CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

1.7 - Quick scan natuur

Raadsvergadering 26 oktober 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Nota van Uitgangspunten Ruimtevaartbaan ('t Veld)13.876 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quick scan natuur

IJsselstein, Ruimtevaartbaan

TopVorm Vastgoed BV

Datum: 31 augustus 2023 Projectnummer: 210231.01

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

9

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

9 10 10

3

Onderzoeksmethode

11

3.1 3.2

Deskundigheid Werkwijze

11 11

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

13

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

13 14 27

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

28

5.1 5.2 5.3

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

28 28 34

6

Conclusie

35

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op de Ruimtevaartbaan te IJsselstein bevindt zich een agrarisch erf. TopLevel Development BV is voornemens om het agrarisch erf en omringende weilanden te herontwikkelen en 79 woningen te realiseren. Voor de bouw van de woningen zullen twee kleine schuren en een grotere schuur worden gesloopt, de rest van de bebouwing op het perceel valt buiten het plangebied en zal worden behouden. Tevens zal er een sloot gedempt worden, groen verwijderd worden en (een deel van de) bomen gekapt. De voorziene ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen het huidige bestemmingsplan. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het noorden van IJsselstein (gemeente IJsselstein, provincie Utrecht). In de omgeving van IJsselstein ligt buurgemeente Nieuwegein en agrarische gronden. In de nabijheid ligt de Hollandsche IJssel. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en park. Ten noorden van het plangebied ligt het recreatiegebied Nedereindse park met de Nedereindse plas. Het plangebied ligt aan de Ruimtevaartbaan ten zuiden en grenst aan het Arianehof ten oosten en Aquamarijnpad ten westen. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Het plangebied is globaal op te delen op basis van de kadastrale grenzen in noordwest (1), noordoost (2) en zuidwest (3). Bron: PDOK.

4

Op 12 juli 2023 is een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat overwegend uit grasland, één in het noordwesten (1), één in het noordoosten (2) van het plangebied en één in het zuidwesten (3). Er ligt een kleine afwateringssloot tussen de noordoostelijke en noordwestelijke percelen die dichtbegroeid is met riet. In het erf in het noordwesten van het plangebied, aangeduid als deelgebied 1, ligt in het westen een geiten- en paardenwei. Direct hiernaast ligt aan de oostzijde van een rij (knot)wilgen een paardenbak (A), een vervallen schuur (B), een mestvaalt (C) en een tweede, kleinere paardenbak (D). Het gebied is omringd met een variatie van opgaand groen, namelijk bomen en struiken. Zie navolgende afbeelding voor de ligging van voorgenoemde elementen.

A C D

Luchtfoto met de globale ligging van de paardenbakken (A en D), vervallen schuur (B) en mestvaalt (D) in deelgebied 1. Bron: PDOK.

Het erf in het noordoosten van het plangebied, aangeduid als deelgebied 2, bestaat uit een grote schuur waar ten noorden een kleine (fruit)bomenrij staat. De schuur heeft een golfplaten dak met daarop zonnepanelen. Ten oosten van de schuur ligt tevens een kleine schuur. Deze is in goede staat en heeft een klein zadeldak met dakpannen. Zie navolgende afbeelding voor de ligging van voorgenoemde elementen.

5

A

B

Luchtfoto met de globale ligging van de schuur met zonnepanelen (A) en kleinere schuur (B) in deelgebied 2. Bron: PDOK.

Het zuidwestelijke deel van het plangebied, aangeduid als deelgebied 3, is tevens geregeld gemaaid grasland, maar niet in gebruik door begrazers. Het terrein binnen het plangebied is verder op enkele locaties verhard en in gebruik als pad of terras. Zowel in het plangebied als direct naast het plangebied staan enkele bomen(rijen). De woningen ter hoogte van Ruimtevaartbaan 9 en 11 liggen direct naast het plangebied. Het plangebied is ten zuiden in een “U-vorm” omsloten door de IJsselwetering en ten noorden door een afwateringssloot. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

Te slopen schuur met zonnepanelen binnen

Fruitbomen (links) ten noorden van de

deelgebied 2;

schuur met zonnepanelen (rechts) en uitkijkend op de kleine schuur (deelgebied 2);

6

Grasland in het noordoosten van het

Afwateringssloot volgroeid met riet tussen

plangebied (deelgebied 2), omgeven met

noordoostelijke (2) en noordwestelijke (1)

bomen;

perceel;

Bomenrij ten noorden van het plangebied

Grasland in het noordwesten van het

(deelgebied 2);

plangebied (deelgebied 1), in gebruik als paardenwei;

1.2.2

Vervallen schuur op noordwestelijke erf

Grasland in het zuidwesten van het

(deelgebied 1);

plangebied (deelgebied 3).

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd door het agrarische erf te ontwikkelen. Dit zal gaan om 79 woningen in verschillende typologieën en segmenten. Voor de bouw van de woningen zal de grote schuur en kleine schuur in gebied 2 en de kleine vervallen schuur in gebied 1 moeten worden gesloopt. De bebouwing direct buiten het plangebied die wel op de percelen aanwezig zijn, zullen behouden blijven. Ten tijde van de rapportage is onbekend in hoeverre er bomen en/of ander groen, zoals struiken gekapt/gerooid gaan worden. Derhalve wordt er

7

uitgegaan van een worstcasescenario waarbij alle aanwezige bomen en het groen binnen het plangebied zal worden verwijderd. Tevens zal de afwateringssloot gedempt worden die het noordwestelijke en noordoostelijke perceel scheiden. Zie navolgende afbeelding voor een impressie van de beoogde toekomstige situatie.

Conceptontwerp toekomstige situatie (bron: TOPVorm Vastgoed BV).

8

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Utrecht heeft de bescherming van Natuurnetwerk Nederland opgenomen in paragraaf 6.1 van de omgevingsverordening. Naast het NNN kent de provincie Utrecht ook gebiedsbescherming van de Groene Contour, zoals beschreven in artikel 6.7 van de verordening.

In deze gebieden liggen kansen voor het realiseren van ecologische kwaliteiten die het NNN kunnen versterken. Binnen deze gebieden zijn onomkeerbare ingrepen en processen niet toegestaan wanneer de ontwikkeling van natuur

9

onmogelijk maken, tenzij deze ingrepen voortkomen uit een groot openbaar belang en alternatieven ontbreken. Verder zijn er in de provincie ganzenrustgebieden en weidevogelkerngebieden aangewezen en zijn bepaalde waardevolle kleine landschapselementen beschermd.

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Utrecht heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud.

Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

10

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.

3.3

Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 27 juni 2023, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Ten slotte werd nagegaan of beschermde houtopstanden in het plangebied aanwezig zijn. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 12 juli 2023 bij droog en windstil (WZW2) weer. Het was halfbewolkt en circa 21 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen.

Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie. Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

11

Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.

12

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.

4.1

Ligging beschermde gebieden

4.1.1

Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel ligt Natura 2000-gebied “Uiterwaarden Lek” in de directe omgeving van IJsselstein. Deze ligt op circa 6 kilometer van het plangebied verwijderd. Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek is toegewezen op basis van habitatrichtlijn.

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek. Bron: N2000.

4.1.2

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 1 kilometer ten westen van het plangebied. Tevens ligt er gebiedsbescherming van de Groene Contour op circa 1,2 kilometer ten westen van het plangebied.

13

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (donkergroen) en gebiedsbescherming Groene Contour (lichtgroen). Bron: Provincie Utrecht.

4.2

Aanwezigheid beschermde soorten

4.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied zijn gebouwen aanwezig en ook is veel groen aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.

4.2.2

Vogelrichtlijnsoorten

4.2.2.1

Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als meerkoet, winterkoning, tjiftjaf, zwartkop, kauw, houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het plangebied tot broeden komen.

4.2.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten.

14

Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2022). In het plangebied zijn enkele schuren aanwezig. De grotere schuur (A) in plangebied 1 en vervallen schuur (2B) in plangebied 2 hebben een golfplaten dak en zijn derhalve op voorhand ongeschikt voor de huismus. De kleine schuur (B) in plangebied 1 heeft dakpannen, maar geen gaten of kieren waar de huismus onder kan kruipen. Derhalve zijn er binnen het plangebied geen geschikte nestlocaties voor de huismus. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen huismussen of sporen van de huismus in het plangebied waargenomen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Het feit dat de soort tijdens geschikte weersomstandigheden niet is aangetroffen, is een aanwijzing dat zich geen nesten in het plangebied bevinden.

Aangezien er geen duidelijke nestlocaties voor de huismus in het plangebied aanwezig zijn, en huismussen of sporen van de soort niet zijn waargenomen, is het op voorhand uitgesloten dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van deze soort. Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017a). In het plangebied zijn enkele schuren aanwezig. De grotere schuur (A) in plangebied 1 en vervallen schuur (2B) in plangebied 2 hebben een golfplaten dak en zijn derhalve op voorhand ongeschikt voor de gierzwaluw. De kleine schuur (B) in plangebied 1 heeft dakpannen, maar geen gaten of kieren die de gierzwaluw zou kunnen gebruiken als geschikte nestlocatie.

Het voorkomen van de gierzwaluw in het plangebied kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Wespendief De wespendief nestelt in de kruin van hoge loof- en naaldbomen. Deze wordt echter snel over het hoofd gezien omdat ouders met jongen tot meer dan vijf kilometer van het nest foerageren en de balts boven dit gehele territorium kan plaatsvinden. Deze soort bouwt jaarlijks een nest of knapt een oud nest op. Als voedsel worden vooral sociale wespen en hun larven en poppen gegeten, maar de wespendief eet ook ander dierlijk voedsel zoals kleine zoogdieren, reptielen of amfibieën. De wespendief start pas in de laatste decade van mei met de ei-leg. De jongen zijn vanaf half augustus vliegvlug en worden dan nog twee weken verzorgt (SOVON, 2002).

15

In de directe omgeving van het plangebied is in een straal van 1 kilometer enkel één waarneming in de NDFF ingevoerd van de wespendief. De wespendief heeft een voorkeur voor loofbossen en gemengde bossen. Dergelijk biotoop is niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van deze soort in het plangebied is dan ook uitgesloten. Zwarte wouw De zwarte wouw nestelt in de kruinen van bomen, vaak dicht bij water. De zwarte wouw heeft een voorkeur voor halfopen bos- en waterrijke gebieden zoals rivierdalen met ooibossen en moerasgebieden. Deze soort bouwt een nest van takken, vaak met rommel. Als voedsel heeft deze soort zich op veel plaatsen aangepast aan de menselijke aanwezigheid. Het is erg divers, van aas, kleine zoogdieren, vis, kleine tot middelgrote (jonge) vogels, reptielen en amfibieën. De broedtijd van de zwarte wouw is van april tot en met juni (SOVON, 2018). Er is in de directe omgeving van het plangebied geen waarneming gedaan van de zwarte wouw in de NDFF. Tevens is er binnen het plangebied geen sprake van halfopen bos en/of ooibossen en/of moerasgebieden. Het voorkomen van deze soort in het plangebied is dan ook uitgesloten. Roek Het habitat van de roek bestaat uit vochtige gras- en bouwlanden met verspreid staande clusters van bomen. Ook parklandschappen en parken aan de rand van vochtige landbouwgebieden worden gebruikt. De roek is een kolonievogel.

De nesten bevinden zich in clusters van hogere bomen van 15-25 hoogte. Er worden verschillende boomsoorten gebruikt, waarbij de aanwezigheid van stevige takvorken op enkele meters hoogte leidend is bij de boomkeuze. De functionele leefomgeving rond een nestplaats van een roek moet bestaan uit een combinatie van voldoende volwassen bomen van minimaal 15 meter hoog. Een gevarieerd boomsoortenbestand en minimaal 1,5 hectare vochtig bemest gras- of bouwland binnen een straal van 1500 meter van de nestlocatie (BIJ12, 2017, SOVON, 2012). Binnen en direct naast het plangebied zijn meerdere hoge bomen (>15 m) aanwezig die mogelijk geschikt zijn voor de roek. Tevens zijn er veel waarnemingen gedaan van de roek in de directe omgeving van het plangebied. Echter was door het dichtbegroeide bladerdek een volledige controle op mogelijke nesten niet mogelijk. Het voorkomen van dergelijke nesten van deze soort kan op voorhand niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk. Roofvogels (buizerd, havik, sperwer, boomvalk, ransuil) Verschillende roofvogels en uilen broeden in hoge bomen in bos en boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, boomvalk en ransuil). Enkele hiervan gebruiken hiervoor oude nesten van kraaien of andere roofvogels (boomvalk, ransuil) en/of maken knapt een oud nest op (buizerd). De ransuil doet dit vrijwel uitsluitend in naaldbomen.

Binnen het plangebied staan meerdere hoge bomen, met name in deelgebied 1 en 2. Gedurende het veldbezoek is getracht deze bomen te inspecteren op dergelijke grote nesten die door één van deze soorten zou kunnen worden gebruikt. Echter was door het dichtbegroeide bladerdek een volledige controle niet mogelijk. Derhalve kan het

16

voorkomen van dergelijke nesten op voorhand niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk. Steenuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002, BIJ12, 2017d). Er zijn meerdere waarnemingen ingevoerd van de steenuil in de NDFF in de directe omgeving (circa 50 tot 100 m) van het plangebied. In het plangebied zijn meerdere (kleine) schuren aanwezig. Echter zijn deze schuren op voorhand niet geschikt als mogelijke nestplaats wegens het ontbreken van openingen die toegang mogelijk maken voor de steenuil. Geschikte nestplaatsen in bomen in (de directe omgeving van) het plangebied zijn niet op voorhand uit te sluiten. Door het dichtbegroeide bladerdek was een volledige controle ten tijden van het veldbezoek niet mogelijk. Tevens vormt het plangebied geschikt leefgebied voor deze soort.

Omdat deze soort honkvast is, een relatief klein territorium heeft en het plangebied een substantiële oppervlakte heeft, kan het plangebied essentieel leefgebied voor deze soort vormen. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk. Kerkuil De kerkuil komt voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Kerkuilen broeden vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens en bij hoge uitzondering in een holle boom. Tegenwoordig broedt 90 procent van de gevallen in een speciale nestkast. De kerkuil is zeer honkvast en blijft zijn hele leven in de buurt van zijn gekozen leefgebied. De broedlocatie is vaak een andere als de winterverblijfplek (SOVON, 2002). Er zijn meerdere waarnemingen ingevoerd van de kerkuil in de NDFF in de directe omgeving (circa 50 m) van het plangebied. Het plangebied en de omgeving ervan vormen geschikt leefgebied voor deze uilensoort. De schuren zijn op voorhand geen geschikte plekken voor een nestplaats, wegens het ontbreken van openingen. Het plangebied vormt echter wel geschikt jachtgebied voor deze uilensoort, gezien de variatie aan groen en weide. Het leefgebied van de kerkuil varieert van 60 hectare in een voor de kerkuil heel goed gebied tot 1200 hectare in een voor de kerkuil arm gebied.

De grootte van het functionele leefgebied wordt grotendeels bepaald door het voedselaanbod. Het voedselaanbod binnen het plangebied wordt ingeschat op goed gebied voor de kerkuil, wegens de verwachte aanwezigheid van voldoende muizensoorten. Het plangebied is echter circa 2 hectare en derhalve marginaal onderdeel van de verwachte 60 hectare van leefgebied van de kerkuil. Daarnaast is er voldoende foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Derhalve wordt niet verwacht dat het plangebied essentieel leefgebied vormt van deze soort. Nader onderzoek naar deze soort is derhalve niet noodzakelijk.

17

Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. 4.2.3

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). In het plangebied is sprake van voedselrijke en regelmatig bewerkte grond. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht.

4.2.4

Grondgebonden zoogdieren

4.2.4.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.2.4.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bunzing, steenmarter en wezel in de omgeving van het projectgebied voor. Ook de boommarter, waterspitsmuis, das, eekhoorn en hermelijn kunnen in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl.

18

Kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel) De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017). De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten. De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017).

Het plangebied vormt voor alle drie de soorten geschikt leefgebied, vanwege de kleinschaligheid, de aanwezigheid van takkenrillen en de aanwezigheid van water binnen en direct naast het plangebied. Ook de aanwezigheid van bomenrijen binnen en rond het plangebied zorgt ervoor dat het plangebied geschikt is voor deze soorten. Al met al kan de aanwezigheid van deze drie soorten in het plangebied op voorhand niet uitgesloten worden. Nader onderzoek is noodzakelijk. Boommarter De boommarter heeft een voorkeur voor oud (loof-)bos, maar is ook in andere typen bos te vinden. De soort komt soms ook in meer open terreinen voor, mits er voldoende bosjes en lijnvormige elementen in de omgeving zijn, zoals heggen en houtwallen. De boommarter komt slechts incidenteel voor in de nabijheid van gebouwen. Boommarters kiezen een rustplaats in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten worden vaak in oude spechtenof eekhoornholen of inrottingsholen gemaakt (www.zoogdiervereniging.nl). Tijdens het veldbezoek zijn de bomen geïnspecteerd op aanwezigheid van geschikte holtes. Dit was mogelijk in geringe mate aangezien het dichtbegroeide bladerdek het zicht bemoeilijkte. Tevens zijn er ook andere elementen aanwezig binnen het plangebied zoals heggen en takkenrillen die geschikt zijn voor de boommarter.

De aanwezigheid van deze soort kan op voorhand niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is derhalve noodzakelijk. Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing.

19

Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Ook voor deze zoogdiersoort vormt het plangebied geschikt leefgebied. Tevens zijn er meerdere schuren aanwezig binnen het plangebied, maar deze zijn op voorhand ongeschikt als verblijfplaats wegens het ontbreken van gaten of kieren. Takkenrillen of dichte struwelen zijn echter wel aanwezig binnen het plangebied, waardoor mogelijke verblijfplaatsen en/of schuilplaatsen niet uitgesloten kunnen worden. Nader onderzoek naar deze soort is nodig. Eekhoorn De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal 5 meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl). Het plangebied bestaat niet uit bos, maar direct ten noorden van het plangebied is wel bosrijk gebied aanwezig. Tevens zijn er met name in deelgebied 2 bomenrijen met grote, oude bomen aanwezig. De kans is dan ook reëel dat eekhoornnesten in de grote bomen in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Tijdens het veldbezoek was een volledige controle door het dichtbegroeide bladerdek niet mogelijk.

Hierdoor kunnen mogelijke nestplaatsen niet uitgesloten worden en is nader onderzoek naar deze soort noodzakelijk. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Leefgebied van de das moet voldoende dekking bieden, met weinig verstoring, een groot voedselaanbod, een bodem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand lager dan 1,5m onder het maaiveld. De das is een omnivoor. Het belangrijkste voedsel voor de das zijn regenwormen. Daarnaast eten ze vruchten, noten, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken en insecten. Het plangebied bevat verschillende elementen die geschikt zijn voor de das. Er zijn takkenrillen en struweel aanwezig die als geleiding kunnen dienen voor de das. Overigens is de aanwezigheid van een burcht niet te verwachten aangezien de grondwaterstand ter hoogte van het plangebied erg hoog is (0,3 m -mv.). De aanwezige agrarische percelen kunnen daarnaast wel als foerageergebied dienen. Ook is geschikt bos voor een hoofdburcht niet ver weg en ligt het binnen de afstand die dassen kunnen afleggen op zoek naar voedsel. Tevens ligt dit gebied hoger ten opzichte van het plangebied. Het gebruik van het gehele plangebied door de das, waarbij het ook een essentiële functie kan hebben, is niet op voorhand uit te sluiten.

Er is nader onderzoek nodig om te bepalen of het plangebied essentieel leefgebied voor de das vormt. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon niet te voedselrijk water met goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij wordt aangetroffen langs beken, plassen, rivieren en sloten. Hij leeft binnen een straal van 500 meter langs het

20

water op plaatsen waar voldoende schuilmogelijkheid aanwezig is. Het leefgebied van de waterspitsmuis loopt evenwijdig aan de oever. Mannetjes en vrouwtjes hebben hier ieder hun eigen territorium, waar ze een relatief groot nest maken, in holtes of beschutte plekjes langs de oever. Ze zoeken voedsel in en langs het water en eten vooral dierlijk voedsel, zoals waterslakken, schietmotten, kevers, wormen en vliesvleugeligen (www.zoogdiervereniging.nl). Binnen en direct naast het plangebied zijn enkele afwateringssloten aanwezig. De afwateringssloot binnen het plangebied is volledig begroeid met riet. De sloten binnen en direct naast het plangebied hebben geen van allen ruig begroeide oevers. Binnen het plangebied is derhalve geen geschikt biotoop aanwezig. Het voorkomen van de waterspitsmuis binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.

4.2.5

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Daarnaast kunnen de franjestaart en gewone grootoorvleermuis in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).

4.2.5.1

Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017b, Dietz et al. 2011). De te slopen schuren hebben geen dakbeschot en/of geen geschikte kieren, spleten of open stootvoegen. Derhalve is het op voorhand uitgesloten dat vaste rust- en verblijfplaasten van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn.

4.2.5.2

Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan verschillende bomen. Met name in plangebied 2 zijn grote, oude bomen aanwezig. Ten tijde van het veldbezoek zat het blad aan de bomen en kon niet goed

21

beoordeeld worden of geschikte holen/holtes aanwezig waren. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deze bomen kan dan ook niet op voorhand worden uitgesloten. De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

4.2.5.3

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

-

x

x

-

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

Laatvlieger

-

-

-

-

Meervleermuis

-

-

x

-

Gewone grootoorvleermuis

x

x

x

-

Watervleermuis

x

x

-

-

Rosse vleermuis

x

x

x

x

Franjestaart

x

x

-

-

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Een bomenrij naast een watergang, zoals aanwezig in het plangebied, vormt geschikt foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied is vergelijkbaar alternatief foerageergebied aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Dit betreft onder andere de bomenrijen bij de Nedereindse plas. Het is niet waarschijnlijk dat de bomen in het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormen.

4.2.5.4

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in 22

het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Binnen het plangebied bevinden zich enkele bomenrijen direct naast een watergang. Daarnaast zijn er bomenrijen naast een watergang direct naast het plangebied aanwezig. Deze verbinden mogelijk verblijfplaatsen met geschikt foerageergebied. De kans is dan ook reëel dat deze bomenrijen als vliegroute gebruikt worden. Nader onderzoek is hiernaar dan ook noodzakelijk. 4.2.6

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de verspreidingsatlas.nl komen de hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis in de buurt van het plangebied voor. Hazelworm De hazelworm leeft in bossen, bosranden, houtwallen en heide maar ook in parken en tuinen in een bosrijke omgeving. De soort wordt het meest in de randzone van heideen bosterreinen aangetroffen. Het leefgebied bestaat uit enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. Ze hebben daarbij een voorkeur voor habitats met voldoende gevarieerde structuur in de vegetatie en ook met holen en gaten in de grond. Door deze variatie kunnen de dieren hun temperatuur regelen zonder in alle openheid te hoeven zonnebaden. Ook in kleinschalig cultuurlandschap kan de soort worden aangetroffen. Hazelwormen leven deels ondergronds, onder blad of onder heidestruiken.

De overwintering gebeurt ondergronds, in droge holten, die gedeeltelijk zelf gegraven zijn (Creemers & van Delft, 2009). Verspreid over het onderzoeksgebied zijn enkele elementen aanwezig die potentieel geschikt leefgebied kunnen vormen voor de hazelworm. Echter, deze reptielsoort heeft een robuuster netwerk van geschikt leefgebied nodig, wat ook zonder barrières aansluit op een kernleefgebied in een heide- en bosterrein. Aangezien het plangebied is omgeven met afwateringssloten is daarvan geen sprake. Aanwezigheid van de hazelworm in het onderzoeksgebied is derhalve niet aan de orde. Levendbarende hagedis Het habitat van de levendbarende hagedis bestaat uit vochtige gebieden zoals natte heiden, drogere delen van moerassen of veengebieden, duinen, open bossen en bosranden. Heide en hoogveen zijn een voorkeurshabitat. De soort wordt ook vaak in bermen, dijken en langs spoorlijnen aangetroffen welke van grote betekenis zijn voor de uitwisseling tussen populaties. Ook in half-natuurlijke graslanden en ruigten kan de soort gedijen. Open plekken om te zonnen zijn een voorwaarde voor vestiging.

23

Winterverblijven bestaan uit vorstvrije plekken in zeggepollen, zandholen of onder boomstronken (Creemers & van Delft, 2009). In en rondom het onderzoeksgebied is geen geschikt habitat zoals heidevelden en hoogveen aanwezig. Vanwege het ontbreken van geschikt functioneel leefgebied kan het voorkomen van de soort op voorhand worden uitgesloten. Zandhagedis De zandhagedis komt voor op droge en zandige plekken op (struik)heidevelden, duinen of bosranden. Ook op open plekken in het bos en langs weg- en spoorbermen is de soort te vinden. De aanwezigheid van struikhei en helm en voldoende zonnige plekken zijn hierbij de belangrijkste structuurbepalende landschapskarakteristieken. De optimale habitat is een mozaïek van dwergstruikvegetatie, hogere grassen en kale grond. In kalkrijke duinen betstaat het voorkeurshabitat uit met duinriet vergrast duindoornstruweel met lage grassen, korstmossen en zand. Zandhagedissen overwinteren in de grond in een verlaten zoogdier- of een zelf gegraven hol (Creemers & van Delft, 2009). In en rondom het onderzoeksgebied is geen geschikt habitat met struikheide en helmgras aanwezig. Vanwege het ontbreken van geschikt functioneel leefgebied kan het voorkomen van de soort op voorhand worden uitgesloten. Ringslang De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats.

De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen. 21 Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals composterende bladhopen of andere rottende boomresten. In cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft 2009). Direct naast het plangebied is bij de Nedereindse plas sprake van waterrijke habitats die geschikt zijn voor de ringslang. Tevens is er een mestvaalt aanwezig binnen het plangebied. Er zijn ook takkenrillen aanwezig binnen het plangebied die gebruikt kunnen worden als verblijfplaatsen.

Derhalve kan de aanwezigheid van de ringslang op voorhand niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk.

24

4.2.7

Amfibieën

4.2.7.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.2.7.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de verspreidingsatlas.nl komen de alpenwatersalamander, heikikker, poelkikker en rugstreeppad in de buurt van het plangebied voor. Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander heeft een voorkeur voor zandige leemgronden waar hij voorkomt in loof- of gemengde bossen, of kleinschalige landschappen met heggen of struwelen. Voortplanting vindt plaats in allerlei typen water, zolang het niet snelstromend en niet rijk is aan vis (Goverse et al.). Wanneer de temperatuur ’s avonds boven de vijf graden komt trekken alpenwatersalamanders naar het voortplantingshabitat, meestal is dat rond half maart. Ze blijven hier dan tot en met juni. Half september hebben ook de larven het voortplantingswater verlaten. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land. Ze zijn dan te vinden onder hout, stenen, bunkers of in niet bewoonde holen van knaagdieren (Creemers & van Delft, 2009).

De sloot in het plangebied die gedempt gaat worden is erg smal en volledig dichtbegroeid met riet. Van geschikt voortplantingsgebied binnen het plangebied is derhalve geen sprake. Echter is er wel geschikt overwinteringshabitat aanwezig in deelgebied 2, waaronder hout. Dit gebied valt tevens binnen de actieradius van de alpenwatersalamander (<400 m). De aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan derhalve op voorhand niet worden uitgesloten. Heikikker De heikikker komt voor in hoogveen, vochtige heide, voedselarme tot matig voedselrijke vennen, in laagveengebieden, beekjes en andere waterpartijen, blauwgraslanden, broek- en ooibossen, beek- en rivierdalen, uiterwaarden en de vochtige duinen van Texel en Schouwen. In de veenweidegebieden en in het rivierengebied komt de soort ook in extensief beheerd agrarisch grasland voor(BIJ12 2017f). Dieren trekken afhankelijk van de temperatuur meestal eind februari of begin maart naar het voortplantingsbiotoop.(Creemers & van Delft 2009). Het voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiepe stilstaande wateren met oevervegetatie (Creemers & van Delft 2009, Goverse et al., 2015). De meeste eieren worden in maart en soms in april gelegd. Na de ei-leg

25

verlaten de dieren het water. De juvenielen verlaten het water in juni. De dieren overwinteren op het land van eind oktober tot begin maart ingegraven op vorstvrije plekken.(BIJ12 2017f,Creemers & van Delft 2009). In het plangebied is agrarisch grasland aanwezig. Echter, het plangebied ligt op de zandgronden en niet in de veenweidegebieden of het rivierengebied. Voor deze soort is geschikt leefgebied dan ook niet aanwezig in het plangebied of de omgeving. Nader onderzoek naar deze soort is dan ook niet noodzakelijk. Poelkikker De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren (vennen en hoogveenputten) in bos, heide en hoogveen maar ook in graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen, uiterwaarden en op ruderaal terrein. De poelkikker wordt slechts zelden aangetroffen bij grote vijvers, meren of stromende wateren. Hij heeft een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een begroeide oeverzone. De soort is kritisch wat betreft de waterkwaliteit dat voedselarm en schoon moet zijn. De dieren kunnen grote afstanden afleggen en kunnen op grote afstanden van het water worden gevonden. De poelkikker overwintert op het land waar hij zichzelf ingraaft of gebruik maakt van muizenholletjes, houtstronken of stenen.

De overwinteringsplaatsen liggen afhankelijk van het landschapstype binnen de 100 à 200 meter van het water (BIJ12 2017g; Creemers & van Delft 2009, Goverse et al. 2015). De sloot in het plangebied die gedempt gaat worden is erg smal en volledig dichtbegroeid met riet. Van geschikt voortplantingshabitat binnen het plangebied is derhalve geen sprake. Direct ten oosten van het plangebied ligt echter een poel die mogelijk geschikt is als voortplantingswater van de poelkikker, echter is deze poel groot van schaal en wordt de poelkikker zelden aangetroffen bij grotere vijvers. De geschiktheid van deze poel als voortplantingswater is derhalve erg klein. Tevens ligt binnen het plangebied ligt in deelgebied 2 mogelijk geschikt winterhabitat (noordoostelijk). Dit ligt ook binnen de actieradius van de alpenwatersalamander (<400 m). Derhalve kan functioneel leefgebied van deze soort binnen het plangebied niet uitgesloten worden. Nader onderzoek naar deze soort is derhalve noodzakelijk. Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwlocaties.

Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009). Binnen het plangebied zijn paardenbakken aanwezig met makkelijk vergraafbaar zand. De sloot binnen het plangebied is volledig volgroeid met riet. Echter zijn er wel geschikte sloten en poeltjes aanwezig direct naast het plangebied. Hier kan de soort zich voortplanten, waarbij het het plangebied (vergraafbaar zand) als landhabitat

26

gebruikt. Daarom is op voorhand de aanwezigheid van deze soort niet uit te sluiten. Nader onderzoek is noodzakelijk. 4.2.8

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het plangebied is een afwateringssloot aanwezig die volledig volgroeid is met riet. Deze staat tevens niet in verbinding met de sloten direct naast het plangebied of andere wateren in de omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten.

4.2.9

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). In het betreffende plangebied is geen sprake van bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied.

4.3

Aanwezigheid houtopstanden Binnen het plangebied is houtopstand aanwezig, namelijk in het noordoostelijke gebied van deelgebied 2. Dit betreft een bomenrij die groter is dan 20 bomen.

27

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

5.1

Mogelijke effecten op beschermde gebieden

5.1.1

Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 6 kilometer afstand. Met het plan wordt een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. Derhalve dient er een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd.

5.1.2

Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 1 kilometer ten westen van het plangebied. Tevens ligt gebiedsbescherming van de Groene Contour op circa 1,2 kilometer ten westen van het plangebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Utrecht niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in de NNN of Groene Contour ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Utrechts Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Utrechts Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.2

Mogelijke effecten op beschermde soorten

5.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

28

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13273159/1