Notitie bp. Kernen Hulst 1H (bijlagen)
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Kernen Hulst 1H”.
Bijlagen bij Notitie Beantwoording zienswijzen en overzicht ambtshalve wijzigingen.
Bijlage 1. Ruimtelijke onderbouwing Kauterstraat 1 Nieuw Namen Bijlage 2. Ruimtelijke onderbouwing Marijkeplein 7 Kloosterzande Bijlage 3. Bodemonderzoeken Hulsterweg 165 Terhole Bijlage 4. Bodemonderzoeken Vylainlaan 38 Heikant Bijlage 5. Overwegingen GS bp. Heikant (2009), Polenlaan 44 Heikant Bijlage 6. Overwegingen bp. Heikant 1H (2010), Polenlaan 44 Heikant Bijlage 7. Ruimtelijke onderbouwing Sint Janstraat 6 Kapellebrug
Kauterstraat 1 te Nieuw Namen Ruimtelijke onderbouwing
Inleiding Op het perceel Kauterstraat 1 te Nieuw Namen is een extra woning beoogd. Omdat het toevoegen van woningen niet zonder meer is toegestaan, wordt een wooncontingent van de Kauterstraat 10-12 te Nieuw Namen ingezet. Aan de Kauterstraat 10-12 staan nu twee verouderde woningen. Beide woningen worden gesloopt en ter plaatse wordt één woning teruggebouwd.
7 5
1 10-12
Figuur 1: Situatie tekening (rood = Kauterstraat 1, blauw = Kauterstraat 10-12)
Woningbouwbeleid Op 12 juni 2018 zijn de ‘Beleidsregels nieuwe woningbouwverzoeken gemeente Hulst’ vastgesteld voor het waarborgen van een goed functionerende woningmarkt. In de beleidsregels zijn voorwaarden opgenomen voor de bouw van nieuwe woningen. Uitgangspunt hierbij is dat het toevoegen van woningen niet is toegestaan, tenzij er elders eenzelfde aantal woningen worden gesaneerd of als er sprake is van ruimtelijke kwaliteitswinst. Omdat een wooncontingent van de Kauterstraat 10-12 ingezet wordt, kan voldaan worden aan de Beleidsregels nieuwe woningbouwverzoeken. In de Beleidsregels is tevens opgenomen dat er sprake dient te zijn van een stedenbouwkundig aanvaardbaar plan. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het aanvaardbaar om de nieuwe woning in het bebouwinglint tussen Kauterstraat 1 en 5 te bouwen. In het recente verleden zijn de woningen Kauterstraat 5 en 7 ook toegevoegd in de straat. Het toevoegen van een woning op deze locatie heeft geen nadelige invloed op de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Voor de uitruillocatie Kauterstraat 10-12 geldt dat er vanuit stedenbouwkundig oogpunt ook geen bezwaren zijn om één contingent te verplaatsen. Beide woningen ter plaatse
zullen gesloopt worden en er komt één woning terug. Er ontstaat zodoende geen ‘gat’ in de straat. Er zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt derhalve geen belemmeringen. Sectorale toetsing Bodem Op grond van historie en gebruik van de locatie is deze niet verdacht op mogelijk voorkomen van een belemmerende mate van bodemverontreiniging. Op de locatie zijn in 2006 twee bodemonderzoeken uitgevoerd welke deels overlap hebben met de huidige ontwikkelingslocatie. De bodemonderzoeken zijn geregistreerd in het gemeentelijk bodeminformatiesysteem (Bis). Uit beide onderzoeken blijkt dat er sprake is van enkele licht verhoogde achtergrondwaarden, maar deze zijn niet belemmerend voor toekomstig gebruik als wonen met tuin. De bodemkwaliteit is voldoende in beeld en op grond van de beschikbare gegevens in het Bis en in de vigerende bodemkwaliteitskaarten (reguliere parameters en PFAS) kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit niet belemmerend is voor een wijziging van bestemming naar gebruik als wonen met tuin. In kader van de nu voorgenomen bestemmingswijziging is geen bodemonderzoek meer noodzakelijk. Ook in geval van een toekomstige aanvraag OV-bouwen voor een woning komt deze locatie in aanmerking voor vrijstelling van aanleveren van bodemonderzoek. Een definitief besluit voor vrijstelling maakt onderdeel uit van de besluitvorming bij de aanvraag OV-bouwen.
Bedrijven en milieuzonering Binnen een straal van 100 meter van het plangebied zijn geen bedrijfsactiviteiten toegestaan, waardoor enerzijds bedrijven niet gehinderd zullen worden in de bedrijfsvoering en anderzijds een goed woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd is. Archeologie Op de locatie Kauterstraat 1 is in het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Binnen deze dubbelbestemming geldt een vrijstellingsoppervlakte van 500m². Omdat er ter plaatse maximaal één woning wordt gebouwd zal de verstoring niet groter zijn dan 500m². Bovendien geldt daarnaast een vrijstellingsdiepte van 40cm. De archeologische dubbelbestemming blijft wel gehandhaafd. Geluid Omdat de maximale snelheid van de Kauterstraat 30 km/u is, dient er geen akoestisch onderzoek plaats te vinden. Verkeer en parkeren Omdat het bouwplan mogelijk wordt gemaakt door verplaatsing van een wooncontingent aan de Kauterstraat 10-12 (op circa 50 meter van de nieuwe locatie Kauterstraat 1), is er geen sprake van een toename van verkeer en parkeren in de Kauterstraat. Hierdoor zal de wijziging ook geen invloed hebben op de doorstroming of verkeersveiligheid op de omliggende wegen. Luchtkwaliteit Projecten die 'Niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen.
Het toevoegen van één woning aan de Kauterstraat 1 is een NIBM‐project, verder onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Externe veiligheid Uit de Provinciale Risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijven zijn gelegen en dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Water De watertoets is bijgevoegd in de bijlage. Om te waarborgen dat er voldoende waterberging wordt gerealiseerd, wordt in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Natuur Gebiedsbescherming De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Westerschelde & Saeftinghe en het Stropersbos op ruim 3,5 kilometer afstand. Gelet op de geringe omvang van het bouwplan en de ruime afstand van het plangebied tot de Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten niet te verwachten. Voor nieuwe ontwikkelingen moet ook de uitstoot van stikstof en de neerslag op Natura 2000-gebieden berekend worden. Dit is gedaan met de AERIUS Calculator, versie 2020. Voor de bouwfase is uitgegaan twee emissiebronnen: mobiele werktuigen en bouwverkeer. Voor de gebruiksfase is alleen de verkeersaantrekkende werking meegenomen, omdat de woning gasloos gebouwd moet worden. De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. De berekening is bijgevoegd in de bijlage. Het NatuurNetwerk Zeeland (NNZ) omvat een aantal kleinere gebieden in de omgeving van het plangebied. Ten noorden van het plangebied op een afstand van ruim 150 meter, ten zuiden op ruim 220 meter en ten westen op ruim 100 meter van een binnendijk (figuur 2).
Omdat de afstand minimaal 100 meter bedraagt tot de gebieden die onderdeel uitmaken van het NNZ is geen effect te verwachten en is het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk.
Figuur 2. Natuur en landschap: Natuurbeheerplan, Provincie Zeeland
Soortenbescherming Het plangebied waar de woning wordt gerealiseerd is momenteel in gebruik als tuin (grasveld). Het grasveld wordt regelmatig gemaaid. De boom die ter plaatse aanwezig was, is al eerder gekapt. De huidige situatie is weergegeven op figuur 3. Het betreft een binnenstedelijke locatie waarbij het niet aannemelijk is dat er beschermde soorten zich hebben gevestigd. Het uitvoeren van een quickscan of natuuronderzoek is niet noodzakelijk.
Figuur 3. Foto van de beoogde locatie van de woning.
Uitvoerbaarheid Onderhavige wijziging is een aangewezen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Bijlage 1. Watertoets 2. Aerius berekening
Bijlage 1. Watertoets
Aanmeldformulier watertoets waterschap Scheldestromen De watertoets of waterschapstoets geeft inzicht in de consequenties van uw plan voor de taken van Waterschap Scheldestromen. Voorafgaand aan het overleg stuurt u ons een zo volledig mogelijk ingevuld aanmeldformulier. Dit formulier is de agenda voor ons contact met u (in persoon, per mail en/of telefonisch). De watertoetstabel met definitieve invullingen en eventueel aanvullende documenten is inhoudelijk gelijk aan de, wettelijk verplichte, waterparagraaf van het ruimtelijk plan. Het ruimtelijk plan vormt de basis voor ruimtelijke besluitvorming en vergunningverlening.
Uw gegevens Naam: Organisatie: Adres: Postcode + plaats: E-mailadres: Telefoonnummer: Datum aanvraag:
Gegevens initiatiefnemer
Formulier ingevuld door
(particulier/bedrijf)
(werkend voor initiatiefnemer, b.v. adviesbureau)
Dhr. H. Vercauteren Kauterstraat 1 4568AM Nieuw-Namen Ctv1@zeelandnet.nl 0623600603 04-01-2021
Gegevens van het plan Wat is de (concept)plannaam: Waar is het plan gelegen:
Omvormen bestemming tuingrond naar bouwperceel Tussen Kauterstraat1 en Kauterstraat 5 te Nieuw-Namen
Beknopte planomschrijving Er wordt een woonbestemming toegevoegd rechts van Kauterstraat 1 Wie is de contactpersoon bij de gemeente? Steven van Vooren
Watertoetstabel De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in uw ruimtelijk plan. Thema en water(beheer)doelstelling
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Uitwerking Ligt niet in de directe omgeving van primaire kering Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van: huidige situatie
na realisatie
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
dakoppervlak
0m²
130m²
1
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
dichte bodemverharding
0m²
100m²
2
doorlatende bodemverharding
-
-
3
wateroppervlak
-
-
4
•
De oppervlakte aan verharding is indicatief ingevuld, omdat het bouwplan nog niet bekend is. Uitgaande van bovenstaande gegevens is er sprake van een waterbergingsopgave van
2
Thema en water(beheer)doelstelling Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
230m² * 0,075 = 17,25m³. Om te waarborgen dat er voldoende waterberging wordt gerealiseerd, wordt in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. • Het hemelwater wordt via een voorziening zoals een lager gelegen komvormig terreindeel of een bergingsvijver (zonder bodem- en taludafdichting zoals folie) op eigen terrein geïnfiltreerd in de bodem. Deze infiltratievoorziening dient worst-case gedimensioneerd te worden op de volledige T=100 neerslaggebeurtenis van 147 mm/m2 verhard oppervlak dat hier op afgevoerd wordt. Dit omdat de infiltratiecapaciteit van de bodem (waarschijnlijk) en de grondwaterstanden een onbekende factor is. Voor de berekening/dimensionering wordt uitgegaan van de hoogst bekende (gemiddelde) grondwaterstand tot maaiveldniveau (of iets daaronder). Op basis van de definitieve waterbergingsopgave wordt dat nader bepaald. Uitwerking (vervang toelichtingen door uw gegevens)
Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd naar gemeentelijke riolering Hemelwater wordt op eigen terrein geïnfiltreerd. Overtollig water wordt oppervlakkig afgevoerd
Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
Door infiltratie van hemelwater wordt verdroging voorkomen
Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen
Door afvoer van huishoudelijk afvalwater naar de gemeentelijke riolering en het niet toepassen van uitlogende materialen, wordt de oppervlaktewaterkwaliteit niet negatief beïnvloed
Er ontstaan geen risico’s voor de volksgezondheid (zie vorige)
Gezien de bodemopbouw zijn er geen risico’s voor de bodemdaling
In de directe omgeving is geen natuur aanwezig
3
Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Er grenst geen oppervlaktewater direct aan de plannen
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
Er liggen geen eigendommen van de waterbeheerder in de directe omgeving van de plannen
Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
Nee, geen directe relatie Nee, geen directe relatie
* na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?
Via openbare weg bereikbaar
* na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? ja * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
Tot slot Wij verzoeken u het formulier zo volledig mogelijk in te vullen en met een overzichtskaart van het plan te mailen naar waterschap Scheldestromen: info@scheldestromen.nl of postbus 1000, 4330 ZW Middelburg.
Nee
Bijlage 2. Aerius berekening
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. ReUfNtUDkNJe (21 december 2020) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Vercauteren
Kauterstraat 1 , 4568AM Nieuw Namen
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Kauterstraat 1 Nieuw Namen
ReUfNtUDkNJe
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
21 december 2020, 13:54
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
6,98 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Woningbouw Kauterstraat 1 Nieuw Namen
Situatie 1
ReUfNtUDkNJe (21 december 2020) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
Bron 1 Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
Bron 2 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
-
6,94 kg/j
< 1 kg/j
< 1 kg/j
ReUfNtUDkNJe (21 december 2020) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx
Voertuig
Omschrijving
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
AFW
Heistelling
4,0
4,0
0,0 NOx
4,32 kg/j
AFW
Hijskraan
4,0
4,0
0,0 NOx
1,44 kg/j
AFW
Graafmachine
4,0
4,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
AFW
Betonstorter
4,0
4,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Bron 1 69115, 367891 6,94 kg/j
Naam
Soort
Voertuig
Standaard
Standaard
Situatie 1
Bron 2 69068, 367831 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Zwaar vrachtverkeer
24,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Licht verkeer
320,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
ReUfNtUDkNJe (21 december 2020) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20201216_c759386971 Database versie 2020_20201216_c759386971 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Situatie 1
ReUfNtUDkNJe (21 december 2020) pagina 5/5
Marijkeplein 7 Kloosterzande Ruimtelijke onderbouwing
Marijkeplein 7 Kloosterzande Ruimtelijke onderbouwing
GEGEVENS VAN DE AANVRAGER Buro Boot T. Schakelaar
Kerkewijk 117
Postbus 509
3904 JB Veenendaal
3900 AM VEENENDAAL
T. 0318 – 50 56 37
I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu PLANGEGEVENS Projectnummer:
K20108
Datum:
26 januari 2021
Titel:
Kloosterzande - Marijkeplein 7
Projectleider:
J. Polinder
Auteur:
L. Schölvinck
Inhoud 1
Inleiding ........................................................................................................................... 6 1.1 1.2 1.3
2
Beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie ............................................ 9 2.1 2.2
3
Bestaande situatie.................................................................................................................... 9 Gewenste situatie..................................................................................................................... 9
Beleidskader ................................................................................................................. 10 3.1
3.2
3.3
4
Aanleiding................................................................................................................................. 6 Ligging en begrenzing planlocatie ........................................................................................... 6 Vigerend bestemmingsplan...................................................................................................... 8
Rijksbeleid .............................................................................................................................. 10 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ....................................................... 10 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ............................................. 11 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking .................................................................... 11 Provinciaal beleid ................................................................................................................... 12 3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie ..................................................................... 12 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke verordening ........................................................................ 13 Gemeentelijk beleid................................................................................................................ 13 3.3.1 Structuurvisie gemeente Hulst ................................................................................ 13
Uitvoeringsaspecten .................................................................................................... 15 4.1
4.2
4.3
4.4
4.5
4.6
4.7
Flora- en fauna ....................................................................................................................... 15 4.1.1 Wettelijk kader ......................................................................................................... 15 4.1.2 Effect te vergunnen activiteiten ............................................................................... 16 4.1.3 Conclusie ................................................................................................................ 16 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................... 16 4.2.1 Cultuurhistorie ......................................................................................................... 16 4.2.2 Archeologie ............................................................................................................. 16 Verkeer en parkeren .............................................................................................................. 17 4.3.1 Verkeer .................................................................................................................... 17 4.3.2 Parkeren ..................................................................................................................
17 Luchtkwaliteit .......................................................................................................................... 18 4.4.1 Wettelijk kader ......................................................................................................... 18 4.4.2 Onderzoek / beoordeling ......................................................................................... 18 Bodemkwaliteit ....................................................................................................................... 18 4.5.1 Wettelijk kader ......................................................................................................... 18 4.5.2 Onderzoek/beoordeling ........................................................................................... 18 4.5.3 Conclusie ................................................................................................................ 18 Geluidhinder ........................................................................................................................... 19 4.6.1 Wettelijk kader ......................................................................................................... 19 4.6.2 Conclusie ................................................................................................................
19 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................... 19 4.7.1 Wettelijk kader ......................................................................................................... 19 4.7.2 Beoordeling ............................................................................................................. 20
4.8
4.9 4.10
4.11
5
Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 26 5.1
6
4.7.3 Conclusie ................................................................................................................ 21 Externe veiligheid ................................................................................................................... 21 4.8.1 Wettelijk kader ......................................................................................................... 21 4.8.2 Beoordeling ............................................................................................................. 23 4.8.3 Conclusie ................................................................................................................ 23 Kabels en leidingen ................................................................................................................ 24 Water ...................................................................................................................................... 24 4.10.1 Inleiding ................................................................................................................... 24 4.10.2 Beleidskader ........................................................................................................... 24 4.10.3 Beoordeling .............................................................................................................
25 4.10.4 Conclusie ................................................................................................................ 25 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................................. 25 4.11.1 Wettelijk kader ......................................................................................................... 25 4.11.2 Conclusie ................................................................................................................ 25
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................ 26
Eindconclusie ............................................................................................................... 27
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer heeft het voornemen om het pand aan het Marijkeplein 7 te Kloosterzande te transformeren tot retailruimte. Op dit moment rust op de locatie de bestemming ‘maatschappelijk’. Het voornemen is om dit te veranderen naar bestemming ‘detailhandel’ met de aanduiding ‘dienstverlening’. Er is reeds contact geweest met de gemeente over voorgenomen plan en daar is overwegend positief op gereageerd. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Met de zogeheten uitgebreide omgevingsvergunning (art. 2.12 lid 1a onder 3 Wabo) kan worden afgeweken van het bestemmingsplan om uw voornemen planologisch te regelen. Het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing is een verplicht onderdeel van deze procedure. Middels de ruimtelijke onderbouwing zal worden aangetoond dat het voorgenomen initiatief voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt het ruimtelijk plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. Echter is er sprake van vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Met de gemeente Hulst is overeengekomen dat met deze ruimtelijke onderbouwing de initiatiefnemer kan meeliften door het indienen van een zienswijze. Aangetoond dient te worden dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening.
Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd dat het plan kan voldoen aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening. 1.2
Ligging en begrenzing planlocatie
Het plangebied is gelegen aan het Marijkeplein 7 te Kloosterzande, gemeente Hulst. Het perceel aan het Marijkeplein is direct gelegen aan de parkeerplaats die hoofdzakelijk wordt gebruikt door de bezoekers van de aangrenzende supermarkt. Daar omheen zijn voornamelijk woningen gevestigd. Aan het plein zijn naast woningen enkele horeca en detailhandel gevestigd. Ten noorden van het plangebied is de plaatselijke voetbalvereniging gevestigd en het gemeentelijke zwembad. Het Marijkeplein kan gezien worden als het centrum van het dorp. Twee belangrijke uitvalswegen worden via het plein met elkaar verbonden. Het gaat hier om de Cloosterstraat, de Beatrixstraat (die overgaat in de Irenestraat en Willem Alexanderstraat) en in mindere mate de Margrietstraat die overgaat in de Emmastraat. De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als Hontenisse, sectie H, perceel 3585. De projectlocatie heeft een totale oppervlakte van 363 m². In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied aangegeven.
Ruimtelijke onderbouwing
6
Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (bron: Google Maps)
Uitsnede kadastrale kaart met ligging plangebied. (bron: perceelloep.nl)
Ruimtelijke onderbouwing
7
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan ‘Kernen Hulst’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Hulst op 06-07-2018. In het bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Er zijn ook nog enkele aanduidingen aangegeven, maar deze zijn voor voorliggend plan niet van toepassing. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 2’. Het is verboden op of in deze gronden of in afwijking van een schriftelijke vergunninng van burgemeesters en wethouders werken en werkzaamheden uit te voeren wat betrekking heeft op grondbewerking, ophoging, aanleggen van sloten of vijvers of het uitvoeren van heiwerkzaamheden zonder dat onderzoek is gedaan naar de archeologische waardes in de grond. Conclusie De plannen zijn strijdig met het vigerende bestemmingsplan omdat in het vigerend bestemmingsplan er sprake is van een maatschappelijke functie waar detailhandel niet is toegestaan.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding plangebied. (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Ruimtelijke onderbouwing
8
2 Beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie 2.1
Bestaande situatie
De huidige projectlocatie is gelegen aan het Marijkeplein in Kloosterzande heeft de bestemming ‘maatschappelijk’. Voorheen was hier een zorginstelling gevestigd en op dit moment staat het leeg. Het Marijkeplein heeft een centrale functie binnen het dorp. Twee belangrijke uitvalswegen worden hier aan elkaar verbonden. Dit betreft de Irenstraat, die overloopt in de Beatrixstraat en de Cloosterstraat. Aan het plein is een supermarkt gevestigd en enkele horecafuncties. De overige percelen betreffen woningen en omsluiten de projectlocatie. Het plein zelf wordt gebruikt voor parkeerplekken. Deze bedienen voornamelijk de bezoekers van de supermarkt, maar ook de bewoners rondom het plein. Ten noorden van het perceel is de plaatselijke voetbalvereniging en het gemeentelijk zwembad gevestigd. De ontsluitingswegen voor deze functies komen uit op het Marijkeplein.
Uitsnede plangebied Marijkeplein 7 te Kloosterzande (Bron: GoogleMaps)
2.2
Gewenste situatie
De initiatiefnemer heeft het voornemen om de huidige functie om te zetten in de bestemming ‘Detailhandel’ met de aanduiding ‘Dienstverlening’. Het zal hier daarom om een inpandige functiewijziging waarbij geen bebouwing zal worden toegevoegd.
Ruimtelijke onderbouwing
9
3 Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Daarbij wordt ingezet op een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: •
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur;
•
het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
•
het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’, zoveel mogelijk over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk voor een groot deel los. In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, ruimte voor klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur. Verder is één van de nationale belangen die de SVIR benoemt, het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’. Concreet betekent dit onder meer dat ruimte zorgvuldig moet worden benut en overprogrammering moet worden voorkomen.
Om die doelstellingen te bereiken, is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Alle stedelijke ontwikkelingen dienen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
Ruimtelijke onderbouwing
10
Conclusie Het betreft een ontwikkeling van relatief beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. Het rijksbeleid is voor deze functiewijziging niet relevant. De ladder voor duurzame verstedelijking komt in paragraaf 3.1.3 aan de orde. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: •
Rijksvaarwegen;
•
Project mainportontwikkeling Rotterdam;
•
Kustfundament;
•
Grote rivieren;
•
Waddenzee en waddengebied;
•
Defensie;
•
Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen;
•
Elektriciteitsvoorziening;
•
Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
•
Natuurnetwerk Nederland;
•
Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
•
IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
•
Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden;
•
Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
Conclusie Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door het initiatief zal eveneens geen nationaal belang worden geschaad. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro. Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt: De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de
Ruimtelijke onderbouwing
11
stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen: 1) beoordeling of beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen; 2) indien er een vraag is aangetoond, beoordeling of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Stedelijke ontwikkeling Om aan deze verplichting uit de Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Onderhavig initiatief betreft het voornemen tot wijziging naar detailhandel. Dit wordt in beginsel gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling, maar zorgt niet voor meer ruimte beslag ten opzichte van de bestaande situatie.
In beginsel zal hiervoor een laddertoets moeten worden uitgevoerd, maar door de relatief kleine opgave zal dit niet nodig zijn. 3.2 3.2.1
Provinciaal beleid Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie
Het Omgevingsplan is het provinciaal beleidsplan voor ruimte, milieu, water en natuur en heeft een wettelijke basis in de Wet ruimtelijke ordening (art. 2.2), Wet Milieubeheer (art. 4.9) en Waterwet (art. 4.4). De structuurvisie is vastgesteld op 21 september 2018. Daarnaast ondersteunt het plan economische, sociale en mobiliteitsdoelen. Leefbaarheid is een belangrijke voorwaarde voor een goed woon-, werk- en vestigingsklimaat. De bevolkingssamenstelling van Zeeland verandert door vergrijzing, ontgroening en krimp. Met het aanhouden van deze demografische ontwikkelingen komt op enig moment een ondergrens in zicht voor cruciale voorzieningen. Een betaalbaar, bereikbaar en divers voorzieningenniveau en toekomstbestendig voorzieningenstelsel voor alle bewoners, toeristen en bedrijven is essentieel. Zoals eerder genoemd is de duurzaamheidsladder ook van toepassing op detailhandel. Kernwinkelgebieden vervullen een belangrijke economische en sociale functie voor bewoners en toeristen. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling van functies en versterking van attractieve steden ziet de gemeente Hulst de (binnenstedelijke) kernwinkelgebieden als primaire vesting plaats voor detailhandel.
Vestiging van detailhandel bedoeld voor laagfrequente, doelgerichte inkopen, zoals woon- en autobranche, doe-het-zelf, bruin- en witgoed en tuincentra, en nieuwe grootschalige detailhandel voorzieningen dient plaats te vinden in het kernwinkelgebied of op de aan de (binnen) stadsrand gelegen, specifiek daarvoor aangewezen en ingerichte perifere detailhandel vestigingslocaties (PDVlocaties). Verdere concentratie in PDV-locaties wordt alleen nagestreefd op een beperkt aantal locaties.
Ruimtelijke onderbouwing
12
Conclusie Het beoogde pand is gelegen op een centrale plek binnen het dorp Kloosterzande. Deze is omgeven door meerdere bedrijven met de functie detailhandel of horeca. Alhoewel het gebied niet specifiek is aangewezen als kernwinkelgebied, past de omgeving van het plangebied hier wil goed tussen door de diversiteit aan functies. De beoogde winkel kan gezien worden qua aankoopbeleid als laagfrequent. Deze plaatst de gemeente graag in de kernwinkelgebieden. 3.2.2
Provinciale Ruimtelijke verordening
De Omgevingsverordering van de provincie Zeeland bevat provinciale regels over de fysieke leefomgeving die voor iedereen gelden. Deze is vastgesteld op 28 september 2009 en is geconsolideerd op 22 september 2020. Er zijn drie soorten regels:
Voor burgers en bedrijven over vergunningsplichten Voor de overheid om vergunningsaanvragen te beoordelen Instructies over hoe gemeenten en waterschappen hun taken en bevoegdheden moeten uitoefenen.
Over detailhandel zegt de omgevingsverordening dat nieuwe detailhandelsvoorzieningen worden primair toegestaan in kernwinkelgebieden. Wanneer de beoogde functie niet binnen een kernwinkelgebied valt omdat deze niet aanwezig is zal detailhandel alsnog worden toegestaan. Conclusie Betreffende het voornemen tot de realisatie van een inpandige wijziging naar detailhandel ziet de provincie Zeeland geen bezwaren ten opzichte van het vastgestelde beleid. 3.3 3.3.1
Gemeentelijk beleid Structuurvisie gemeente Hulst
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht een gemeenteraad een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied. Hierin dienen de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van de gemeente te worden vastgelegd. Enerzijds worden in de structuurvisie toekomstige plannen met een ruimtelijke component en de samenhang daartussen inzichtelijk gemaakt. Anderzijds wordt in de structuurvisie de mogelijkheid van kostenverhaal gecreëerd. De structuurvisie fungeert voor het gemeentebestuur als (ruimtelijk) afwegingskader bij de beoordeling van nieuwe initiatieven. In de structuurvisie Hulst wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Hulst op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied naar toe gaat in 2025. Hierbij is het van belang dat de structuurvisie voldoende ruimte biedt om nadere afwegingen te maken, zonder dat alles is dichtgespijkerd. Deze structuurvisie is vastgesteld op 15 mei 2012. De gemeente Hulst ziet in Hulst graag een concentratie van detailhandel. Hier wordt niks over gezegd betreffende Kloosterzande. Wel ziet de gemeente dat Kloosterzande een van de belangrijkere locaties is binnen de gemeente met betrekking tot winkelen. Bedrijven binnen de detailhandel met een groot vloeroppervlak worden het liefst gevestigd in Hulst. Mede omdat uit ervaring blijkt dat grotere bedrijven moeilijk van de grond komen in deze omgeving.
Dat is ook te zien in de ruimtelijke spreiding van kleinere detailhandel en horeca in Kloosterzande. Naast de bedrijventerreinen komt in de dorpen kleinschalige bedrijvigheid en dienstverlening voor. Zo komt van oudsher langs de oude bebouwingslinten bedrijvigheid voor. Kleinschalige bedrijvigheid en dienstverlening in de dorpen wordt vanuit het oogpunt van levendigheid wenselijk geacht, mits zij zich qua maat, schaal, uitstraling, verkeersaantrekkende werking en milieubelasting voegt naar de woonfunctie. Een actieve houding om, binnen de marges van de milieuwetgeving en de sociale dynamiek, kleinschalige bedrijfsactiviteiten (publieksgericht, dienstverlenend of ambachtelijk) toe te laten in de dorpen, wordt voorgestaan. Daarin past ook het streven om bedrijven te stimuleren op eigen wijze invulling te geven aan “maatschappelijk verantwoord ondernemen”.
Ruimtelijke onderbouwing
13
Conclusie De gemeente geeft aan kleinschalige dienstverlening en bedrijvigheid in de dorpen te stimuleren met betrekking op de levendigheid van de dorpen binnen Hulst. De beoogde ontwikkeling past binnen kleinschalige dienstverlening waarbij een uit gebruik geraakte zorginstelling verdwijnt.
Ruimtelijke onderbouwing
14
4 Uitvoeringsaspecten In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Achtereenvolgens komen de aspecten ten aanzien van flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie en de milieuaspecten aan bod. 4.1
Flora- en fauna
4.1.1
Wettelijk kader
Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998). Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden (voorheen geregeld in de flora- en faunawet). Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.
Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. NNN Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota’s en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.
Ruimtelijke onderbouwing
15
4.1.2
Effect te vergunnen activiteiten
Voorgenomen ontwikkeling heeft het voornemen om de huidige bestemming ‘Maatschappelijk’ om te zetten naar ‘Detailhandel’ met de aanduiding ‘Dienstverlening’. Dit betreft een planologische wijziging, wat betekent dat er geen bouwactiviteiten zullen plaatsvinden. Voorgenomen initiatief zal dan ook geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het NNN. Tevens zal de ontwikkeling geen negatief effect hebben op beschermde soorten. Nader ecologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.1.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. 4.2
Cultuurhistorie en archeologie
4.2.1
Cultuurhistorie
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 4.2.2
Archeologie
Wettelijk kader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Monumentenwet 1988 Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten Wet tot behoud van cultuurbezit Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 Regeling materieel beheer museale voorwerpen
De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de gelden in de voorgaande regelingen. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn: •
archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
•
in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
•
de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Ruimtelijke onderbouwing
16
De projectlocatie kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Omdat met de beoogde ontwikkeling de gronden niet zullen worden geroerd, zal er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Voorts zijn op basis van deze wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Conclusie De gewenste ontwikkeling vindt plaats op beschermd archeologisch gebied. Echter zal de grond niet worden geroerd waardoor nader onderzoek in het kader van de archeologie niet noodzakelijk is. 4.3 4.3.1
Verkeer en parkeren Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten via de Emmastraat en de Beatrixstraat. Het is van belang om de functie van de bestaande bebouwing en van de beoogde bestemming volgens het CROW 381. De functie van de bebouwing betreft een wijkcentrum voor ouderen waar laagdrempelige zorg kon worden geleverd en waar ouderen samen konden komen. Volgens het CROW is het moeilijk om hier een definitie aan te verbinden en daarom is gekozen voor een categorie die het dichtstbij komt. Er is gekozen voor een consultatiebureau voor ouderen waar wordt gemeten per behandelruimte. Na raadpleging zijn wij tot de conclusie gekomen dat gerekend zal worden voor vier behandelruimtes. In de huidige situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van CROW in publicatie 381: Toekomstbestendig parkeren. Hierin is gekeken naar een consultatiebureau voor ouderen met een verkeersgeneratie van minimaal 5,6 en maximaal 6,6 per behandelruimte. Dit komt neer op een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 24,4 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden met een pand met vier behandelruimtes in het centrum in een niet stedelijk gebied. Voor onderhavig initiatief is gekozen voor een kleine supermarkt. De verkeersgeneratie berekend door het CROW voor deze functie staat niet gelijk aan de beoogde functie. De beoogde functie betreft detailhandel met relatief weinig bezoekers.
Er kan daarom worden aangenomen dat de verkeersgeneratie voor onderhavig initiatief opgelost wordt binnen de bestaande verkeerssituatie. 4.3.2
Parkeren
Op basis van de eerder genoemde publicatie ‘CROW 381 Toekomstbestendig parkeren kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Op dit moment is er een voormalig wijkcentrum gevestigd voor thuiszorg van de organisatie ZorgSaam. Voor een consultatiegebouw voor ouderen geldt een gemiddelde parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per behandelruimte. Voor de locatie geldt dan een gemiddelde parkeernorm van 5,2 parkeerplaatsen. Hierbij is rekening gehouden met een pand met vier behandelruimtes in het centrum in een niet stedelijk gebied. In de nieuwe situatie komt er detailhandel met aanduiding dienstverlening. In het CROW 381 is hier geen duidelijke aanduiding voor, daarom is in overleg met de gemeente Hulst er voor gekozen om een parkeercijfer van een kleine buurtsupermarkt. Voor zo’n functie geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,2 per 100 m2 bvo. De locatie heeft een oppervlakte van 235 m2 bvo waarvoor een parkeernorm geldt van gemiddeld 5,17, afgerond 5 parkeerplekken. Ruimtelijke onderbouwing
17
Conclusie De parkeernorm neemt met onderhavig initiatief blijft gelijk. Gezien de ligging, de beoogde activiteit en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied. 4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. 4.4.2
Onderzoek / beoordeling
Het initiatief kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. 4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1
Wettelijk kader
Het Besluit op de ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.5.2
Onderzoek/beoordeling
Onderhavig initiatief betreft een wijziging naar ‘Detailhandel’ op een locatie die bestemd is als ‘Maatschappelijk’. Ten aanzien van het initiatief zal zullen er geen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. De planologisch geldende functie van het pand betreft bovendien geen milieugevoelige functie 4.5.3
Conclusie
Er zullen geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige perceel.
Ruimtelijke onderbouwing
18
4.6
Geluidhinder
4.6.1
Wettelijk kader
Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km /h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Het plangebied wordt ontsloten via de Emmastraat, die overloopt in de Margrietstraat en via de Beatrixstraat, die overloopt in de Irenestraat. Deze wegen betreffen 30 km/u wegen. Daarnaast is de planlocatie geen gevoelige functie en ligt het niet in de geluidszone van een weg met een hogere snelheidswaarde. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde.
De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidszone. 4.6.2
Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende
Ruimtelijke onderbouwing
19
activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan het Marijkeplein met de afwisseling van functies (zowel wonen als verschillende bedrijfsfuncties), worden gekarakteriseerd als gemengd gebied.
Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstand tot omgevingstype en rustig buitengebied gemengd gebied 1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Richtafstanden en omgevingstype
Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2
Beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De beoogde functie zal detailhandel betreffen wat valt onder milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter. Er kan daarom vanuit worden gegaan dat de functie niet overlast gevend zal zijn voor omliggende functies. Daarnaast zullen de omliggende functies niet overlast gevend zijn voor de beoogde bedrijfsfunctie.
Ruimtelijke onderbouwing
20
4.7.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt de realisatie naar detailhandel niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8