CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

NRK HULST februari 2022 (2)

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot het vrijgeven voor inspraak van de "Nota Ruimtelijke Kwaliteit en "Verordening gemeentelijke adviescommissie"20.842 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

gemeente

NOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT februari 2022

1

Het digitale exemplaar van deze nota Ruimtelijke Kwaliteit is een interactieve Adobe Reader versie, waarmee u relatief eenvoudig kunt ‘bladeren’ binnen het document. Door in de inhoudsopgave met de muiscursor op een onderdeel te klikken komt u gelijk uit bij het gekozen hoofdstuk of paragraaf. Naast de inhoudsopgave zijn ook in de teksten koppelingen aangebracht, zodat u met één muisklik de bijbehorende informatie kunt vinden.

2

VOORWOORD P.M.

3

INHOUD 1.

ALGEMEEN .................................................. 6

4.

GEBIEDEN ................................................... 30

1.1. 1.2. 1.3. 1.4.

Inleiding ......................................................... 6 Ruimtelijk kwaliteitsbeleid............................. 9 Beoordelingsniveaus ...................................... 11 Algemene kwaliteitsprincipes ........................ 12

2.

KLEINE BOUWWERKEN ................................. 13

2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7.

Bijbehorende bouwwerk op het erf .............. 16 Dakkapel ........................................................ 17 Dakopbouwen................................................ 19 Kozijn- en gevelwijziging ................................ 21 Kleine windturbines ....................................... 22 Warmtepompen en andere installaties ......... 24 Zonnecollectoren en -panelen ....................... 25

4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5. 4.6. 4.7.

Vestingstad Hulst ...........................................34 Stadsentrees...................................................38 Dorpen en linten ............................................41 Woongebieden ...............................................44 Complexen en voorzieningen .........................46 Bedrijventerreinen .........................................48 Buitengebied (met en zonder waarden) ........50

5.

AFWIJKEN, HANDHAVING EN EXCESSEN ......54

3.

SPECIFIEKE GEBOUWEN EN ENSEMBLES ...... 26

3.1. Cultuurhistorisch waardevolle objecten en Monumenten ............................................ 26 3.2. Reclame ......................................................... 27

4

5.1. Mogelijkheden om af te wijken......................54 5.2. (Her)ontwikkelingsprojecten..........................55 5.3. Handhaving en excessenregeling ...................56

1. 2. 3. 4. 5. 6.

BIJLAGEN Begrippen .......................................................58 Overzichtskaart ..............................................62 Cultuurhistorisch waardevolle objecten en monumenten ............................................63 Algemene kwaliteitsprincipes ........................66 Overzicht beeldkwaliteitsplannen..................69 Beleidsnotitie Zonnepanelen in het beschermd stads- en dorpsgezicht van Hulst...................70

Betreft uw bouwplan een vergunningplichtig bouwwerk en gelden er criteria voor beoordeling ruimtelijke kwaliteit?

nee

Er vindt geen preventieve toetsing plaats bij vergunningvrije bouwwerken en welstandsvrije objecten of gebieden.

ja Is er sprake van een klein bouwwerk?

HOOFDSTUK 2 KLEINE BOUWWERKEN

- Bouwwerken op het erf - Dakkapellen - Dakopbouwen - Kozijn- en gevelwijzigingen - Kleine windturbines - Warmtepompen - Zonnecollectoren en -panelen

Voor veel voorkomende kleine bouwwerken zijn criteria opgenomen waarmee snel uitsluitsel te geven is of een bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

ja

Bijbehorende bouwwerken op het achtererf worden niet getoetst aan redelijk eisen van welstand. Ook huisvesting in verband met mantelzorg is gevrijwaard van welstandsbeoordeling.

nee Is er sprake van een specifiek bouwwerk?

HOOFDSTUK 3 SPECIFIEKE GEBOUWEN EN ENSEMBLES

- Cultuurhistorisch waardevolle objecten en monumenten - Reclame

Veranderingen aan cultuurhistorisch waardevolle objecten en monumenten vragen om een zorgvuldige aanpak. Daarnaast zijn er objecten die een specifieke functie hebben. Voor deze specifieke bouwwerken zijn een eigen set met criteria geformuleerd.

ja

nee Is er sprake van een groter bouwplan dat past in de structuur, de samenhang en karakteristiek van het betreffende gebied?

HOOFDSTUK 4 GEBIEDEN ja

Grotere plannen worden beoordeeld aan de hand van de gebiedsgerichte criteria. Per gebied wordt aangegeven in welke mate toezicht en toetsing nodig is.

nee Is er sprake van een bouwplan dat afwijkt van de criteria of de bestaande ruimtelijke structuur en/of karakteristiek doorbreekt?

HOOFDSTUK 5 MOGELIJKHEDEN OM AF TE WIJKEN ja

Voor plannen die de bestaande structuur doorbreken of in hun architectuur afwijken van de omgeving kunnen de eerder genoemde criteria ontoereikend zijn. Soms kunnen deze plannen met de algemene kwaliteitsprincipes worden beoordeeld, in andere gevallen 5 zal een nieuw beoordelingskader nodig zijn.

1. ALGEMEEN 1.1. INLEIDING Waarom een nota Ruimtelijke Kwaliteit? Gemeente Hulst is trots op haar historische vestingstad, de dorpen en het buitengebied en neemt de verantwoordelijkheid voor behoud en verbetering van de omgevingskwaliteit. Gebouwen en andere bouwwerken vormen samen het decor van de dagelijkse leefomgeving. De verschijningsvorm van een bouwwerk is geen zaak van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Met deze nota is de gemeente ervan overtuigd dat de kwaliteit van de gebouwde omgeving goed kan worden besproken en beoordeeld. Met vaststelling van deze nota wordt de welstandsnota van 2004 vervangen. Wettelijk kader Wie in Nederland iets wil bouwen of verbouwen heeft daarvoor in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Bij een aanvraag voor een vergunning wordt bekeken of de plannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. De welstandsbeoordeling is volgens artikel 12 van de Woningwet gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk.

6

Het bouwwerk wordt zowel op zichzelf als in verband met zijn omgeving beoordeeld, waarbij ook verwachte veranderingen van die omgeving een rol kunnen spelen. In artikel 12a is bepaald dat de welstandsbeoordeling moet zijn gebaseerd op door de gemeenteraad in een welstandsnota vastgestelde welstandscriteria. Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) mag het college zelf bepalen of advies wordt ingewonnen van een onafhankelijke gemeentelijke adviescommissie (hierna commissie) of dat toetsing deels door ambtenaren wordt uitgevoerd. De gemeente Hulst heeft er voor gekozen dat alleen kleine bouwplannen ambtelijk afgedaan kunnen worden. Zie hiervoor hoofdstuk 2 'Kleine bouwwerken'. Met de aankomende Omgevingswet zal het omgevingsplan de wettelijke grondslag vormen voor de welstandsbeoordeling. In de volgende alinea’s wordt dat verder toegelicht.

Omgevingswet Op het moment van vaststelling van deze nota is de Omgevingswet in voorbereiding. Verwachting is dat de wet 1 juli 2022 in werking zal treden. Deze wet moet het omgevingsrecht, het geheel aan wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving, vergemakkelijken. Deze wetgeving zal regels omvatten over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving en zal meerdere wetten bundelen tot één wet. Met het opstellen van deze nota Ruimtelijke Kwaliteit is rekening gehouden met de intenties van de Omgevingswet en kan inhoud en context bieden voor omgevingsplannen ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Omgevingsplan Het omgevingsplan is een nieuw kerninstrument uit de Omgevingswet. In artikel 2.4 van de wet staat dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast moet stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Het omgevingsplan zal alle bestaande bestemmingsplannen gaan vervangen. Ook worden de regels uit verordeningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan opgenomen. Met het omgevingsplan kan de gemeente zelf bepalen voor welke activiteiten een vergunning aangevraagd moet worden.

Het nieuwe omgevingsplan hoeft nog niet gereed te zijn bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet. Op dat moment krijgen alle gemeenten namelijk een tijdelijk omgevingsplan, bestaande uit alle bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen e.d. en een bruidsschat van het Rijk. De bruidsschat bevat de regels die nu nog door het Rijk worden gesteld, maar die met de Omgevingswet worden overgeheveld naar gemeentelijke regels. De gemeente heeft tot 31 december 2029 de tijd om het tijdelijk omgevingsplan geleidelijk om te vormen tot één nieuw omgevingsplan. In het nieuwe omgevingsplan kunnen verschillende soorten regels worden opgenomen: •

• • •

Doel- en oogmerkregels zijn regels die gelden als overkoepeld beleidsdoel voor de hele gemeente, bepaalde gebieden of functies; algemene regels zijn regels die gelden voor activiteiten waarvoor geen vergunning nodig is; beoordelingsregels zijn regels die gelden voor activiteiten waarvoor wel een vergunning nodig is; procesregels zijn regels die gelden voor het proces van de vergunningverlening, onder meer over de kwaliteitsadvisering.

Een onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan - meegekomen met de bruidsschat - is dat een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwen ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet voldoen aan redelijke eisen van welstand, tenzij het een tijdelijk bouwwerk of een welstandsvrij object betreft of de activiteit in een welstandsvrij gebied plaatsvindt. Bij het opstellen van een nieuw omgevingsplan kan de gemeente de beoordelingsgrondslag voor welstand in het omgevingsplan behouden of aanpassen. Beleidsregel uiterlijk van bouwwerken De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om open beoordelingsregels op te nemen, die interpretatie vragen in het licht van een concrete activiteit. Voldoen aan redelijke eisen van welstand is zo’n open beoordelingsregel. Deze open beoordelingsregels kunnen worden uitgewerkt in een aparte beleidsregel. Voor het uiterlijk van bouwwerken is dat zelfs verplicht (art. 4.19 Ow). De huidige Nota ruimtelijke kwaliteit plus alle door de gemeenteraad vastgestelde bijlagen zoals beeldkwaliteitsplannen en losse beleidsnotities (mits vastgesteld conform art. 12a Ww,) wordt bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet automatisch omgezet naar zo’n beleidsregel voor het uiterlijk van bouwwerken.

7

Sturen waar het moet, loslaten waar het kan Deze herziene nota Ruimtelijke Kwaliteit (voorheen welstandsnota) is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: •

•

• •

actualisering (op basis van continuering) van het bestaande welstandsbeleid en verwerken van recente wet- en regelgeving; een compacte, toegankelijke en werkbare beleidsnota door de inhoud terug te brengen tot de essentie die nodig is voor planbeoordeling; flexibeler beleid door ruimte te geven aan initiatiefnemers met een bouwplan; versoepeling waar mogelijk. Vooral voor de gebieden waar minder voorbijgangers komen. In deze gevallen kan de beoordeling soepeler worden benaderd.

De nota Ruimtelijke Kwaliteit moet hanteerbaar, stimulerend, duidelijk en goed te handhaven beleid inrichten en opdrachtgevers, burgers en ontwerpers in een vroeg stadium informeren welke ambities de gemeente heeft en welke criteria van toepassing zijn.

8

Hulst kent meerdere welstandsvrije gebieden, namelijk woongebied 'Zoutedijk II' en alle sport- en recreatieterreinen. Daarnaast heeft de gemeente Hulst kleine bouwplannen op achtererven vrijgesteld van welstandsbeoordeling. Met deze nota is de mate aan toezicht ook vereenvoudigd door aanscherpen en selectievere toepassing van de verschillende beoordelingsniveaus. Op deze manier is het beleid versoepelt waar het op basis van de praktijk ook kan. Dialoog Op basis van ervaringen is gebleken dat het bieden van ruimte en het aangaan van de dialoog tot betere resultaten leidt. De gemeente doet daarbij ook beroep op de zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van de burger waar het de eigen leefomgeving betreft. De gemeente wil helderheid en openheid rondom de welstandsbeoordeling blijven geven. Veel mensen zijn bereid mee te werken aan het in stand houden of bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van hun leefomgeving, maar willen graag van te voren weten welke aspecten een rol spelen bij de beoordeling van een bouwplan.

Aanvragers en plantoetsers hebben elk hun eigen verantwoordelijkheid. Daarom verwoorden de gestelde criteria in deze nota niet hoe iets letterlijk moet worden ontworpen, maar waarop bij de beoordeling gelet wordt. In een vooroverleg kan een gesprek ontstaan tussen de aanvrager en de commissie over de essentie van een opgave op een bepaalde plek, wat de betekenis is voor de openbare ruimte. Ook in een reguliere vergadering van de commissie is er voor de aanvrager mogelijkheid om in gesprek te treden met de commissie.

1.2. RUIMTELIJK KWALITEITSBELEID De kwaliteit van de ruimte wordt in de gemeente Hulst van groot belang geacht. In verschillende beleidsdocumenten krijgt ruimtelijk kwaliteit dan ook aandacht. Structuurvisie Hulst De gemeenteraad heeft op 15 mei 2012 de structuurvisie Hulst vastgesteld voor de periode 2012-2025. De structuurvisie fungeert als afwegingskader bij de beoordeling van nieuwe initiatieven. In de structuurvisie wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied naar toe gaat in 2025. De structuurvisie biedt voldoende ruimte om nadere afwegingen te maken, zonder dat alles is dichtgespijkerd. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit is vooral het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld (DRS) van belang. In het DRS wordt los van het toekomstige programma of bekende initiatieven gezocht naar verbanden tussen de kwaliteiten c.q. potenties van het grondgebied. In het kader van de Omgevingswet moet gemeente Hulst voor 31 januari 2024 een gemeentelijke omgevingsvisie vaststellen. Deze visie bevat in hoofdlijnen de ambities en beleidsdoelen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie zal de structuurvisie vervangen.

Cultuurhistorisch erfgoed Op grond van de Monumentenwet 1988 heeft de gemeente een belangrijke taak bij de bescherming en instandhouding van monumenten en beschermde gezichten. De gemeente Hulst kent ruim 100 Rijksmonumenten en de één van rijkswege beschermd stadsgezicht, namelijk de vesting en kern Hulst. Het gebied werd op 28 augustus 1973 definitief als beschermd gezicht aangewezen. Het beschermd gezicht bestaat uit de kern, de vestingwerken, een gedeelte van de Liniezone en het omringend landschap.

Beeldkwaliteitplannen Deze nota Ruimtelijke Kwaliteit is geen statisch document, maar kan aangevuld worden vanwege nieuwe ontwikkelingen of inzichten. De gemeente kan bij grotere ontwikkelingen een beeldkwaliteitplan laten opstellen. Een beeldkwaliteitplan vormt dan het ontwikkelgericht beoordelingskader. Na realisatie/oplevering kan een paragraaf Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld worden als onderdeel van deze nota. De procedure en inhoudseisen zijn nader uitgewerkt in paragraaf 5.2 '(Her)ontwikkelingsprojecten'.

Naast de rijksmonumenten en het beschermde stadsgezicht zijn in het provinciale Omgevingsplan Zeeland 2018 cultuurhistorisch waardevol objecten aangewezen. Voor Hulst zijn 7 objecten aangewezen.

Bestemmingsplannen Met het bestemmingsplan kunnen gemeenten de ruimtelijke kwaliteit bewaken en sturen. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen die betrekking hebben op de plaatsing, het bouwvolume en de uiterlijke vormgeving via het regelen van bijvoorbeeld de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt met deze nota Ruimtelijke Kwaliteit geregeld. Criteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan openlaat invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit.

Het beeld van de Binnenstad In de beleidsnotitie ‘Het beeld van de Binnenstad’ zijn criteria geformuleerd voor reclame, gevelveranderingen en overige toevoegingen aan de gevel in de binnenstad van Hulst. Met betrekking tot de toetsing van bouwaanvragen betreffende bouwwerken die vallen binnen deze categorieën bouwwerken wordt verwezen naar de toetsingscriteria in deze beleidsnotitie. Deze notitie is als onderdeel van deze nota vastgesteld.

Het bestemmingsplan wordt vervangen door het omgevingsplan, zie daarvoor pagina 7.

9

Beleid bij afwijking van het bestemmingsplan Voor de zogenaamde kruimelgevallen (kleine bouwplannen) heeft de gemeente beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan vastgesteld. Afwijkingen dienen gemotiveerd te worden vanuit een daarvoor geformuleerd beleidskader. Op deze manier wordt voorkomen dat op elke verzoek ad hoc wordt gereageerd. Als een bouwplan niet past in het bestemmingsplan kan de gemeente voor deze kleine bouwplannen alsnog medewerking verlenen. Naast het bestemmingsplan zijn deze regels dan ook leidend voor de plaatsingsmogelijkheden, de afmetingen en de hoofdvorm van bepaalde bouwwerken. Het vastgestelde beleid voor deze vooral kleine bouwwerken zal eens in de twee jaar worden geëvalueerd en geactualiseerd.

10

Naast de regeling voor afwijking van het bestemmingsplan heeft de gemeente ook een verruiming bijgebouwenregeling bij woningen in het buitengebied vastgesteld. De regeling biedt ruimere mogelijkheden voor bijgebouwen in het buitengebied. Deze verruiming is van toepassing op een - als zodanig in een bestemmingsplan positief bestemde – burgerwoning. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit is bepaald dat er sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing, wat moet blijken uit een door aanvrager te overleggen ‘Landschapsinpassingsplan'. Daarnaast is het uitgangspunt dat de verschijningsvorm van het bijgebouw aansluit bij het hoofdgebouw. De genoemde beleidsregels en regelingen kunnen - indien gewenst aangepast - onderdeel worden van het omgevingsplan.

1.3. BEOORDELINGSNIVEAUS Het beoordelingsniveau geeft de intensiteit van de gemeentelijke zorg voor ruimtelijke kwaliteit aan. Die varieert: sommige gebieden vragen meer betrokkenheid van de gemeente dan andere. Bepalend zijn de kwaliteit van gebieden of gebouwen, het gevoerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de verwachte ontwikkelingen en daarnaast de mate van openbaarheid, de zichtbaarheid en kwetsbaarheid van een gebied of gebouw. Het gaat dus niet om een esthetische waardering maar om de mate aan kwaliteitstoezicht die nodig wordt geacht. Bijzonder niveau Voor deze gebieden of objecten is extra aandacht nodig voor handhaving of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het kwaliteitstoezicht wordt gericht op het voorkomen van aantasting van de aanwezige karakteristieken en het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Het kwaliteitsniveau van ingrepen aan deze bouwwerken moet hoog zijn. Vanwege de hoge cultuurhistorische waarde vallen alle monumenten en het beschermde stadsgezicht Hulst onder dit welstandsniveau.

Normaal niveau Hier is het beleid gericht op het behouden van de basiskwaliteit door het respecteren van de bestaande karakteristieken. De dorpskernen en linten en het deel van het buitengebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden vallen onder dit beoordelingsniveau. Soepel niveau Bij gebieden of objecten met een soepel niveau ligt de nadruk op het bieden van ruimte voor uitbreiding of verbouwing. Beoordeling van bouwplannen blijft beperkt tot de hoofdkenmerken van die bouwwerken die vanaf het openbaar toegankelijke gebied direct zichtbaar zijn. Alle bouwactiviteiten op een achtererf worden niet preventief beoordeeld. Hiervoor wordt uitgegaan van de definiëring van het achtererf zoals omschreven in hoofdstuk 2. Daarnaast worden bouwplannen uitsluitend beoordeeld aan de hand van de hoofdkenmerken, zoals massa, hoofdvorm, samenhang, gevelaanzicht, tenzij er sprake is van een monument of andere bijzondere situatie. Het soepele beleid is van toepassing in alle woongebieden, complexen en voorzieningen, bedrijventerreinen en een deel van het buitengebied.

Vrij niveau Voor deze gebieden of objecten wordt toetsing niet nodig geacht als het bouwplan past binnen het bestemmingsplan of het omgevingsplan. Dat betekent dat niet wordt getoetst op redelijke eisen van welstand, behalve als het afwijkt van het bestemmings-/omgevingsplan en er toch medewerking wordt gegeven aan het bouwplan (artikel 2.12 Wabo, na inwerkingtreden van de Omgevingswet art. 5.21 Ow). Ook als achteraf sprake is van een exces (ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand) kan de gemeente repressief optreden. Zie hiervoor paragraaf 5.3. 'Handhaving en excessen'. Op dit moment zijn het woongebied 'Zoutedijk II' en alle sport- en recreatieterreinen als welstandsvrije gebieden aangewezen. De gemeente kan bij Raadsbesluit nieuwe gebieden aanwijzen als welstandsvrij gebied. De aanwijzing van een welstandsvrij gebied wordt gebaseerd op een zorgvuldige afweging met vooraf bepaalde criteria. Een gevolg van aanwijzen van welstandsvrije gebieden is dat in deze gebieden bepaalde bouwwerken vergunningvrij worden. Dit is geregeld in het Besluit omgevingsrecht bijlage II hoofdstuk 2 en 3. (na inwerkingtreden van de Omgevingswet art 2.15 a t/m g Besluit bouwwerken leefomgeving).

11

1.4. ALGEMENE KWALITEITSPRINCIPES De beoordeling van een bouwwerk vindt plaats aan de hand van een aantal te beoordelen aspecten: het gebouw in zijn omgeving, het gebouw op zichzelf, de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik. De algemene kwaliteitsprincipes geven inzicht in de inhoudelijke kant van deze aspecten en vormen een belangrijke basis voor de kwaliteitsbeoordeling van bouwplannen. De principes richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp. In bijzondere situaties wanneer de in deze nota gestelde criteria ontoereikend zijn, kan worden teruggegrepen op deze algemene principes. Dit kan het geval zijn als een bouwplan past binnen de criteria voor objecten of gebieden en toch duidelijk onder de maat blijft of als het afwijkt van de omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet (zie 5.1. 'Mogelijkheden om af te wijken').

12

De algemene kwaliteitsprincipes zijn gebaseerd op de notitie 'Architectonische kwaliteit: een notitie over architectuurbeleid' van de voormalig Rijksbouwmeester ir. Tjeerd Dijkstra. In bijlage 4 is een volledige uitwerking opgenomen. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat: •

•

•

het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is (relatie tussen bouwwerk en omgeving); de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft (relatie tussen vorm, gebruik en constructie); dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit (betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context);

•

•

•

•

er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat (evenwicht in helderheid en complexiteit); het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen (schaal en maatverhoudingen); materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken (materiaal, textuur, kleur en licht); gestreefd wordt naar een duurzame leefomgeving.

2. KLEINE BOUWWERKEN

De criteria voor kleine bouwplannen zijn vrijwel absolute, objectieve richtlijnen die vooraf maximale duidelijkheid geven. Deze bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand als: A. het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een bestaand bouwwerk in het betreffende bouwblok of straat (bij gelijkvormige kapvorm/ gebouwtype), waarvoor een vergunning is verleend, of; B. het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen exemplaar behorende bij een uitbreiding, waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor reeds een positief advies is gegeven, of; C. het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde criteria zoals opgenomen in deze nota. Beoordelingsniveau Het beoordelingsniveau voor kleine bouwwerken wordt bepaald door het gebied waar de (ver)bouw plaatsvindt. Bij welstandsvrije gebieden zijn deze criteria dus niet van toepassing.

Ambtelijk advies Als het bestemmingsplan geen belemmering oplevert wordt een klein bouwplan zoals bedoeld in dit hoofdstuk ambtelijk getoetst aan de criteria. Dat betekent dat ambtelijk wordt gekeken of het bouwplan past binnen de criteria. Alleen als er sprake is van één van de volgende situaties wordt alsnog de commissie om advies gevraagd: • • • •

als het bouwplan niet voldoet aan de criteria, of; bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria, of; als er sprake is van een bijzondere situatie, of; als voor een bepaald type bouwplan geen criteria zijn opgenomen.

Van een bijzondere situatie is in ieder geval sprake bij, op of aan aangewezen beschermde gezichten, monumenten en andere specifieke objecten zoals benoemd in hoofdstuk 3.

13

Vergunningvrije bouwwerken Veel voorkomende kleine bouwwerken kunnen onder bepaalde voorwaarden vergunningvrij zijn (Besluit omgevingsrecht bijlage II, na inwerkingtreden van de Omgevingswet Besluit bouwwerken leefomgeving). Een vergunningvrij bouwplan wordt niet vooraf getoetst aan de criteria. Niet voor alle soorten kleine bouwplannen zijn criteria opgenomen. Het uitgangspunt is dat hetgeen vergunningvrij is in ieder geval niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Uiteraard kan er wel sprake zijn van een exces, waarbij repressief toezicht mogelijk is. Welstandsvrije bouwwerken Bouwwerken op het achtererf hebben meestal beperkt invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte. De bijbehorende bouwwerken op het achtererf worden daarom niet getoetst aan redelijk eisen van welstand. Ook niet repressief bij een exces. Bij afwijking van het bestemmingsplan of als er sprake is van een monument of beschermd gezicht zal een bouwplan wel getoetst worden aan redelijke eisen van welstand.

14

Het welstandsvrij bouwen is dus van toepassing voor een bijbehorend bouwwerk: • • •

die past in het bestemmingsplan; gebouwd wordt op het achtererfgebied; en niet bij een monument of binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Daarnaast is ook huisvesting in verband met mantelzorg gevrijwaard van welstandsbeoordeling. Dat betekent dat bouwwerken waarbij sprake is van mantelzorg zoals bedoeld in het Besluit omgevingsrecht bijlage II artikel 1 (na inwerkingtreden van de Omgevingswet artikel 7.1 Invoeringsbesluit Omgevingswet), niet getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. Ook niet in het voorerfgebied. Achtererfgebied Voor de definitie van het achtererfgebied sluit deze nota aan bij de definitie zoals bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht zoals in werking getreden op 1 november 2014.

Daarin wordt met ‘achtererfgebied’ het erf bedoeld achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. De zogenoemde brandgangen (paden veelal gelegen aan de achterzijde van woningen) die bedoeld zijn voor de ontsluiting van achtertuinen bij woningen en die uitsluitend dienen voor langzaam verkeer, worden niet tot openbaar toegankelijk gebied gerekend. Voor het bepalen van de voorkant van een gebouw kan primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die door een bestemmingsplan of bouwverordening wordt bepaald. Als dan nog twijfel bestaat is de feitelijke situatie doorslaggevend gebaseerd op: de systematiek van huisnummering (waar het huisnummer zich bevindt), de zijde van het gebouw waar de voordeur of hoofdingang zich bevindt, de plaats waar de brievenbus is aangebracht en de plaats waar de hoofdontsluiting van het perceel zich bevindt.

Wijze van meten Alle in de criteria genoemde afstanden zijn loodrecht gemeten, tenzij anders aangegeven. Het uitgangspunt is dat gemeten wordt vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. Dit is de staat van het terrein zoals gelegen direct aansluitend aan het bouwwerk, zoals dat na de voltooiing van de bouw is afgewerkt. Voor de oppervlakteberekening van gebouwen blijven uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing. Hierdoor kan de oppervlakte berekend worden aan de hand van de buitengevels zonder rekening te houden met dakgoten, dakoverstekken en kleine schoorstenen. De hoogte van op de erf- of perceelsgrens geplaatste bouwwerk wordt gemeten aan de kant waar het aansluitende afgewerkte terrein het hoogst is.

hoofdbebouwing en voorkant achtererfgebied* voorerfgebied openbaar groen openbaar vaarwater openbare weg

* het achtererf begint vanaf 1 meter van de voorgevel en loopt evenwijdig met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. 15

2.1. BIJBEHORENDE BOUWWERK OP HET ERF Beschrijving Met een ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Hieronder vallen aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk. Er is onderscheid gemaakt in:

Algemeen

•

Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Bouwwerken op het achtererfgebied zijn welstandsvrij als deze past in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan en de beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. 16

Bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan een bestaande aan-, uitbouw of bijgebouw). Geen serres op voorerfgebied.

Plaatsing en maatvoering

•

Het bestemmingsplan en de beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

Vormgeving

• •

Hoofdvorm bestaande uit één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. Architectuur, waaronder geleding en detaillering, passend bij de architectuur van hoofdgebouw. Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en ornamenten. Op het voorerfgebied een plat dak. Een overkapping (carport) minimaal aan twee zijden open. Zijgevels van erkers voorzien van raamopeningen. Hoogte boeiboord maximaal 0.30 m.

Aangebouwd bouwwerk Een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage e.d. Losstaand bouwwerk Een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentenkas, e.d.

• •

• • • • Kleur en materiaal

• • •

Afgestemd op gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw of in geval van losstaand bouwwerk afgestemd op het tuinkarakter (hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen. Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

2.2. DAKKAPEL Beschrijving Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap van een gebouw, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar oppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn in het algemeen een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Desondanks zijn dakkapellen, als ze zichtbaar zijn, voor het straatbeeld zeer bepalend.

Algemeen

• • •

Dakkapel is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Op het voordakvlak niet meer dan één dakkapel. Geen dakkapellen boven elkaar.

Plaatsing

• • • •

Bij meer dan één dakkapel regelmatige rangschikking op een horizontale rij. Bij individuele hoofdgebouw gecentreerd in dakvlak of in lijn met gevelindeling. Afstand tot goot/dakvoet minimaal 0.50 m. en maximaal 1.00 m. Afstand tot nok minimaal 0.50 m. (bij aangekapte dakkapel gemeten vanaf de aansluiting van de aankapping aan het dakvlak). Op het voordakvlak of het zijdakvlak gericht op openbaar toegankelijk gebied minimaal 1.00 m. vanaf buitenzijde gevel. Afstand tot zijkant dakvlak minimaal 0.50 m. gemeten tot midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).

Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan en de beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

• •

Maatvoering

• •

• •

17

Hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak en maximaal 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim. Op het voordakvlak of het zijdakvlak gericht op openbaar toegankelijk gebied breedte maximaal 50% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3.00 m., gemeten tussen hart woningscheidende bouwmuren of buitenzijde gevel aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel). Op een mansardedak alleen in het onderste deel van het dakvlak, met de bovenkant gelijnd aan de knik in het dakvlak. Hoogte boeiboord maximaal 0.25 m.

Vormgeving

• • •

Kleur en materiaal

• • • • •

Plat dak of passend in architectuurbeeld/bouwstijl en bij een dakhelling groter dan 45° een aangekapte dakkapel met een dakhelling van minimaal 25°. Architectuur, waaronder geleding en detaillering, passend bij de architectuur van hoofdgebouw. Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en ornamenten. Bij gekoppelde dakkapellen gelijke detaillering en kozijnen. Afgestemd op kozijnen en profielen hoofdgebouw. Voorvlak grotendeels gevuld met glas, alleen in ondergeschikte mate beperkte toepassing van dichte panelen. Zijwanden dakkapel in een in het dakvlak wegvallende kleur, een donkere neutrale tint of wit. Zink als afwerking van de zijwanden van dakkapellen is mogelijk. Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

> 0.50 m

< 50% > 0.50 m < 1.75 m > 0.50 m

regelmatige rangschikking op één doorlopende lijn

18

plaatsing onderin het dakvlak

bij mansarde in het onderste deel van het dakvlak

bij dak > 45° is aangekapt mogelijk

2.3. DAKOPBOUW OP EEN KAP Beschrijving Aan het begrip dakopbouw kan op meerdere manieren invulling worden gegeven. In deze paragraaf wordt een dakopbouw gedefinieerd als: 'Een dominante uitbreiding van de kap of opbouw op een plat dak van een gebouw, waarvan de voet zich boven of ter plaatse van de bestaande goot bevindt, en waarbij de constructie deels boven de nok kan uitkomen.' Het gaat dus om een nieuwe verdieping (optoppen) of om een uitbreiding van een kap door een doorgetrokken gevel, een steiler dakvlak of een nokverhoging. Een dakopbouw kan grote gevolgen hebben voor de hoofdvorm en het profiel van het gebouw en kunnen leiden tot een onevenwichtig aanzicht. Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan en de beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

Algemeen

• • • •

Plaatsing en maatvoering

•

Een dakopbouw is in beginsel alleen toegestaan op een hoofdgebouw met een plat dak of zadelkap. Voorkom een onsamenhangende afwisseling tussen dakopbouwen en dakkapellen in een bouwblok. Een dakopbouw mag nooit uit meer dan één bouwlaag bestaan. In samenhang met eerder vergunde dakopbouwen in hetzelfde bouwblok. Het bestemmingsplan en de beleidsregels voor afwijking van het bestemmingsplan treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen.

bij doorgetrokken gevel • Alleen aan de achterzijde, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundig geëigende situatie beargumenteerd door een stedenbouwkundige (bijvoorbeeld ter accentuering van een hoek of een bepaald deel van bouwblok). • Het hoogste punt van de dakopbouw minimaal 0.20 m. onder de oorspronkelijke nokhoogte. bij nokverhoging • Geen nokverhoging bij kappen kap met een minimale vrije hoogte van 2.20 m. • Alleen op kappen waar de dakhelling gelijk is aan of minder dan 40° bedraagt. • Bij tussenpanden moet de nokverhoging van woningscheidende bouwmuur tot bouwmuur lopen. • De nokverhoging vindt plaats door het verlengen van het voordakvlak, waardoor de nok naar achter verschuift (dakopbouw gericht op achterzijde). • Hellingshoek dakopbouw gelijk aan bestaande dakhellingshoek. • Bovenkant kozijn dient onder de oorspronkelijk bestaande nokhoogte te blijven.

19

Plaatsing en maatvoering

bij plat dak (optoppen) • Voorzijde minimaal 1.00 m terug liggen van de voorgevel bij dakopbouwen uitgevoerd met een plat dak of licht hellend lessenaarsdak. • Hoogte niet meer dan 3.00 m.

Vormgeving

• • • •

• • Kleur en materiaal

• • • •

Indeling evenwichtig en afgestemd op het hoofdgebouw. Detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw. Schoorstenen op scheidingsmuur respecteren en eventueel mee optrekken. Bij plat dak (optoppen) is een opbouw in de vorm van een kap mogelijk. De noklijn van de dakopbouw kan zowel evenwijdig aan de voorgevel als haaks daarop liggen. De kapvorm en nokrichting van de belendende bebouwing zijn daarbij richtinggevend. Detaillering, materiaal en kleur afgestemd op, of in contrast met het hoofdgebouw vormgeven. Hoogte boeiboord maximaal 0.25 m.

Dakopbouw door nokverhoging.

Materiaal overeenkomstig het hoofdgebouw, of de dakbedekking. Kleur overeenkomstig met het schilderwerk van het hoofdgebouw, of in de kleur van de dakbedekking. Zijwanden ondoorzichtig. Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

Dakopbouw bij plat dak.

20

2.4. KOZIJN- OF GEVELWIJZIGING Beschrijving Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het toevoegen, vergroten of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Dit kan zowel plaatsvinden bij een hoofdgebouw als bij een bijbehorend bouwwerk. Het vervangen van bestaande kozijnen door hetzelfde type kozijnen (met gelijkwaardige indeling, aard en uitstraling) valt onder het normale onderhoud en is daarmee vergunningvrij. Dat geldt ook indien houten kozijnen worden vervangen door kunststof kozijnen met een gelijkwaardige (houtachtige) uitstraling. Criteria Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. De criteria zijn hoofdzakelijk van toepassing op de voorgevel van gebouwen. Voor de binnenstad van Hulst is “Het beeld van de Binnenstad” vastgesteld met nadere eisen voorkozijn- en gevelwijzigingen in de binnenstad.

Algemeen

•

Samenhang en ritmiek van het hoofdgebouw en/of de straatwand worden niet verstoord.

Plaatsing en maatvoering

•

Een nieuwe of het vergroten van een bestaande gevelopening in lijn met de bestaande geleding en indeling van de gehele gevel. Plaatsing binnen gevelvlak. Geen uitstekende onderdelen, met uitzondering van raamdorpelstenen (vensterbank). In voorgevel binnen bestaande gevelopeningen indien er (nog) samenhang en ritmiek aanwezig is in het straatbeeld. In zij- en achtergevel zijn nieuwe gevelopeningen mogelijk.

• • • Vormgeving Kleur en materiaal

• • • • •

Detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw. Overeenkomstig het hoofdgebouw. Terughoudend met het gebruik van kunststof, alleen toepasbaar indien dimensioneringen en aansluitingen zijn afgestemd op de gevelarchitectuur. Gevelopeningen niet blinderen met panelen of schilderwerk. Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.

21

2.5. KLEINE WINDTURBINES Beschrijving Op het gebied van windenergie is sprake van verschillende ontwikkelingen, zowel op technisch als op maatschappelijk gebied. Deze uitwerking gaat specifiek in op de kleine windturbines vooral voor particulier gebruik. Achterliggende gedachte is dat voor kleine windturbines een laagdrempeliger toelatingsbeleid kan worden gehanteerd dan voor grote windturbines. Er is onderscheid te maken in wiekturbines met een horizontale as (HAWT) en windturbines met een verticale as (VAWT), zoals het Darrieustype (met een open rotor) en het Savoniustype (met een dichte rotor).

Criteria Afhankelijk van de locatie kunnen aanzienlijke ruimtelijke effecten optreden. Daarom is een zorgvuldige situering en vormgeving vereist en een zorgvuldige afstemming op de omgeving. Het bestemmingsplan is leidend ten aanzien van plaatsing en maatvoering. Daarnaast heeft de gemeente de nota ‘Beleidsregels zon- en windenergie’ (2018) vastgesteld als leidraad voor de ruimtelijke toelaatbaarheid van kleine windturbines.

Wiekturbine.

Windturbine savoniustype.

22

Windturbine darrieustype.

Algemeen

• • •

Plaatsing en maatvoering

• •

• • • • • • • Vormgeving

• • • • •

Geen windturbine die het uitzicht op de openbare ruimte of het open landschap ernstig belemmeren of ontsieren. Ondergeschikt en afgestemd op de erfinrichting en de bebouwing. Maximaal 1 per perceel. Plaatsing achter het hoofdgebouw en zoveel mogelijk onzichtbaar vanuit het openbare gebied. Plaatsing alleen in het buitengebied, landelijke bebouwingslinten en bedrijventerreinen. Geen windturbines in het beschermd stadsgezicht, de dorpskernen en in de woongebieden. Plaatsing op minimaal 50 meter afstand van een bouwvlak van een derde. Tiphoogte maximaal 20 meter. Evenwichtige verhouding tussen masthoogte/wiekdiameter en rotor/ as (in de regel wieklengte niet meer dan 1/3 van de masthoogte). Windturbines op een gebouw maximaal 6 meter boven dak uitstekend. Geen wiekturbines op gebouwen. Hoogte van de rotor bij windturbines met een verticale as maximaal 5 meter. Rotordiameter van de rotor bij windturbines met een verticale as maximaal 2 meter. Zelfstandige vloeiende ranke hoofdvorm.

Beperken van aantal tuidraden. Uitvoering in hout, metaal of kunststof. Neutrale onopvallende kleur (bij voorkeur mat-grijswit voor mast, rotorhuis en wieken). Toevoegingen zoals naamsaanduidingen e.d. zijn ondergeschikt en onopvallend, geen toevoeging van verdere reclame-uitingen.

23

2.6. WARMTEPOMPEN EN ANDERE TECHNISCHE INSTALLATIES Beschrijving Veelvoorkomende technische installaties aan gebouwen zijn voor warmte- en koudeopwekking, zoals warmtepompen en airconditioningunits (airco’s). Steeds meer installaties worden ten behoeve van duurzame energieopwekking of energiezuinigheid toegepast. De aanpassingen aan of op een gebouw of erf die hiervoor nodig zijn, hebben zelden oog voor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In woongebieden (m.u.v. monumenten en in beschermde gezichten) en op bedrijventerreinen is het toepassen van technische installaties in veel gevallen vergunningvrij. Bij monumenten en in het beschermde stadsgezicht Hulst moet altijd een omgevingsvergunning worden aangevraagd. In deze gevallen kunnen installaties ontsierend zijn voor het gebouw of omgeving.

24

Algemeen

•

Ondergeschikt en afgestemd op de erfinrichting en de bebouwing.

Plaatsing en maatvoering

• • •

Hoogte van de installatie maximaal 1 meter. De oppervlakte van de voorkant van de installatie maximaal 2m2. Plaatsing zoveel mogelijk inpandig, tenzij er voor de werking van de installatie redenen zijn dat deze niet (deels) inpandig geplaatst kan worden, zoals de buitenunit van een warmtepomp of airco. Plaatsing op een plek die niet storend zichtbaar is vanuit openbaar gebied en niet aan de voorgevel. Bij plaatsing aan een zij- of achtergevel steekt de installatie inclusief bevestigingsconstructie maximaal 0.50 meter uit. Op platte daken zoveel mogelijk midden op het dakvlak en ten minste net zo ver verwijderd van de dakrand als de installatie hoog is. Bij plaatsing op een balkon bevindt de installatie zich tegen de gevel. Voor monumenten en in beschermd gezicht plaatsing van installaties alleen achter de achtergevellijn, zorgvuldig ingepast en reversibel.

• • • • • Vormgeving

•

Kleur en materiaal

• •

Bij zichtbaarheid vanaf de openbare weg is een omkleding of omkasting van de installatie die aansluit op het gebouw of erf nodig. Bij nieuwbouw integreren in het ontwerp van het gebouw. Uitgevoerd in een witte, grijze, zwarte of andere neutrale onopvallende kleur.

2.7. ZONNECOLLECTOREN EN -PANELEN Beschrijving Met een zonnecollector wordt warmte opgewekt, die via een warmwateropslag meestal wordt gebruikt voor het verwarmen van water voor huishoudelijk gebruik. Met een zonnepaneel wordt elektriciteit opgewekt uit daglicht op voor de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk. Omdat zonnecollectoren en zonnepanelen net als dakramen vooral in het schuine dakvlak worden geplaatst, is de invloed op de architectuur niet groot. De plaatsing is dan ook vaak vergunningvrij wanneer de collector of het paneel in of direct op het dakvlak wordt geplaatst. Bij monumenten en in het beschermde stadsgezicht Hulst moet altijd een omgevingsvergunning worden aangevraagd. In deze gevallen kunnen zonnecollectoren of -panelen ontsierend zijn voor het gebouw of omgeving. Voor het beschermde stadsgezicht Binnenstad Hulst is door de gemeenteraad op 14 december 2017 een beleidsnotitie vastgesteld met criteria voor zonnepanelen (zie bijlage 6).

Algemeen

• •

Plaatsing en vormgeving

• • • • • •

Voor het beschermde stadsgezicht Hulst zijn in een aparte beleidsnotitie criteria opgenomen (bijlage 5). Voor zover plaatsen op het dak geen (afdoende) oplossing biedt is de bouw van zonnepanelen of -collectoren als een zelfstandig bouwwerk op het erf achter het hoofdgebouw mogelijk. Niet aan gevels. Niet op of aan bijzondere gebouwtypen zoals kerktorens, molens, forten, gemalen, fabrieksschoorstenen en in cultuurhistorisch waardevol groenaanleg. Op het dakvlak geplaatst in een regelmatige rangschikking zonder verspringingen. De hellingshoek van het paneel of de collector is nagenoeg hetzelfde als die van het dakvlak. Op platte daken ten minste net zo ver verwijderd van de dakrand als het paneel of de collector hoog is. Op beschermde monumenten en aangewezen waardevolle panden: o Niet direct en duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte 1; o volledig zwart van kleur zonder glimmende randen; o zonder onherstelbare schade reversibel boven op de dakbedekking zijn geplaatst; o zorgvuldig zijn ingepast, zonder aantasting van de monumentale waarde. Beschouwd op ooghoogte. In uitzonderlijke gevallen zijn zonnepanelen of -collectoren ook ín het zicht mogelijk, mits het niet anders kan, er een zorgvuldig afgewogen ontwerp is opgesteld, de kleur is aangepast aan het dak, en de cultuurhistorische waarden niet worden verstoord, te beoordelen door de commissie. 1.

25

3. SPECIFIEKE BOUWWERKEN In dit deel zijn de objectgerichte criteria opgenomen voor bouwwerken die - door bijvoorbeeld de functie of een specifieke verschijningsvorm - een eigen beoordelingskader nodig hebben.

3.1. CULTUURHISTORISCH WAARDEVOLLE OBJECTEN EN MONUMENTEN Beschrijving Een monument is een gebouw of terrein dat van algemeen belang is door schoonheid of geschiedenis, belangrijk is voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde heeft. Het kan symbool staan voor een bepaalde periode of gezien worden als eerste of meest belangrijke verbeelding van een kunststroming. De gemeente Hulst ruim 100 Rijksmonumenten (bijlage 3). De monumenten zijn divers van karakter en hebben elk bepaalde bijzonderheden in cultuurhistorische, architectonische en/of stedenbouwkundige zin. Naast Rijksmonumenten zijn er ook veel cultuurhistorisch waardevolle gebouwen in het buitengebied te vinden. Deze zijn weliswaar niet aangeduid als Rijksmonument, maar zijn wel karakteristiek voor de omgeving. In het kader van het monumenten inventarisatie project (M.I.P.) is een aantal van deze gebouwen aangemerkt als waardevol. Ten behoeve van deze objecten zijn in het bestemmingsplan beschermende regels opgenomen. 26

Het is verboden om deze gebouwen te slopen en er worden ruimere gebruiksmogelijkheden geboden, teneinde het behoud van deze waardevolle gebouwen te stimuleren. Beoordelingsniveau (bijzonder) De commissie beoordeeld bouwplannen bij, op en aan monumenten en zal de beoordeling altijd richten op het handhaven, herstellen en versterken van de cultuurhistorische karakteristieken en de samenhang van het gebouw met zijn omgeving. Bij de beoordeling worden de 'Technische criteria Planbeoordeling Monumenten' (Dorp, Stad & Land, 2013) en de ’10 uitgangspunten voor het omgaan met monumenten’ (Federatie Ruimtelijke Kwaliteit, 2009) gehanteerd.

3.2. RECLAME Beschrijving Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames vormen een belangrijk en beeldbepalend onderdeel van de openbare ruimte. Reclame is geslaagd als deze past bij het gebouw en de omgeving. Voor het voeren van handelsreclame is niet altijd een vergunning nodig. In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en na inwerking treden van de Omgevingswet in het omgevingsplan, is geregeld wanneer een reclame-uiting (geen bouwwerk zijnde) vergunningplichtig is. Beoordelingsniveau Het beoordelingsniveau voor een reclame wordt bepaald door het gebied waar de plaatsing van de reclame-uiting plaatsvindt. Voor de binnenstad van Hulst is 'Het beeld van de Binnenstad' vastgesteld met nadere eisen voor reclame-uitingen. Ten aanzien van reclame-uitingen in het buitengebied geldt de provinciale Landschapsverordening. De volgende criteria zijn van toepassing voor reclameobjecten die een bouwwerk zijn en voor de repressieve beoordeling als er sprake is van een exces.

Criteria Algemeen

• • •

Geen reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden, respectievelijk worden verkocht. Geen reclame aangebracht op gevels van bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie. Geen reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte of het open landschap ernstig belemmeren of ontsieren.

Plaatsing en maatvoering

• •

Gevelreclame loodrecht op, of evenwijdig en vlak aan de gevel. Los reclameobject bij de entree van het erf of op een parkeerplaats.

Vormgeving

•

Reclametoepassingen dienen ondergeschikt te zijn t.o.v. het hoofdgebouw en bij voorkeur meegenomen worden in het ontwerp. Vormgeven als zelfstandig object, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met de gevel en passen in de omgeving. Gevelreclame integreren in de architectuur van de gevel. Geen mechanisch bewegende delen. Geen lichtgevende of lichtuitstralende reclame (lichtcouranten e.d.). LCD- of LED-schermen zijn mogelijk, mits: o deze onderdeel uitmaken van en opgenomen zijn in de architectuur van de gevel / het gebouw, passend in een specifieke gebied en geen hinder veroorzaken; o deze in de openbare ruimte staan voor algemeen, publiek en maatschappelijk belang. Deze schermen worden vanuit toeristisch oogpunt ter promotie van de gemeente Hulst gebruikt. Voor een ondergeschikt deel is handelsreclame op deze LED schermen mogelijk. Geen daglichtreflecterende reclame.

• • • • •

•

27

Bij woningen Aantal

• •

Plaatsing en maatvoering

• •

Uitsluitend bij woningen met een praktijkruimte, zoals bijvoorbeeld een arts, architect of verzekeringsadviseur. Maximaal één gevelreclame-uiting aan de voorgevel of in de tuin. Aan de gevel naast de voordeur of entree van de praktijkruimte; in ieder geval onder de vloer van de eerste verdieping. In de voortuin maximaal 1.00 meter hoog, 0.60 meter breed en 0.20 meter dik.

Bij panden met bedrijfs-, winkel- en horecabestemming in woongebieden

Bescheiden reclame-uitingen aan gevel.

Aantal

• •

Maximaal één gevelreclame per gevel per 10 meter gevelbreedte. Geen reclame aan zijgevel, tenzij gekeerd naar de openbare weg.

Plaatsing en maatvoering

•

• • •

Aan de gevel op begane grond nivo onder raamdorpels van de eerste verdieping. Banieren en reclame loodrecht op de gevel onder de bovendorpel van de ramen op de eerste verdieping. Ten hoogste 0.70 meter (inclusief bevestiging) buiten het gevelvlak stekend. Aan de gevel niet groter dan 1.00 m2. Op het erf maximaal 2.25 meter hoog, 0.60 meter breed en 0.20 meter dik.

•

Beperkte aanlichting van reclame is mogelijk, als het geen hinder veroorzaakt.

Algemeen

• •

Maximaal twee gevelreclames per gevel per 10 meter gevelbreedte. Reclame(vlaggen) en banieren aan gevel maximaal één per 4.00 m gevellengte.

Plaatsing en maatvoering

•

Aan de gevel op begane grond nivo onder raamdorpels van de eerste verdieping. Banieren en reclame loodrecht op de gevel onder de bovendorpel van de ramen op de eerste verdieping. Bij luifels de reclame-uitingen alleen op of onder de luifel plaatsen.

Vormgeving In winkelgebieden

•

Reclameborden onder raamdorpels van verdieping.

28

• • Vormgeving

• • • •

Reclame evenwijdig aan de gevel niet breder dan 70% van de gevelbreedte en niet hoger dan 0.75 m. Reclame loodrecht op de gevel ten hoogste 0.70 meter (inclusief bevestiging) buiten het gevelvlak stekend en niet groter dan 1.00 m2. In voorgevel reclame-uiting als zelfstandig element vormgeven, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met de oorspronkelijke gevel. In voorgevel samenhang en ritmiek van de straatwand niet verstoren. Indien er sprake is van meerdere reclame-uitingen op één gevel dan dienen deze zoveel mogelijk eenduidige te worden vormgegeven. Beperkte aanlichting en neonletters zijn mogelijk, als het geen hinder veroorzaakt.

Op bedrijventerreinen Reclame op dakrand vormgegeven met losse letters.

Aantal

•

Plaatsing en maatvoering

• • • • • •

Vormgeving

• •

Maximaal vier reclame-uitingen per gebouw en maximaal twee reclame-uitingen aan een gevel per 20 meter gevelbreedte. Maximaal één vrijstaande reclamezuil of andere reclame-uiting op eigen erf per bedrijf. Op een plat dak alleen op de dakrand met losse letters vormgegeven. Reclames evenwijdig aan de gevel of op de dakrand niet breder dan 70 % van de gevelbreedte en niet hoger dan 1.00 meter. Reclame loodrecht op de gevel ten hoogste 1.00 meter (inclusief bevestiging) buiten het gevelvlak stekend en niet groter dan 2.00 m2. Reclamezuil op erf maximaal 6.00 meter hoog, 2.00 meter breed en 0.30 meter dik. Losse letters op erf maximaal 1.50 meter hoog en 8.00 meter breed en 0.50 meter dik. Aanlichten van reclame en lichtreclames aan de gevel zijn mogelijk, als het geen hinder veroorzaakt. Aan randen van bedrijventerreinen geen lichtreclame.

29

4. GEBIEDEN De gebiedsgerichte criteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuren. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving niet teveel uit de toon te vallen, en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp gebruikt kunnen worden. In bijlage 2 is een gedetailleerde welstandskaart opgenomen. Gebiedsindeling In de gemeente Hulst kunnen de volgende welstandsgebieden worden onderscheiden: Vestingstad Hulst Hulst heeft een waardevolle historische binnenstad die omsloten wordt door stadswallen en stadsgracht. De binnenstad en delen van omliggend buitengebied is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Voor de stad Hulst is het bijzondere niveau van toepassing. In een aparte beleidsnotitie ‘Het beeld van de Binnenstad’ zijn criteria geformuleerd voor reclame, gevelveranderingen en overige toevoegingen aan de gevel. In de beleidsnotitie ‘Zonnepanelen in het beschermd stads- en dorpsgezicht Hulst’ zijn criteria geformuleerd voor zonnepanelen. Deze notities zijn als bijlage van deze nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld.

30

Stadsentrees De kern Hulst is te bereiken via de drie stadspoorten, Bagijnepoort, Gentsepoort en de Dubbele Poort. De Tivoliweg, Zoutestraat en Steensedijk/Stationsweg vormen nog steeds belangrijke toegangswegen naar deze poorten. Daardoor hebben deze wegen met aanliggende bebouwing een eigen betekenis en karakter. Voor de stadsentrees is het normale niveau van toepassing. Dorpen en linten Veel dorpskernen en linten zijn ontstaan door geleidelijke verdichting langs bestaande routes. De historische routes of ruimten zijn vaak nog herkenbaar. De bebouwing is divers en individueel en bestaat uit een vermenging van historische bedrijfs- en woonbebouwing met nieuwbouw. Voor deze gebieden is het normale welstandsniveau van toepassing. Het gaat om de oorspronkelijke historische dorpskernen en -linten van: Kloosterzande, Sint Jansteen, Vogelwaarde, Clinge, Heikant, Lamswaarde, Hengstdijk, Nieuw-Namen, Graauw, Ossenisse, Paal, Terhole, Walsoorden, Kapellebrug, Kruisdorp, Zandberg en Kuitaart.

GEBIEDSINDELING Vestingstad Hulst Dorpen en linten Stadsentrees Woongebieden Complexen en voorzieningen Bedrijventerreinen Sport- en recreatieterreinen Buitengebied (met en zonder waarden) Gemeentegrens Beschermd Stadsgezicht Hulst 31

Woongebieden Samenhangende woonwijken die planmatig veelal na circa 1950 zijn gerealiseerd. De woonwijken bij Hulst en andere kernen kennen over het algemeen een gemengd karakter met geschakelde, twee-onder-één kap en vrijstaande woningen. Voor deze woonwijken is het soepele beoordelingsniveau van toepassing. Complexen en voorzieningen Gebieden met bebouwing die groter van schaal is dan de omliggende woonbebouwing. Meestal met scholen, winkelcentra, verzorgingscomplexen en dergelijke. Voor de gebieden met objecten en voorzieningen is het soepele welstandsniveau van toepassing. Kantoren- en bedrijventerrein Alle grotere terreinen met een vergelijkbaar en samenhangend bedrijfsmatig en industrieel gebruik. De grootste met een terrein van 80 hectare is Hogeweg. Daarnaast zijn er nog enkele kleinere terreinen bij de diverse dorpen, waaronder Sint Jansteen, Kloosterzande en Walsoorden. Voor deze gebieden is het soepele beoordelingsniveau van toepassing.

32

Sport- en recreatieterrein De sport- en recreatieterreinen zoals sportcomplexen, bungalowparken, campings en dagrecreatie. Alle sporten recreatieterreinen zijn welstandsvrije gebieden. Bouwplannen worden niet getoetst aan redelijke eisen van welstand. Buitengebied Gebieden in gebruik voor agrarische doeleinden of natuur. Er is conform het bestemmingsplan Buitengebied onderscheid gemaakt in gebied met en zonder natuur en/of landschappelijke waarden. Het onderscheid is vertaald in het beoordelingsniveau. In algemeen geldt dat voor het buitengebied het soepele niveau van toepassing is, met uitzondering van alle gebieden die als natuur en/of landschappelijke waardevol zijn aangewezen. Randen en overgangsgebieden Het kan voorkomen dat de ruimtelijke kwaliteit van een gebied invloed heeft op een ander naastgelegen gebied. Randen van het buitengebied hebben bijvoorbeeld een andere verschijningsvorm dan een woongebied. Op de grenzen tussen gebieden mag worden verwacht dat de aanwezige uitstraling van een gebied geen nadelige invloed heeft op het naastgelegen gebied.

Uitgangspunt is dat bij de kwaliteitsbeoordeling van bouwwerken gelegen aan de rand van gebieden altijd rekening wordt gehouden met de uitstraling en het beoordelingsniveau van het naastgelegen gebied. Dat betekent niet direct dat op bijvoorbeeld een bedrijventerrein dezelfde eigenschappen verwacht mogen worden als van een aangrenzend buitengebied. Wel dient rekening te worden gehouden met het ambitieniveau, waardoor hogere eisen gesteld kunnen worden aan de uitstraling van bebouwing aan randen die grenzen aan welstandsgebieden met een hoger welstandsniveau. Zo kunnen bouwplannen aan achterzijden in de soepele gebieden die invloed hebben op het naastgelegen gebied alsnog voor beoordeling in aanmerking komen.

BEOORDELINGSNIVEAUS Bijzonder niveau Normaal niveau Soepel niveau Vrij niveau Gemeentegrens Beschermd Stadsgezicht Hulst 33

4.1. VESTINGSTAD HULST Beschrijving Dit binnenstedelijk gebied heeft een belangrijke centrumfunctie voor de regio met een verscheidenheid aan functies. De Gentsestraat en Steenstraat profileren zich als de belangrijkste winkelstraten. Hier omheen liggen stadsblokken uit verschillende bouwperioden die voornamelijk een woonfunctie hebben. De binnenstad wordt omringd door de cultuurhistorisch waardevolle vestingwerken. De vesting bestaat uit een brede groene gordel rond de kern, gevormd door de oude omwalling met bolwerken en ravelijnen en de binnen en buitenvest. De binnenstad is toegankelijk via kent drie stadspoorten; Bagijne Poort, Gentse Poort en de Dubbele Poort. In de stad zelf zijn de St. Willibrordus Basiliek, het stadhuis, het streekmuseum, ‘s Landshuis, de Nederlands hervormde kerk en de molen belangrijke beeldbepalende gebouwen. De stedenbouwkundige structuur wordt gekenmerkt door een laatmiddeleeuwse parcellering en gebogen straten met relatief korte zichtlijnen, begeleid door aaneengesloten individuele bebouwing. Hierdoor is er sprake van een historische binnenstedelijk en besloten karakteristiek. De hoofdstructuur wordt bepaald door de Steenstraat, de Gentsestraat, de ruimte rondom de Basiliek, de Grote Markt en de Houtmarkt. 34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11088822/1