CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Als je je huis moet verlaten

Commissie Samenleving 4 september 2024, gemeente HulstBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken13.477 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Pagina 21/29

Voor de huurprijs geldt dat naar het huidige inkomen van de bewoners wordt gekeken. Dat kan betekenen dat de nieuwe woning een hogere huurprijs heeft, omdat dat passend wordt geacht voor het inkomen. Vaak wordt de huurprijs van de nieuwe woning hoger, omdat die woning van een betere kwaliteit is en beter geïsoleerd. Deels wordt de hogere huurprijs gecompenseerd door een lagere energierekening. De huurtoeslag kan ook een deel compenseren. Een woningcorporatie gaf aan dat in kwetsbare situaties gekeken wordt of een gewenningsperiode kan helpen. Dan gaat de bewoner geleidelijk aan meer betalen totdat de totale huurprijs wordt betaald. Voor bewoners die, gezien hun inkomen, niet meer in aanmerking zullen komen voor een sociale huurwoning, kan de woningcorporatie een beperkt deel van de sociale huurwoningen reserveren. 18 Bij passende woonruimte wordt naar de huidige samenstelling van het huishouden oftewel het gezin gekeken. Zo wordt ook in de nieuwe situatie rekening gehouden met kinderen ouder dan 18 jaar die nog thuis wonen. Soms ontstaat de mogelijkheid voor de volwassen kinderen om een woning voor zichzelf te krijgen met een passende huurprijs. Sloopprojecten treffen vaker woningen van alleenstaanden die er al jarenlang wonen, soms al vanaf het begin. In verhouding worden weinig gezinnen getroffen. Bij renovatie gaat het vaker om huishoudens met kinderen.

Dilemma's De gemeenten en woningcorporaties ervaren het als een dilemma om het juiste moment te kiezen om de bewoners te informeren. Het streven is om bewoners zo vroeg mogelijk in het proces te informeren. Tegelijkertijd is er dan nog veel onzeker en duurt de periode van onzekerheid voor de bewoners dus langer. Met alle bijkomende stress en spanningen. Ook komt het voor dat onvoorziene en/of externe factoren de duur van het proces vertragen zoals de kosten of levertijd van bouwmaterialen of de mogelijkheid om de nieuw te bouwen woning aan te sluiten op het energienet. De woningcorporatie en de gemeente hebben hier weinig tot geen invloed op. Gemeenten en woningcorporaties zien dat de sloop of renovatie van de woningen ontwrichtend werkt op de sociale cohesie in een wijk of buurt. Bewoners moeten vertrekken en wonen niet langer bij elkaar in de buurt. Voor een aantal, met name oudere, bewoners dreigt vereenzaming en een sociaal isolement als zij moeten verhuizen. Het kan ook leiden tot een grotere aanspraak op zorgvoorzieningen. Gemeenten en woningcorporaties zetten zich in om de bewoners zo zorgvuldig mogelijk te begeleiden naar een passende nieuwe woning, maar hebben voor deze (dreigende) problemen geen oplossing. Er ligt voor woningcorporaties een flinke opgave vanuit de landelijke prestatieafspraken.

Er moeten veel woningen bijkomen en ook verduurzaming van de bestaande woningvoorraad is van groot belang.

Vanaf 2022 mogen woningcorporaties elk jaar 7,5% van hun vrijgekomen huurwoningen toewijzen aan huishoudens met een inkomen boven de inkomensgrens. Woningcorporaties mogen dat percentage lokaal verhogen, tot maximaal 15%. Dat moet de woningcorporatie dan afspreken met de gemeente en huurdersorganisatie. Pagina 22/29 18

7. Bevindingen uit gesprekken met derden Rol gemeenten Gemeenten bepalen het gemeentelijk volkshuisvestingbeleid. Daarin worden eisen gesteld aan het aantal sociale huurwoningen en de totale woonvoorraad. Ook kunnen keuzes worden gemaakt voor bijvoorbeeld een meer sociaal economische balans in de wijk door koopwoningen, sociale huur en midden huur te mixen. Met de woningcorporatie worden lokale prestatieafspraken gemaakt en afgesproken hoe de woningcorporatie bijdraagt aan het beleid. Die afspraken zijn vooral gericht op de kwantiteit en kwaliteit van de woningen. In art 55b van de Woningwet staat dat de toegelaten instelling (de woningcorporatie) een reglement opstelt voor de aanpak van sloop/renovatie. Over dat reglement voeren de huurdersorganisatie, de gemeente en woningcorporatie overleg. Op basis van het reglement wordt per project een plan van aanpak en sociaal plan/statuut opgesteld. In de praktijk blijkt dat gemeenten wel overleg voeren over het algemene reglement, maar niet of nauwelijks betrokken zijn bij de uitwerking daarvan in een plan van aanpak/sociaal plan betreffende een sloop/nieuwbouw of renovatieproject. Gemeenten kunnen zich wel actief bemoeien met de wijze waarop woningcorporaties bewoners betrekken bij sloop/nieuwbouw of renovatieprojecten. In een aantal gemeenten zijn zogenaamde kaderafspraken (ook wel gemeentelijke sociale statuten) gemaakt.

Daarin hebben gemeente, corporatie en huurdersorganisatie samen de rechten vastgelegd van bewoners die vanwege sloop of renovatie hun huis moeten verlaten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun inwoners en willen dus ook dat corporaties zorgvuldig te werk gaan bij het komen tot sloop/nieuwbouw of renovatie. In hoeverre een gemeente zich actief bemoeit, verschilt. Het afgeven van de vergunningen/besluiten die nodig zijn voor de sloop/nieuwbouw of renovatie doet het college van burgemeester en wethouders. Via de gemeenteraad kan een dergelijk besluit mogelijk ter discussie worden gesteld. Bijvoorbeeld omdat de bewoners vinden dat het proces om te komen tot sloop/nieuwbouw niet zorgvuldig is doorlopen. Communicatie met bewoners Vanuit bewoners is behoefte aan duidelijke communicatie en tijdige informatie. Dat betekent dat ook moet worden nagedacht hoe de verschillende bewoners bereikt kunnen worden. Er moet meer rekening worden gehouden met de mensen tot wie men zich richt. Er zijn mensen met een taalachterstand: bijvoorbeeld mensen met een migratieachtergrond, maar ook laaggeletterden. Zij worden niet altijd goed bereikt. Vaak zijn voorlichtingen in het Nederlands net als de informatiebrieven. De communicatie verloopt soms deels digitaal terwijl er mensen zijn die niet digitaal vaardig zijn.

Anderen (zoals jongeren) worden niet altijd bereikt met een traditionele brief in de bus. Het is belangrijk dat woningcorporaties een goed beeld hebben van hun bewoners en hoe ze die kunnen bereiken en informeren. Via welke middelen en welke kanalen er wordt gecommuniceerd, is van groot belang. Participatie van bewoners Woningcorporaties besteden niet altijd tijdig en voldoende aandacht aan de participatie van hun bewoners. De corporatie heeft de plicht om bewoners actief te informeren als zij het voornemen heeft om te slopen. Het komt voor dat een woningcorporatie al een besluit heeft genomen over sloop dan wel renovatie en daarna pas aan huurdersparticipatie denkt. Als een corporatie een voornemen heeft, dan moet zij de huurdersorganisatie meteen betrekken. En er moet zo snel mogelijk een bewonerscommissie worden opgericht. Dan is er ruimte voor bewoners om daadwerkelijk te participeren in de besluitvorming. Het komt voor dat de woningcorporatie de huurdersorganisatie betrekt bij het voornemen en het besluit, maar niet de bewoners waar het om gaat. Die worden pas na afloop, als het besluit is genomen, geïnformeerd. Daarbij geeft de woningcorporatie dan aan Pagina 23/29

dat met de huurdersorganisatie is afgestemd, maar de bewoners hebben hierover geen contact met de huurdersorganisatie gehad. De bewoners moeten instemmen met het voorstel van de corporatie bij sloop/nieuwbouw of renovatie. Daarbij wordt uitgegaan van de instemming van de hoofdhuurder die ook namens de medehuurders spreekt. In geval van kinderen gaat men ervan uit dat de ouder (hoofdbewoner) de belangen van de kinderen betrekt en meeweegt. De kinderen worden niet apart benaderd. Belangenbehartiging van bewoners Huurdersorganisaties en bewonerscommissies zijn in feite de belangenbehartigers van de bewoners. De kwaliteit van deze verenigingen en commissies is soms een zorg. De commissies worden gevormd door vrijwilligers en zij hebben niet altijd de benodigde kennis en kunde om de collectieve belangen goed te behartigen. Dat geldt ook voor bewoners die in 'opstand komen' tegen sloopplannen, zij vertegenwoordigen niet altijd het collectieve belang. Soms is het een klein groepje dat de juiste wegen bewandelt en de weg naar de gemeenteraad en de media weet te vinden. Het lukt niet altijd om een bewonerscommissie op te richten. Bewoners hebben geen interesse of tijd. Het komt voor dat een woningcorporatie direct voorstelt om een klankbordgroep op te richten in plaats van een bewonerscommissie.

Ook komt voor dat de woningcorporatie niet de benodigde ondersteuning wil faciliteren of voor wil schrijven hoe die ondersteuning er uit moet zien Een bewonerscommissie heeft rechten, maar ook plichten; zij vertegenwoordigen het belang van alle bewoners. Bij een klankbordgroep is dat anders, je mag dan als individu je inbreng hebben, maar de corporatie mag dat ongefundeerd van tafel vegen. Bij een bewonerscommissie mag een corporatie dat niet. Zij moet dan beargumenteerd een reactie geven op de inbreng van de bewoners. Stress en onzekerheid Bewoners die worden geconfronteerd met een (voornemen tot) sloop of renovatieplannen ervaren stress. Die stress neemt toe zolang er onzekerheid is. Er is vaak veel onzekerheid over de vervangende woning. Hoe passend die zal zijn: hoe groot, wel/niet in dezelfde buurt en hoe hoog de huurprijs zal zijn. Deze periode van onzekerheid kan soms heel lang duren. Sociaal plan en maatwerk Het sociaal plan biedt ruimte om goed te kijken naar de individuele situaties van bewoners en hun medebewoners (ook kinderen). Zo nodig kan er maatwerk worden geleverd. Het verschilt per corporatie hoe ver men hierin gaat. Denk bijvoorbeeld aan het regelen van verhuizers of het inbouwen van de gewenste keuken in het nieuwe huis. In het sociaal plan kan ook maatwerk worden geregeld voor kinderen.

Zoals het creëren van een rustruimte als er wordt gerenoveerd in bewoonde staat of hoe de wisselwoning eruit ziet (eigen kamer). Bij het vinden van een geschikte wisselwoning kan er ook naar andere factoren, zoals afstand tot school en vrienden, worden gekeken, of bijvoorbeeld het bieden van een voorziening om (in een rustige omgeving) huiswerk te maken. Kinderen worden echter zelden gezien in de sloop/nieuwbouw of renovatieprojecten en zijn geen zelfstandig gesprekspartner. Bewoners zonder sociaal netwerk, vaak ouderen, vragen specifieke aandacht. Voor deze groep is het heel moeilijk om alles goed te organiseren.

Pagina 24/29

8. Mensen- en kinderrechtelijk toetsingskader In het rapport 'Als de overheid niet thuis geeft' hebben de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman een toetsingskader geformuleerd. Daarin is opgenomen aan welke algemene en welke specifieke mensenen kinderrechtelijke verplichtingen een huisuitzetting moet voldoen. Inleiding Huisuitzettingen zijn niet verboden ondanks dat zij een enorme impact hebben op het welzijn van gezinnen en op het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen in deze gezinnen. Om deze impact zo klein mogelijk te laten zijn, moeten mensen- en kinderrechten worden gerespecteerd gedurende het hele huisuitzettingsproces. Om duidelijkheid te krijgen over de mensen- en kinderrechtelijke verplichtingen die een rol spelen tijdens het huisuitzettingsproces, wordt hier het mensen- en kinderrechtenkader op (dreigende) huisuitzettingen geschetst. Welke mensenrechten en daaruit voortvloeiende verplichtingen zijn tijdens dit proces van toepassing? En welke specifieke kinderrechten zouden in die situaties moeten gelden? Het kader helpt de ombudsmannen om te toetsen of in de praktijk aan deze verplichtingen wordt voldaan en te duiden waar de verantwoordelijkheid van de overheid ligt of zou behoren te liggen. Verplichtingen van de overheid Mensenrechten zijn verankerd in internationale en regionale verdragen en in de Nederlandse Grondwet.

Internationale verdragen zijn verdragen op VN-niveau. Regionale verdragen zijn verdragen die relevant (kunnen) zijn op Europees niveau (Raad van Europa en Europese Unie). Het gaat bijvoorbeeld om het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of het Europees Sociaal Handvest (ESH). Met het ratificeren van deze verdragen neemt de overheid19 verplichtingen op zich om de rechten in de verdragen na te komen en ervoor te zorgen dat mensen de rechten kunnen realiseren. In het Kinderrechtenverdrag staan rechten die ook in andere verdragen vermeld worden. Deze rechten zijn echter specifiek ingericht op de belangen en ontwikkeling van kinderen, en krijgen – in hun status van lex specialis – voorrang boven de rechten uit andere verdragen wanneer het kinderen betreft. De verplichtingen zijn onder te verdelen in drie typen. Zo heeft de overheid de verplichting tot: • Respecteren: de overheid zorgt ervoor dat het zelf, door personen die handelingen verrichten namens haar, rechten respecteert (en niet schendt). • Beschermen: de overheid zorgt ervoor dat mensen beschermd worden voor schendingen door derde partijen. • Verwezenlijken: de overheid doet er alles aan om ervoor te zorgen dat rechten volledig waargemaakt worden. Bijvoorbeeld met beleid, programma’s en wetgeving. Alle rechten hebben elementen waarvan kan worden gesteld dat ze niet direct te garanderen zijn.

Dit geldt doorgaans voor sociaal, economische en culturele rechten (waaronder het recht op huisvesting in algemene mensenrechtenverdragen en het kinderrechtenverdrag) en in nog grotere mate voor de verwezenlijking van collectieve rechten. De overheid heeft de verplichting deze rechten progressief te realiseren (of geleidelijk te verwezenlijken) door daadwerkelijk passende stappen te nemen en hiervoor de maximaal beschikbare middelen te gebruiken. Het nemen van passende stappen is een onmiddellijke verplichting. 20 Ook is de overheid gebonden aan het zogenaamde non-regressie beginsel, op grond van General Comment 3 van het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) en General Comment 5 van het Kinderrechtencomité. Hiermee wordt bedoeld dat de verwezenlijking van het recht alleen Waar in verdragen veelal gesproken wordt over de ‘staat’ wordt in dit rapport veelal de term ‘overheid’ gebruikt. Met ‘overheid’ wordt zowel de nationale als de lokale overheid bedoeld. 20 Deze verplichting staat bijvoorbeeld in art. 2, lid 1 IVESCR en artikel 4 IVRK. Naast het nemen van passende stappen voor progressieve realisatie, is het uitbannen van discriminatie een onmiddellijke verplichting van de overheid.

Ook bescherming van groepen in kwetsbare situaties, mensen in armoede of gemarginaliseerde groepen is een verplichting die onmiddellijk moet worden verwezenlijkt. Pagina 25/29 19

maar vooruit mag gaan en niet achteruit. Anders dan bij mensenrechten dient de overheid bij kinderrechten rekening te houden met de rol van ouders. Daar waar overheden in mensenrechtenverdragen de primaire verantwoordelijkheid hebben rechten voor hun burgers te verwezenlijken, hebben ouders op grond van artikel 5 uit het Kinderrechtenverdrag de primaire verantwoordelijkheid om rechten uit het Kinderrechtenverdrag – zoals het recht op huisvesting – voor hun kinderen te verwezenlijken. Artikel 5 van het Kinderrechtenverdrag bepaalt echter ook dat als ouders hiertoe niet in staat zijn, zij recht hebben op passende bijstand van de overheid. De overheid past hierin een ondersteunende, faciliterende en dienende rol. Mensen- en kinderrechtelijke verplichtingen Mensen- en kinderrechtelijke verplichtingen zijn leidend voor de wijze waarop de overheid haar verplichtingen ten opzichte van burgers en kinderen moet vormgeven. Mensenrechten- en kinderrechten lopen grotendeels parallel aan elkaar. De verplichtingen zie je terug in de vier kernrechten die in het Kinderrechtenverdrag centraal staan. Deze vier kinderrechten zijn artikel 2 (het recht op gelijke behandeling), 3 (het belang van kinderen staat voorop in alle beslissingen die impact hebben op het leven van kinderen), 6 (het recht op leven en ontwikkeling) en 12 (het recht op participatie).

Deze vier rechten moeten in onderlinge samenhang worden gezien en alle andere kinderrechten moeten aan de hand van deze onderling samenhangende kinderrechten worden geïnterpreteerd. De mensenrechtelijke verplichtingen zoals hieronder vermeld vinden hun weerslag in verschillende mensenrechten(-verdragen) op zowel internationaal en Europees niveau als in de Nederlandse grondwet. Het belangrijkste mensenrechtelijke beginsel is waardigheid. Waardigheid is, samen met bescherming tegen de macht van de overheid, het doel van alle mensenrechten en kinderrechten. Mensen moeten een waardig en een zo veilig mogelijk leven kunnen leiden en, aanvullend in het geval van kinderen, zo goed mogelijk opgroeien en zich ontwikkelen. Dit betekent dat wanneer de overheid besluiten neemt die impact hebben op volwassenen of kinderen, hun waardigheid en ontwikkelbelang het uitgangspunt moet zijn. Het Kinderrechtenverdrag geeft in artikel 3 en 6 aan op welke wijze het (ontwikkel)belang van kinderen moet worden onderzocht en moet worden meegenomen in besluiten. Het beginsel ‘waardigheid’ krijgt invulling door de overige mensenrechtelijke verplichtingen die zijn vastgelegd als rechten in alle mensenrechtenverdragen. Het gaat dan om het recht niet te worden gediscrimineerd, het recht op betekenisvolle participatie, het recht op autonomie en zelfbeschikking, én het recht op rechtsbescherming.

Non-discriminatie Volwassenen en kinderen moeten gelijke toegang kunnen hebben tot rechten ongeacht hun specifieke persoonskenmerken of situatie. Het non-discriminatiebeginsel biedt daarmee bescherming aan groepen mensen die vanwege hun persoonskenmerken of hun situatie tot een kwetsbare of gemarginaliseerde groep behoren. In bijna elk mensenrechtenverdrag, en in de Nederlandse grondwet, is een non-discriminatie artikel opgenomen.21 Ook in het Kinderrechtenverdrag is het non-discriminatiebeginsel opgenomen. Artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van Kind (IVRK) ziet op het recht op gelijke behandeling. Het beginsel van non-discriminatie impliceert dat maatregelen moeten worden getroffen om ongelijkheid tegen te gaan. Een belangrijke voorwaarde om het non-discriminatie principe te hanteren is het verzamelen van data over mensen en groepen die getroffen worden door maatregelen. En het monitoren en evalueren van beleid met oog voor effecten op deze mensen en groepen. Autonomie/zelfbeschikking Volwassenen en kinderen mogen zelf beslissen over hun leven en de inrichting daarvan. In plaats van beslissingen óver hen te nemen, moeten mensen de instrumenten of ruimte krijgen om autonome beslissingen te nemen.

Het recht op autonomie en zelfbeschikking is – zowel bij mensenrechten als bij kinderrechten – terug te vinden in de klassieke rechten waarin overheden zich slechts onder zeer strenge Ook zijn er verschillende zogenaamde ‘doelgroepen’ verdragen die specifiek gericht zijn op non-discriminatie zoals het VN-verdrag voor uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het VN-vluchtelingenverdrag, het VN-verdrag Handicap en het VNVrouwenverdrag. Pagina 26/29 21

voorwaarden mogen mengen in de levens van mensen. Te denken valt aan het recht op privacy, het recht op gezinsbehoud en het recht op vrijheid van godsdienst. Bij kinderrechten gelden daarnaast specifieke rechten die zien op het ontwikkelen van autonomie en zelfbeschikking, zoals het recht op onderwijs 22 en op gezondheidszorg.23 Bij de bepaling van de wijze waarop en de mate waarin autonomie van kinderen moet gelden, blijft de ouderlijke verantwoordelijkheid een belangrijk uitgangspunt. Zij moeten ervoor zorgen dat kinderen toe kunnen groeien naar volwassenheid en over een steeds grotere mate van autonomie kunnen beschikken. (Betekenisvolle) participatie Mensen hebben het recht mee te praten over en invloed te hebben op maatregelen die impact hebben op hun leven. Kinderen moeten ook de mogelijkheid krijgen om hun visie te geven over besluiten die impact hebben op hun leven.24 Dit recht is intrinsiek verbonden met autonomie en zelfbeschikking en met nondiscriminatie. Bij individuele beslissingen, denk aan een zorgtraject, moeten ouders en kinderen kunnen participeren en invloed uitoefenen. In collectieve processen, zoals de totstandkoming van beleid, moeten juist groepen in kwetsbare situaties waarop het betreffende proces impact heeft, kunnen participeren. Om te kunnen participeren dient de overheid toegankelijke en begrijpelijke informatie te verstrekken.

Rechtsbescherming Zonder rechtsbescherming hebben mensenrechten weinig betekenis. Rechtsbescherming is méér dan alleen de toegang tot een effectief rechtsmiddel, wanneer mensen vermoeden dat hun rechten niet verwezenlijkt worden en/of als hun rechten geschonden worden. Rechtsbescherming betekent ook dat mensen weten wat hun rechten zijn. Zij hebben daarom ook recht op toegankelijke informatie over hun rechten en moeten informatie hebben over waar zij heen kunnen als het vermoeden bestaat dat een recht geschonden en/of niet verwezenlijkt is. Artikel 17 IVRK ziet toe op het recht op informatie voor kinderen en verplicht de overheid – als onderdeel van artikel 3 – om bij besluiten die kinderen aangaan, kinderen te informeren over dit besluit én om inzichtelijk te maken hoe en waar kinderen een besluit kunnen aanvechten als zij vinden dat het besluit hun belangen niet dient.25 Sloop/nieuwbouw – en renovatieplannen: toepasselijke verplichtingen Bij sloop/nieuwbouw – en renovatieplannen hebben wij op de volgende mensen-en kinderrechtelijke verplichtingen problemen geconstateerd: • De ontwikkeling en het welzijn van kinderen moeten altijd beschermd worden. • De overheid moet voldoende rechtsbescherming bieden. Hieronder vallen toegankelijke informatie over rechten en plichten én onafhankelijke cliëntondersteuning én een effectief rechtsmiddel.

• De overheid is verplicht ‘betekenisvol’ te consulteren met zowel volwassenen als kinderen. De ontwikkeling en het welzijn van kinderen moeten altijd beschermd worden. In artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag is opgenomen dat bij alle beslissingen over kinderen hun belangen ‘een eerste overweging’ vormen. In General Comment 14 26 legt het Kinderrechtencomité – dat toezicht houdt Artikel 28 IVRK. Artikel 24 IVRK. 24 Artikel 12 IVRK. 25 Uit artikel 3 IVRK volgen voorschriften ten aanzien van besluitvormingsprocessen in zaken waar kinderen bij betrokken zijn (GC 14). Elk besluit bestaat uit vier stappen. Bij elk besluit dat een kind raakt, moet worden onderzocht hoe het besluit een mogelijke positieve of negatieve impact heeft op de (ontwikkeling) van kinderen (stap 1). Dit onderzoek wordt gedaan aan de hand van zeven elementen die van belang zijn voor een gezonde ontwikkeling van een kind. De zeven elementen corresponderen met de rechten uit het IVRK. Daarnaast kunnen andere, voor het besluit relevante elementen, onderzocht worden. Na het in kaart brengen van het belang van het kind, worden de overige belangen in kaart gebracht (stap 2). Stap 3 houdt een belangenafweging in waarin het belang van het kind vooropgesteld dient te worden. Het besluit wordt daarna aan het kind en de ouders teruggekoppeld (stap 4).

Uit de motivering van het besluit moet blijken hoe de belangen van het kind zijn onderzocht en welk gewicht aan dat belang is toegekend. Als kinderen of ouders het niet eens zijn met het besluit, moet er vervolgens gewezen worden op de mogelijkheden om tegen het besluit in te gaan. 26 UNCRC, General comment 14 (2013) over het recht van het kind zijn belangen de eerste overweging te laten zijn (art. 3, eerste lid). Pagina 27/29 22 23

op de naleving van het Kinderrechtenverdrag – uit hoe wetgevende lichamen, bestuurlijke autoriteiten, rechterlijke instanties, openbare en/of particuliere instellingen die het maatschappelijk welzijn en het publiek belang dienen, hiervoor kunnen zorgen. Deze verplichting geldt ten aanzien van alle besluiten waarbij individuele of groepen kinderen betrokken zijn. Dus ook bij besluiten rond sloop/nieuwbouw- en renovatie. Voor goed onderbouwde beslissingen rond sloop/nieuwbouw- en renovatie moet volgens het Kinderrechtencomité 'afzonderlijk worden onderzocht wat het beste is voor de ontwikkeling en het ontwikkelingsperspectief van kinderen'. Met andere woorden, wat is het beste besluit als je alleen rekening zou houden met het belang van kinderen. Vervolgens moet 'het belang van het kind worden afgewogen tegen andere belangen' die mee spelen, bijvoorbeeld die van de betrokken woningcorporatie en gemeente. In die afweging moet 'het belang van kinderen als een eerste overweging dienen in het besluit' dat wordt genomen. Tenslotte moeten 'betrokken partijen het genomen besluit met kinderen bespreken'. Dit betekent concreet dat ze kinderen in begrijpelijke taal informeren over het genomen besluit en ze daarbij vertellen wat ze kunnen doen als ze het er niet mee eens zijn.

Ook licht het Kinderrechtencomité in General comment 14 toe dat beslissingen over kinderen vaak impact hebben op meerdere aspecten van hun leven. Voor een zorgvuldig onderzoek naar wat het beste is voor het welzijn en het ontwikkelingsperspectief van kinderen, wiens leven mogelijk geraakt wordt door plannen en besluiten rond sloop/nieuwbouw- en renovatie, moet daarom naar tenminste zeven elementen worden gekeken. Het gaat om: identiteit van het kind (1), bescherming en veiligheid (2), behoud van gezinsomgeving en belangrijke contacten (3), kwetsbare kinderen of bijzondere situaties (4), recht van het kind op gezondheid (5), recht van het kind op onderwijs (6), en recht van het kind om diens mening te geven (7). De Kinderombudsman heeft in diens handreiking een stappenplan opgenomen hoe tot een goed afgewogen besluit te komen waarbij het belang van het kind voorop staat. In de handreiking zijn naast de stappen ook de zeven genoemde elementen nader toegelicht. Omgevingsvoorwaarden voor de kwaliteit van het leven van kinderen Voor kinderen is het recht op behoorlijke huisvesting 27 naast een recht, ook één van de 14 omgevingsvoorwaarden aan de hand waarvan de kwaliteit van het leven van kinderen wordt gemeten.

In het algemeen is het zo dat hoe hoger de kwaliteit van deze 14 omgevingsvoorwaarden, hoe beter het welzijn en het ontwikkelingsperspectief van het kind.28 Als er in sloop/nieuwbouw- en renovatieplannen geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met het belang van betrokken kinderen, kunnen deze projecten een negatieve impact hebben op een (meren)deel van deze 14 omgevingsvoorwaarden. Denk aan liefdevolle aandacht en begeleiding van ouders (vanwege onzekerheid en stress), gezondheid, school en vrije tijd, contact met andere kinderen, (ervaren) zekerheid en stabiliteit. Daarmee kunnen dergelijke projecten dan ook een negatieve impact hebben op het welzijn en het ontwikkelingsperspectief van kinderen. Woningcorporaties en gemeenten lijken zich hier niet altijd bewust van te zijn. De verschillen per gemeenten zijn hierin echter groot. De overheid moet voldoende rechtsbescherming bieden. Hieronder vallen toegankelijke informatie over rechten en plichten én onafhankelijke cliëntondersteuning én een effectief rechtsmiddel. Zonder rechtsbescherming hebben mensenrechten weinig betekenis. Rechtsbescherming is méér dan alleen de toegang tot een effectief rechtsmiddel, wanneer mensen vermoeden dat hun rechten niet verwezenlijkt worden en/of als hun rechten geschonden worden. Rechtsbescherming betekent ook dat mensen weten wat hun rechten zijn.

Zij hebben daarom ook recht op toegankelijke informatie over hun rechten en moeten Zie artikel 27 van het Kinderrechtenverdrag waarin huisvesting een onderdeel is van het recht op een adequate levensstandaard. Kalverboer, M. & Zijlstra, E. (2006). "Het belang van het kind in het Nederlands recht. Voorwaarden voor ontwikkeling vanuit een pedagogisch perspectief". Uitgeverij SWP: Amsterdam. Pagina 28/29 27 28

informatie hebben over waar zij heen kunnen als het vermoeden bestaat dat een recht geschonden en/of niet verwezenlijkt is. Artikel 17 IVRK ziet toe op het recht op informatie voor kinderen en verplicht de overheid – als onderdeel van artikel 3 – om bij besluiten die kinderen aangaan, kinderen te informeren over dit besluit én om inzichtelijk te maken hoe en waar kinderen een besluit kunnen aanvechten als zij vinden dat het besluit hun belangen niet dient.29 De overheid is verplicht ‘betekenisvol’ te consulteren met zowel volwassenen als kinderen. Mensen hebben het recht mee te praten over en invloed te hebben op maatregelen die impact hebben op hun leven. Kinderen moeten ook de mogelijkheid krijgen om hun visie te geven over besluiten die impact hebben op hun leven.30 Dit recht is intrinsiek verbonden met autonomie en zelfbeschikking en met nondiscriminatie. Als kinderen zelf aangeven dat ze hun mening niet willen geven, kunnen ouders/wettelijke verzorgers het belang van het kind vertegenwoordigen. Bij individuele beslissingen, denk aan een zorgtraject, moeten ouders en kinderen kunnen participeren en invloed kunnen uitoefenen. In collectieve processen, zoals de totstandkoming van beleid, moeten juist groepen in kwetsbare situaties waarop het betreffende proces impact heeft, kunnen participeren.

Om te kunnen participeren dient de overheid toegankelijke en begrijpelijke informatie te verstrekken.

Zie de hiervoor genoemde voorschriften ten aanzien van besluitvormingsprocessen in zaken waar kinderen bij betrokken zijn (GC 14), die volgen uit artikel 3 IVRK. 30 Artikel 12 IVRK. Pagina 29/29 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14332338/1