Publicatie gemeenteblad Jac de Waalstraat
Tekst van het document
GEMEENTEBLAD
Nr. 356758 15 augustus 2024
Officiële uitgave van de Hulst
Omgevingsplan gemeente Hulst, wijziging Jacobus de Waalstraat, Lamswaarde
De raad van de gemeente Hulst; gelet op de artikelen 2.4 en 4.2 tweede lid Omgevingswet; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders inzake het vaststellen van de wijziging Omgevingsplan gemeente Hulst, wijziging Jacobus de Waalstraat, Lamswaarde op ‘pm’ [vaststellingsdatum]; overwegende dat; overeenkomstig artikel 16.30 Omgevingswet en afdeling 3.4 Awb, het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan gedurende de periode van 22 augustus tot en met 2 oktober 2024 ter inzage heeft gelegen; binnen de daarvoor beschikbare periode er wel/geen zienswijzen zijn ingediend; de ingediende zienswijzen wel/ niet leiden tot wijziging ten opzichte van het ontwerpbesluit; gehoord de commissie Ruimte in haar vergadering van ‘pm’;
Artikel I Besluit Het omgevingsplan te wijzigen zoals aangegeven in bijlage A.
Artikel II Tijdelijk deel omgevingsplan vervallen Door dit besluit vervallen de delen van het tijdelijk deel van het omgevingsplan die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende Pons met benaming 'tijdelijk deel omgevingsplan vervallen' met de identificatie pm
Artikel III Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op pm met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. Vastgesteld door de gemeenteraad op [datum]
De griffier De voorzitter
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
1
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Bijlage A Omgevingsplan gemeente Hulst A Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
2.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
B Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HOOFDSTUK 21 Transformatiegebied Jacobus de Waalstraat [Gereserveerd]
AFDELING 21.1 Algemene bepalingen Artikel 21.1 Toepassingsbereik activiteiten Het verrichten van activiteiten ter plaatse van het transformatiegebied is verboden, behalve daar waar dat in dit hoofdstuk expliciet is toegestaan met toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen regels.
Artikel 21.2 Begripsbepalingen 1
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in bijlage I daarvan is afgeweken.
2
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit hoofdstuk.
Artikel 21.3 Normadressaat Diegene die de activiteit verricht, dan wel laat verrichten, draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit, tenzij elders in dit hoofdstuk anders is bepaald.
Artikel 21.4 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van activiteiten waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere activiteiten buiten beschouwing.
AFDELING 21.2 Thema's § 21.2.1 Archeologie § 21.2.1.1 Bouwactiviteiten binnen archeologisch waardevol gebied
2
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 21.5 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten In aanvulling op afdeling 21.3 zijn bouwactiviteiten binnen archeologisch waardevol gebied alleen toegestaan: a. als bij het bouwen van bouwwerken de werkzaamheden in of aan de bodem niet dieper reiken dan 0,4 meter onder maaiveld en de oppervlakte van de bodemverstoring niet meer is dan de oppervlakte bodemverstoring; b. als bij het bouwen van bouwwerken de werkzaamheden in of aan de bodem dieper reiken dan 0,4 meter onder maaiveld en de oppervlakte van de bodemverstoring meer is dan de oppervlakte bodemverstoring en in een archeologisch rapport wordt aangetoond dat: 1. op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn, of 2. de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld. c. als bij het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,5 meter; d. bij vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij: 1. de oppervlakte van het gebouw, gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid, en 2. gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Artikel 21.6 Maatwerkvoorschrift archeologie Het bevoegd gezag kan met het oog op het beschermen van de archeologische waarden in de bodem, bij maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift, de onderstaande verplichtingen stellen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van een opgraving in de zin van artikel 1.1 Erfgoedwet; c. de verplichting tot het begeleiden van de activiteiten door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige.
§ 21.2.1.2 Werken en werkzaamheden binnen archeologisch waardevol gebied Artikel 21.7 Algemene regels Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning binnen archeologisch waardevol gebied werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. waarbij de oppervlakte van de bodemverstoring niet meer is dan de oppervlakte bodemverstoring; b. die worden verricht in het kader van normaal onderhoud en beheer; c. waarbij drainage aangebracht wordt middels sleufloze technieken; d. die worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek.
Artikel 21.8 Vergunningplicht
3
1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen archeologisch waardevol gebied de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,4 meter onder het maaiveld; b. het ophogen van de bodem met meer dan 2 meter, waaronder tevens het aanleggen van tijdelijke gronddepots; c. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 0,4 meter onder het maaiveld; d. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, op een grotere diepte dan 0,4 meter onder het maaiveld; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 0,4 meter onder het maaiveld; f. het verlagen van het waterpeil, voor zover dit geen bevoegdheid van het waterschap betreft; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 0,4 meter onder het maaiveld; h. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 0,4 meter onder het maaiveld.
2
Onder grondbewerkingen als bedoeld in het eerste lid onder a vallen ook afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage door kettingtechniek.
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
3
De omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend als voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 21.9.
Artikel 21.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1
De werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 21.8, eerste lid, dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden leiden niet tot een verstoring van archeologische waarden.
2
In een archeologisch rapport wordt aangetoond dat: a. op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn, of b. de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld.
Artikel 21.10 Maatwerkvoorschrift archeologie Het bevoegd gezag kan met het oog op het beschermen van de archeologische waarden in de bodem, bij maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift, de onderstaande verplichtingen stellen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van een opgraving in de zin van artikel 1.1 Erfgoedwet; c. de verplichting tot het begeleiden van de activiteiten door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige.
§ 21.2.2 Parkeren Artikel 21.11 Parkeernormen 1
Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid als voldaan wordt aan het parkeerbeleid van de gemeente Hulst.
2
Indien er geen parkeerbeleid is vastgesteld, worden kengetallen toegepast uit de publicatie 381 ('Toekomstbestendig parkeren - Van parkeerkencijfers naar parkeernormen') van het kennisplatform CROW, of diens opvolger.
§ 21.2.3 Radarverstoringsgebied Artikel 21.12 Verboden activiteiten Het is verboden binnen het radarverstoringsgebied windturbines te bouwen met een tiphoogte hoger dan 95 meter.
§ 21.2.4 Beperkingengebieden § 21.2.4.1 Beperkingengebied regionale waterkering Artikel 21.13 Algemene regels beperkingengebied regionale waterkering
4
1
Werken en werkzaamheden binnen beperkingengebied regionale waterkering zijn alleen toegestaan als hierdoor geen belemmering ontstaat voor de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale waterkering. Hiervan is uitsluitend sprake als: a. bij activiteiten die zonder vergunning uitgevoerd kunnen worden: voorafgaand aan de uitvoering van die activiteiten schriftelijk advies is ingewonnen bij het Waterschap Scheldestromen en uit dat advies blijkt dat er geen belemmeringen aanwezig zijn; b. bij activiteiten die met vergunning uitgevoerd moeten worden: voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning schriftelijk advies is ingewonnen bij het Waterschap Scheldestromen en uit dat advies blijkt dat er geen belemmeringen aanwezig zijn.
2
In aanvulling op afdeling 21.3 zijn bouwactiviteiten binnen beperkingengebied regionale waterkering alleen toegestaan als hierdoor geen belemmering ontstaat voor de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale waterkering. Hiervan is uitsluitend sprake als:
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
a.
b.
bij activiteiten die zonder vergunning uitgevoerd kunnen worden: voorafgaand aan de uitvoering van die activiteiten schriftelijk advies is ingewonnen bij het Waterschap Scheldestromen en uit dat advies blijkt dat er geen belemmeringen aanwezig zijn; bij activiteiten die met vergunning uitgevoerd moeten worden: voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning schriftelijk advies is ingewonnen bij het Waterschap Scheldestromen en uit dat advies blijkt dat er geen belemmeringen aanwezig zijn.
Artikel 21.14 Maatwerkvoorschrift regionale waterkering Het bevoegd gezag kan met het oog op de instandhouding, het onderhoud, de veiligheid of de versterking van de regionale waterkering, bij maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift, de verplichting stellen tot het treffen van maatregelen waardoor de waterkering wordt beschermd.
AFDELING 21.3 Bouwactiviteiten § 21.3.1 Algemene bepalingen Artikel 21.15 Verbod in stand laten bouwwerken Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan, dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit, in stand te laten.
Artikel 21.16 Meetbepalingen 1
Voor de toepassing van afdeling 21.3 wordt bij het bouwen van bouwwerken binnen het transformatiegebied op de volgende wijze gemeten: a. afstand: de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. b. bouwhoogte van een antenne-installatie: 1. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; 2. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; c. bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; d. breedte, lengte en diepte van een bouwwerk: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren; e. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; f. goothoogte van een bouwwerk: 1. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.
de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien zich op een gebouw één of meer dakkapellen of dakopbouwen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte, wordt de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord van de dakkapel(len) als goothoogte aangemerkt; 2. bij een asymmetrische dakvorm met één hellend dakvlak dat loopt over de volledige breedte, of diepte van een gebouw, wordt de goot- en/of boeiboordhoogte gemeten op het hoogste snijpunt van het dakvlak met de daaronder gelegen gevel; onder de gevel wordt ook verstaan het hart van de scheidsmuren met een gebouw op een aangrenzend bouwperceel. g.
h.
5
inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ondergronds bouwen wordt niet meegerekend voor het bepalen van de inhoud van een bouwwerk; oppervlakte van een bouwwerk: 1. voor bouwwerken met wanden: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2. voor bouwwerken zonder wanden (open overkappingen en daarmee vergelijkbare bouwwerken geen gebouwen zijnde): de overdekte grondoppervlakte (gemeten loodrecht onder het dakoppervlak);
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
i.
j.
k. 2
oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping; relatie: daar waar twee of meer bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken door middel van de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden, gelden die bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken bij de toepassing van deze regels als één bestemmingsvlak respectievelijk één bouwvlak; vloeroppervlakte: de gebruiksoppervlakte volgens NEN 2580.
Bij de toepassing van artikel 21.16, eerste lid blijven uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 1,5 m buiten beschouwing.
§ 21.3.2 Ruimtelijke bouwactiviteiten § 21.3.2.1 Bouwen hoofdgebouw Artikel 21.17 Vergunningplicht 1
Onder het verbod als genoemd in artikel 22.26 wordt tevens verstaan het verbod om zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen ter plaatse van de bebouwingszone.
2
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 21.18; b. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 21.11.
3
In afwijking van het tweede lid aanhef en onder a, wordt een omgevingsvergunning ook verleend als sprake is van herbouw.
Artikel 21.18 Beoordelingsregels hoofdgebouwen 1
Een hoofdgebouw wordt uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak.
2
De goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan de goothoogte hoofdgebouw.
3
De bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan de bouwhoogte hoofdgebouw.
4
De afstand tot zijdelingse perceelsgrenzen van een hoofdgebouw bedraagt ten minste: a. voor het bouwen van een hoofdgebouw met het woningtype vrijstaand: 3 meter; b. voor het bouwen van een hoofdgebouw met het woningtype twee-aaneengebouwd: 3 meter tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen.
5
De bewoonbare vloeroppervlakte van het hoofdgebouw binnen het bouwvlak bedraagt maximaal 300 m².
Artikel 21.19 Vergunningvoorschriften
6
1
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.17, eerste lid kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn met het oog op voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en van het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.
2
Onder voorschriften als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval verstaan voorschriften over de afmetingen en positie van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten aanzien van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. een goede milieusituatie; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid.
3
Onder voorschriften als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval verstaan voorschriften over het realiseren en in stand houden van parkeervoorzieningen.
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 21.20 Vergunningvoorschrift waterberging Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van wateroverlast, bij vergunningvoorschrift, de onderstaande verplichtingen stellen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.17, eerste lid: a. het realiseren van een waterberging met een inhoud die voldoet aan de formule (oppervlakte totale verharding * 0,075), waarbij als oppervlakte geldt de extra te verharden of bebouwen oppervlakte: 1. oppervlakte extra te verharden of te bebouwen oppervlakte * 0,075 m in het geval de waterberging wordt aangelegd in het bestaande watersysteem; óf 2. oppervlakte extra te verharden of te bebouwen oppervlakte * 0,147 m in het geval de waterberging wordt aangelegd in een gesloten watersysteem; b. het duurzaam in stand houden van de waterberging.
§ 21.3.2.2 Bouwen aan- en uitbouw, bijgebouw en overkapping Artikel 21.21 Vergunningplicht 1
Onder het verbod als genoemd in artikel 22.26 wordt tevens verstaan het verbod om zonder omgevingsvergunning een aan- en uitbouw, bijgebouw en overkapping te bouwen ter plaatse van de bebouwingszone.
2
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 21.22.
3
In afwijking van het tweede lid, wordt een omgevingsvergunning ook verleend als sprake is van herbouw.
Artikel 21.22 Beoordelingsregels aan- en uitbouw, bijgebouw en overkapping 1
Een aan- en uitbouw, bijgebouw en overkapping wordt uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak en bebouwingszone bijgebouwen.
2
De goothoogte van een aan- en uitbouw, bijgebouw en overkapping bedraagt niet meer dan de goothoogte bijgebouwen.
3
De bouwhoogte van een aan- en uitbouw en bijgebouw en overkapping bedraagt niet meer dan de bouwhoogte bijgebouwen
4
De gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen in bouwvlak en bebouwingszone bijgebouwen bedraagt niet meer dan: a. 40% tot ten hoogste 60 m² bij een perceel kleiner dan 1.000 m²; b. ten hoogste 90 m² bij een perceel groter of gelijk aan 1.000 m²; c. ten hoogste 120 m² bij een perceel groter of gelijk aan 2.500 m².
5
De afstand tot zijdelingse perceelsgrenzen van een aan- en uitbouw, bijgebouw en overkapping bedraagt ten minste: a. ter plaatse van de aanduiding woningtype vrijstaand: 3 meter; b. in alle andere gevallen: 1 meter.
§ 21.3.2.3 Bouwen bouwwerk geen gebouw en geen overkapping zijnde Artikel 21.23 Vergunningplicht
7
1
Onder het verbod als genoemd in artikel 22.26 wordt tevens verstaan het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw en geen overkapping zijnde te bouwen ter plaatse van de bebouwingszone.
2
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 21.24.
3
In afwijking van het tweede lid, wordt een omgevingsvergunning ook verleend als sprake is van herbouw.
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 21.24 Beoordelingsregels bouwwerk geen gebouw en geen overkapping zijnde 1
Een bouwwerk geen gebouw en geen overkapping zijnde wordt uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak, bebouwingszone overige bouwwerken en bebouwingszone bijgebouwen.
2
De bouwhoogte van muren en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan de bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen.
3
De bouwhoogte van een overig bouwwerk geen gebouw en geen overkapping zijnde bedraagt niet meer dan de bouwhoogte overige bouwwerken geen gebouwen zijnde.
§ 21.3.2.4 Bouwen ondergrondse bouwwerken Artikel 21.25 Vergunningplicht 1
Onder het verbod als genoemd in artikel 22.26 wordt tevens verstaan het verbod om zonder omgevingsvergunning ondergrondse bouwwerken te bouwen ter plaatse van de bebouwingszone.
2
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 21.26.
3
In afwijking van het tweede lid, wordt een omgevingsvergunning ook verleend als sprake is van herbouw.
Artikel 21.26 Beoordelingsregels ondergrondse bouwwerken 1
Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen de contouren van op het bouwperceel gelegen legaal opgerichte bovengrondse gebouwen, met dien verstande dat toegangen tot gebouwen, zoals laaddocks, hellingbanen en trappen, ook buiten deze contouren mogen worden gebouwd.
2
De gezamenlijke oppervlakte aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m².
3
De bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan 4 meter onder peil.
§ 21.3.3 Specifieke beoordelingsregels bouwen Artikel 21.27 Specifieke beoordelingsregels overschrijding maatvoering bijgebouwen en overkappingen In afwijking van artikel 21.21, tweede lid en artikel 21.22, vierde lid wordt een omgevingsvergunning ook verleend als er sprake is van een overschrijding van de maximaal toelaatbare oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen, mits voldaan wordt aan de volgende regels: a. bij een perceeloppervlakte van 3.000 m² tot 6.000 m², is maximaal 250 m² toegestaan aan bijgebouwen en overkappingen in het bouwvlak en bebouwingszone bijgebouwen; b. bij een perceeloppervlakte van 6.000 m² tot 1 hectare, is maximaal 325 m² toegestaan aan bijgebouwen en overkappingen in het bouwvlak en bebouwingszone bijgebouwen; c. bij een minimale perceeloppervlakte van 1 hectare, is maximaal 400 m² toegestaan aan bijgebouwen en overkappingen in het bouwvlak en bebouwingszone bijgebouwen; d. het perceel is volledig in eigendom van de eigenaar van de woning; e. de oppervlakten, zoals gesteld onder a, b en c betreffen gecumuleerde oppervlakten van bijgebouwen, inclusief eventuele vergunningvrije bouwwerken; f. het aantal bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3; g. er sprake is van een concentratie van bebouwing op het perceel, waarin de verschijningsvorm van het bijgebouw ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; h.
er moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing, waarvoor een landschapsplan wordt gemaakt; i. de noodzakelijke verevening wordt door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst gewaarborgd. De "Vereveningsbijdrage" is hierop van toepassing, wat inhoud dat een vereveningsbijdrage van € 20,- per m² wordt doorberekend voor het totaal te realiseren gebouw, minus de op grond van artikel 21.22, vierde lid toegestane 120 m² aan bijgebouwen.
8
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 21.28 Specifieke beoordelingsregels overschrijding maatvoering bouwwerken, geen gebouwen zijnde In afwijking van artikel 21.23, tweede lid en artikel 21.24, tweede lid wordt een omgevingsvergunning ook verleend als er sprake is van een overschrijding van de maximaal toelaatbare hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits voldaan wordt aan de volgende regels: a. in het bouwvlak is de hoogte maximaal gelijk aan de in het bouwvlak toelaatbare bouwhoogte; b. in bebouwingszone overige bouwwerken en bebouwingszone bijgebouwen is de hoogte maximaal 6 meter; c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Artikel 21.29 Specifieke beoordelingsregels overschrijding bouwvlak In afwijking van artikel 21.17, tweede lid, artikel 21.21, tweede lid en artikel 21.23, tweede lid wordt een omgevingsvergunning ook verleend als er sprake is van een overschrijding van het bouwvlak mits voldaan wordt aan de volgende regels: a. de overschrijding is van belang voor een technisch betere realisering van bouwwerken; b. de overschrijding is van belang voor ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten; c. de overschrijding is noodzakelijk in verband met de werkelijke toestand van het terrein; d. de overschrijding bedraagt niet meer dan 3 meter; e. het bouwvlak mag per bouwperceel met maximaal 10% worden vergroot; f. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Artikel 21.30 Specifieke beoordelingsregels overschrijding goot- en bouwhoogten aanen uitbouwen In afwijking van artikel 21.19, tweede lid, artikel 21.22, tweede lid en artikel 21.22, derde lid wordt een omgevingsvergunning ook verleend als er sprake is van een overschrijding van de maximaal toelaatbare goot- en bouwhoogte van aan- en uitbouwen, mits voldaan wordt aan de volgende regels: a. de aan- en uitbouw wordt gebouwd binnen het bouwvlak; b. de aan- en uitbouw vormt één geheel met het hoofdgebouw; c. de afwijking past binnen de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten van de omgeving; d. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Artikel 21.31 Specifieke beoordelingsregels aan- en uitbouwen en overkappingen In afwijking van artikel 21.19, tweede lid en artikel 21.22 wordt een omgevingsvergunning ook verleend voor het bouwen van aan- en uitbouwen en overkappingen in bebouwingszone overige bouwwerken, mits voldaan wordt aan de volgende regels: a. de aan- en uitbouw betreft een erker, serre, entreeportaal of trappenhuis; b. de overkapping betreft een veranda of afdak; c. de diepte van een entreeportaal, veranda of afdak, gemeten loodrecht op het hoofdgebouw, bedraagt maximaal 2,5 meter; d. de diepte van een erker of serre, gemeten loodrecht op het hoofdgebouw, bedraagt maximaal 2 meter; e. een serre en een veranda mag niet aan de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; f. de aan- en uitbouw past binnen de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten van de omgeving; g. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Artikel 21.32 Specifieke beoordelingsregels overschrijding maatvoering galerijen en balkons In afwijking van artikel 21.17, tweede lid en artikel 21.18, eerste lid wordt een omgevingsvergunning ook verleend voor het overschrijden van het bouwvlak voor galerijen en balkons, mits voldaan wordt aan de volgende regels: a. de diepte van een galerij en balkon, gemeten loodrecht op het hoofdgebouw, bedraagt maximaal 2,5 meter; b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
9
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
AFDELING 21.4 Gebruiksactiviteiten § 21.4.1 Algemene bepalingen Artikel 21.33 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gebruiksactiviteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de beoogde en de huidige gebruiksactiviteiten van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een opgave van de bruto inhoud in m³ en de bruto vloeroppervlakte in m² van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; e. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; f.
2
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Tekeningen als bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende eisen: a. tekeningen hebben een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; b. tekeningen hebben een schaal die niet kleiner is dan: 1. 1:1.000, als het gaat om een situatietekening; 2. 1:100, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2; en 3. 1:200, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van 10.000 m2 of groter; c. detailtekeningen hebben een schaal van 1:5, 1:10 of 1:20; d. de situatietekening heeft een noordpijl waaruit de oriëntatie van het bouwwerk blijkt op het perceel en ten opzichte van de omgeving.
Artikel 21.34 Algemene aanvraagvereisten melding Een melding voor een gebruiksactiviteit bevat: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit; en b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; 2. de ligging en de indeling van de gebouwen; 3. het gebruik van de te onderscheiden ruimten; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
§ 21.4.2 Gebruiksactiviteiten § 21.4.2.1 Wonen Artikel 21.35 Algemene regels Wonen Het is ter plaatse van wonen toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor wonen als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. een woning wordt bewoond door één afzonderlijk huishouden; b. overige bouwwerken en de bijbehorende gronden worden ondergeschikt en gerelateerd aan het wonen gebruikt; c. zelfstandige bewoning van een bijgebouw is niet toegestaan; d. woningen moeten voldoen aan het toegelaten woningtype; 1. woningtype aaneengebouwd; 2. woningtype geschakeld; 3. woningtype vrijstaand; e. het aantal woningen bedraagt niet meer dan:
10
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
f. g.
1. het maximum aantal woningen; 2. 1 per bouwperceel, wanneer geen maximum aantal woningen is bepaald; wanneer er sprake is van 1 woning per bouwperceel, als bedoeld onder e, wordt van de begrenzing van het bouwperceel uitgegaan van de situatie op peildatum 01-01-2024; splitsing van een bouwperceel ten behoeve van een extra woning is niet toegestaan.
§ 21.4.2.2 Uitoefenen beroep of bedrijf aan huis Artikel 21.36 Algemene regels uitoefenen beroep of bedrijf aan huis Het is ter plaatse van wonen toegestaan bouwwerken te gebruiken voor beroep of bedrijf aan huis als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. een beroep of bedrijf aan huis ter plaatse van wonen wordt door de bewoner zelf uitgeoefend; b. het beroep of bedrijf aan huis mag in het hoofdgebouw en aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden uitgeoefend; c. de maximum vloeroppervlakte beroep of bedrijf aan huis die wordt gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt maximaal 25 m2; d. het beroep of bedrijf aan huis heeft geen zodanige verkeersaantrekkende werking dat deze kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; e. Een bedrijf aan huis betreft uitsluitend een bedrijfsmatige activiteit zoals opgenomen in bijlage III, of is naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen. f. Er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van een beperkte verkoop die verband houdt met het beroep of bedrijf aan huis, tenzij dit in bijlage III expliciet is uitgesloten.
§ 21.4.2.3 Bed and breakfast Artikel 21.37 Meldingplicht 1
Het is verboden een de exploitatie van bed and breakfast als bedoeld in artikel 21.38 uit te oefenen zonder dit tenminste 4 weken voor het begin daarvan te melden.
2
Aan de melding kunnen voorschriften worden verbonden over: a. parkeervoorzieningen; b. brandveiligheid, c. landschappelijke inpassing, d. het toegestane aantal personen.
3
In aanvulling op artikel 21.34 wordt in de melding aangegeven of en op welke manier de omgeving is ingelicht over het initiatief.
Artikel 21.38 Algemene regels bed and breakfast 1
De exploitatie van de bed and breakfast ter plaatse van wonen wordt door de bewoner zelf uitgeoefend.
2
De landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het perceel, het pand of complex blijven behouden.
3
De ruimte waarin de bed and breakfast wordt uitgeoefend mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneren als een zelfstandige woning.
4
De bed and breakfast mag gelijktijdig aan maximaal 6 personen worden aangeboden.
5
Parkeren vindt plaats op eigen terrein, tenzij voldoende parkeergelegenheid binnen acceptabele loopafstand aanwezig is.
6
De uitoefening van bed and breakfast leidt niet tot onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
7
De uitoefening van bed and breakfast leidt niet tot onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.
§ 21.4.2.4 Huisvesting van arbeidsmigranten
11
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 21.39 Vergunningplicht 1
Het is ter plaatse van wonen verboden zonder omgevingsvergunning het perceel en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor het huisvesten van arbeidsmigranten.
2
De omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend: a. als voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 21.40 en artikel 21.41; b. als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 21.11.
3
Het eerste lid is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'huisvesting arbeidsmigranten'. De beoordelingsregels als bedoeld in artikel 21.40 zijn hierop onverminderd van toepassing.
Artikel 21.40 Beoordelingsregels huisvesting arbeidsmigranten 1
Huisvesting vindt plaats in een bestaande woning.
2
In een bedrijfswoning is huisvesting van arbeidsmigranten alleen toegestaan in combinatie met de functie van bedrijfswoning.
3
Huisvesting van arbeidsmigranten mag geen nadelige effecten hebben voor bedrijven in de omgeving.
4
Per persoon dient in het betreffende pand minimaal 12 m² gebruiksoppervlakte, als bedoeld in NEN2580, beschikbaar te zijn.
5
Het aantal woningen neemt niet toe.
6
In een woning mogen maximaal 4 arbeidsmigranten worden gehuisvest.
7
De huisvesting dient te voldoen aan de SNF-norm.
8
Er mag geen zodanig verkeersaantrekkende werking optreden dat deze leidt dan wel kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte voor de huisvesting van arbeidsmigranten.
9
Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken en het woon- en leefklimaat van omliggende percelen.
10
Binnen een straal van 150 meter, hemelsbreed gemeten vanaf en tot de bouwvlakgrens die bestemmingsplanmatig een woning toestaat, wordt voor niet meer dan 1 perceel/pand afwijking verleend voor de huisvesting van arbeidsmigranten. In het geval van huisvesting van arbeidsmigranten die daadwerkelijk aanwezig was voor 11 juni 2015 en dit met documenten of andere bewijsstukken kan worden aangetoond, is voor die situatie de afstandsmaat niet van toepassing.
11
Afwijking is niet toegestaan ter plaatse van een bedrijventerrein en een recreatiegebied. Hieronder worden verstaan de gebieden waar de gronden overwegend zijn bestemd voor bedrijf, als bedrijventerrein of voor bedrijven uit categorie 3.1 of hoger uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten, respectievelijk recreatie en/of verblijfsrecreatie. Afwijking is evenmin toegestaan ter plaatse van het plangebied van het bestemmingsplan Perkpolder.
12
Met de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst afgesloten waarbij afspraken worden gemaakt over eventuele planschade.
Artikel 21.41 Vergunningvoorschriften Het bevoegd gezag kan met het oog op brandveiligheid en hygiëne, bij vergunningvoorschrift, de onderstaande verplichtingen stellen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.39, eerste lid: a. het inspectierapport (conform wettelijke eisen) van de brandweer is aanwezig (waar vereist); b. het inspectierapport van de brandweer conform vergunning is aanwezig; c. het huisvuil dient op de reguliere wijze te worden aangeboden en/of afgevoerd. C
12
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 22.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
2.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
D Artikel 22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.
Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
2.
Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functieaanduiding te geven.
E Artikel 22.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.
F Artikel 22.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.7 Repressief welstand 1.
13
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
a. b.
2.
een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
G Artikel 22.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
H Artikel 22.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
I Artikel 22.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
14
1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
2.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
3.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
J Artikel 22.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
2.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
3.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.
4.
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
K Artikel 22.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
2.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
3.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
L Artikel 22.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
15
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
3.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.
4.
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
5.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
M Artikel 22.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
3.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
4.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
5.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
N
16
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 22.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte 1.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
O Artikel 22.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
P Artikel 22.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
17
1.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
e.
dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
f.
4.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1)
Omschrijving
2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas
Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aeroso- n.v.t. len (spuitbussen)
50 kg
3
Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmidde- II len en aceton
25 liter
3 excl. dieselolie, gasolie Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde III of lichte stookolie met inkten een vlampunt tussen 61°C en 100°C
50 liter
4.1, 4.2, 4.3
4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste II en III stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide
50 kg
5.1
Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III
50 liter
5.2
Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide
1 liter
1)
Verpakkingsgroep
n.v.t.
Toegestane maximum hoeveelheid
Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Q Artikel 22.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
18
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. R Artikel 22.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek 1.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
S Artikel 22.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.
De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
2.
Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
T Artikel 22.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.24 Meetbepalingen 1.
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
U
19
Gemeenteblad 2024 nr. 356758
15 augustus 2024
Artikel 22.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed 1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
4.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.