1. Ontwerp Centrumregeling Sociaal Domein Lekstroom
Tekst van het document
Ontwerpcentrumregeling Sociaal Domein Regio Lekstroom De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd; overwegende dat er reeds bestaande privaatrechtelijke samenwerking(en) tussen de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden zijn binnen het sociaal domein op het gebied van de Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en andere uit de samenwerkingsagenda voortvloeiende werkzaamheden; er in het sociaal domein onderwerpen zijn waarop de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden de wettelijke plicht hebben om samen te werken voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van wetgeving in het sociale domein; dat voor deze wettelijk verplichte samenwerking de aan deze centrumregeling deelnemende gemeenten krachtens artikel 2.17 van de Jeugdwet zijn aangewezen als regio; de portefeuillehouders van de betreffende gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden in het Bestuurlijk Platform Sociaal Domein Lekstroom op [datum] overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop de samenwerking tussen de betreffende gemeenten in het sociaal domein wordt gecontinueerd dan wel aangevuld; in de Toekomstnotitie getiteld ‘Regio Lekstroom: sterk met elkaar.
Toekomst van het regionale samenwerken binnen het Sociale Domein’ als vastgesteld door het Bestuurlijk Platform Sociaal Domein Lekstroom (BPSDL) van oktober 2024 de wens tot samenwerken eveneens is benadrukt; de beoogde samenwerking tussen de gemeenten zich kenmerkt door het gezamenlijk bewerkstelligen van de openbare diensten die zij moeten uitvoeren. Deze openbare diensten worden verleend met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen waarbij de invulling van die samenwerking uitsluitend berust op overwegingen in verband met het openbaar belang, een en ander overeenkomstig artikel 2.24 onder c van de Aanbestedingswet 2012; gelet op -
de Jeugdwet; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; artikel 8, lid 4, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; de Algemene wet bestuursrecht; de Gemeentewet;
gezien de toestemming van de gemeenteraden van Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden, overeenkomstig artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; besluiten de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen: Centrumregeling Sociaal Domein Regio Lekstroom,
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1.
Begripsbepalingen
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. Centrumgemeente de gemeente wiens college bevoegdheden gemandateerd heeft gekregen, als bedoeld in artikel 8, lid 4, Wet gemeenschappelijke regelingen, benodigd voor de taakvelduitvoering als bedoeld in artikel 6 lid 1; b. Partnergemeenten de gemeenten IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden; c. BPSDL: het Bestuurlijk Platform Sociaal Domein Lekstroom als bedoeld in artikel 10; d. PLO het Programmaleidersoverleg als bedoeld in artikel 12; e. GSO het Gemeentesecretarissenoverleg als bedoeld in artikel 11; f. Colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden; g. Gemeenten: de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden; h. Raden: de raden van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden;
1
i.
Deelnemers:
j.
Regeling:
k.
Taken:
l. m.
Jeugdwet: Wmo: Artikel 2.
de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden die deelnemen aan onderhavige centrumregeling; de gemeenschappelijke regeling “Centrumregeling Sociaal Domein Regio Lekstroom”; de taken van de Centrumregeling Sociaal Domein Regio Lekstroom, bedoeld in artikel 4 en artikel 5; de Jeugdwet; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Belang
De regeling beoogt het vorm geven aan de samenwerking tussen de centrumgemeente en partnergemeenten om op een doelmatige en doeltreffende wijze taken die voortvloeien uit de Jeugdwet en Wmo, het toezicht op de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van deze taken alsmede de uitvoeringstaken die gelieerd zijn aan de verdere regionale samenwerking binnen het sociaal domein uit te voeren. Artikel 3.
Aanwijzing centrumgemeente
De gemeente Houten wordt aangewezen als centrumgemeente.
Hoofdstuk 2: Taken, taakuitvoering en bevoegdheden Artikel 4.
Taakveld Jeugd
Het college van de centrumgemeente voert voor de partnergemeenten op grond van de Jeugdwet de volgende taken in het taakveld Jeugd uit: a. het contracteren of subsidiëren van vormen van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; b. coördinatie van regionale en bovenregionale inkoop- en subsidietrajecten; c. het uitvoeren van administratieve en financiële processen waaronder monitoring, relatiemanagement, data-analyse, rapporteren ten behoeve van de gemeentelijke beleidscyclus en het maken van gegevensafspraken; d. het afstemmen met andere Jeugdregio’s ten behoeve van een toereikend aanbod van jeugdhulp en van gecertificeerde instellingen; e. de organisatie van de regionale expertteams; f. contractmanagement en -beheer van gecontracteerde jeugdhulpaanbieders; g. relatiemanagement met aanbieders; h. toezicht op rechtmatigheid in het kader van de Jeugdwet; i. ondersteuning en facilitering bij de uitvoering van de onder a tot en met h genoemde taken. Artikel 5. Taakveld Wmo en andere uitvoeringstaken Het college van de centrumgemeente voert voor de partnergemeenten op grond van de Wmo de volgende taken in het taakveld Wmo en daarnaast andere uitvoeringstaken die gelieerd zijn aan de samenwerkingsagenda uit: a. uitvoering van regionale inkoop- en subsidietrajecten; b.
contractmanagement en -beheer van gecontracteerde Wmo-aanbieders; c. relatiemanagement met Wmo-aanbieders; d. uitvoering van administratieve en financiële processen, waaronder monitoring, relatiemanagement, data-analyse en rapporteren ten behoeve van de gemeentelijke beleidscyclus en het maken van gegevensafspraken; e. toezicht op rechtmatigheid in het kader van de Wmo; f. uitvoeringstaken die gelieerd zijn aan de verdere regionale samenwerking binnen het sociaal domein, zoals bijvoorbeeld de in [jaartal] vastgestelde regionale Samenwerkingsagenda; g. ondersteuning en facilitering bij de uitvoering van de onder a tot en met f genoemde taken. Artikel 6. 1. 2.
Uitvoering taken
De partnergemeenten zijn verplicht het taakveld bedoeld in artikel 4 door de centrumgemeente uit te laten voeren. De partnergemeenten kunnen ervoor kiezen het taakveld bedoeld in artikel 5 niet uit te laten voeren door de centrumgemeente. Het niet laten uitvoeren van het taakveld genoemd in artikel 5 is taakveldvermindering.
2
3.
4.
5.
6.
Partnergemeenten kunnen besluiten tot taakveldvermindering bij de inwerkingtreding van deze regeling dan wel na een termijn die wordt opgenomen in de Dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 7. Indien na een termijn bedoeld in het tweede lid overgegaan wordt tot taakveldvermindering van artikel 5 wordt in de Dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 een regeling opgenomen die van toepassing is op de partnergemeenten die ervoor kiezen de taken van het taakveld genoemd in artikel 5 niet door de centrumgemeente uit te laten voeren. Het is voor partnergemeenten mogelijk om bij de uitvoering van het taakveld genoemd in artikel 5 te differentiëren door een of meerdere van de in artikel 5 onder a tot en met g genoemde taken niet meer door de centrumgemeente te laten uitvoeren. De procedure, termijnen en financiële gevolgen hiervan worden geregeld in de Dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 7. Het is voor partnergemeenten mogelijk om bij de uitvoering van de taakvelden genoemd in artikel 4 en artikel 5 een verschil in volume van de uitvoering van een of meer taken overeen te komen. De procedure, termijnen en financiële gevolgen hiervan worden geregeld in de Dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 7.
Indien een college van een partnergemeente besluit om het taakveld bedoeld in artikel 5 uit te laten voeren door de centrumgemeente, waar zij eerder besloot dat niet te doen conform het tweede en derde lid, is er sprake van taakveldvermeerdering. Artikel 7.
1. 2.
3. 4.
De centrumgemeente sluit met iedere partnergemeente een Dienstverleningsovereenkomst af voor de taken van de taakvelden bedoeld in artikel 4 of artikel 5. De Dienstverleningsovereenkomst genoemd in het vorige lid expliciteert in ieder geval maar niet uitsluitend: a. De voorwaarden voor het niet laten uitvoeren van het taakveld bedoeld in artikel 6, lid 3; b. De taakveldvermeerdering of taakveldvermindering binnen een taakveld bedoeld in artikel 6, lid 3 of de differentiëren als bedoeld in artikel 6, lid 4,; c. De taken en verantwoordelijkheden van het BPSDL, het GSO en het PLO. d. De financiële bijdrage van de betreffende partnergemeente conform de financieringssystematiek als bedoeld in hoofdstuk 5. Indien een college besluit het taakveld bedoeld in artikel 5 niet af te nemen, conform artikel 6 derde lid, wordt dit expliciet genoteerd in de Dienstverleningsovereenkomst. Het college van de centrumgemeente, gehoord het BPSDL, stelt een modeldienstverleningsovereenkomst vast die als basis voor de afzonderlijke dienstverleningsovereenkomsten wordt gehanteerd. Artikel 8.
1. 2. 3.
4.
5. 6.
1.
2.
Dienstverleningsovereenkomst
Bevoegdheden
Voor de uitvoering van de in artikel 4 en artikel 5 genoemde taken mandateren de colleges van de partnergemeenten, voor zover van toepassing, hun daarop betrekking hebbende bevoegdheden aan het college van de centrumgemeente. Het college van de centrumgemeente kan de in het vorige lid genoemde mandatering verder mandateren aan medewerkers die onder hun gezag werkzaam zijn. De door de colleges van de partnergemeenten verstrekte mandaten worden in elke gemeente opgenomen in het mandaatregister. De colleges van de partnergemeenten dragen daarbij tevens zorg voor de bekendmaking van de verstrekte mandaten, als vereist in Afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bepaalde in de vorige leden van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van volmachten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het machtigen voor het verrichten van feitelijke handelingen door het college van de centrumgemeente. Het college van de centrumgemeente houdt een register bij van de aan hem verleende mandaten en volmachten. Daarin worden ook de ondermandaten, verdere volmachten en machtigingen opgenomen. In geval van verlening van ondermandaten, verdere volmachten en machtigingen zorgt het college van de centrumgemeente voor de bekendmaking daarvan als bepaald in Afdeling 3.6 Algemene wet van het bestuursrecht. Artikel 9.
Participatie Ingezetenen van de gemeenten en andere belanghebbenden bij de taakuitvoering van de regeling worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling slechts betrokken voor zover dat bij of krachtens wet is vereist of voorzover door het BPSDL daartoe bepaald. De participatie als bedoeld in de vorige volzin vindt plaats op de in de gemeenten gebruikelijke wijze, tenzij het BPSDL uitdrukkelijk anders besluit. Bij de participatie als bedoeld in het vorige lid kan een andere procedure dan die van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd worden.
3
Hoofdstuk 3: Beleidsvorming, beleidsuitvoering en gremia Artikel 10. 1. 2.
3. 4. 5. 6. 7.
Gelet op het in artikel 2 benoemde belang dragen de colleges zorg voor een gezamenlijke beleidsvorming. Voor de gezamenlijke beleidsvorming als bedoeld in het vorige lid wordt het Bestuurlijk Platform Sociaal Domein Lekstroom, het BPSDL, ingesteld. Hieraan nemen alle betreffende portefeuillehouders van de deelnemers op voet van gelijkwaardigheid deel. Het BPSDL vervult de rol van bestuurlijk opdrachtgever jegens de centrumgemeente. Het BPSDL regelt zijn werkzaamheden in een reglement van orde. Dit reglement wordt aan de colleges ter kennisneming verstrekt. Indien sprake is van agendapunten in het BPSDL die niet alle deelnemers betreft als gevolg van verschil in taakveldafname, nemen uitsluitend de portefeuillehouders deel van de gemeenten die het betreffende taakveld afnemen. In het reglement van orde bedoeld in het vierde lid wordt uitgewerkt in welke gevallen en op welke wijze het BPSDL in beperkte samenstelling bijeenkomt. Artikel 11.
1. 2. 3. 4.
3. 4.
Het GSO
Er vindt ambtelijk overleg plaats tussen de gemeenten in het GSO. Het GSO bestaat uit de gemeentesecretarissen van de deelnemers. Het GSO is ambtelijk opdrachtgever van de centrumgemeente en bespreekt de personele aangelegenheden van de gemeenten voor de uitvoering van de taakvelden bedoeld in artikel 4 of artikel 5. Binnen het GSO kunnen stukken van en over de uitvoering van de taakvelden bedoeld in artikel 4 of artikel 5 bij de centrumgemeente worden voorbesproken en indien nodig, voorzien van advies, doorgestuurd naar het BPSDL. Het GSO is als ambtelijk opdrachtgever adviseur van de bestuurlijk opdrachtgever, zijnde het BPSDL conform artikel 10 lid 3, alsmede facilitator van het besluitvormingsproces omtrent de Centrumregeling Sociaal Domein Regio Lekstroom.
Artikel 12. 1. 2.
Het BPSDL
Het PLO
Het PLO, bestaat uit de ambtelijk aanspreekpunten van de deelnemers. Het PLO is de gedelegeerd ambtelijk opdrachtgever van de centrumgemeente ten aanzien van de uitvoering van de opgaven uit de samenwerkingsagenda en de taakvelden in artikel 4 of artikel 5. Het PLO spreekt onder meer over de kwaliteit, haalbaarheid en actualiteit van de inhoudelijke voorstellen die worden voorgelegd aan het BPSDL. Het PLO doet een voorstel voor de onderwerpen voor het BPSDL. Het PLO is inhoudelijk adviseur aan de bestuurlijk opdrachtgever, zijnde het BPSDL conform artikel 10 lid 3.
Hoofdstuk 4: Informatie en verantwoording Artikel 13. 1. 2.
Rapportage en verantwoording over de uitvoering van de taken en uitgave van middelen aan de partnergemeenten vindt plaats conform de reguliere P&C cyclus van de centrumgemeente. De centrumgemeente zendt jaarlijks aan het BPSDL een rapportage over de uitvoering van en de uitgaven van de middelen aan de partnergemeenten. Artikel 14.
1. 2.
1.
Verantwoording
Informatieplicht
Het college van de centrumgemeente geeft de colleges van de partnergemeenten gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die het college van de partnergemeenten voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Indien en voor zover wegens een wettelijke geheimhoudingsverplichting het college van de centrumgemeente niet in staat is om te voldoen aan het in het vorige lid bepaalde , komen de verplichtingen uit het vorige lid te vervallen. Artikel 15. Rekenkamer De rekenkamer van een partnergemeente is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumgemeente voor de uitvoering van de taak voor die partnergemeente te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht.
4
2.
1.
2.
Het gemeentebestuur van de centrumgemeente verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de rekenkamer van een partnergemeente ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht. Artikel 16. Accountant De accountant van een partnergemeente, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumgemeente te onderzoeken voor zover hij dat ter vervulling van zijn taak nodig acht. Het gemeentebestuur van de centrumgemeente verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de accountant van een partnergemeente ter vervulling van zijn taak als bedoeld in artikel 213 van de Gemeentewet nodig acht.
Hoofdstuk 5: Financiering 1.
2. 3.
4.
5.
6. 7.
1.
2. 3.
4.
5.
Artikel 17. Verdeelsleutel taken Jeugdwet en Wmo De kosten die de centrumgemeente maakt voor de uitvoering van de in artikel 4 of artikel 5 genoemde taakvelden, uitgezonderd de taken omtrent toezicht op naleving van de Jeugdwet en WMO als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder h, en artikel 5, aanhef en onder e, worden door de deelnemers gedragen op basis van de verdeelsystematiek als opgenomen in dit artikel. De centrumgemeente ontvangt voor deze uitvoering een bijdrage van de partnergemeenten, gebaseerd op het nonprofijtbeginsel. De bijdragen van de partnergemeenten worden berekend op basis van de volgende componenten: a. directe uitvoeringskosten, waaronder salarissen, personeelskosten en risico-opslag met betrekking tot werkgeverschap voor medewerkers die belast zijn met de uitvoering van de taken; b. indirecte kosten, waaronder overhead, ICT, huisvesting, stafdiensten en overige facilitaire lasten, naar rato van de inzet van personeel in de uitvoering; c. overige kosten die direct samenhangen met de uitvoering van de taken op het gebied van de Jeugdwet of de Wmo. De verdeling van de kosten vindt plaats op basis van het aantal inwoners van iedere gemeente voor zover het gaat om werkzaamheden die de gehele regio betreffen en niet direct aan Jeugdwet of Wmo zijn te relateren zoals opgenomen in artikel 5 onder f.
De bijdrage wordt per kwartaal in rekening gebracht en achteraf verrekend op basis van de werkelijke kosten en de afgesproken verdeelsleutel als bedoeld in het vorige lid. Indien sprake is van een positief of negatief exploitatiesaldo, vindt nacalculatie plaats per kostencategorie a, b en c als bedoeld in het vierde lid, zodat een positief of negatief saldo behorend bij onderdeel a, b of c afzonderlijk wordt verrekend. Indien een van de deelnemers personeel beschikbaar stelt voor de uitvoering van de taken, wordt de financiële waarde daarvan in mindering gebracht op de door die gemeente verschuldigde bijdrage. Voor specifieke, maatwerkgerichte diensten die op verzoek van een individuele gemeente worden geleverd, wordt een separate bijdrage vastgesteld op basis van werkelijke kosten. Deze wordt vastgelegd in een addendum bij de dienstverleningsovereenkomst. Artikel 18. Verdeelsleutel taken omtrent Toezicht De kosten die de centrumgemeente maakt voor het toezicht op de naleving van de Jeugdwet en de Wmo als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder h, of artikel 5, aanhef en onder e, worden door de deelnemers gedragen op basis van de verdeelsystematiek als opgenomen in dit artikel. De centrumgemeente ontvangt voor deze uitvoering een bijdrage van de deelnemers, gebaseerd op het nonprofijtbeginsel.
De bijdragen van de partnergemeenten als bedoeld in het eerste lid worden berekend op basis van de volgende componenten: a. directe kosten van toezicht, waaronder salarissen, personeelskosten en risico-opslag met betrekking tot werkgeverschap; b. indirecte kosten, waaronder overhead, ICT, huisvesting, stafdiensten en overige facilitaire lasten, naar rato van de inzet van personeel op het toezicht; c. overige kosten die direct samenhangen met de uitvoering van toezichttaken op het terrein van de Jeugdwet en de Wmo. De verdeling van de kosten vindt plaats op basis van het inwoneraantal per gemeente, als jaarlijks vastgesteld op basis van de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (peildatum 1 januari van het voorgaande jaar). De verdeelsleutel wordt jaarlijks per 1 januari geactualiseerd. De bijdrage wordt per kwartaal in rekening gebracht en achteraf verrekend op basis van de werkelijke kosten en de afgesproken verdeelsleutel als bedoeld in het vorige lid. Indien sprake is van een positief of negatief exploitatiesaldo, vindt nacalculatie plaats op basis van dezelfde verdeelsleutel.
5
Hoofdstuk 6: Duur, evaluatie en geschillenregeling Artikel 19.
Duur
De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Artikel 20. 1. 2. 3. 4.
1. 2. 3. 4.
5. 6.
Evaluatie
Deze regeling wordt om de vier jaar of op verzoek van een meerderheid van de deelnemers geëvalueerd. Bij een evaluatie bedoeld in het vorige lid treden de colleges als gezamenlijk opdrachtgever op via het BPSDL. De bevindingen en aanbevelingen van de evaluaties worden, zo nodig met een gezamenlijk voorstel van de colleges, aan de raden van de deelnemers gerapporteerd. Het BPSDL stelt evaluatiecriteria voor evaluaties als bedoeld in het eerste lid vast. Artikel 21. Geschillenregeling Indien de uitleg dan wel de uitvoering van deze regeling leidt tot een geschil tussen de deelnemers, wordt eerst geprobeerd dit geschil minnelijk in een overleg tussen alle deelnemers op te lossen. Gedurende dit minnelijk overleg kunnen de deelnemers gezamenlijk besluiten een bemiddelingsprocedure (mediation) te volgen. De kosten hiervan worden volgens de verdeelsleutel van artikel 18, lid 4, door de deelnemers gedragen. Indien het minnelijk overleg, al dan niet na mediation, niet tot een oplossing van het geschil leidt, volgen de deelnemers een bindend adviesprocedure. In geval van bindend advies wijzen de deelnemers in onderling overleg twee onafhankelijke bindend adviseurs aan. Deze adviseurs wijzen vervolgens een derde onafhankelijk bindend adviseur aan, die tevens zal optreden als voorzitter van de bindend adviescommissie. Deze adviescommissie regelt zelfstandig haar werkzaamheden.
In geval van bindend advies komen de colleges overeen dat zij zich gebonden achten aan het uitgebrachte advies. De raden worden over deze procedure en de uitkomst daarvan geïnformeerd. De kosten voor het opstellen van het bindend advies worden volgens de verdeelsleutel van artikel 18, lid 4, door de deelnemers gedragen.
Hoofdstuk 7: toetreding, wijziging, uittreding en opheffing Artikel 22. 1. 2. 3. 4.
Toetreding
Colleges van andere dan de in artikel 1 onder g genoemde gemeenten kunnen een verzoek tot toetreding indienen bij het BPSDL. Het BPSDL zendt het verzoek tot toetreding als bedoeld in het vorige lid onverwijld door aan de colleges. Toetreding tot de regeling is slechts mogelijk indien de colleges daartoe unaniem besluiten. De toetreding is tot stand gekomen indien de beoogd toetreder en de colleges, met toestemming van hun raden, bedoeld in artikel 1, vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, daartoe besluiten.
Artikel 23. Wijzigen van een regeling 1. Het BPSDL kan een voorstel voor wijziging van de regeling naar de colleges sturen. 2. De deelnemers besluiten slechts tot wijziging van de regeling indien: a. in het BPSDL een meerderheid van de colleges overeenstemming heeft bereikt over het voorstel; en b. een meerderheid van de colleges van de deelnemers, ieder afzonderlijk en na verkregen toestemming van hun raden, hiertoe besluit.
1. 2. 3. 4.
Artikel 24. Uittreding Een college kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een college zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan de andere colleges. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het college van de centrumgemeente het besluit heeft ontvangen. Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.
6
5.
6.
7.
8.
1. 2. 3.
4.
5.
6.
7.
8.
1. 2. 3.
4.
De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van een jaar na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. De uittreding gaat in elk geval niet in binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de regeling. In afwijking van het vorige lid gaat de uittreding van het college van de centrumgemeente pas in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. De uittreding gaat in elk geval niet in binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de regeling. Indien het college van de centrumgemeente beslist tot uittreding, dan nemen alle colleges binnen zes maanden een besluit of in plaats van de uittredingsprocedure besloten wordt tot opheffing van de regeling overeenkomstig artikel 28. Besluit een meerderheid van de colleges tot opheffing, dan is artikel 28 verder van toepassing en wordt de uittredingsprocedure gestopt. Wordt niet tot opheffing besloten, dan wordt de procedure van artikel 27 gevolgd. Een college dat voornemens is uit te treden kan het college van de centrumgemeente vragen een indicatie te geven van de gevolgen van de uittreding, overeenkomstig hetgeen in deze regeling bepaald.
De indicatie wordt binnen zes maanden opgeleverd, tenzij het betreffende uittredende college en het college van de centrumgemeente anders overeenkomen. De kosten voor het opstellen van de indicatie komen voor rekening van het college dat om de indicatie heeft verzocht. De indicatie bindt de gemeenten geenszins wanneer definitief tot uittreding wordt besloten. Artikel 25. Procedure voor vaststelling uittredingsplan Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. Het college van de centrumgemeente wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de secretaris van de centrumgemeente.
Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het college van de centrumgemeente de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden uit de colleges, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer en een vertegenwoordiger van de centrumgemeente. Ten minste zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het college van de centrumgemeente het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het college van de centrumgemeente baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het college van de centrumgemeente de definitieve uittreedsom vast. Het college van de centrumgemeente baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 26. Bij de berekening van de kosten voor uittreding als bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het college van de centrumgemeente de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het college van de centrumgemeente conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Artikel 26. Te vergoeden kosten De voorlopige, respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de centrumgemeente die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. De centrumgemeente brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer.
De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie
7
5. 6. 7.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
1. 2. 3. 4.
5. 6.
maanden nadat het college van de centrumgemeente de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 25, lid 6, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 25, lid 8, anders is vastgelegd. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. De centrumgemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het college van de centrumgemeente van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 27. Uittreding door centrumgemeente In de periode tussen het besluit tot uittreding van het college van de centrumgemeente tot de inwerkingtreding van de uittreding neemt de centrumgemeente het voortouw om een ontwerp-uittredingsplan op te stellen. Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.
Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de centrumgemeente, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. Het bevat tevens een voorstel over hoe om te gaan met de personele gevolgen van de uittreding en de ontvlechting van gezamenlijke overeenkomsten met derden en aangeschafte systemen. De centrumgemeente en de partnergemeenten stellen zich constructief op bij het aanbieden, respectievelijk overnemen van personeel en andere contractuele verplichtingen, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan de centrumgemeente, een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van de colleges het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de centrumgemeente. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding zendt de centrumgemeente het ontwerpuittredingsplan en de voorlopige uittreedsom aan de colleges. De colleges stellen het uittredingsplan bij unanimiteit vast. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan bieden de colleges van de partnergemeenten de uittredende centrumgemeente de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer.
Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kosten, bedoeld in lid 5 van dat artikel, voor rekening van de centrumgemeente komen en dat de verplichting uit lid 7 van dat artikel juist geldt voor de partnergemeenten. Artikel 28. Opheffing Tot opheffing van deze regeling kan slechts besloten worden op grond van een eensluidend besluit van alle deelnemers. In geval van een besluit tot een voorgenomen opheffing van deze regeling geven de colleges opdracht aan een onafhankelijke deskundige tot het opstellen van een opheffingsplan. Het opheffingsplan voorziet in ieder geval in de verplichting van de gemeenten tot het gezamenlijk dragen van de financiële en personele gevolgen daarvan. Het voorgenomen besluit tot opheffing wordt samen met het ontwerp-opheffingsplan aan de raden voorgelegd om hun zienswijzen daarop naar voren te brengen bij het college van hun gemeenten. De termijn voor het indienen van zienswijze is twaalf weken. Na verwerking van de zienswijzen in het ontwerp-opheffingsplan, stellen de deelnemers dit gezamenlijk vast. De raden worden hierover geïnformeerd. Het college van de centrumgemeente is belast met de afwikkeling van het opheffingsplan. Na deze afwikkeling wordt de regeling geacht opgeheven te zijn.
Hoofdstuk 8: archief Artikel 29. 1.
2. 3.
Archief
De centrumgemeente is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de zorg voor de archiefbescheiden, bedoeld in het tweede lid, komen ten laste van de centrumgemeente. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden wijst de centrumgemeente een archiefbewaarplaats aan.
8
4.
Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van de taakuitvoering voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris van de centrumgemeente.
Hoofdstuk 9: slotbepalingen 1. 2. 3. 4.
Artikel 30. Bekendmakingen en inwerkingtreding Deze regeling wordt door het college van de centrumgemeente bekendgemaakt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, lid 1, Wet gemeenschappelijke regelingen. Het in het vorige lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op wijziging van, toetreding tot, uittreding uit en opheffing van de regeling. Deze regeling treedt in werking de dag na bekendmaking. Het college van de centrumgemeente zorgt voor registratie van de gegevens als bedoeld in artikel 26, lid 2, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 31. Citeerwijze Deze regeling kan worden aangehaald als "Centrumregeling Sociaal Domein Regio Lekstroom’’.
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten op [datum]
De secretaris,
De burgemeester,
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein op [datum]
De secretaris,
De burgemeester,
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik op [datum]
De secretaris,
De burgemeester,
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein op [datum]
De secretaris,
De burgemeester,
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden op [datum]
De secretaris,
De burgemeester,
9