SAM5Beslissing op bezwaar subsidiebeschikking Veilig Thuis
Tekst van het document
GEMEENTE
VUSSÏNGEN GGD Zeeland t.a.v. mevrouw J. Gaemers Westwal 37 4461 CM GOES
Verzonden UW BRIEF VAN
UW KENMERK
ONS KENMERK
DATUM
-6 MEI 2021
28 januari 2021
CZW/2017598/SU/EJ
1303130
6 mei 2021
BEHANDELD DOOR
BEZOEKADRES
TELEFOON
BIJLAGEN
A. van der Reest
0118-487308
ONDERWERP
Beslissing op bezwaar en nieuw besluit
Geachte mevrouw Gaemers, U heeft op 28 januari 2021 bezwaar ingediend tegen ons besluit van 23 december 2020. Dit besluit is de subsidiebeschikking voor 2021, waarin aan GGD Zeeland voor 2021 een subsidie is verleend tot een bedrag van € 1.687.537 ten behoeve van Veilig Thuis Zeeland. Over dit bezwaarschrift is op 12 april 2021 advies uitgebracht door de commissie bezwaarschriften Vlissingen. In deze brief leest u hoe wij op uw bezwaarschrift hebben besloten. Advies De commissie bezwaarschriften heeft uw bezwaarschrift op 25 maart 2021 behandeld en vervolgens daarover een advies uitgebracht. De commissie bezwaarschriften adviseert ons het bezwaarschrift gegrond te verklaren, het besluit te herroepen en een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het advies. Het advies van de commissie bezwaarschriften treft u aan als bijlage bij deze brief. Het college heeft geconstateerd dat het advies van de commissie bezwaarschriften op zorgvuldige wijze, dat wil zeggen volgens de voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening commissie bezwaarschriften Vlissingen 2005 tot stand is gekomen. Het advies is helder, logisch en bevat geen tegenstrijdigheden. Besluit Het college besluit het bezwaarschrift, conform het advies van de commissie bezwaarschriften, gegrond te verklaren en een nieuw besluit te nemen, waarbij het besluit van 23 december 2020 volgt wordt gewijzigd.
Het college wijzigt de subsidiebeschikking 2021 en kent voor zowel 2021 als onder begrotingsvoorbehoud voor 2022 een subsidiebedrag van € 571.600 toe voor de versterking van Veilig Thuis Zeeland. Motivering
POSTBUS 3000, 4380 GV VLISSINGEN TELEFOON 0118-487000 EMAIL GEMEENTE@VLISSINGEN.NL FAX 0118-410218 IBAN: NL36BNGH0285008889 BIC: BNGHNL2G
Voor de motivering van de beslissing op uw bezwaar verwijzen wij naar het advies van de commissie bezwaarschriften. Het advies van de commissie maakt dan ook integraal onderdeel uit van de motivering van dit besluit. In aanvulling op deze motivering: het bestreden besluit om een incidentele budgetsubsidie voor 2021 toe te kennen voor de versterking van Veilig Thuis Zeeland, is tot stand gekomen met de ambtelijke kerngroep huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM). De intentie van de kerngroep is daarbij om in 2021 tot structurele afspraken te komen over de financiering van Veilig Thuis. De kerngroep kan, vanwege de bredere ontwikkelingen met betrekking tot de decentralisatie-uitkeringen, nog niet garanderen dat dit voor de langere termijn mogelijk is vanuit de decentralisatie-uitkering Vrouwenopvang (VO). Reden hiervan is dat er vanuit de decentralisatie-uitkering Maatschappelijke opvang (hierna: MO) nu voor ruim € 1 mln wordt bijgedragen aan de VO-voorzieningen, waardoor nu tekorten ontstaan op de voorzieningen MO. Het overleg over herijking met gemeenten en instellingen zal duidelijk moeten maken hoe het totaal van de voorzieningen MO en VO in de toekomst gefinancierd kan worden.
Wij erkennen echter dat de activiteiten ten behoeve van de versterking van Veilig Thuis Zeeland niet van eenmalige aard zijn én dat de verlening van slechts één jaar subsidie onvoldoende financiële zekerheid geeft om een deugdelijk personeelsbeleid voor uitvoering van de taken vorm te geven. Daarom hebben wij besloten, conform het advies van de commissie bezwaarschriften, het bestreden besluit te herroepen. Beroep Als u het niet eens bent met dit besluit kunt u binnen 6 weken na bekendmaking een beroepschrift indienen bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team Bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda. In het beroepschrift moet tenminste het volgende staan: uw naam en adres, de datum, de omschrijving van het besluit waartegen u een beroepschrift indient en de reden(en) waarom u een beroepschrift indient. U betaalt griffierechten voor het indienen van een beroepschrift. Het indienen van een beroepschrift zet de werking van dit besluit niet stop. Als u dit wenst en een spoedeisend belang heeft, kunt u naast het instellen van beroep, een verzoek om een voorlopige voorziening indienen bij de Rechtbank Zeeland West-Brabant, team Bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda.
Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Vlissingen, de secretaris, de burgemeester,
Blad 2 behorend bij 1086737/ 1109864
GEMEENTE
VLISSINGEN Advies van de commissie bezwaarschriften Vlissingen over het bezwaarschrift van 28 januari 2021 ingediend door mevrouw J. Gaemers, namens GGD Zeeland (hierna: bezwaarmaker). Het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen van 23 december 2020 waarin aan GGD Zeeland voor 2021 een subsidie is verleend tot een bedrag van € 1.687.537,- ten behoeve van Veilig Thuis Zeeland.
De commissie adviseert in de volgende samenstelling: de heer mr. R.M.J. Bustraan (voorzitter), mevrouw mr. F.S. Alting-Landa (lid) en mevrouw mr. J.E. Willeboordse (lid). 1. OVERZICHT VAN DE PROCEDURE
Bij besluit van 23 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: verweerder) aan bezwaarmaker subsidie verleend ten behoeve van Veilig Thuis Zeeland tot een totaalbedrag van € 1.687.537,-. Namens bezwaarmaker is tegen dit besluit bezwaar aangetekend bij brief van 27 januari 2021, ontvangen op 27 januari 2021. Verweerder heeft daarop een verweerschrift ingediend. De bovengenoemde stukken zijn ter advisering doorgezonden naar de commissie bezwaarschriften. Op 25 maart 2021 heeft een hoorzitting via videoverbinding plaatsgevonden. Aanwezig waren mevrouw V. van Bon en mevrouw L. Ernst namens bezwaarmaker. Namens verweerder waren aanwezig mevrouw S. Ummels en mevrouw A. van der Reest. Van de hoorzitting is, met toestemming van de aanwezigen, een audio-opname gemaakt. 2. DE ONTVANKELIJKHEID
Alvorens het bezwaarschrift inhoudelijk in behandeling kan worden genomen, is het volgens het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van belang dat bezwaarmaker ontvangen kan worden in zijn bezwaren. Daaraan zijn vier wettelijke voorwaarden gesteld: 1. 2. 3. 4.
Het bezwaarschrift moet zijn gericht tegen een appellabel besluit; De bezwaarmaker moet belanghebbende zijn; Het bezwaarschrift moet tijdig zijn ingediend, en Het bezwaarschrift moet voldoen aan de daaraan gestelde wettelijke vormvereisten.
Ad 1. Het bestreden besluit betreft een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid van de Awb en is derhalve vatbaar voor bezwaar. Ad 2. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit betrokken is. Bezwaarmaker is als geadresseerde van het besluit aan te merken als belanghebbende. Ad 3. Op grond van artikel 6:8 van de Awb is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aangevangen op 24 december 2020. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb betekent dit dat de bezwaartermijn is geëindigd op 28 januari 2021. Het bezwaarschrift is op 27 januari 2021 ontvangen en dus tijdig ingediend. Ad 4. Het bezwaarschrift is ondertekend en is voorzien van de naam en het adres van bezwaarmaker, een datum, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het bezwaar. Het bezwaarschrift voldoet daarmee aan de in artikel 6:5 van de Awb gestelde eisen. De commissie concludeert derhalve dat bezwaarmaker ontvankelijk is in haar bezwaar. 3. DE GRONDEN VAN HET BEZWAAR
Bezwaarmaker maakt - kort samengevat - bezwaar tegen het toekennen van een incidentele budgetsubsidie voor 2021 ten bedrage van € 571.600,- in plaats van toekenning van een structurele subsidie voor de versterking van Veilig Thuis Zeeland. Bezwaarmaker heeft een structurele subsidie aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 2020. Bezwaarmaker voert ten eerste aan dat de gelden waarop een beroep wordt gedaan vanuit het Rijk zijn bedoeld voor een structurele versterking van Veilig Thuis. Deze extra structurele gelden komen vanaf 2020 beschikbaar via de Decentralisatie Uitkering Vrouwenopvang (hierna: DuVo). De centrumgemeente Vlissingen ontvangt deze DuVo-gelden. Bezwaarmaker stelt zich ten tweede op het standpunt dat de aanvraag conform de afspraken die in februari 2019 met de stuurgroep CZW Bureau zijn gemaakt is. Daarbij is volgens bezwaarmaker onder meer afgesproken dat een ophoging van het DuVo-budget die specifiek voor een taak van Veilig Thuis wordt toegevoegd ook aan Veilig Thuis beschikbaar zal worden gesteld. Tot slot voert bezwaarmaker aan dat aangezien er incidenteel extra middelen zijn toegekend voor Veilig Thuis in 2021 er geen structurele uitbreiding van personeel voor de uitvoering van deze taken kan worden geworven. Hierdoor bestaat het risico dat deze structurele taken niet kunnen worden uitgevoerd.
Ook bestaat het risico dat de wachtlijsten oplopen waardoor medewerkers meer tijd moeten investeren om het zicht op de veiligheid te behouden en duurt het langer voordat meldingen van burgers en professionals kunnen worden opgepakt. Tijdens de hoorzitting heeft bezwaarmaker de bezwaargronden herhaald en hier nog het volgende aan toegevoegd. Bezwaarmaker heeft aangegeven dat het bezwaar zich niet richt op het jaar 2020. Dit jaar is wat bezwaarmaker betreft afgesloten. Bezwaarmaker is van
mening dat zij recht heeft op het bedrag van € 705.954,- per jaar. Dit bedrag wordt door het Ministerie extra toegekend en er is afgesproken dat deze gelden aan bezwaarmaker toekomen. Voor 2021 heeft bezwaarmaker een begroting opgesteld. Hieruit blijkt dat voor 2021 een bedrag van € 571.600,- aan subsidie nodig is. Alhoewel bezwaarmaker meent recht te hebben op een bedrag van € 705.954,- is dit bedrag niet in de begroting van 2021 verwerkt. Bezwaarmaker verwacht een begroting ter hoogte van dat bedrag in 2021 niet waar te kunnen maken. Ze zou in dat geval te snel moeten 'groeien'. Het bedrag van € 571.600,- is toegekend voor 2021. Bezwaarmaker heeft mondeling vernomen dat dit bedrag ook voor 2022 toegekend gaat worden. Er is dan geen rekening gehouden met inflatie en stijgende loonkosten. Bezwaarmaker wil graag een advies over de subsidie voor 2022 en over de vraag of alle gelden die het Ministerie beschikbaar stelt aan Veilig Thuis moeten worden toegekend. Dit geldt dus ook voor de jaren 2023 en verder. Voor een goede bedrijfsvoering en het kunnen voeren van een deugdelijke personeelsplanning, is het uiterst belangrijk dat er snel duidelijkheid over het jaar 2022 gegeven wordt. 4. STANDPUNT VERWEERDER
Verweerder stelt in het verweerschrift - kort samengevat - dat de DuVo-uitkering een financiële bijdrage is, die niet is bedoeld om kostendekkend te zijn voor de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Verweerder stelt voorts dat het advies om een incidentele subsidie toe te kennen tot stand is gekomen met de ambtelijke kerngroep huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna: HGKM). De intentie van de kerngroep is daarbij om in 2021 tot structurele afspraken te komen over de financiering van Veilig Thuis. De kerngroep kon vanwege de bredere ontwikkelingen met betrekking tot de decentralisatie-uitkeringen nog niet garanderen dat dit voor de langere termijn mogelijk is vanuit de DuVo. Reden hiervan is dat er vanuit de decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang (hierna: MO) nu voor ruim 1 miljoen euro wordt bijgedragen aan de VOvoorzieningen, waardoor nu tekorten ontstaan op de voorzieningen MO. Het overleg over herijking met gemeenten en instellingen zal duidelijk moeten maken hoe het totaal van de voorzieningen MO en vrouwenopvang (hierna: VO) in de toekomst gefinancierd kan worden. Verweerder voert voorts aan dat het verzoek tot het toekennen van incidentele subsidie voor 2022 vooruitloopt op de normale subsidiecyclus. De beschikking kan pas worden afgegeven na publicatie van de subsidieplafonds voor MO en VO.
Tot slot heeft verweerder aangegeven, dat het CZW-bureau geen zicht meer heeft op de omvang van de bestaande reserves van de centrumgemeentemiddelen. Daarom heeft het CZW-bureau geen zicht meer op de eventuele financiële ruimte voor incidentele subsidies. In het verweerschrift is tot slot aangegeven, dat de kerngroep de knelpunten waar Veilig Thuis nu tegenaan loopt met betrekking tot de werving van extra personeel erkent. Daarom wordt onderzocht of er nu al een incidentele subsidie van € 571.600,- aan Veilig Thuis toegekend kan worden voor het jaar 2022. Tijdens de hoorzitting heeft verweerder in aanvulling op het verweerschrift aangegeven, dat op zijn verzoek de artikel 12-inspecteur en de toezichthouder ermee akkoord zijn gegaan om voor 2022 een subsidie aan bezwaarmaker toe te kennen voor Veilig Thuis ter hoogte van € 571.600,-. Dit onder voorbehoud van voldoende middelen. Verweerder verwacht dat er voldoende middelen zullen zijn. Verweerder gaat nog na of er dan indexatie zal worden toegepast. Verweerder benadrukt dat door onzekere ontwikkelingen er nog geen structurele
subsidie kan worden toegekend. Verweerder heeft hieromtrent beleidsvrijheid. De decentralisatie-uitkeringen worden door het rijk niet geïndexeerd. 5. HET WETTELIJK KADER
Het wettelijk kader bestaat onder meer uit de Awb en de Algemene subsidieverordening Vlissingen 2018 (hierna: de Verordening). 6. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL
Bezwaarmaker heeft op 25 november 2020 een structurele subsidie vanaf 2020 aangevraagd voor de versterking van Veilig Thuis ten bedrage van € 705.954,-. Bezwaarmaker heeft daarnaast voor het jaar 2021 een begroting ingediend ter hoogte van € 571.600,-. Verweerder heeft bij besluit van 23 december 2020 een incidentele subsidie ten bedrage van € 571.600,- verleend voor het jaar 2021. Tussen partijen is in geschil of verweerder al dan niet terecht heeft volstaan met het toekennen van de incidentele subsidie voor 2021. De commissie ziet zich dus voor de vraag gesteld of verweerder heeft kunnen volstaan met het toekennen van een incidentele subsidie voor het jaar 2021. Daarnaast heeft bezwaarmaker de commissie gevraagd te adviseren over de vraag of alle gelden die het Ministerie beschikbaar stelt aan Veilig Thuis moeten worden toegekend. De commissie overweegt hieromtrent het volgende. In artikel 1 sub d. van de Verordening is de definitie van een incidentele subsidie opgenomen. Deze definitie luidt als volgt: "Een subsidie die wordt verleend ten behoeve van eenmalige activiteiten;" Artikel 8 van de Verordening bepaalt vervolgens - voor zover hier van belang - dat het college een subsidie anders dan een incidentele subsidie kan verlenen voor maximaal vier jaar, dit met inachtneming van artikel 5, vijfde lid.
Op grond van artikel 5 lid 5 van de Verordening wordt een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd verstrekt onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld. Blijkens dit artikellid wordt daarop in de verleningsbeschikking verwezen. De commissie stelt vast dat de activiteiten van bezwaarmaker geen incidenteel karakter hebben. Verweerder erkent dit ook en heeft aangegeven voor het jaar 2022 eveneens een subsidie aan bezwaarmaker te willen toekennen ten bedrage van € 571.600,-. Verweerder heeft hiervoor reeds toestemming gekregen van de artikel 12-inspecteur en de toezichthouder. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 8 van de Verordening aan bezwaarmaker een subsidie kan verlenen voor maximaal vier jaar. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Verweerder heeft in dit kader aangegeven, dat vanwege de ontwikkelingen van de bredere decentralisatie-uitkeringen en het overleg dat daarover plaats moet vinden tussen de Zeeuwse gemeenten voor de langere termijn nog geen toezeggingen gedaan kunnen worden. De commissie is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kan en mag stellen.
Gelet op het vorenstaande is de commissie echter wel van oordeel dat in het besluit van 23 december 2020 onvoldoende is gemotiveerd waarom volstaan is met een incidentele subsidie voor het jaar 2021 en er geen meerjarige subsidie is verleend. Namens verweerder is immers erkend dat de activiteiten niet van eenmalig aard zijn én dat de verlening van slechts één jaar subsidie onvoldoende financiële zekerheid geeft om een deugdelijk personeelsbeleid ter uitvoering van de taken vorm te geven. De commissie adviseert verweerder dan ook het bezwaar gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. De commissie adviseert daarbij om de subsidie op grond van artikel 8 van de Verordening voor twee jaar (2021 en 2022) toe te kennen. Hierbij geldt voor het jaar 2022 op grond van artikel 5 lid 5 van de Verordening dan de voorwaarde dat er voldoende middelen op de begroting van 2022 beschikbaar worden gesteld. Bezwaarmaker moet hierop in het nieuwe besluit worden gewezen. De commissie neemt hierbij in acht dat tijdens de hoorzitting door bezwaarmaker is aangegeven dat het bezwaar zich niet richt op het jaar 2020. Bezwaarmaker heeft de commissie tijdens de hoorzitting gevraagd te adviseren over de vraag of alle gelden die het Ministerie beschikbaar stelt aan Veilig Thuis moeten worden toegekend.
De commissie merkt hieromtrent op dat bezwaarmaker in de begroting van 2021 heeft aangegeven subsidie nodig te hebben tot een bedrag van € 571.600,-. Verweerder heeft dit bedrag in zijn geheel toegekend. De commissie is van oordeel dat het inherent aan het subsidiestelsel is dat verweerder niet meer subsidie verleent dan dat een aanvrager aangeeft nodig te hebben voor de uit te voeren activiteiten. De commissie stelt vast dat verweerder een zeker mate van beleidsvrijheid heeft omtrent het verstrekken van subsidie en dat de financiering van de activiteiten van Veilig Thuis meerdere financiële stromen kent. Dat verweerder de komende tijd wil onderzoeken op welke wijze de totale financiering vorm moet krijgen in overleg met alle stakeholders, inclusief bezwaarmaker, komt de commissie redelijk voor. Het verkrijgen van een principiële uitspraak over subsidie-aanspraken naar de toekomst toe, maakt geen deel uit van onderhavige procedure. De commissie zal hierover dan ook geen advies uitbrengen. Indien bezwaarmaker in de toekomst meer subsidiabele activiteiten wil gaan uitvoeren, kan zij daarvoor al dan niet na overleg met verweerder een subsidieaanvraag doen. Het is vervolgens aan verweerder om daar dan een besluit over te nemen. 7. ADVIES
De commissie adviseert het college van burgemeester en wethouders het bezwaarschrift ingediend namens GGD Zeeland en gericht tegen het besluit van 23 december 2020 ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en met inachtneming van dit advies een nieuw besluit te nemen. Vlissingen, 12 april 2021, Commissie bezwaarschriften Vlissingen
Dhr. mr. R.M.J. Bustraan
Mw. mr. L.W. Gouw
voorzitter
secretaris