dan ook intensief gebruikt door de recreanten. Terreinen beregenen is niet haalbaar. Dure beregeningsinstallaties kunnen niet onbeheerd in het terrein staan, en meestal gaan periodes van droogte gepaard met een sproeiverbod. Na de droogte moeten grasvelden compleet hersteld worden.
• Bestrijden invasieve exoten. Door de klimaatverandering ontstaan er gunstigere leefomstandigheden voor een aantal invasieve exoten die om (extra) maatregelen vragen, zoals de eikenprocessierups en de Japanse duizendknoop. • Algenbloei. Door versnelde opwarming van het buitenwater treedt er sneller en over een langere periode wieren- en algenbloei op, evenals (giftige) blauwalgenbloei. Dit zorgt voor extra schoonmaakwerkzaamheden op de zwemstranden. Daarnaast vragen de opgaven die op Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer afkomen om meer investeringen in groene recreatieruimte en natuur. Actief zijn in de groene buitenruimte is essentieel voor een gezonde leefomgeving. Het is steeds belangrijker voor de inwoners in de regio om actief tijd in de recreatie- en natuurgebieden door te brengen vanwege fysieke en mentale gezondheid. Hiervoor zijn meer gebieden, verbindingen en voorzieningen voor recreanten wenselijk. Investeringen in versterking van de biodiversiteit helpen ook om de balans tussen natuur en recreatie te verbeteren. In dit document hebben we voor de gebieden van Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer een visie ontwikkeld hoe om te gaan met deze opgaven. Hierbij zijn wij ons bewust van de huidige financiële
57
uitdagingen van de deelnemers. We hebben daarom zowel kostenstijgingen als mogelijke besparingen en extra inkomsten in beeld gebracht. In de volgende paragrafen wordt hier verder op ingegaan.
6.4 Financiële ‘knoppen om aan te draaien’ In voorgaande paragrafen zagen we dat zowel Stichtse Groenlanden als Staatsbosbeheer te maken hebben met financiële uitdagingen om bestaande voorzieningen in stand te houden. Vanwege de specifieke taak en bijbehorende opgaven, de focus op beheer en de afhankelijkheden van andere organisaties, zijn de mogelijkheden om de begrotingen in balans te brengen beperkt. Beperken van de kosten voor ontwikkeling en beheer heeft in veel gevallen direct een vermindering van huidige of toekomstige recreatiemogelijkheden tot gevolg. In een situatie waarin er een sterk groeiende vraag is naar recreatieruimte, is dat onwenselijk. Er moet daarom heel bewust keuzes worden gemaakt over waar en hoe geïnvesteerd danwel bespaard wordt. Een voorbeeld zijn de vrijliggende fietspaden. Uit het TBM komt naar voren dat deze relatief prijzig zijn in beheer, ook door de vaak geïsoleerde ligging. Weghalen van een fietspad heeft echter een veel groter effect dan enkel het pad; ook het landschap eromheen kan dan niet meer beleefd worden. En we willen juist dat mensen meer bewegen in het groen, zodat we langer gezond blijven. Daarnaast is het weghalen van asfalt kostbaar en vraagt het een investering aan de voorkant, en zal het weghalen stuiten op weerstand bij gebruikers ervan (meestal zowel recreanten als mensen die het pad gebruiken voor woon-werkverkeer).
Kortom: weghalen van fietspaden is onwenselijk en onhaalbaar. Wel kan overwogen worden, als een fietspad veel utilitair gebruikt wordt, het beheer over te dragen aan een gemeente of provincie. De kosten komen dan niet meer ten laste van de begroting van het Recreatieschap of Staatsbosbeheer. Knoppen om aan te draaien Het is belangrijk dat de budgetten voor het beheer van de gebieden in balans komen. Hieronder bespreken we verschillende handelingsperspectieven: a. Inrichting en beheer voor recreatie meer of minder intensief b. Inkomsten uit (commerciële) exploitaties c. Ontwikkeling en of beheer overdragen aan een andere partij d. Aanvullende financiering vanuit deelnemers, gemeenten en provincie, voor projecten of structureel e. Overige inkomsten verhogen (bijvoorbeeld crowdfunding, registratie als ANBI, plaatsen reclamemasten of een windmolen) f. Uitgaven (gebiedsbeheer, plannen maken en overhead) beperken. Een voorbeeld is de inzet van vrijwilligers en mensen met achterstand tot de arbeidsmarkt, wat in bescheiden mate kostenbesparend is. Dit is een beproefd recept in de voormalige RodS-gebieden maar draagt slechts in (zeer) beperkte mate bij aan de oplossing van het financieringsprobleem. De eerste drie handelingsperspectieven (a, b en c) zijn gekoppeld aan de ontwikkelingsrichtingen beschreven in hoofdstuk 3 en 5 (visie en uitwerking per cluster).
De laatste drie handelingsperspectieven (d, e en f) zijn niet direct gerelateerd aan de gebieden. Deze beschrijven we in dit document verder niet. Ad a. Inrichting en beheer voor recreatie meer of minder intensief Door de inrichting van een gebied aan te passen, worden de kosten van het beheer en onderhoud hoger of lager. Er is hierbij een duidelijk verband tussen de intensiteit van het recreatief gebruik, de inrichting en het beheer: gebieden die intensief voor recreatie gebruikt worden, hebben een hoger inrichtingsniveau en hogere beheerkosten. Door recreatief gebruik en inrichtingsniveau te intensiveren wordt de recreatieve opvangcapaciteit vergroot. Dit is een ‘must’ met het oog op de groei van het aantal inwoners en de toenemende recreatieve behoefte.
58
Op een (beperkt) aantal locaties is het mogelijk beheer en inrichting te extensiveren, zonder dat dat ten koste gaat van de recreatieve mogelijkheden. Het gaat dan om: • Verkleinen van (kortgemaaide) recreatieweiden die weinig gebruikt worden naar extensief maaibeheer (2x per jaar) bij 't Waal-Oost en 't Waal-West. De gebieden ontvangen nu naar schatting tussen de 1.000 en 5.000 bezoeken per hectare per jaar. Een extensievere inrichting met kleinere recreatieweiden past nog altijd bij dit bezoekersaantal en is naar verwachting ook passend bij een hoger aantal bezoekers. • Extensiveren van De Leyen8, Grutto, Heulse Waard en eilanden 6, 7,en 9 van de Vinkeveense Plassen door extensiveren maaibeleid, weghalen van parkeerplaatsen, verharding, bebouwing en toiletunits. Deze gebieden zijn relatief klein en ontvangen (zeer) weinig bezoekers. Met een extensievere inrichting en beheer kunnen naar verwachting huidige en licht groeiende bezoekersaantallen eveneens opgevangen worden. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van deze gebieden voldoende intensief ingerichte gebieden voorhanden. Wanneer er op lange termijn door toenemend gebruik behoefte is aan intensievere inrichting, kan het (maai-)beheer eventueel aangepast worden.
Intensiveren is in voorgaand hoofdstuk opgenomen voor de volgende gebieden: • Laagravense Plassen en Polder, Heemstede Noord, Regiowout, Nieuw-Wulven • Noorderpark-Ruigenhoek, Maarsseveense Plassen • Strijkviertel, Oortjespad (en plas Eend) • Noordwesthoek, Nedereindse Park en Plas • Eilanden 1-2-4 in de Vinkeveense Plassen en Marickenland • Salmsteke • Honswijkerplas Ad b. Inkomsten uit (commerciële) exploitaties Vanuit het oogpunt van zonering worden in de zone met intensieve recreatie (zone A) de meer intensieve recreatievoorzieningen geconcentreerd. Dit kunnen leisurevoorzieningen zijn, horeca, maar ook gecombineerde of sociale initiatieven zijn interessant9. Denk dan aan een dagbesteding met pluktuin en theetuin of een kinderdagverblijf gecombineerd met natuureducatie. Belangrijk is dat de voorziening zelf meerwaarde haalt uit de groene omgeving, dat de locatie interessanter en gevarieerder wordt en de omgeving publiek toegankelijk blijft. De pacht of huur van deze recreatieve initiatiefnemers zorgt voor inkomsten en vergroot de recreatiemogelijkheden. Ook kunnen er afspraken worden gemaakt over beheer van het omliggende gebied door de (sociaal of commerciële) ondernemer in ruil voor een iets lagere pacht of huurbijdrage. De hoogte van de inkomsten is afhankelijk van veel verschillende factoren, waarbij vaak geldt: hoe groter (bijv.
vierkante meters) en hoe intensiever (bijv. openingstijden en verschillende functies) hoe hoger de inkomsten maar ook hoe groter de impact op de omgeving. Hierin moet daarom naar een balans gezocht worden die past bij het gebied. Aandachtspunt is dat de exploitaties ook kosten met zich meebrengen. De opbrengsten en kosten moeten goed in verhouding zijn, ook ten opzichte van de meerwaarde aan het gebied. Locaties waar al een ontwikkeling (realisatie van een exploitatie) is voorzien, en die wordt doorgezet: • Zuidelijke entree Maarsseveense Plassen • Strijkviertel (reeds onderdeel van ontwikkelplan) • Salmsteke (in uitvoering) 8
Met het oog op de recreatiedruk in de omgeving is het advies om in de omgeving een alternatieve locatie voor intensivering van recreatief gebruik te realiseren (Groen Groeit Mee). 9 Andere vormen van exploitaties, die niet direct gekoppeld zijn aan een gebied, zijn evenementen, (tijdelijke) verhuur, verhogen van de entreeprijs of het invoeren van gebruiksvergunningen zoals voor snelvaren of hondenuitlaatservices. Deze komen hier niet aan bod.
59
• • • • •
Laagravense Plassen en Polder, Heemstede Noord Hampoort Nedereindse Park en Plas (reeds onderdeel van ontwikkelplan) Marickenland (in uitvoering) Eiland 1 en 4 in de Vinkeveense Plassen
Aanvullende locaties waar dit aan de orde is: • Noordwesthoek (reeds onderdeel van Groen Groei Mee ontwikkeling) • Nieuw-Wulven ontwikkelen van een tweede concentratiepunt voorzieningen (ter overweging) Succes- en faalfactoren voor het realiseren van commerciële exploitaties In het ontwikkelplan van het recreatieschap is al eerder besloten dat nieuwe exploitaties moeten zorgen voor inkomsten. De realisatie hiervan blijkt echter onzeker en moeizaam. Succes- en faalfactoren van deze ontwikkeling hebben we hieronder weergegeven. Succesfactoren • Het (beoogde) ontwikkeling past bij de doelen van het gebied en de omgeving. De exploitatie is op verschillende manieren van meerwaarde: qua beleving, qua gebruikswaarde (bijv. aanbieden toiletvoorziening, verhuur kano’s) en financieel; • Het omgevingsplan (voorheen: bestemmingsplan) biedt ruimte voor de gewenste ontwikkeling, of er is voldoende draagvlak bij gemeente en bewoners om het omgevingsplan te wijzigen; • De exploitant wordt in een vroeg stadium betrokken, maar niet te vroeg.
De planologische voorwaarden (omgevingsplan) moeten rond zijn; • Participatie wordt in vroeg stadium opgepakt, met betrokkenheid van de gemeente; • Goede samenwerking tussen gemeente, beheerder en andere stakeholders; • De locatie is gunstig voor recreatie, toerisme en/of zakelijke gasten, en is makkelijk en veilig bereikbaar voor auto, voetganger, fietsers en met OV. Faalfactoren zijn: • De ontwikkeling heeft geen aansluiting bij het gebied, de doelgroep van het gebied en omwonenden; • Afhankelijkheid van veel verschillende actoren die zelf kaderstellend zijn (bijv. gemeenten, Rijkswaterstaat), waardoor ontwikkeling niet of te langzaam van de grond komt. Vooral de planologische haalbaarheid blijkt vaak een struikelblok; • De exploitatie kan onhaalbaar worden door een te lange aanlooptijd of doordat er te stringente voorwaarden gesteld worden (planologisch of ruimtelijk); • Recreatieschap Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer worden pas in een laat stadium betrokken bij een gebiedsontwikkeling; • Geen duidelijk ontwikkelkader of gebiedsvisie voor aanpassing van het omgevingsplan; • Onvoldoende financiering beschikbaar voor de planvorming en benodigde publieke investeringen (voor bijvoorbeeld oppakken achterstallig onderhoud); • Grond waar de voorziening moet komen is geen eigendom. Ad c.
Verantwoordelijkheid ontwikkeling en/of beheer: zelf of een andere partij De ontwikkeling van nieuwe en bestaande gebieden is nodig om aantrekkelijk te blijven en meer recreanten te kunnen opvangen. Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer kunnen dit zelf oppakken, of in meer of minder intensieve samenwerking met partners. Naast het mogelijke financiële voordeel, zorgt dit ook voor meer variatie in het aanbod en de voorzieningen. Door het overdragen van grootschalige ontwikkeling van een bestaand of nieuw gebied aan een andere organisatie, en het gebied zelf in beheer te houden, kan de ontwikkeling meer integraal worden
60
opgepakt. Daarnaast heeft het als voordeel dat risico’s10 meer afgebakend kunnen worden, wat de (financiële) risico’s voor Stichtse Groenlanden of Staatsbosbeheer verkleint. Een gemeente zit bijvoorbeeld dichter op de ruimtelijke regelgeving en heeft kanalen en contacten voor het betrekken van de omgeving. Hoewel nog niet verkend met de genoemde organisaties, is dit in de uitwerking (hoofdstuk 5) opgenomen voor de volgende locaties: • Hampoort (intensiveren in samenhang met omgeving door Natuurmonumenten) • De Boomgaard Tull en ’t Waal (ontwikkeling en beheer van recreatie in combinatie met maatschappelijke functies samen en met initiatiefnemers uit het dorp, Stichting Leefbaarheid Tull en ‘t Waal en de gemeente) • Laagravense Plassen en Polder (realisatie van een publiek toegankelijk voedselbos, zowel ontwikkeling als beheer (deels) door een andere organisatie) • Het Nedereindse Park (gemeente Utrecht zou dit zelf willen ontwikkelen, Stichtse Groenlanden draagt bij aan het proces). Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer kunnen ook besluiten om het beheer door een andere partij te laten doen: een maatschappelijke organisatie, een ondernemer (zoals bij het Oortjespad al gebeurt), of door een gemeente. Afhankelijk van de omstandigheden en de afspraken met de betrokken organisatie kan dit een financieel voordeel opleveren.
Daarnaast zijn er gebieden waarbij door extensivering van inrichting en beheer het accent meer op natuur komt te liggen in plaats van op recreatie. Voor deze gebieden kan overwogen worden het beheer efficiënter door een andere organisatie te laten doen of is synergie met Staatsbosbeheer mogelijk: • De Leyen: extensiveren inrichting en beheer en eventueel (d.m.v. opzegging pacht) overdragen van Recreatieschap Stichtse Groenlanden naar Utrechts Landschap, in combinatie met intensiveren elders (dit is nog niet verkend met de genoemde organisaties) • Grutto: extensiveren en overdragen van Recreatieschap Stichtse Groenlanden naar Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer heeft meerdere gebieden in de omgeving. • Heulse Waard: extensiveren en overdragen van Recreatieschap Stichtse Groenlanden naar Staatsbosbeheer. Het gebied sluit direct aan op andere terreinen van SBB. • (het Waalse Bos is eigendom van Stichtse Groenlanden en wordt nu als natuur met recreatief medegebruik beheerd door Staatsbosbeheer). Ecosysteemdiensten en integrale klimaatinclusieve ontwikkeling Multifunctionaliteit van de gebieden, door het leveren van ecosysteemdiensten, zorgt voor belangrijke maatschappelijke meerwaarden. De gebieden van Stichtse Groenlanden en Staatsbosbeheer hebben naast natuur, landschap en recreatie, ook een rol in het vasthouden en bufferen van water, het bieden koelte, leveren van o.a.
biomassa, hout en gras, opslaan van CO2 en andere ecosysteemdiensten. Probleem met het leveren van ecosysteemdiensten en integrale ontwikkeling is dat de baten (in de vorm van liquide middelen) niet vloeien naar degene die de kosten maakt (de beheerders van de gebieden). Daarom blijft publiek geld voor het beheer van de terreinen is altijd noodzakelijk. Het is wel belangrijk om de meerwaarde van de gebieden voor andere functies te benoemen in het jaarverslag, evenals de kosten die daarmee voor andere partijen bespaard worden. Naast de legitimatie van het beheer van de gebieden, biedt dit wellicht aanknopingspunten om het gesprek aan te gaan over eenmalige of structurele bijdragen. Dit kan concreet worden als het gaat om waterberging. In overleg met het Waterschap kunnen de gebieden ingericht worden voor het opvangen van water op piekmomenten en eventueel in de seizoenen. Dit bespaart kosten voor het waterschap, gemeenten en ontwikkelaars, waarmee het gesprek geopend kan worden over de bijdrage in de financiering van inrichtring en beheer van deze gebieden. Met name de gebieden dicht bij de stad (waar de behoefte aan piekberging het hoogst is) zijn 10
Denk aan looptijdoverschrijding, uitkomsten van participatie en afhankelijkheden van andere organisaties.
61
hiervoor kansrijk (Laagravense Plassen en Polder, Langs de Hollandsche IJssel, NoorderparkRuigenhoek). 6.5 Overzicht financiële consequenties per cluster Onderstaande tabel geeft een overzicht met een indicatie van de financiële consequenties van voorgestelde veranderingen per gebied per cluster. Het €-teken geeft een schatting van de hoogte van structurele extra kosten, besparingen of opbrengsten per gebied. Verklaring €-tekens voor beheer: € (tot € 15.000), €€ (€ 15.000 tot 30.000), €€€ (€ 30.000 of meer), en voor ontwikkeling € (tot € 50.000), €€ (€ 50.000 tot 100.000), €€€ (€ 100.000 of meer). Gebieden waar geen verandering vermeld staat blijven qua kosten en opbrengsten hetzelfde. Gebieden
Opp. (ha)
SGL/SBB Omschrijving veranderingen
24,3 17,3 5,7 19,4
SGL SGL SGL SGL
Nieuw Wulven 106,3 Fort ’t Hemeltje 7,7 Fort Rhijnauwen 31,3 Fort Vechten 38,3 Cluster 2 De Leyen 4 Ruigenhoekse polder 69,1 Buitengebied 89,2 Maarsseveense plassen Strandbad 30,9 Maarsseveen Maarsseveense kleine 27,4 plas Fort Ruigenhoek 7,9 Noorderpark165,3 Ruigenhoek
SBB SBB SBB SBB
Cluster 1 Laagraven noordplas Laagraven zuidplas Regiowout Heemstede Noord
Cluster 3 Strijkviertel
Structurele opbrengsten / besparingen
Structurele meerkosten
Eenmalige kosten
€
€€
€€€
€ €€€
€ €€€
€€€
€
€€
€
€ €€
Intensievere inrichting Intensievere inrichting Intensievere inrichting, ontwikkeling gebiedsentree Ontwikkeling gebiedsentree
SGL SGL/SBB SGL
Extensievere inrichting en beheer Ontwikkeling gebiedsentree
€ €€€
SGL
Investering commerciële ontwikkeling
€€€
Ontwikkeling en aanwijzing zwemwaterlocatie, ontwikkeling gebiedsentree
€€€
€€
€€
Intensievere inrichting, ontwikkeling gebiedsentree
€€€
€
€
€
€
€€
SGL SBB SGL/SBB
20,2
SGL
Haarrijnse Plas Hampoort Oortjespad en plas Eend *)
8,5 6 19,5
SGL SGL SGL
Grutto Cluster 4 IJsselbos IJsseloevers Nedereindse Park en Plas IJsselsteinse bos zuid IJsselsteinse bos noord Hollandsche IJssel: Noordwesthoek
2,6
SGL
26,6 1,9 84,6
SBB SBB SGL
24,7 23,3
SBB SBB
56,8
SBB
Intensievere inrichting Intensievere inrichting, beheer door en opbrengsten voor exploitant Extensievere inrichting en beheer
€€
€
€
Intensievere inrichting, ontwikkeling gebiedsentree
€€€
€€€
€€€
Intensievere inrichting, ontwikkeling gebiedsentree
€€€
€€€
€€€
62
Gebieden
Opp. (ha)
SGL/SBB
Omschrijving veranderingen
4,6 271,7 198,2 8,6
SGL SGL SGL SGL
Ontwikkeling gebiedsentree
2 3,3 2,8 2,3 1,9 0,5
SGL SGL SGL SGL SGL SGL
Eiland 7
0,9
SGL
Eiland 8 Eiland 9
4,4 3,1
SGL SGL
Eiland 10-11-12 Marickenland Polder Demmerik Cluster 6 ’t Waal West
1,7 197 160,5
SGL SBB SBB
13,4
SGL
Boomgaard ’t Waal
5,9
SGL
’t Waal Oost
10,4
SGL
’t Waalse bos Recreatieplas Honswijkerplas Honswijkerwaard Tull en ’t Waal Heulse Waard
21,2 53,9
SGL SGL
18,7 23,4 6,9
SBB SBB SGL
Salmsteke
23,9
SGL
Cluster 5 Winkelpolder Noordplas noord Vinkeveense zuidplas Vinkeveense kleine plas Eiland 1 Eiland 2 Eiland 3 Eiland 4 Eiland 5 Eiland 6
Structurele opbrengsten / besparingen
Structurele meerkosten
Eenmalige kosten
€
Intensievere inrichting Intensievere inrichting
€€
€ €
€ €
Intensievere inrichting
€€
€
€€
Extensievere inrichting en beheer Extensievere inrichting en beheer
€
Extensievere inrichting en beheer
€
€€
€€
€
Intensievere inrichting
Gedeeltelijk extensiever maaibeheer Intensievere inrichting (door dorp zelf), inrichting met maatschappelijke functie, exploiteren of afstoten Gedeeltelijk extensiever maaibeheer