1. Bestemmingsplan Panoven, Hoge Dijk en Boerhaaveweg
Tekst van het document
Parkeernorm 2,0 per woning
Parkeerbehoefte 8 p.p
1,25 per 100 m² bvo 1,25 per 100 m² bvo
5 p.p 11,25 p.p 25 p.p.
Conclusie De verkeerstoename als gevolg van de planontwikkeling is dermate gering dat het niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op het omliggende wegennet zal leiden. De toekomstige parkeerbehoefte van 25 parkeerplaatsen wordt op eigen terrein opgevangen. Daarmee zal worden voldaan aan het gemeentelijk parkeernormenbeleid. De aspecten verkeer en parkeren staan de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.2
Ecologie
Toetsingskader: Wet natuurbescherming (Wnb) Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura-2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang
39/60
van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek en conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen
40/60
aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek bedraagt circa 5 kilometer en de afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied bedraagt circa 800 meter. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Directe significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. Dit volgt ook uit de uitgevoerde ecologisch quickscan en de stikstofberekening. Zie hiervoor paragraaf 4.1 van Bijlage 3 en de stikstofberekening in Bijlage 5. Wat betreft gebiedsbescherming staan de De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Utrecht de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming Er is een ecologische quickscan uitgevoerd door adviesbureau Ecologisch. Hieruit blijkt dat omdat er geen water aanwezig is in het plangebied waardoor beschermde soorten flora, ongewervelden, vissen, amfibieën en reptielen uitgesloten kunnen worden. Zie hiervoor hoofdstuk 3 van Bijlage 3. De bebouwing in het plangebied kan wel mogelijk dienen als nestlocaties voor de huismus en verblijfplaatsen voor vleermuizen.
Het struweel in het plangebied kan mogelijk dienen als verblijfplaats voor de steenmarter. Tevens kunnen de bomen met holtes verblijfplaatsen voor vleermuizen bieden. Binnen de invloedsfeer van het projectgebied is tevens een potentieel jaarrond beschermd nest aanwezig welke gebruikt kan worden door de boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer. Verder kunnen nesten van algemene broedvogels worden aangetast of verstoord bij werkzaamheden. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Aanbevelingen ecologisch onderzoek In de Quickscan (Bijlage 3) zijn verder aanbevelingen opgenomen. De belangrijkste punten zijn de volgende: De geplande werkzaamheden kunnen leiden tot de verstoring en vernieling van nestlocaties van de huismus en vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter en vleermuizen. Derhalve is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen nodig alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Het aanvullende onderzoek naar vleermuizen dient gericht te zijn op de gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis.
Indien de bomen met holtes worden gekapt is aanvullend onderzoek noodzakelijk naar vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Het onderzoek dient afgestemd te zijn op de te verwachten soorten de franjestaart, gewone baardvleermuis, rosse vleermuis en de watervleermuis. Indien de boom met potentieel jaarrond beschermd nest wordt gekapt is aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nesten noodzakelijk. Het onderzoek dient afgestemd te zijn op mogelijk gebruik van het nest door de boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer. Verder wordt aanbevolen verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal uit te
41/60
voeren. Ook is aan te bevelen om nachtelijke verlichting zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen. Nader ecologisch onderzoek Naar aanleiding van de quickscan ecologie is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf worden de resultaten toegelicht. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 4. Op basis van uitgevoerd veldonderzoek kan worden gesteld dat er geen actieve nestlocaties van gierzwaluwen en huismussen aanwezig zijn binnen het plangebied. Vanwege reeds uitgevoerde werkzaamheden is het uit te sluiten dat er steenmarters in het plangebied verblijven. Op basis van het veldonderzoek is tevens uit te sluiten dat er zomer-, kraam-, paar- of winterverblijven aanwezig zijn van vleermuizen. Voor de beoogde planontwikkeling is geen ontheffing nodig ten aanzien van de Wet Natuurbescherming.
4.3
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging. Er dient dus te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en er moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. Om ernstige verontreining uit te sluiten is voor het bestemmingsplan een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door IDDS, zie Bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen sprake is van zware verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn binnen het plangebied aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en de aangetoonde overschrijding van de betreffende streefwaarde (grondwater).
Echter zijn de gemeten waarden dermate gering dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is en de grond geschikt is voor de beoogde functies. Conclusie Op basis van het reeds uitgevoerde bodemonderzoek wordt geconludeerd dat het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek wordt aangeleverd bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen.
4.4
Archeologie
Toetsingskader
42/60
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Gemeentelijk beleid Om aan de wettelijke verplichtingen met betrekking tot de archeologische monumentenzorg (AMZ) te kunnen voldoen, heeft de gemeente IJsselstein een beleidsnota archeologie en een gemeentedekkende archeologische beleidskaart ontwikkeld (2013). Onderzoek en conclusie Het gemeentelijke beleid maakt onderscheid tussen verschillende Archeologische waardes en verwachtingszones. Deze waardes en zones hebben in het gemeentelijke beleid verschillende vrijstellingen van archeologische onderzoek bij bodemingrepen. Deze vrijstellingen zijn vertaald in verschillende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen. De gebieden, waar archeologische waarden zijn aangetoond (d.m.v. vondsten, waarnemingen) of waar een hoge verwachting geldt zijn bestemd met een dubbelbestemming. Bij de AMK terreinen en waardevolle kades en dijken zijn geen bodemingrepen toegestaan.
Bij de dubbelbestemmingen Waarde– Archeologie 2 en 3 is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij respectievelijk ingrepen bij een plangebied groter dan 20 m² en dieper dan 30 cm en een plangebied groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm. Bij de gebiedsaanduidingen, de lagere archeologische verwachtingen, worden deze vrijstellingen steeds groter en is minder snel archeologisch vooronderzoek vereist. In het plangebied komen de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie - 3 en Waarde - Archeologie - 4 voor. In figuur 4.2 staan de van toepassing zijnde waardes en vrijstellingsvoorwaarden weergegeven.
43/60
Figuur 4.2 Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart Archeologisch onderzoek bewoning in de Bronstijd/IJzertijd Voor een gedeelte van het plangebied is in het verleden archeologisch onderzoek uitgevoerd, waaronder het graven van proefsleuven. Dit onderzoek was noodzakelijk in verband met het rechttrekken van het meest oostelijk gelegen deel van de Boerhaaveweg en de aansluiting hiervan op het gerealiseerde deel van deze weg vanaf de Parallelweg. Het onderzoek is toegevoegd aan dit bestemmingsplan als Bijlage 6. Met dit onderzoek is de laatprehistorische bewoningsgeschiedenis van IJsselstein weer verder aangetoond en onderstreept dit nogmaals de archeologische waarde van de Over-Oudland stroomgordel. Verder is er in februari 2023 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd in verband met de beoogde ontwikkeling. Dit onderzoek is toegevoegd aan dit bestemmingsplan als Bijlage 7. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied een archeologisch niveau bevat die aansluit op een naastgelegen vindplaats uit de Bronstijd – Romeinse tijd. Het plangebied ligt op
44/60
een kronkelwaard. Vanaf de Middeleeuwen lag de locatie in een komgebied. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren wanneer de bodemverstorende werkzaamheden dieper reiken dan 1 meter NAP. De maaiveldhoogte is 1,4 tot 2 meter NAP. Wanneer alsnog archeologische waarden worden gevonden boven dit niveau moeten deze conform de Erfgoedwet worden gemeld. Het plangebied kan worden vrijgegeven tot 1 meter NAP. Bodemverstorende werkzaamheden zullen niet plaatsvinden op een dieper niveau. Ter bescherming zijn de archeologische waarden in het bestemmingsplan in stand gehouden. Het aspect archeologie is hiermee voldoende geborgd en staat de ontwikkeling niet in de weg. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen is waarschijnlijk een aavullend onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk.
4.5
Cultuurhistorie
Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet zijn de wetten en regelingen op het gebied van archeologie en cultuurhistorie gebundeld. In de Erfgoedwet staat beschreven wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. Hoe er in de ruimtelijke ordening met erfgoed wordt omgegaan staat in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierin staat dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving staat van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht stelt het volgende over cultuurhistorie: Artikel 7.7 Beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur 1. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden 2. Als waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage 14 Cultuurhistorie bij deze verordening, voor de volgende gebieden: a.
de Historische buitenplaatszone, die bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; b. het Militair erfgoed, dat bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; c. het Agrarisch cultuurlandschap, dat bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, Kockengen-Kamerik-Zegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Cope-ontginningscomplex Hei- en Boeicop e.o. en Zouweboezem; d. de Historische infrastructuur, die bestaat uit de deelgebieden Route Impériale, Via Regia en Wegh der Weegen; en
45/60
e. de Archeologisch waardevolle zone, die bestaat uit de deelgebieden Utrechtse Heuvelrug, Limes en Dorestad. 3. De motivering van een bestemmingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden. Met name lid 3 is van belang. De aanwezige cultuurhistorische waarden, en indien aanwezig hoe hier rekening mee is gehouden, moeten worden beschreven en gemotiveerd. Onderzoek en conclusie Uit de provinciale kaarten met betrekking tot cultuurhistorie blijkt niet dat er sprake is van cultuurhistorische waarden in het plangebied. Het plangebied is verder niet in het Nationale Landschap of het Groene Hart gelegen. In en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich ook geen andere cultuurhistorische waarden zoals bijvoorbeeld (rijks)monumenten. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt in het plangebied daarom niet in de weg.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.
Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek en conclusie In en rond het plangebied zijn verschillende bedrijven en woningen aanwezig. Het gebied is dan ook het best omschreven door de omgevingstype 'gemengd gebied'. In de omgeving bestaat de bedrijvigheid aan de overzijde van de Panoven uit bedrijven van maximaal milieucategorie 2 (binnen de bestemming Gemengd). Op het bedrijventerrein, binnen de
46/60
bedrijfsbestemmingen, zijn bedrijven van milieucategorie 2, 3.1 (b.v. het bedrijf aan Panoven 70), en 3.2 mogelijk en feitelijk gevestigd. Geen van deze bedrijven ligt binnen de richtafstanden (respectievelijk 10, 30 en 50 meter) ten opzichte van een van de met dit bestemmingsplan mogelijk te maken woningen. Het nieuwe bedrijfsgebouw aan de Boerhaaveweg kan tot maximaal milieucategorie 2 aan bedrijven gaan huisvesten. De afstand van het bedrijfsgebouw tot de bestaande woningen en tot de nieuwe woningen is minimaal 10 meter en voldoet daarmee aan de richtafstand. Het nieuwe bedrijfsverzamelgebouw aan Panoven 93 voldoet aan de richtafstanden ten opzichte van alle omliggende gevoelige gebouwen met uitzondering van de woning aan Panoven 95. Binnen het huidige juridisch-planologische kader zijn ambachtelijke bedrijven toegestaan ter plaatse van Panoven 93. Dit zijn bedrijven die gericht zijn op het overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen. In dit plan worden de mogelijkheden beperkt tot maximaal milieucategorie 2, kantoren en dienstverlening. Daarnaast wordt de afstand tussen de woning en het gebouw vergroot ten opzichte van de huidige situatie. Ook wordt er een groenstrook gerealiseerd tussen de woning en het nieuw te realiseren gebouw.
Ondanks de beperking van de planologische mogelijkheden en het vergroten van de afstand wordt echter nog niet voldaan aan de richtafstanden. Hiervoor zijn en worden maatregelen getroffen. Het nieuw te bouwen gebouw Panoven 93 wordt gedraaid ten opzichte van het bestaande gebouw waardoor er aan de zijde van de woning Panoven 95 sprake is van een gesloten gevel. In tegenstelling tot de bestaande situatie zijn de toegangen van het gebouw aan de noordzijde gepositioneerd. Hierdoor is geborgd dat de verkeersbewegingen van en naar het pand Panoven 93 afgeschermd zijn ten opzichte van de woning Panoven 95. Dit is een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. De woningen beperken hiermee het bedrijf niet, en omgekeerd wordt de woning ook niet verder beperkt. Wel is er sprake van een verbetering tussen de huidige en de toekomstige planologische situatie. De woningen worden gerealiseerd op de locatie waar in de huidige situatie al woningen aanwezig zijn. De huidige bedrijven worden door het realiseren van de woningen daarom niet verder beperkt. Omgekeerd is er ook geen sprake van planologische verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Verder is er in de feitelijke situatie geen sprake van bedrijven, maar van dienstverlening en kantoren nabij deze woningen.
Gezien het bovenstaande levert het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.
4.7
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden
47/60
onderbouwd. Akoestisch onderzoek is uitgevoerd omdat woningen op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies zijn, zie bijlage 2. Onderzoek en conclusie Akoestisch onderzoek vanwege wegverkeerslawaai is uitgevoerd omdat de nieuwe woningen liggen binnen de wettelijke geluidzone van de Baronieweg, Nijverheidsweg, Boerhaaveweg en Linnaeusweg. Ook is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidsituatie de Hoge Dijk beschouwd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van de Baronieweg, Nijverheidsweg, Boerhaaveweg en Hoge Dijk (30 km/uur) voldoet aan de voorkeursgrenswaarde respectievelijk richtwaarde van 48 dB. De binnenwaarden dienen te voldoen aan het gestelde in het Bouwbesluit 2012. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet
48/60
beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Op basis van de risicokaart van Nederland waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de omgeving geen relevante risicovolle inrichtingen aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een spoor of waterweg. Op een afstand van 650 meter ligt de A2 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van deze weg. Het invloedsgebied van de A2 is 880 meter waar het plangebied binnen ligt. Gezien de afstand tot de risicobron is een berekening niet noodzakelijk. Wel dient een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. Ten zuidoosten van het plangebied op een afstand van 380 meter ligt een defensie pijplijn met een invloedsgebied van 130 meter. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van deze buisleiding. Op circa 330 meter ten westen van het plangebied ligt een LPG tankstation.
Het plangebied ligt circa 170 meter buiten de bijbehorende aandachtsgebieden. Bevoorrading van het tankstation vind plaats via de Baronieweg. De omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Baronieweg is dermate beperkt dat dit geen invloed heeft op het plangebied. Beknopte verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Dit advies wordt vervolgens verwerkt wordt in deze paragraaf.
49/60
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied wordt ontsloten via de Hoge Dijk en de Panoven. De Panoven sluit aan op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand worden geblust. Daarnaast kan via de Panoven van de bron af worden gevlucht. Zelfredzaamheid De bewoners van de woningen en de gebruikers van de bedrijfsgebouwen in het plangebied zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar.
Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS), het luchtalarm. Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie De externe veiligheidssituatie in het plangebied is positief te noemen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.
4.9
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
50/60
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen Wet milieubeheer (Wet Luchtkwaliteit) zijn de normen voor luchtkwaliteit opgenomen. In artikel 5.16 en 5.16a Wet milieubeheer staat hoe het onderwerp luchtkwaliteit bij planvorming in acht genomen dient te worden. Op basis hiervan kunnen projecten worden uitgevoerd indien: de grenswaarden uit bijlage II van de Wet milieubeheer niet worden overschreden, of, de luchtkwaliteit per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, of het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Onderzoek en conclusie Met behulp van de NIBM-tool is de bijdrage van het project op de luchtkwaliteit berekend. Uit de verkeersparagraaf blijkt dat de verkeersgeneratie met 97,6 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) toeneemt als gevolg van de beoogde ontwikkeling. De berekeningsresultaten voor de luchtkwaliteit zijn weergegeven in de onderstaande tabel.
Tabel 4.3 NIBM-tool Uit de berekeningsresultaten blijkt, dat de bijdrage van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling als niet in betekenende mate kan worden beschouwd. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchktkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022 (https://www.cimlk.nl/kaart ). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft Panoven. Uit de kaart blijkt dat langs deze weg in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide 18,4 µg/m3 is en fijn stof 17,3 µg/m3 PM10 met totaal 6 overschrijdingsdagen en 9,9 µg/m3 PM2,5. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
51/60
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.11 Water Aanleiding Elk bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding en de uitkomst van het overleg met het waterschap (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening). Waterbeheer en watertoets Voor ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen is het nodig om een watertoets uit te voeren. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie Provinciale Ruimtelijke Verordening Waterschapsbeleid Waterbeheerprogramma 2022 - 2027: Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft haar ambities en langetermijnvisie vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027: Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam (https://hdsr.foleon.com/waterbeheerprogramma). De Koers van het hoogheemraadschap is een pro-actieve
52/60
samenwerking met een actieve rol voor het hoogheemraadschap. De focus van het hoogheemraadschap ligt hierbij op vier (eind)doelen: Zuiver afvalwater, Energieneutraal en circulair Robuust en geond watersysteem in een klimaatbestendig gebied Waterveilige leef- en werkomgeving Waterbewust leven en genieten van water Beleidsregels Keur 2009 Beleidsregel 13 is van toepassing in het gehele beheersgebied van het waterschap en geldt zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Doel van het beleid is om effecten van nieuwe stedelijke uitbreidingen te neutraliseren. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes of enkele woningen, moeten compenseren, is een ondergrens ingesteld. De minimale oppervlakte waarvoor deze beleidsregel geldt, bedraagt binnen de bebouwde kom 5.00 m2 nieuw verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct of indirect op het oppervlaktewater wordt geloosd en buiten de bebouwde kom 1.000 m2 nieuw verhard oppervlak (zie Besluit algemene regels keur HDSR 2009, algemene regel 14). Uitbreiding van verhard oppervlak moet, vanuit hydrologisch optiek gezien, waterbalansneutraal plaatsvinden. Indien dit niet kan door infiltratie in de bodem, kan dat door nieuwe bergingscapaciteit aan te leggen die extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert dan wel de piekafvoer opvangt.
De aanvrager (veroorzakersprincipe) moet zelf bij de vergunningaanvraag aangeven hoe en welke voorzieningen getroffen zullen worden om de lozing terug te brengen tot de maatgevende afvoer. Daarvoor moet een beheerplan te worden verlegd. Indien dat niet mogelijk is zijn de volgende maatregelen mogelijk: a. compenseren direct bij het lozingpunt; indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar b; b. compenseren in hetzelfde peilgebied; indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar c; c. compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil); indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar d; d. compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar e; e. compenseren in hetzelfde bemalingsgebied. Het waterschap kan tijdens een watertoetsproces, of in het vooroverleg van de vergunningaanvraag, adviseren bij het maken van keuzes. Gemeentelijk beleid De gemeenteraad van IJsselstein heeft op 15 maart 2007 het Stedelijk Waterplan IJsselstein vastgesteld. Het heeft als doel dat het watersysteem schoon, veilig en gezond is, waarbij voldoende water zonder wateroverlast aanwezig is. Ook de samenwerking en kennisuitwisseling van de verschillende waterpartners worden verbeterd.
Om dit doel te kunnen realiseren, worden diverse maatregelen genomen die terug te vinden zijn in het uitvoeringsprogramma behorende bij het Waterplan. Op 23 april 2007 hebben diverse partijen waaronder het HDSR, de gemeente IJsselstein en waterbedrijf Vitens een convenant waarin uitvoeringsafspraken zijn opgenomen, ondertekend.
53/60
Huidige situatie In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een gebied met bedrijfsverzamelgebouwen en twee woningen. Verder zijn in het gebied parkeerplaatsen aanwezig en twee kleine grasvelden. Op basis van de bodemkaart van Nederland bestaat het plangebied uit kalkhoudende poldervaaggronden (zware zavel en lichte klei). De gemiddelde hoogste grondwaterstand is 74 cm onder maaiveld en gemiddelde laagste grondwaterstand is 136 cm onder maaiveld. Het plangebied ligt gemiddeld 1,8 meter boven NAP. Waterkwantiteit Op basis van de legger zijn binnen het plangebied en in de omgeving geen watergangen aanwezig en ligt het plangebied niet binnen een beschermingszone van een watergang. Het plangebied bestaat in de feitelijk huidige situatie uit een gemengd gebied met woningen en bedrijfverzamelgebouwen. Drinkwaterbeschermingsgebied Het plangebied ligt in de boringsvrije zone van het drinkwaterbeschermingsgebied Nieuwegein die is ingesteld door de provincie Utrecht conform de Interim omgevingsverordening Provincie Utrecht. Binnen deze zone geldt een verbod op het oprichten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld. Veiligheid en waterkeringen Op basis van de legger ligt het plangebied niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Toekomstige situatie Binnen het plangebied worden twee nieuwe gebouwen mogelijk gemaakt en ter plaatse van de huidige woningen komen twee onder één kap woningen. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de bodem of grondwater. Waterkwantiteit Voor de toename aan verhard oppervlak geldt een compensatieplicht van 15% indien een toename aan verharding van 500 m2 of meer. Op basis van het huidige ontwerp zorgt de beoogde ontwikkeling voor een toename van 600 m2. Hiervoor geldt een compensatieplicht van 90 m2 water. Ter compensatie van de toename aan verharding wordt een wadi aangelegd zoals opgenomen in de ontwerpschets, zie figuur 4.3. Het betreft een wadi van 150 m2. Hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan de compensatieplicht van 90 m2.
54/60
figuur 4.3 Ontwerpschets wadi Drinkwaterbeschermingsgebied De beoogde ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van boorputten dieper dan 40 meter onder maaiveld. Dit is geborgd met de gebieddsaanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone'. Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet-uitloogbare materialen, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering De beoogde woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Conform de Leidraad Riolering en het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt voor nieuwbouw een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Overig afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.
55/60
Conclusie De ontwikkeling heeft vooralsnog geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. In het vervolg van de planvorming wordt overleg gevoerd met het Waterschap over het waterhuishoudkundig plan.
4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
Onderzoek In dit bestemmingsplan worden 4 nieuwe woningen (ter vervanging van 2 bestaande) en twee bedrijfsgebouwen (ter vervanging van één bestaande schuur) mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling valt onder categorie D11.2, ofwel de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het project betrekking heeft op 2.000 of meer woningen. De beoogde ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze drempelwaarde. Omdat de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft wordt volstaan met een vormvrije m.e.r-beoordeling. Deze is opgenomen in Bijlage 9. Het bevoegd gezag neemt een mer-beoordelingsbeslissing dat opgenomen wordt in dit bestemmingsplan.
56/60
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Het vigerende bestemmingsplan, genaamd “Panoven c.a.”, wordt met dit bestemmingsplan op het plangebied vervangen. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het bestemmingsplan, na realisatie van de ontwikkeling, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Op de verbeelding die bij dit plan hoort zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met het bijbehorende renvooi, een verklaring van de bestemmingen, direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. In de bijbehorende planregels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels, de specifieke gebruiksregels en de eventuele afwijkingsregels te vinden.
5.2
Wettelijke eisen
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
5.3
Opbouw regels
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels, zoals algemene afwijkingsregels voor de maatvoering van bouwwerken. De overgangs- en slotregel staan in het vierde hoofdstuk.
5.4
Bestemmingen
Artikel 4 Groen De bestemming Groen is gegeven aan beeld- of structuurbepalend groen. Het gaat dan om gronden die in gebruik zijn als plantsoenen en bermen. Ook voorzieningen voor waterberging zijn toegestaan, zoals wadi's. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - groene erfafscheiding' is een groene erafscheiding toegestaan. Deze dient als afscherming tussen de bestemming Gemengd en de aangrenzende woningen.
57/60
uitsluitend tr plaatse van deze aanduiding mogen bouwwerken geen gebouw zijnde worden gebouwd. Artikel 3 Gemengd Het plangebied is bestemd als 'Gemengd'. Hier kunnen gebouwen worden gerealiseerd ten behoeve van bedrijven met maximaal milieucategorie 2, dienstverlening en kantoren. Verder is er een aanduiding voor wonen opgenomen. Alleen binnen deze aanduiding mag worden gewoond. Het maximum aantal woningen is ook vastgelegd. Er zijn verder verschillende bouwregels opgenomen. Er mag alleen worden gebouwd binnen een bouwvlak. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is weergegeven. Specifiek voor de woningen is bepaald dat deze twee-aaneen moeten worden gebouwd. Ook zijn er bouwregels opgenomen voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde. Voor het nieuwe bedrifjsgebouw aan de Panoven is bepaald dat één gevel direct tegen de grens met de bestemming Groen moet worden gebouwd. Daarvoor is de aanduiding 'gevellijn' opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Ook is bepaald dat deze gevel geen te openen delen mag hebben. Het doel van deze regels is het voorkomen van een te grote milieuhinder vanaf de bestemming Gemengd naar de aangrenzende woningen. Als laatste zijn er enkele specifieke gebruiksregels opgenomen, zoals het beperken van een enkel kantoor tot 250 m2 per kantoor.
Ook is het toegestaan om - onder voorwaarden - een deel van de woningen binnen deze bestemming te gebruiken ten behoeve van een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. Artikel 5 Waarde - Archeologie - 3 en Artikel 6 Waarde - Archeologie - 4 In het plangebied zijn gebieden aanwezig waar op grond van de gemeentelijke archeologiekaart een archeologische verwachting geldt (zie voor een toelichting paragraaf 4.4) Afhankelijk van de betreffende verwachtingswaarde is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen. Bouw- en grondwerkzaamheden zijn uitsluitend toegestaan wanneer (verkennend) archeologisch onderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Er is een beperkt aantal uitzonderingen op deze regeling, onder andere voor werkzaamheden die niet dieper reiken dan of niet groter zijn dan een bepaalde maat. Deze maat is per beleidszone anders, al naar gelang de verwachtingswaarde. Werkzaamheden die kunnen worden aangemerkt als regulier beheer en onderhoud zijn in ieder geval van deze verplichting gevrijwaard.
58/60
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Naast de planologische haalbaarheid van de ontwikkeling zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. Hierin is geregeld dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om kosten van de planontwikkeling te verhalen op grondeigenaren. Het kostenverhaal dient verplicht door de gemeente opgesteld te worden. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3 tot en met 6.2.5 Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer/eigenaar van de gronden is een anterieure overeenkomst gesloten.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. De resultaten van het wettelijk vooroverleg worden in deze paragraaf toegevoegd. Het voorontwerpbestemmingsplan is toegestuurd naar vooroverlegpartners. De reacties van provincie Utrecht, veiligheidsregio Utrecht, Omgevingsdienst regio Utrecht en het Waterschap zijn verwerkt. Er is verder participatie geweest tussen de initiatiefnemers en de omwonenden. Dit bestond uit het verzenden van een brief en persoonlijk contact. Een verslag van de particpiatie is als bijlage 10 opgenomen bij deze toelichting. De zienswijzen die zijn ingediend op het ontwerpbestemmingsplan Panoven, Hoge Dijk en Boerhaaveweg zijn gebundeld in de nota van beantwoording zienswijzen. In deze nota zijn eventuele wijzigingen in het bestemmingsplan verder toegelicht.
59/60
bestemmingsplan
Panoven, Hoge Dijk en Boerhaaveweg IJsselstein
DATUM IMRO IDN
18-02-2025 NL.IMRO.0353.BPpanoveneo-Va01
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
44002029.20190659
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave Regels Hoofdstuk 1
4 Inleidende regels
5
Artikel 1
Begrippen
5
Artikel 2
Wijze van meten
10
Bestemmingsregels
11
Artikel 3
Gemengd
11
Artikel 4
Groen
15
Artikel 5
Waarde - Archeologie - 3
16
Artikel 6
Waarde - Archeologie - 4
19
Hoofdstuk 3
Algemene regels
22
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
22
Artikel 8
Parkeren
23
Artikel 9
Algemene bouwregels
24
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
25
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
26
Artikel 12
Algemene aanduidingsregels
27
Artikel 13
Overige regels
28
Overgangs- en slotregels
29
Artikel 14
Overgangsrecht
29
Artikel 15
Slotregel
30
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
3/31
Regels
4/31
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Panoven, Hoge Dijk en Boerhaaveweg met identificatienummer NL.IMRO.0353.BPpanoveneo-Va01 van de gemeente IJsselstein. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, uitgezonderd prostitutie, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.6
aan huis verbonden bedrijf
een bedrijf, uitgezonderd prostitutie, dat in een (gedeelte van) een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruik(st)er van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet omgevingsvergunningplichtig of meldingsplichtig is. 1.7 achtererf de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.8 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.9 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.10 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5/31
1.11 bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen. 1.12 bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.13 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.14 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.15 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16 Bevi-inrichting een bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.17 bevoegd gezag het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.18
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.19 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.20 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.21 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.22 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
6/31
1.23 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.24 bijbehorend bouwwerk de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.25 consumentenvuurwerk vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. 1.26 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. 1.27 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen. 1.28 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.29 groen gronden die in gebruik zijn als plantsoenen 1.30 groenblijvend plantensoort die het hele jaar bladeren heeft.
1.31 hoofdgebouw een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.32 kantoor een voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.33 NEN de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
7/31
1.34 niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publieksgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse. 1.35 nutsvoorzieningen de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.36 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.37