GR OD Zeeland integrale versie
Tekst van het document
GR Omgevingsdienst Zeeland Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen Artikel 1: Begripsomschrijvingen Deze regeling verstaat onder: a) Omgevingsdienst Zeeland: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2; b) colleges: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en gedeputeerde staten van de provincie; c) gemeenten: gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord- Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen; d) provincie: de provincie Zeeland; e) deelnemers: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en gedeputeerde staten van de provincie; f) vertegenwoordigende organen: raden van de gemeenten en de provinciale staten van de provincie. g) regeling: gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland; h) Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen. i) Basistakenpakket: de werkzaamheden die onder het basistakenpakket vallen zoals omschreven in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit Artikel 2: Openbaar lichaam 1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Omgevingsdienst Zeeland gevestigd te Terneuzen. 2. Het rechtsgebied van de Omgevingsdienst Zeeland omvat de provincie Zeeland. 3. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Hoofdstuk 2: Belang, taken en bevoegdheden Artikel 3: Belang De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van de colleges bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Omgevingswet in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht. Artikel 4: Bestuursorganen De Omgevingsdienst Zeeland kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. Artikel 5: Taken en bevoegdheden 1. Aan de bestuursorganen van de Omgevingsdienst Zeeland worden geen bevoegdheden overgedragen. 2. De colleges verplichten zich er voor zorg te dragen dat namens hun bestuur ten minste de bevoegdheden noodzakelijk voor de uitvoering van het basistakenpakket aan de directeur in mandaat worden opgedragen. 3. De Omgevingsdienst Zeeland kan met instemming van het algemeen bestuur ook diensten aan andere bestuursorganen verlenen. 4. De privaatrechtelijke bevoegdheden van de Omgevingsdienst Zeeland worden niet beperkt. 5. Het algemeen bestuur kan slechts bij twee derde meerderheid besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.
Het algemeen bestuur beslist hier slechts toe indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. 6. Het algemeen bestuur stelt een dienstverleningshandvest op, dat geldt als algemene voorwaarden voor de dienstverlening aan deelnemers en derden. In het dienstverleningshandvest worden in elk geval opgenomen: a. de taken die voor elke deelnemer structureel door de Omgevingsdienst Zeeland moeten worden uitgevoerd;
b.
7. 8.
de voorwaarden voor wijziging van het onder a. bedoelde takenpakket, alsmede voor uitoefening van andere incidentele taken; c. de aansprakelijkheid, verzekering en geschillen met betrekking tot de taakuitoefening; d. de financiële verrekening van de dienstverlening; e. de wijze van de vaststelling van het standaard uurtarief, en f. een voorziening in geval van niet voldoen aan de door de deelnemers gestelde eisen. Het dienstverleningshandvest, bedoeld in het vorige lid, wordt met twee derde meerderheid vastgesteld. Het Dagelijks Bestuur sluit dienstverleningsovereenkomsten met betrekking tot de uit te voeren taken, zowel structurele als incidentele taken, de financiële vergoeding daarvoor en eventuele aanvullende afspraken daaromtrent. Bij de dienstverleningsovereenkomst kan niet worden afgeweken van het in vorige lid bedoelde dienstverleningshandvest, tenzij het algemeen bestuur hier met twee derde meerderheid mee instemt.
Artikel 6: Bezwaar en beroep Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 7: Klachtrecht Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.
Hoofdstuk 3: Het algemeen bestuur Artikel 8: Samenstelling 1. De colleges wijzen ieder uit hun midden één lid van het algemeen bestuur aan. 2. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt wethouder of burgemeester respectievelijk gedeputeerde of commissaris van de Koning te zijn. 3. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het lid blijft aan tot het college dat hem heeft aangewezen in zijn opvolging heeft voorzien. 4. De colleges wijzen ieder uit hun midden minstens één plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het plaatsvervangend lid vervangt het lid, bedoeld in het eerste lid, bij afwezigheid. Hetgeen in deze regeling bepaald is omtrent het lid van een algemeen bestuur, is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid. 5. De colleges kunnen ieder het door hen in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 9: Bevoegdheden van het algemeen bestuur 1. Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.
Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet. 2. De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar: a. het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d. het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening; e. het vaststellen van een verordening tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht; g. het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling; h. Het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24 en 25 van de Wgr.
Artikel 10: Werkwijze 1. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast en brengt dit ter kennis van de colleges. 2. Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste een-vijfde van het algemeen bestuur dit verzoeken onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen. 3. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in artikel 84 Provinciewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd. 4. Uit de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het Algemeen bestuur). 5. Het lid van het algemeen bestuur, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie heeft zeven stemmen.
De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten hebben ieder één stem. Artikel 11 Openbaarheid vergaderingen 1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 2. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij het algemeen bestuur anders beslist. 3. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening. 4. In een besloten vergadering kan evenmin worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, over het ontslag van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter. 5. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter zake van: a. het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekeningcourantovereenkomsten; b. het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van eigendommen; c. het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd.
HOOFDSTUK 4: HET DAGELIJKS BESTUUR Artikel 12: Samenstelling Het dagelijks bestuur bestaat uit de door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen leden, waaronder de voorzitter, waarbij: a. het lid van het algemeen bestuur aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie wordt aangewezen als lid van het dagelijks bestuur; b. een lid van het dagelijks bestuur wordt aangewezen uit de leden van het algemeen bestuur aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal en Tholen; c. een lid van het dagelijks bestuur wordt aangewezen uit de leden van het algemeen bestuur aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Middelburg, Schouwen-Duiveland, Veere en Vlissingen, en d. een lid van het dagelijks bestuur wordt aangewezen uit de leden van het algemeen bestuur aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen. Artikel 13: Einde lidmaatschap 1. Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.
2.
3.
Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid in het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 14: Werkwijze 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen. 2. Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur. 3. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, heeft de voorzitter een beslissende stem. 4. Ieder lid heeft één stem. 5. Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. 6. Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de overeenkomstige bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Provinciewet van toepassing. Artikel 15: Taak De taak van het dagelijks bestuur is onder andere: a. het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van de Omgevingsdienst Zeeland; b. het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van de Omgevingsdienst Zeeland, evenals op al wat de Omgevingsdienst Zeeland aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden; c.
het behartigen van de belangen van de Omgevingsdienst Zeeland bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de Omgevingsdienst Zeeland van belang is. HOOFDSTUK 5: DE VOORZITTER Artikel 16: Benoeming en Taak 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen voor een periode van vier jaar. Een voorzitter kan maximaal twee aaneensluitende termijnen worden aangewezen. 2. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 3. Indien het voorzitterschap tussentijds vacant komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuwe voorzitter aan voor een periode van vier jaar. Tot in de benoeming van een nieuwe voorzitter is voorzien treedt de plaatsvervangend voorzitter als voorzitter op. Indien ook de positie van plaatsvervangend voorzitter vacant is, voorziet het dagelijks bestuur in de tijdelijke waarneming van het voorzitterschap. 4. Uit de andere leden als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt minstens een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het algemeen bestuur. 5. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 6.
De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan. 7. De voorzitter vertegenwoordigt de Omgevingsdienst Zeeland in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde. 8. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer, die partij is in een geding waarbij de Omgevingsdienst Zeeland is betrokken, wordt de Omgevingsdienst Zeeland door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.
HOOFDSTUK 6: DE DIRECTEUR Artikel 17: Functie, Benoeming en Taak 1. De bestuursorganen van de Omgevingsdienst Zeeland worden bijgestaan door een directeur, aan wie in het dagelijks bestuur een adviserende stem toekomt. De directeur vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en ten behoeve van het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris. 2. De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur. 3. De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de Omgevingsdienst Zeeland. 4. De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. 5. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een instructie. De instructie wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur. 6. De directeur is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. 7. De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden. 8. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de ambtelijk secretaris. HOOFDSTUK 7: INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 18: Interne verantwoording 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2.
Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. 3. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur. Artikel 19: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur 1. Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer vertegenwoordigende organen worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige vertegenwoordigende organen. 3. Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen of dagelijks bestuur met een tussentijdse rapportage tijdig ter informatie naar de vertegenwoordigende organen.
Artikel 20: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan zijn college en zijn vertegenwoordigend orgaan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 16 en 52 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van het vertegenwoordigend orgaan aangegeven wijze. HOOFDSTUK 8: HET PERSONEEL Artikel 21: Personeel 1. Bij de Omgevingsdienst Zeeland is personeel werkzaam. 2. Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van de Omgevingsdienst Zeeland de arbeidsvoorwaardenverordening vast. 3. Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden. 4. Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het dagelijks bestuur. HOOFDSTUK 9: FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 22: Begrotingsprocedure 1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van de Omgevingsdienst Zeeland voor het komende kalenderjaar, evenals de algemene financiële en beleidsmatige kaders (lees: ontwerpbegroting en de financieel en beleidsmatig onderbouwde meerjarenraming), aan de
2. 3.
4.
5.
vertegenwoordigende organen. Het bepaalde in 194 lid 1 van de Provinciewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). De vertegenwoordigende organen kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. Het bestuur geeft deelnemers de gelegenheid om zienswijzen te geven over begrotingswijzigingen. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting of bij wijzigingen die geen invloed hebben op de hoogte van deelnemersbijdragen.
Artikel 23: Bijdragen van de deelnemers 1. Het algemeen bestuur stelt een bijdrageverordening vast, die de uitgangspunten voor de toerekening van de kosten bevat. Het besluit tot het vaststellen van een bijdrageverordening wordt in afwijking van artikel 10 genomen met een twee derde meerderheid. 2. De kosten over het lopende kalenderjaar worden bij de gemeenten en de provincie in rekening gebracht op basis van de door het algemeen bestuur voor het betreffende jaar, bij de begroting, vastgestelde uitgangspunten. 3. In de begroting staat welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de Omgevingsdienst Zeeland. De deelnemers betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van maand een/twaalfde deel van de bedoelde bijdrage. 4. De gemeenten en de provincie zullen er steeds zorg voor dragen, overeenkomstig de systematiek voor kostentoedeling opgenomen in de bijdrageverordening, bedoeld in lid 1, dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, onverminderd het bepaalde in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 5.
Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet. Artikel 24: Reserve 1. De Omgevingsdienst Zeeland vormt een reserve ten laste van de bijdragen van de gemeenten en de provincie aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld. 2. Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op verzoeken van deelnemers hierover past het dagelijks bestuur de VZG-afspraken tussen de deelnemers over de te vormen reserve toe. Artikel 25: Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de voorlopig opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemers te betalen bijdragen, naast het (voorlopig) rapport van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de vertegenwoordigende organen toegezonden. 3.
Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan toevoeging aan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de vertegenwoordigende organen in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.
5. 6.
De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezonden, maar vóór 15 juli. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
HOOFDSTUK 10: HET ARCHIEF EN INFORMATIEVEILIGHEID Artikel 26: Archief 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan. Artikel 27: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemers moeten voldoen. Artikel 28: Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken bij: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c.
indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; e. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.
HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING
Artikel 29: Toetreding 1. Een bestuursorgaan brengt een verzoek tot toetreding ter kennis van het algemeen bestuur. 2. Toetreding kan geschieden nadat de colleges hiertoe unaniem hebben besloten, na verkregen toestemming van het vertegenwoordigend orgaan, als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het algemeen bestuur kan daarbij voorwaarden stellen. 3. Het toetredingsbesluit regelt wanneer de toetreding in werking treedt. Artikel 30: Aanvang uittredingsprocedure 1. De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen. 2. Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het conceptuittredingsplan. 3. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.
4.
De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeen komen.
Artikel 31: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.
Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 32 gelet op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 23 en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Artikel 32: Te vergoeden kosten 1.
De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, vijfde lid. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door Omgevingsdienst Zeeland die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 31, achtste lid, anders is vastgelegd. 5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 30, vierde lid. 7. Indien te kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoelt in artikel 31 en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft kan het algemeen bestuur in overleg met deelnemer
8.
besluiten om in afwijking van het bepaalde in dit lid de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 33: Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Omgevingsdienst Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden. Artikel 34: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges daartoe unaniem besluiten, met inachtname van artikel 51 Wgr. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers. 3. Voorstellen uitgaande van het algemeen of dagelijks bestuur worden toegezonden aan de colleges. 4. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemers worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen binnen acht weken aan de colleges doet toekomen. Artikel 35: Geschillen 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies. 2. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het college waarmee het geschil bestaat. 3. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het college waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende college op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen. 4. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende college. 5. Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen.
Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 136 van de Grondwet en artikel 20 van de Wet op de Raad van State voor te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Afdeling advisering van de Raad van State. 6. De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende college ieder voor de helft gedragen. Artikel 36: Ontbinding en liquidatie 1. De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 Wgr, bij een daartoe strekkend unaniem besluit van de colleges van de deelnemers. 2. Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van deelnemers en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling. 4. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.
5. 6.
Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “(Omgevingsdienst Zeeland GR i.l.)”.
HOOFDSTUK 12: SLOTBEPALINGEN Artikel 37: Evaluatie 1. De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich in artikel 3 heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken uit artikel 5. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie. 2. De stemverhouding in artikel 10, vijfde lid, wordt na 2 jaar na inwerkingtreding van deze regeling in opdracht van het algemeen bestuur geëvalueerd. Artikel 38: Titel 1. De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zeeland”. 2. Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking. Per die datum komt de Gemeenschappelijke regeling Regionale uitvoeringsdienst Zeeland door inwerkingtreding van onderhavige regeling te vervallen.