Conceptverslag commissie Samenleving 11-06-2025
Tekst van het document
Verslag Commissievergadering Samenleving d.d. 11 juni 2025 Aanwezig: J. van Eck (HulstPLUS), R. Lambert (PvdA), M. de Bruijn-van Denderen (VVD), M. Strooband-de Moor (ABGH), M. Segers (ABGH), F. van Driessche (Groot Hontenisse-Hulst), H. van de Walle (D66), D. Bracke (CDA), T, Willaert (Fractie Willaert), R. Ruissen (wethouder), D. Steijaert (wethouder), L. Mangnus (wethouder), J. Kramer (ambtelijke ondersteuning), J. de Block (voorzitter), S. van Doorsselaer (griffier) Afwezig: J. van Sikkelerus-Schuermans (PvdA), L. Verbiest (ABGH), M. Nijs (D66), H. Baouchi (Groot Hontenisse-Hulst), C. de Kraker (VVD), M. Eckhardt (Fractie Eckhardt), J. Kartner (FvD) 1. Opening De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. 2. Mededelingen De voorzitter meldt de afwezigen. 3. Vaststellen agenda De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 4. Verslag vorige vergadering d.d. 12 maart 2025 Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld. De voorzitter vraagt aan de wethouder of er meer informatie is over actiepunt 43, het sport- en cultuurhart Kloosterzande. Wethouder Mangnus meldt dat het sport- en cultuurhart Kloosterzande onder de lopende ontwikkelingen valt en er op dit moment niets nieuws te melden is. De heer Bracke vraagt om een terugkoppeling van het overleg eind april met de stichting sport- en cultuurhart Kloosterzande.
De heer Van Driessche vraagt om duidelijkheid over gemaakte afspraken en het ontbreken van een verslag. De heer Willaert geeft aan dat initiatiefnemers aangeven niets te horen en terughoudend zijn om zelf contact op te nemen, uit angst het proces te verstoren. Hij vindt dit geen goede gang van zaken en is benieuwd naar de stand van zaken. De voorzitter constateert dat het overleg over het sport- en cultuurhart Kloosterzande morgen plaatsvindt. Hij gaat vervolgens verder met actiepunt 44, over de subsidie voor het project Hulst voor Elkaar. Het bijbehorende stuk, A87, is toegezegd en geagendeerd voor de commissie Samenleving op 3 sept 2025. Wethouder Ruissen geeft aan dat het agendapunt al is behandeld, waarschijnlijk tijdens de vorige commissievergadering. Hij herkent het stuk met aanduiding A87 niet direct, maar gaat ervan uit dat het besproken is. De voorzitter stelt voor het punt van de agenda te schrappen.
1
De heer Van Eck verduidelijkt dat het betreffende stuk op de agenda stond, maar later in een besloten vergadering is behandeld. Hij vraagt of er nog een verslag van die vergadering komt, omdat er veel is besproken en hij het belangrijk vindt dat die informatie schriftelijk wordt vastgelegd. De voorzitter zegt toe om na te gaan of er een verslag komt van de besloten vergadering. Vervolgens behandelt hij actiepunt 45 over de LHBTI-gemeenschap. Dit onderwerp is vast agendapunt bij de ontwikkeling van het sociaal domein en komt later terug bij punt 6 en 7. Actiepunt 46 over het zwembad beschouwt hij als afgerond, aangezien er vorige week een infosessie heeft plaatsgevonden waarin het onderwerp voldoende is besproken. Wethouder Steijaert vult aan dat er op 3 juni 2025 een presentatie over het zwembad is gegeven aan de raad. Op 9 september volgt een vervolg. Tijdens de presentatie is al enige richting bepaald en hij heeft de opdracht gekregen om de financiële uitwerking verder in kaart te brengen. Dat vormt de basis voor een inhoudelijke discussie op 9 september over het verdere verloop van het project. Mevrouw Strooband-de Moor geeft aan dat ze een mail heeft ontvangen waarin staat dat er in september 2025 nog geen financiële onderbouwing beschikbaar is, terwijl dat wel de eis was.
Wethouder Steijaert legt uit dat gevraagd is om verdere financiële onderbouwing, maar dat die tegen september 2025 nog niet volledig uitgewerkt zal zijn. Het dossier is complex, met samenhangende economische, juridische en financiële aspecten. De heer Van Eck stelt dat ze na de bijeenkomst nadere informatie hebben ontvangen, waaronder een duidelijke samenvatting van de griffier. Vragen over onder andere de pariteit zijn netjes en helder beantwoord. Daarom denkt hij dat er op 9 september 2025 goed over de financiën gesproken kan worden, vooral over de verdeling van de kosten. De voorzitter herhaalt dat het onderwerp na het zomerreces, rond 9 september 2025 of iets later, opnieuw wordt besproken, inclusief de financiële afhandeling. Vanavond vindt er geen verdere discussie plaats, omdat de gemaakte afspraken tijdens de infosessie worden gevolgd. 5. Spreekrecht burgers Mevrouw Bleijenberg spreekt in namens actiecomité Behoud basisschool Sint Jozef en kinderopvang Nieuw-Namen. De inspreker spreekt namens ouders, grootouders, verenigingen en dorpelingen. Ze maakt zich zorgen over het voortbestaan van de basisschool in Sint Jozef, vanwege het lage aantal kinderen en de voorspellingen voor de toekomst. Veel jonge gezinnen kiezen ervoor hun kinderen in België naar school te laten gaan, mede vanwege financiële voordelen en ingewikkelde toeslagen in Nederland.
Er zijn zelfs wachtlijsten bij de Belgische scholen vlak over de grens, terwijl de kinderen in het dorp horen te blijven. Ze vraagt de gemeente dringend om een nieuwe impuls te geven, bijvoorbeeld door gratis kinderopvang in te voeren zoals eerder succesvol gebeurde in Heikant. Dit zou jonge ouders stimuleren om voor de school in het dorp te kiezen. Ze benadrukt dat het behoud van de school cruciaal is voor de leefbaarheid van het dorp, omdat zonder school ook gezinnen, voorzieningen en de sociale verbinding verdwijnen. De heer Van Driessche benadrukt dat de basisschool zorgt voor verbinding, maar momenteel in een moeilijke situatie verkeert. Hij vraagt hoeveel kinderen in de betreffende leeftijdsgroep in NieuwNamen wonen. De inspreker antwoordt dat ze niet precies weet hoeveel kinderen er wonen, maar dat er ongeveer 34 kinderen op de school zitten en ongeveer 36 kinderen uit Nieuw-Namen in België naar school gaan. De heer Van Driessche merkt op dat met ongeveer zeventig kinderen de school normaal gesproken goed te behouden is. Hij vraagt waarom ouders dan toch kiezen voor grotere scholen in België,
2
ondanks het voordeel van kleinere groepen en meer aandacht in hun eigen dorp. De inspreker legt uit dat het vooral gaat om financiële redenen. In België zijn de tarieven voor kinderopvang vast en duidelijk, terwijl dat in Nederland ontbreekt. De heer Van Driessche vraagt of regionale samenwerking met andere dorpen, zoals genoemd in het ontwikkelingsdocument, door het actiecomité ook wordt gezien als een mogelijke oplossing. De inspreker vindt de samenwerking die er nu is, waarbij kleinere groepen enkele dagen naar Clinge gaan, een goede oplossing. Maar ze vreest dat als de hele school wordt weggehaald, er voor jonge gezinnen weinig redenen overblijven om in Nieuw-Namen te blijven wonen. De heer Van Driessche vraagt of de inspreker vreest dat de school dan uiteindelijk helemaal naar Clinge of elders verhuist en concludeert dat gratis kinderopvang de oplossing is. Mevrouw De Bruijn-van Denderen merkt op dat het vreemd is dat er zo vlakbij in Europa zulke verschillende regelingen bestaan, waar de gemeente weinig aan kan doen. Ze vraagt bovendien of de school in België bijvoorbeeld vijf dagen per week open is. De inspreker bevestigt dat de Belgische scholen vijf dagen per week open zijn en vaak tot vier uur duren. Er is wel een middagpauze van ongeveer anderhalf uur, waarbij opvang wordt geboden.
Mevrouw De Bruijn-van Denderen vraagt of er een speciaal systeem is voor het aanvragen van toeslagen wanneer een ouder of beide ouders inkomen uit België hebben, omdat dat erg ingewikkeld is. De inspreker vertelt dat zij en haar man beide inkomen uit België hebben en hun kinderen daar ook opvang hebben gehad. Ze probeerden opvang in Nieuw-Namen te regelen, maar de kosten en onduidelijkheden rondom toeslagen en kinderbijslag maakten het financieel onaantrekkelijk om te blijven werken. Het aanvragen van toeslagen in Nederland bleek erg ingewikkeld, met veel gedoe en onduidelijkheden. Daarom kozen ze uiteindelijk toch voor de opvang net over de grens, omdat dat veel eenvoudiger is. De heer Bracke roept de commissie op om samen een motie te ontwikkelen om de basisschool in Nieuw-Namen toekomstbestendig te maken en open te houden. Hij verwijst naar eerdere onderzoeken en pilots met gratis kinderopvang, waarvan de landelijke uitrol steeds wordt uitgesteld, terwijl dat voor Nieuw-Namen te laat kan zijn. Hij vraagt hoeveel kinderen er nu in de opvang zitten. De inspreker geeft aan dat dit twee kinderen zijn. Mevrouw Segers stelt voor om een regeling te ontwikkelen die het aanvragen van toeslagen voor ouders met een inkomen uit België gemakkelijker maakt en financieel ondersteunt.
Daarnaast vindt ze dat de inwoners van Nieuw-Namen, vanuit het gelijkheidsbeginsel, recht hebben op dezelfde mogelijkheden voor kinderopvang als die in Heikant zijn ingevoerd. De heer Willaert benadrukt dat het probleem verder gaat dan alleen de school en raakt aan leefbaarheid, bereikbaarheid, verenigingen en gemeenschapsvoorzieningen. Hij noemt het belangrijk dat mensen direct geholpen worden bij toeslagen, omdat dat gezinnen kan overhalen om te blijven. Hij vraagt de inspreker of ze kan aangeven om welk bedrag het precies gaat en waarom dat een drempel vormt. De inspreker vindt het lastig om exacte bedragen te noemen, omdat mensen daar niet altijd open over zijn. Ze vertelt dat zij tien jaar geleden voor haar zoon kinderopvang aanvroeg, wat toen ongeveer tussen de zevenhonderd en achthonderd euro per maand kostte voor vijf halve dagen. Ze krijgt kinderopvangtoeslag uit België, maar er werd gezegd dat ze in Nederland geen recht had op toeslag. Omdat zij beiden fulltime werken, zou het financieel gezien voordeliger zijn om te stoppen met werken.
3
De heer Willaert benadrukt dat het probleem veel groter is dan alleen de school in Nieuw-Namen, het speelt breder in de hele grensstreek. Hij erkent dat de financiële middelen van de gemeente beperkt zijn, maar ook dat er al initiatieven zijn, zoals in Sluis. Hij roept zijn collega’s op om fundamentele vragen te stellen over wat ze nu echt willen bereiken, verwijzend naar de woonvisie. Hij wil dat dit serieus als toekomstig bespreekpunt wordt neergelegd, omdat het niet alleen gaat om financiering en toeslagen, maar ook om het bredere maatschappelijke probleem van personeelstekorten in zorg en onderwijs. De heer Lambert verwijst naar een motie die op 3 juli 2025 in de gemeenteraad komt over het betaalbaar of gratis maken van kinderopvang in Nieuw-Namen, waarvan hij zegt dat die door veel partijen wordt ondersteund. Wat hem echter verbaast is dat niemand tot nu toe het onderwerp Elevantio heeft genoemd. Hij herinnert aan een eerdere presentatie van Elevantio, waarbij hij een subtiele boodschap kreeg dat er achter de schermen al besloten zou zijn om scholen te sluiten, niet alleen in Nieuw-Namen, maar ook elders in Hulst. Hij vraagt de inspreker of ouders, leerlingen en personeel van de school ook echt als serieuze gesprekspartners worden gezien door Elevantio en ook door het college en de wethouder.
De inspreker geeft aan dat het proces te lang duurt, omdat er steeds nieuwe onderzoeken worden gedaan zonder dat er echte stappen worden gezet. Ze vinden dat er vooral naar cijfers wordt gekeken, terwijl de situatie al bekend is. Daarom willen ze nu zelf de regie nemen, omdat het niet alleen om de kinderen gaat, maar om de hele gemeenschap. Ze benadrukt dat het tijd is om zelf actie te ondernemen in plaats van af te wachten. De heer Lambert vreest dat het tijdrekken een strategie kan zijn om uiteindelijk de school te moeten sluiten vanwege te weinig leerlingen. Hij hoopt dat dit niet gebeurt en benadrukt dat de gemeenteraad een motie kan aannemen om de school te behouden, mits er een wethouder is die zich daarvoor inzet. De inspreker vertelt dat er recent een vergadering was met ouders en de school om het afgelopen jaar en het onderzoek te bespreken. Ze kregen te horen dat er eerst een jaar zekerheid was, maar dat nu duidelijk is dat het grote probleem bij groep 6 ligt, waar momenteel negen leerlingen zitten. Als die negen leerlingen verdwijnen en er komt er maar een nieuwe bij, ontstaat er een knelpunt. Hierdoor hebben ze nu twee jaar om te laten zien dat het dorp samen kan zorgen dat meer ouders voor de lokale kinderopvang en school kiezen, zodat de school kan blijven bestaan.
De heer Lambert heeft nog een aanvullende vraag over het principe van het uitwisselen van leerlingen, waarbij kinderen deels naar Clinge gaan. Hij noemt dit op zich een goed initiatief, maar betwijfelt of het slim is voor het openhouden van een dorpsschool om kinderen naar een andere school in een ander dorp te laten gaan. De inspreker legt uit dat het vooral voor kleine groepen goed is dat kinderen soms naar een andere school zoals Clinge gaan. Dit zorgt ervoor dat ze meer kinderen ontmoeten, beter leren samenwerken en sociale contacten opbouwen. De heer Van Eck verwijst naar het positieve voorbeeld van Heikant en vraagt concreet welke stappen en gegevens nodig zijn om een vergelijkbare situatie in Nieuw-namen te creëren. Hij vraagt de inspreker in het kort de belangrijkste problemen en benodigde oplossingen samen te vatten, zodat dit kan worden meegenomen in een motie voor de raadsvergadering van 3 juli 2025. De inspreker bevestigt dat ze dat zal doen. De heer Van Driessche vult aan dat Elevantio wel inzet op regionale samenwerking, zoals vermeld in het ontwikkelingsdocument, maar dat het belangrijkste probleem bij de kinderopvang ligt. Elevantio houdt zich niet bezig met kinderopvang, terwijl juist daar de uitdaging ligt. Hij benadrukt dat het bij de bron begint, de kinderopvang moet behouden of teruggewonnen worden.
4
Mevrouw Strooband-de Moor vraagt of het zou helpen als kinderen uit Nieuw-namen een of twee dagen naar Clinge gaan, terwijl kinderen uit Clinge ook een of twee dagen naar Nieuw-namen zouden komen. Dit zou de kans vergroten dat de school behouden blijft. Daarnaast benoemt ze dat ze gehoord heeft dat iemand in België voor dertig uur opvang slechts tweehonderd euro per maand betaalt, wat een groot verschil is met de kosten in Nederland. De inspreker denkt dat de keuze is gemaakt om de samenwerking met Clinge voort te zetten omdat daar de accommodatie en voldoende klasgrootte aanwezig zijn. De heer Willaert vraagt wie het initiatief nam voor het gesprek met Elevantio, waren dat de ouders zelf of heeft Elevantio het voortouw genomen? De inspreker legt uit dat het contact met Elevantio ongeveer een jaar geleden begon. Er zijn vijf a zes bijeenkomsten geweest met ouders en Elevantio. Er zijn onderzoeken en enquêtes uitgevoerd, waarna enkele ouders in kleinere werkgroepen scenario's hebben uitgewerkt. Vorige week heeft Elevantio of de school de ouders uitgenodigd om de resultaten te bespreken. 6. Nieuws van de gemeenschappelijke regelingen/verbonden partijen Mevrouw Segers uit haar zorg over de wachtlijst voor Wmo-zorg in Hulst, die in mei 2025 met zestig is gestegen ondanks extra capaciteit. Ze vraagt of er meer personeel nodig is en of procedures efficiënter kunnen.
Daarnaast benadrukt ze het belang van het behouden van basisscholen zoals in Nieuw-Namen binnen de regiovisie 2050, waarin de bevolking flink moet groeien. Het sluiten van scholen en voorzieningen leidt tot meer druk op andere locaties en kan demografische gevolgen hebben, wat zeer zorgwekkend is. De heer Van Eck uit zijn grote teleurstelling over het aanhoudende probleem van de wachtlijst voor Wmo-zorg in Hulst. Ondanks al jaren overleg en extra financiële middelen is de wachttijd zelfs sterk toegenomen, van 53 procent naar 85 procent in korte tijd. Hij hekelt de categorische weigering van de wethouder om procedures te veranderen, ondanks een brede politieke wens. Hij benadrukt dat de situatie onhoudbaar is en roept op tot een motie om de wethouder duidelijk opdracht te geven dit aan te pakken. Hij vindt dat er snel een apart overleg moet komen, want de huidige situatie is onacceptabel en niet uit te leggen aan de mensen die wachten op hulp. Wethouder Ruissen geeft aan dat hij het erg betreurt dat de wachtlijstcijfers zo hoog zijn en mogelijk zelfs nog slechter dan gemeld. Hij bevestigt dat er extra personeel is ingezet om de wachtlijst te verkorten, maar dat de situatie nog niet verbetert. Volgens hem is het probleem niet gerelateerd aan het mandaat, maar aan de uitvoering. Aanmeldingen worden te laat opgevolgd.
Hij erkent dat hij eerder had moeten ingrijpen en is nu strengere eisen aan het uitvoerende orgaan Hulst voor Elkaar aan het stellen. Hij heeft zijn vertrouwen verloren en eist nu een plan om de situatie snel te verbeteren. De heer Van Eck benadrukt dat de problemen rond de Wmo-wachtlijsten al jaren bekend zijn en dat het politiek gezien onaanvaardbaar is dat er zo laat wordt ingegrepen. Hij pleit voor meer betrokkenheid van de gemeenteraad, bijvoorbeeld via een werkgroep, om actief bij te dragen aan het oplossen van de achterstanden. Hij uit zijn frustratie over de bureaucratische, vaak te medische benadering van hulpvragen, wat volgens hem leidt tot wantrouwen bij inwoners. Hij vraagt de wethouder nadrukkelijk om structurele samenwerking en snellere, menselijkere afhandeling van Wmo-aanvragen. De heer Lambert uit zijn begrip voor de frustratie die de wethouder inmiddels voelt. Tegelijkertijd merkt hij op dat die frustratie wellicht al veel eerder uitgesproken had moeten worden. Volgens hem is het goed dat de wethouder nu met de vuist op tafel heeft geslagen, maar het is wel van groot belang dat de gemeenteraad hierbij nauw betrokken wordt. Hij verzoekt de wethouder daarom om de raad actief op de hoogte te houden van de verdere ontwikkelingen.
In dat kader zou hij het zeer op prijs stellen als er een memo wordt opgesteld waarin helder wordt uitgelegd welke eisen er precies aan Hulst voor Elkaar gesteld worden, binnen welke termijn een verbeterplan moet worden aangeleverd, wat de inhoud van dat plan zou moeten zijn en wanneer het daadwerkelijk in werking moet treden. Daarnaast sluit de heer Lambert zich aan bij de suggestie van de heer Van Eck om na te denken
5
over een vorm van nauwere betrokkenheid vanuit de raad. De heer Willaert vraagt of er ook een duidelijke termijn is afgesproken waarop Hulst voor Elkaar met een verbeterplan moet komen? Daarnaast geeft hij aan zich volledig aan te sluiten bij de suggesties die de heer Van Eck heeft gedaan. Mevrouw Strooband-de Moor benadrukt het belang van heldere communicatie richting de raad, zeker omdat dit probleem al jaren speelt. Ze is blij met de toezegging van de wethouder dat hij nu stevig ingrijpt. Tot slot vraagt ze of, als de situatie niet verbetert, overwogen kan worden om Hulst voor Elkaar anders te organiseren. Bijvoorbeeld niet langer als stichting maar onder directer toezicht van de gemeente, zodat de raad meer grip krijgt op het proces. De heer Bracke spreekt zijn waardering uit voor de openheid van de wethouder die zijn fout toegeeft en beterschap belooft. Tegelijk waarschuwt hij ervoor dat de oplossing niet moet ontaarden in extra bureaucratie. Het belangrijkste is volgens hem dat de gemeenteraad en commissie goed geïnformeerd blijven en dat de focus ligt op de mensen om wie het gaat. Wethouder Ruissen bevestigt dat hij de gemeenteraad op de hoogte zal houden van de voortgang en inzage zal geven in het verbeterplan, inclusief de bijbehorende datum. Hij benadrukt dat de wachttijden nu echt omlaag moeten en dat hij concrete resultaten wil zien.
Volgens hem is dat haalbaar met een goede aanpak en daarom is het nu tijd om de wachtlijsten voortvarend aan te pakken. De heer Willaert bevestigt dat hij het goed vindt dat de wethouder nu al resultaten wil zien. Wel wil hij duidelijk maken dat met nu voor hem een nulpuntmeting bedoeld wordt. Wat hij vooral belangrijk vindt, is dat de wethouder zelf ook concrete data vastlegt waarop zichtbaar moet zijn dat aan de gestelde eisen daadwerkelijk voldaan is en dat er meetbare doelen bereikt worden. Wethouder Ruissen verduidelijkt dat met de tijdlijn inderdaad bedoeld wordt dat er concrete en meetbare termijnen zijn vastgesteld. De doelen zijn helder. Binnen vijf dagen na aanmelding moet het keukentafelgesprek plaatsvinden. Hoewel hij aangeeft dat dit doel niet direct gehaald zal worden, verwacht hij wel dat de huidige wachttijd van negen weken aanzienlijk zal dalen. Na het keukentafelgesprek geldt er een termijn van zes weken voor onderzoek en nog eens twee weken voor besluitvorming. In totaal moet dit hele traject binnen acht weken afgerond zijn en het is zijn streven dat deze termijn voortaan structureel gehaald wordt. De heer Van Driessche spreekt zijn zorgen uit over het sport- en cultuurhart, met name over de kleedlokalen in Kloosterzande, die er volgens hem onverzorgd uitzien en waarschijnlijk nog langer zo zullen blijven.
Hij merkt op dat er wel een schets op tafel komt die als praatpapier dient, maar dat men daarmee nog niet ver is. Hij benadrukt dat als er iets gebouwd gaat worden, er ook duidelijkheid moet zijn over hoe het georganiseerd wordt en hoe de verenigingen erbij betrokken worden. Daarnaast vraagt hij of in die gesprekken ook aandacht is voor de financiële kant want verenigingen hebben geld nodig om hun kosten te dekken. Hij vreest dat als het alleen bij een tekenschets blijft, het allemaal nog te mager is. De heer Van Eck haalt het sport- en cultuurhart Kloosterzande aan, dat volgens hem voortdurend onderwerp van gesprek is geweest tijdens de uitleg over het accommodatiebeleid. Hij vraagt of het klopt dat het sport- en cultuurhart Kloosterzande nu losstaat van de problematiek rondom het accommodatiebeleid, dat nog steeds wordt afgehandeld. Hij wijst erop dat er nog steeds een brief gericht aan de gemeenteraad en het college van oktober 2023 openstaat, waarop nog nooit gereageerd is. Volgens hem kan het niet zo zijn dat het sport- en cultuurhart losgetrokken wordt van het accommodatiebeleid, omdat beide nauw met elkaar verbonden zijn en de voortgang samen moet worden bewaakt. Hij vreest dat er voor de zomer geen voortgang zal zijn en dat dit probleem doorgeschoven wordt, terwijl de verenigingen hierdoor steeds meer problemen ondervinden.
Het feit dat een brief van oktober 2023 nog onbeantwoord is, vindt hij dan ook onacceptabel.
6
De heer Willaert benadrukt dat er wel degelijk afgesproken is om te onderzoeken of het sport- en cultuurhart als een aparte pilot kan worden opgezet. Daarbij wijst hij erop dat er in het dorp veel draagvlak is gecreëerd. De betrokkenen zijn jarenlang bezig geweest en zitten nu in een afwachtende houding omdat ze bang zijn dat kritiek of opmerkingen het hele proces kunnen laten ontsporen. Hij waarschuwt ervoor dat het belangrijk is om dat draagvlak niet te verliezen, want dat zou uiteindelijk leiden tot veel hogere kosten dan wanneer alles nu samen wordt opgepakt. Nu is er draagvlak en daarmee ligt er een kans om iets moois te realiseren. Wethouder Mangnus begint met aan te geven dat het onderwerp niet onder zijn portefeuille valt, maar dat het sport- en cultuurhart wel een apart onderdeel is binnen het bredere accommodatiebeleid. Hij benadrukt dat er al contact is met betrokken partijen en dat er actief wordt samengewerkt. De kleedlokalen, die zijn toegezegd, worden zeker gerealiseerd. Morgen staat er een gesprek gepland om de voortgang te bespreken. Ook is er een architect betrokken die schetsen maakt die als uitgangspunt dienen om samen met de betrokkenen te bekijken wat haalbaar is voor de toekomst. De wethouder vindt het dan ook niet nodig om nu al te spreken over het verliezen van draagvlak in Kloosterzande, want iedereen kijkt juist hoe ze verder kunnen komen.
Hij sluit af met de oproep dat dit het moment is om de huidige stand van zaken te erkennen en rustig voort te werken. Mocht iemand anders nog aanvullingen hebben, dan kan die ze geven. Mevrouw Kramer legt uit dat de schets vooral bedoeld is als een gesprekspunt, niet als een definitief plan. Het helpt om samen concreet te bekijken wat mogelijk is en waar dingen moeten komen, in plaats van alleen te blijven praten zonder een duidelijk beeld. De heer Bracke geeft aan dat hij het idee van de pilot ondersteunt, maar uit zijn zorgen over de schetsen. Hij herinnert zich dat er twee jaar geleden ook al schetsen zijn gemaakt en vraagt wat het verschil is met de huidige schetsen. De voorzitter geeft aan dat de wethouder en mevrouw Kramer al duidelijk hebben uitgelegd waarom de schetsen er nu zijn, namelijk voor de kleedlokalen. Hij benadrukt dat dit losstaat van het grotere plaatje. Daarom stelt hij voor om het hierbij te laten. De heer Van Eck vraagt naar het vervolg van de digitale sessie over de muziekschool. Hij wil weten wat het standpunt van het college is over de mogelijke wijziging van de organisatie, zoals het beëindigen van de gemeenschappelijke regeling en het invoeren van een subsidieregeling.
Hij benadrukt dat de gemeenteraad nu aan zet is om te beslissen of ze hiermee verder wil en vraagt om duidelijkheid vanuit het college over zijn visie en wat het aan de raad zal voorleggen. Wethouder Mangnus geeft aan dat het rapport over de muziekschool nog maar kort bekend is bij het college en dat het op 25 juni 2025 door alle Zeeuwse wethouders besproken wordt. Het rapport geeft weer wat de wethouders en geïnterviewden willen, maar bevat geen duidelijke voor- of nadelen van de verschillende vormen van samenwerking. De belangrijkste focus ligt op het behouden van kwalitatief goed muziekonderwijs, waarbij de vorm minder van belang is dan de inhoud en draagkracht. Hulst, als een van de tien deelnemers, ziet geen reden om de GR te verlaten, maar de wethouders zullen samen overleggen. Uiteindelijk zal het algemene bestuur van de muziekschool stemmen over het al dan niet opheffen van de GR. Als zeven van de tien wethouders voor opheffing stemmen, wordt de regeling opgeheven en moet er een nieuw transitieplan komen. De wethouder geeft aan dat hij niet tevreden is over hoe dit proces is verlopen, maar dat het nu eenmaal zo is. Het college staat vooralsnog niet achter het verlaten van de GR. Hij wijst op de financiële problemen die er eerder waren, maar stelt dat dit geen reden is om de regeling te beëindigen.
De discussie gaat ook over de snelheid en wendbaarheid van een stichting versus een GR, waarbij er onzekerheid is over de bestuurbaarheid van een stichting met tien deelnemers. De wethouder concludeert dat er binnen het college geen eenduidigheid is en dat Hulst op dit moment geen aanleiding ziet om de GR te verlaten. De heer Van Eck verwijst naar het digitale overleg waarin naar voren kwam dat een omzetting naar subsidieregelingen als positief werd ervaren. Hij vraagt wanneer de raad verder geïnformeerd wordt, omdat hij begrepen heeft dat er haast achter zit. Hij benadrukt dat het belangrijk is
7
duidelijkheid te krijgen over de voor- en nadelen van de verschillende opties en of alles wat in de sessie werd gezegd wel klopt. Hij vindt het vreemd dat het college niet bij de digitale bijeenkomst betrokken was, terwijl daar wel veel voordelen werden geschetst. Hij verzoekt het college om zo snel mogelijk terug te komen met meer duidelijkheid over de situatie. Wethouder Mangnus geeft aan dat hij de commissie en raad een overzicht zal sturen van de planning waarin staat wanneer welke stappen worden gezet en wanneer de raden betrokken worden. Hij legt uit dat er een koplopersgroep is van Schouwen-Duiveland, NoordBeveland en Goes die het project leiden en de informatievoorziening coördineren. De muziekschool was pas een dag voor het rapport op de hoogte gebracht van de inhoud. Hij benadrukt dat het tempo en de volgorde nog moeten blijken, maar hij zal ervoor zorgen dat de commissie en raad goed geïnformeerd blijven, met een belangrijke bespreking gepland op 25 juni, 2025 wanneer de wethouders van de deelnemende gemeenten samenkomen om het rapport te bespreken. De heer Bracke vraagt naar de toekomst van de muziekschool, nu de wethouder aangeeft door te willen gaan met de gemeenschappelijke regeling. Hij maakt zich zorgen over het risico dat andere gemeenten uitstappen.
In dat geval wil hij weten of de gemeente Hulst dan nog wil doorgaan met het muziekonderwijs op eigen kracht of dat het dan eigenlijk al een verloren zaak is. Hij vraagt om duidelijkheid over verschillende scenario’s. Wethouder Mangnus legt uit dat volgens de gemeenschappelijke regeling twee derde van de leden moet instemmen met opheffing. Dat betekent dat niet zomaar een gemeente alleen kan blijven. Als vier van de tien gemeenten tegen opheffing stemmen, kunnen de anderen niet zomaar uit de GR stappen zonder een afkoopsom te betalen. Hij geeft aan dat er gemeenten zijn die al hebben aangekondigd eruit te willen stappen, wat een van de redenen is voor het onderzoek dat momenteel loopt. Daarnaast wijst hij erop dat een overgang van de GR naar een andere organisatievorm ook onderzoek vereist, omdat er personeelskosten en cao-afspraken meespelen die niet zonder financiële gevolgen zijn. Die kosten kunnen sterk variëren: tussen de 3 en 15 miljoen euro. De heer Van Eck gaat door op het onderwerp ‘inkoop van jeugdhulp’. Hij vertelt dat hij lid is van de klankbordgroep en ergens heeft gelezen dat deze zou zijn opgeheven. Hij benadrukt dat er een raadsklankbordgroep is, waar ook de gemeente Hulst een vertegenwoordiger in heeft en dat hij die functie al een aantal jaar vervult. Volgens hem is deze klankbordgroep een belangrijk onderdeel.
Hij verwijst naar een rapport van de rekenkamer en geeft aan dat hij ergens heeft gelezen dat besloten is om de klankbordgroep op te heffen, maar dat hij daar verder niets meer van terugziet. Wethouder Ruissen geeft aan dat hij niet op de hoogte is van enige opheffing van de klankbordgroep. Hij heeft hierover geen informatie ontvangen. De heer Van Eck stelt voor om samen uit te zoeken waar het gerucht over de opheffing van de klankbordgroep vandaan komt. Omdat de ambtelijke organisatie nauw betrokken is bij jeugdzaken, denkt hij dat de wethouder hier beter duidelijkheid over kan verschaffen. De wethouder geeft aan dit samen te onderzoeken en geeft aan dat er morgen een afspraak staat waar dit onderwerp zal worden besproken. De heer Willaert vindt het opvallend dat eerst een grote inkoopclub voor zorgaanbieders werd opgericht, maar die snel stopte. Nu is er jaarlijks een nieuwe aanbestedingsronde. Hij vraagt de wethouder of hij zich zorgen maakt over de continuïteit van jeugdhulp door deze administratieve lasten en onzekerheid voor zorgverleners en of er duidelijkheid komt voor de periode tot 2031. Wethouder Ruissen legt uit dat er een nieuwe aanbestedingsprocedure voor jeugdhulp moet komen vanaf 2026. Er was een plan, scenario 2, om de procedure te vernieuwen volgens de hervormingsagenda en regiovisie.
Maar omdat er onder de gemeenten geen meerderheid was kon dat plan niet doorgaan. Daarom valt men terug op scenario 4, de huidige systematiek, voor 2026 en 2027. Zorgaanbieders hebben al werk verzet voor scenario 2, maar dat was nu voor niets. Over
8
twee jaar wordt geprobeerd het vernieuwde scenario alsnog te realiseren. De heer Willaert geeft aan dat de onrust en onzekerheid voor zorgverleners door telkens opnieuw inschrijven en aanbestedingsrondes de continuïteit van jeugdhulp in gevaar kunnen brengen. Hij hoopt dat de gemeenten die tegen het vernieuwde aanbestedingsscenario stemden zich bewust worden van de impact die dit heeft op de zorgorganisaties. Die zitten volgens hem met grote zorgen, omdat het voor hen niet duidelijk is of ze hun werk kunnen voortzetten na zo’n aanbestedingsronde. Wethouder Ruissen erkent dat een nieuwe contracteringsperiode altijd onzekerheid met zich meebrengt, maar benadrukt dat zorgaanbieders die binnen de grote samenwerkingsverbanden zitten in principe weinig reden hebben om zich zorgen te maken over hun contractering. Volgens hem is er wel altijd een element van onzekerheid bij nieuwe aanbestedingen, maar als je eenmaal gecontracteerd bent, heb je voor vier jaar zekerheid. Hij erkent wel dat de periode voorafgaande aan contractering onrust kan veroorzaken. Mevrouw Van de Walle vraagt of het klopt dat de aanbesteding eerst voor twee jaar volgens scenario 4 gebeurt en daarna van 2028 tot 2031 volgens scenario 2 voor vier jaar. Ze merkt op dat het onduidelijk is of dezelfde zorgaanbieders in die twee jaar blijven, waardoor er veel onzekerheid is voor cliënten.
Wethouder Ruissen stelt dat mensen gerust kunnen zijn en zich geen zorgen hoeven te maken. Mevrouw Van de Walle geeft aan dat Hulst voor Elkaar een ander verhaal vertelt en dat zij steeds hoort dat de contracten per 31 december 2025 aflopen en dat waarschijnlijk niet met bepaalde zorgaanbieders wordt doorgegaan. Dit zorgt voor veel onrust bij ouders van kinderen die bij die zorgaanbieders zorg ontvangen. Wethouder Ruissen zegt dat hij zal nagaan of de organisatie Hulst voor Elkaar inderdaad het bericht verspreidt dat contracten per 31 december 2025 aflopen en dat hij dit gaat controleren. 7. Nieuws van de grote projecten De grote projecten zijn bij agendapunt 6 besproken. BESPREEKSTUKKEN 8. Raadsvoorstel "Samen Beter Sterker GGD en VRZ" De voorzitter licht toe dat er wordt gevraagd om een zienswijze over het vormen van een gemeenschappelijke regeling voor GGD en VRZ en de gezamenlijke huisvesting in Goes-West. Daarnaast wordt gevraagd om input over de derde begrotingswijziging van de VRZ en de ontwerp vijfde begrotingswijziging van 2025 van de GGD en om akkoord voor het dekken van kosten van 122.490 euro via een gemeentelijke begrotingswijziging. De heer Willaert vindt dat er te snel stappen worden gezet zonder dat de governance goed is geregeld en dat de raad niet goed betrokken wordt.
Hij pleit ervoor eerst helderheid te scheppen over de bestuurlijke organisatie, goede afstemming te doen en pas daarna verder te gaan, zodat de raad tijdig geïnformeerd wordt en mee kan beslissen. Hij uit ook zorgen over mogelijke extra, onverwachte kosten en vraagt zich af of de samenwerkingsstructuur wel robuust genoeg is, gezien de verschillende belangen en betrokken partijen. De heer Lambert vindt het plan veel te voorbarig en slecht onderbouwd, zeker gezien het forse voorbereidingskrediet van 1,6 miljoen euro. Volgens hem moeten eerst de organisatie en governance op orde zijn, voordat zulke financiële stappen worden gezet. Hij begrijpt niet hoe er sprake kan zijn van een positieve grondhouding, gezien alle twijfels en kanttekeningen. Verder uit hij verbazing over de risicoanalyse, waarin staat dat de samenwerking mogelijk leidt tot structurele kostenstijgingen. Samenwerking zou juist efficiëntie en besparing moeten opleveren, stelt hij en hij vraagt het college om op dat punt opheldering.
9
Mevrouw Segers vraagt zich af hoe wordt geborgd dat de gemeente Hulst voldoende zeggenschap behoudt in de nieuwe gemeenschappelijke regeling, zeker nu er sprake is van een centralisatie richting Goes. Ook uit zij haar twijfel over het moment waarop het besluit tot samenvoegen van de bedrijfsvoering wordt genomen, terwijl de governance-structuur nog niet is uitgewerkt. Volgens haar zou dit juist eerst moeten worden vastgesteld. Daarnaast wil ze weten op welke manier gemeenteraden worden betrokken bij het vormgeven van de governance en besluitvorming. Ook vraagt ze of er scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval de kosten hoger uitvallen dan begroot en wat er gebeurt als de samenwerking en gezamenlijke huisvesting niet leiden tot de verwachte voordelen. Verder wil ze weten hoe realistisch het is dat de RUD op een later moment alsnog aanhaakt en of daar in de plannen al rekening mee wordt gehouden. Tot slot vraagt ze op welke manier en met welke frequentie, de gemeenteraad van Hulst wordt geïnformeerd over de voortgang, financiële afwijkingen en verdere uitwerking van de governance. De heer Bracke benadrukt het belang van het behoud van voldoende zeggenschap voor de gemeente Hulst en vraagt zich af waarom dit niet beter is uitgewerkt in de voorstellen.
Ook wil hij duidelijkheid over hoe gemeenten betrokken worden bij het proces, wat de rol van de RUD uiteindelijk zal zijn en wat de daadwerkelijke kosten gaan worden. Daarnaast merkt hij op dat er sprake is van mogelijke nieuwbouw, maar dat daarover nog geen concrete informatie beschikbaar is. De heer Van Driessche benadrukt dat er nog veel onduidelijkheden zijn. De governance moet eerst goed worden uitgewerkt en vastgesteld, voordat stappen als gezamenlijke huisvesting worden gezet. Hij vindt huisvesting een middel en geen doel op zich en waarschuwt voor overhaaste beslissingen. Er zijn volgens hem al twijfels zichtbaar in het stuk zelf, zoals de optie tot temporisering. Hij vraagt of er al zicht is op concrete knelpunten. Daarnaast vindt hij dat de raad actief betrokken moet worden bij keuzes zoals verdeelsleutels en waarschuwt hij voor vage termen als minder meerkosten, die weinig financiële duidelijkheid bieden. Tot slot vraagt hij om een helder tijdspad, monitoring en regelmatige informatievoorziening aan de raad, omdat dit volgens hem een complexe en lastige opgave wordt. De heer Van Eck geeft aan dat zijn fractie zich kan vinden in de voorgestelde zienswijze, maar benadrukt dat er nog te veel onduidelijkheden zijn. Hij pleit voor temporisering van het traject en vindt dat de governance eerst duidelijk en formeel geregeld moet worden.
Gemeenteraden moeten hun zeggenschap behouden. Ook de verdeelsleutels en verwachte besparingen moeten vooraf helder zijn. Hoewel hij een positieve grondhouding heeft ten aanzien van samenwerking, wil hij wel dat dit goed onderbouwd en transparant gebeurt. Tot slot vraagt hij de wethouder om opheldering over de stemverhoudingen binnen de regeling. Mevrouw Strooband-de Moor geeft aan dat ze haar zorgen heeft geuit over de samenvoeging van de VRZ en de GGD. Ze benadrukt dat de gemeente Hulst hierin erg kritisch is, in tegenstelling tot de andere gemeenten. Ze is blij met de alertheid van het college en ondersteunt de zienswijze die dat laat zien. Ze vindt het belangrijk dat er een raadsadviescommissie komt, iets wat eerder ook al is besproken. Volgens haar zijn andere gemeenten minder kritisch, maar Hulst moet waakzaam blijven bij dit proces. Wethouder Ruissen legt uit dat de raad wordt gevraagd een zienswijze te geven over het voorgenomen besluit om de GGD en VRZ samen te voegen en gezamenlijk te huisvesten. Dit onderwerp leeft al tien tot twintig jaar en nu is besloten het daadwerkelijk aan te pakken, maar de uiteindelijke besluiten moeten nog door de raden worden genomen. Hij erkent dat het soms voelt alsof men in een fuik zit, maar benadrukt dat het college zelf niet het initiatief nam tot deze fusie, het is een besluit van de algemene besturen van GGD en VRZ.
De wethouder geeft aan dat hij zelf aanvankelijk tegen was, maar uiteindelijk toch voor stemde omdat tegenstemmen weinig effect zou hebben. Het proces is gestart, maar nog niet afgerond en de zienswijze van de raad kan gebruikt worden om kritiek en vragen mee te geven. Hij benadrukt dat governance nu wordt uitgewerkt en dat dat synchroon moet gebeuren met het fusieproces. Hij deelt veel van de kritiek van de raad, zoals de zorgen over extra kosten en het feit dat de
10
samenwerking niet per se tot kostenbesparing zal leiden. Volgens hem staat dat ook in de stukken en wordt daar realistisch mee omgegaan. Hoewel hij begrijpt dat er twijfels zijn, is het proces in gang gezet en moet het uiteindelijk door de raden worden besloten. De heer Willaert erkent dat de discussie over het samenvoegen van de organisaties voorbij is, dat is besloten en noodzakelijk. De echte discussie gaat nu over de manier waarop dit gebeurt, waar de raad nog weinig invloed op heeft, maar mogelijk in de toekomst wel. Hij wijst vooral op het financiële aspect, waar veel onduidelijkheid en zorgen over zijn. Hoewel de zienswijze aangeeft dat eerst alles op orde moet zijn, vindt hij dat er al een totaalstandpunt over de kosten en de ontwikkelkosten van de nieuwbouw gegeven moet worden. Hij had liever gezien dat dit losgekoppeld werd, omdat het hier om drie verschillende fases gaat. Verder geeft hij aan dat de betrokkenheid van de RUD voor veel extra kosten zal zorgen. Mevrouw Strooband-de Moor geeft aan dat ze niet gelooft dat het samenwerken en samen huisvesten tot lagere kosten zal leiden, haar vertrouwen hierin is laag. Ze mist in het voorstel de belofte dat de raden vooraf worden geïnformeerd met duidelijke uitleg als er veranderingen of extra kosten zijn.
Ze benadrukt dat zonder deze tijdige en heldere communicatie de raad niet goed de kans krijgt om vragen te stellen en betrokken te zijn. De heer Lambert uit zijn verbazing dat een samenwerking die juist efficiëntie moet opleveren, blijkbaar toch tot hogere kosten leidt. Hij benadrukt dat zijn kritische houding niet tegen het college gericht is, maar dat hij het vreemd vindt dat de gemeente Hulst blijkbaar de enige is die kritisch is, terwijl andere Zeeuwse raden dat niet lijken te zijn. Wethouder Ruissen nuanceert de eerdere opmerkingen en geeft aan dat hij niet beweert de slimste of enige criticus te zijn geweest. Hij erkent dat er meerdere meningen en benaderingen zijn geweest en dat veel betrokkenen met twijfels toch hebben besloten mee te gaan met de samenwerking. Hoewel hij zelf lange tijd kritisch was, is hij uiteindelijk ook akkoord gegaan. De heer Van Driessche benadrukt dat het jammer is dat in een GR vaak voor meestemmen wordt gekozen omdat tegenstemmen weinig effect heeft, hoewel het wel een signaal zou kunnen zijn. Hij geeft aan dat de kritiek duidelijk is en meegenomen wordt in de zienswijze, zodat die goed overgebracht wordt. Wethouder Ruissen geeft aan dat er een zienswijze geformuleerd moet worden en dat er momenteel een voorstel ligt. Hij vraagt of men akkoord is met het voorstel zoals het nu is of dat het nog aangevuld moet worden.
De voorzitter concludeert dat de huidige zienswijze in zijn huidige vorm niet haalbaar is, omdat er veel onduidelijkheden en aanvullingen zijn. Hij stelt dat er vanuit de commissie dan ook veel aanvullingen komen en dat er geen akkoord is op de zienswijze zoals die nu ligt. De heer Van Eck vraagt hoe het nu verder gaat met de zienswijze, aangezien deze nu vanuit het college ligt. Wethouder Ruissen verduidelijkt dat het document dat nu voorligt niet de zienswijze van het college is, maar een conceptversie van de zienswijze van de gemeenteraad. Er ligt een raadsvoorstel met deze zienswijze, maar deze wordt pas definitief vastgesteld tijdens de raadsvergadering van juli. De heer Van Eck vraagt hoe er praktisch wordt omgegaan met de vele opmerkingen die tijdens de vergadering zijn gehoord en of deze vooraf worden verwerkt in de zienswijze. De heer Willaert geeft aan dat er in het proces drie belangrijke punten zijn besproken. Hij stelt voor om het financiële onderdeel rondom de nieuwbouw uit de zienswijze te halen, omdat dat nu nog te vroeg is om te beoordelen. Hij benadrukt dat de overige punten eerst goed geregeld moeten worden. Tegelijkertijd merkt hij op dat in de huidige zienswijze staat dat eerst de governance op orde moet zijn en daarna pas het financiële aspect besproken kan worden.
Hij begrijpt daarom niet waarom er bezwaar tegen dat onderdeel zou zijn, tenzij men de tekst nog
11
sterker wil formuleren. Tot slot geeft hij aan dat er op dit punt nog geen overeenstemming is. De voorzitter erkent duidelijk dat er geen eensgezindheid is over de huidige zienswijze. Hij bevestigt dat er veel opmerkingen en verbeterpunten zijn aangedragen. Al deze opmerkingen zullen verzameld worden en worden meegenomen in de definitieve zienswijze. De heer Lambert geeft aan dat de kern van hun zorgen al terug te vinden is in de huidige zienswijze. De heer Van Eck benadrukt dat hun belangrijkste zorg de snelheid van het proces is en dat ze willen dat er meer temporisering komt. Hij stelt dat de huidige zienswijze die boodschap al bevat en dat het document daarom als basis kan dienen, mits het college en vooral de gemeenteraad ermee instemmen. Hij staat open voor kleine aanpassingen, maar vindt dat de essentie van hun standpunt al goed in de zienswijze is opgenomen. De voorzitter bevestigt dat de zienswijze zal bestaan uit het huidige voorstel, aangevuld met de punten die nog ingebracht worden. Wethouder Ruissen geeft aan dat de huidige zienswijze een concept is waarin bijna alles al is opgenomen, maar dat er nog aanvullingen zijn gehoord. Hij zal goed nadenken en luisteren om alle opmerkingen mee te nemen in de definitieve versie. Die definitieve zienswijze wordt vervolgens in juli aan de gemeenteraad voorgelegd.
Mogelijk blijkt later dat alles al grotendeels in het concept stond, maar dat zal duidelijk worden bij de definitieve versie. De heer Van Eck vraagt of er tegelijk met de zienswijze ook een standpunt moet worden ingenomen over de derde begrotingswijziging, omdat die nauw verband houdt met het onderwerp. De voorzitter geeft aan dat er wordt gekeken naar de eerder gemaakte opmerkingen, om te bepalen of de begrotingswijzigingen ongewijzigd of aangepast in de zienswijze kunnen worden opgenomen. Wethouder Ruissen geeft aan dat het college bij alle voorgestelde zaken een zienswijze afgeeft, maar geen akkoord. De voorzitter vraagt of iedereen akkoord gaat met zijn samenvatting, de gemaakte opmerkingen worden verwerkt en de zienswijze eventueel wordt aangepast. Hij sluit het voorstel op deze voorwaarde af. 9. Raadsvoorstel wijziging Gemeenschappelijke Regeling GGD Zeeland 2025 De voorzitter geeft aan dat de raad wordt gevraagd zich uit te spreken over het wijzigingsvoorstel. De achtergrond is dat op 1 juli 2022 de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen in werking trad, waarvan de bepalingen zijn verwerkt in de gemeenschappelijke regeling GGD Zeeland 2025. GGD Zeeland vraagt nu de Zeeuwse gemeenteraad om een zienswijze op dit wijzigingsvoorstel.
Mevrouw Segers geeft aan dat, hoewel het raadsvoorstel stelt dat de wijzigingen de democratische legitimiteit versterken, er toch zorgen zijn. Bijvoorbeeld het schrappen van de looptijd en het ontbreken van verplichte participatievormen voor de raden stroken niet met die doelstelling. Ze vraagt het college daarom kritisch te bekijken of de versterking van de raad als sturend en controlerend orgaan in de praktijk wel wordt gerealiseerd. Daarnaast wijst ze erop dat de formele aanpassingen aan de WPG en WVR zijn doorgevoerd, maar dat de verwijdering van een looptijd voor onbepaalde tijd niet expliciet is besproken. Dit kan politieke en juridische gevolgen hebben voor de wijzigbaarheid of beëindiging van de regeling. Tot slot kondigt ze namens haar fractie aan dat ze een amendement zal indienen op dit raadsvoorstel en benadrukt zij het belang van de raadsadviescommissie waar zij een groot voorstander van is. De heer Van Driessche merkt op dat het raadsvoorstel aangeeft dat er een positieve zienswijze gegeven moet worden op het wijzigingsvoorstel van de GR GGD Zeeland 2025, maar in de tweede bullet staat dat de zienswijze besproken wordt tijdens de vergadering in april 2025.
12
Daarnaast wijst hij erop dat het raadsbesluit niet meer gaat over een zienswijze, maar over het college toestemming geven om de wijziging van de gemeenschappelijke regeling GGD Zeeland 2025 goed te keuren. Daardoor is onduidelijk wat er nu precies van de raad verwacht wordt: een zienswijze geven of het college formeel toestemming verlenen. De heer Willaert sluit zich volledig aan bij mevrouw Segers en benadrukt dat als de andere collega’s niet met een amendement waren gekomen, hij dat zelf wel zou hebben gedaan. Hij vindt het belangrijk dat de raadadviescommissie een vaste plek krijgt, omdat dit de zeggenschap en controle van de raad versterkt. De heer Van Eck geeft aan dat hij het eens is met wat de heer Van Driessche zegt en vraagt zich af wat er precies misgaat in de communicatie of het proces. Daarnaast benadrukt hij dat hij al eerder zijn steun heeft uitgesproken voor het oprichten van een raadsadviescommissie. Mocht dit nog niet in het voorstel zijn opgenomen, dan vindt hij dat dat er zeker bij moet komen, omdat dit punt al meerdere keren is besproken. Wethouder Ruissen legt uit dat de datum van april 2025 in het raadsvoorstel niet klopt en dat de zienswijze pas op 4 juli 2025 wordt uitgesproken.
Hij verduidelijkt ook dat een amendement eigenlijk de gemeenschappelijke regeling zelf wijzigt, maar dat in deze regeling al staat dat er een raadsadviescommissie kan worden ingesteld, mits alle deelnemers daar mee instemmen. Omdat niet alle deelnemers die raadsadviescommissie willen, zal die er niet zomaar komen en dat kan niet met een amendement afgedwongen worden. De heer Van Eck erkent wat wethouder Ruissen zegt, dat slechts een van de dertien gemeenten echt voor het instellen van die raadsadviescommissie is. De heer Willaert benadrukt dat de raad in Hulst zeker niet de enige is die zich zorgen maakt over de uitholling van de democratische rol. Hij vindt dat de raad vooral vooraf betrokken moet zijn en niet alleen achteraf geïnformeerd, zoals nu het geval lijkt. Het instellen van een raadsadviescommissie is volgens hem een wettelijk instrument om die betrokkenheid te waarborgen, maar als daarvan makkelijk wordt afgeweken, ontstaat er volgens hem een bestuurscultuur waarin de raad alleen achter de besluiten aanloopt zonder echte invloed. Hij vraagt zich hardop af hoe zo’n impasse doorbroken kan worden, omdat er nu eigenlijk een akkoord moet komen, maar hij persoonlijk niet akkoord kan gaan zolang deze principiële kwesties niet opgelost zijn.
Wethouder Ruissen legt uit dat de wijziging van de gemeenschappelijke regeling onvermijdelijk is vanwege een wetswijziging uit 2022 die voor alle gemeenschappelijke regelingen geldt. Het doel van die wetswijziging is de democratische legitimiteit te versterken, maar hij erkent dat men daar verschillend over kan denken. Hij benadrukt dat deze wijziging door alle dertien deelnemende gemeenten moet worden doorgevoerd en dat er dus geen mogelijkheid is om dit te voorkomen. Wel krijgen de gemeenteraden de kans om zelfstandig hun oordeel te vormen en dat oordeel kenbaar te maken, binnen de voorgeschreven procedure. De heer Willaert geeft aan dat het niet verplicht is voor gemeenteraadsleden om daadwerkelijk deel te nemen aan een raadadviescommissie, ook al wordt die ingesteld. Hij stelt voor dat Hulst als een van de weinige raden kan instemmen met de wijziging onder de voorwaarde dat er een raadadviescommissie wordt ingesteld. Of die raadsleden dan daadwerkelijk meedoen aan die commissie, zou volgens hem niet relevant hoeven te zijn. De heer Van Driessche wijst erop dat de uiteindelijke beslissing over het instellen van zo’n raadadviescommissie bij het bestuur van de gemeenschappelijke regeling ligt, dus niet alleen bij Hulst. Wethouder Ruissen benadrukt dat het aan de raad is om zorgvuldig na te denken over de mogelijke gevolgen van hun keuzes.
Hij wijst erop dat er toch een nieuwe gemeenschappelijke regeling vastgesteld moet worden, dus de raad moet zich afvragen wat het effect is van bijvoorbeeld het instellen van een raadadviescommissie of niet.
13
De heer Willaert benadrukt dat Hulst zeker niet de enige is die een raadadviescommissie wil. Hij vindt het frustrerend dat het hele proces stil kan komen te liggen door slechts een gemeente die het niet wil, ondanks dat meerdere raden het wel willen. Hij vraagt hoe democratisch het eigenlijk is als een gemeente het hele proces blokkeert, terwijl anderen het juist als belangrijk en wenselijk zien. Mevrouw Strooband-de Moor geeft aan dat ze het amendement over de raadadviescommissie nog even wil onderzoeken om zeker te weten of het mogelijk is om dat nu in te dienen. Ze wil dus eerst duidelijkheid voordat ze er definitief mee komt. Wethouder Ruissen sluit daarbij aan en zegt dat hij ook niet 100 procent zeker is van zijn eerdere uitspraak, maar vermoedt dat het inderdaad lastig wordt. Wel geeft hij aan dat ze er samen naar kunnen kijken om het uit te zoeken. De heer Van Eck benadrukt dat de wetswijziging van 2022 al de aanleiding was om de gemeenschappelijke regelingen aan te passen en dat daarbij toen ook al de wens was geuit om een raadsadviescommissie of -groep in te stellen. Volgens hem is dat onderwerp dus al aan de orde geweest. De voorzitter geeft aan dat, naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen, wordt nagegaan of het amendement zinvol is. Hij stelt voor om het onderwerp aan te houden tot de raadsvergadering, zoals ook bij het vorige agendapunt is gebeurd.
Als de aanwezigen daarmee instemmen, wordt het punt op die manier afgesloten. 10.
Raadsvoorstel tot het indienen van een zienswijze op de concept verordening Jeugdhulp gemeente Hulst 2026 De voorzitter licht toe dat dit voorstel de raad de mogelijkheid biedt om een zienswijze uit te brengen op de conceptverordening met als doel ervoor te zorgen dat jeugdhulp ook in de toekomst beschikbaar blijft voor de meest kwetsbare jeugdigen en gezinnen. Mevrouw De Bruijn-van Denderen geeft aan dat dit voorstel een eerste stap is richting een stabieler budget voor jeugdhulp. Tegelijkertijd benadrukt zij dat het essentieel is dat jongeren die hulp nodig hebben, die hulp ook daadwerkelijk krijgen. Elk geval vraagt om maatwerk, omdat iedere situatie uniek is. Ze waarschuwt dat het uitblijven van hulp kan leiden tot grotere problemen, wat uiteindelijk meer kost. Tot slot stelt zij een vraag over artikel 9c, waarin staat dat eerst een beroep gedaan moet worden op het eigen netwerk. Zij vraagt hoe beoordeeld wordt of iemand daartoe in staat is en hoe de regeling met betrekking tot hulp met terugwerkende kracht werkt. De heer Van Driessche geeft aan dat de doelstelling om jeugdhulp beschikbaar te houden voor de meest kwetsbaren hem bekend voorkomt. Een zelfde boodschap hoorde hij al tien jaar geleden bij de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten.
Hij verwijst naar een bezoek destijds van de staatssecretaris, die stelde dat gemeenten dit prima zouden kunnen oppakken, onder meer vanwege de nabijheid en de focus op preventie. Destijds werd beloofd dat het zowel inhoudelijk als financieel beter zou worden. Volgens de heer Van Driessche zijn er sindsdien echter voortdurend veranderingen en aanpassingen geweest vanwege aanhoudende problemen. Nu wordt er opnieuw gezocht naar oplossingen via aanscherping en afbakening. Hij spreekt de hoop uit dat dit daadwerkelijk tot verbetering leidt en dat de hulp terechtkomt bij degenen die die het hardst nodig hebben. De heer Bracke geeft vindt het positief dat er stappen worden gezet en geeft aan dat zijn fractie het voorstel onderschrijft. Mevrouw Segers vraagt zich af hoe wordt geborgd dat kwetsbare kinderen niet buiten de boot vallen en hoe wordt omgegaan met gezinnen die volgens de nieuwe criteria geen hulp meer zouden krijgen. Ze wil weten of de definitie van gebruikelijke hulp realistisch blijft voor kwetsbare gezinnen. Daarnaast vraagt zij of de aangescherpte regels mogelijk leiden tot een toename van bezwaarschriften en of dat extra kosten met zich meebrengt, bijvoorbeeld voor
14
juridische ondersteuning. Ze vraagt zich ook af hoe flexibel de verordening is bij een mogelijke wijziging van de landelijke Jeugdwet in 2026 en of er risico is op strijdigheid met toekomstige landelijke regelgeving. Verder wil ze weten wat de financiële impact zal zijn op de gemeentelijke jeugdhulpbegroting. Hoe wordt gemeten of de afbakening daadwerkelijk bijdraagt aan toekomstbestendige jeugdhulp of er een evaluatie komt na de invoering per 1 januari 2026 en hoe de langetermijneffecten gemonitord worden? De heer Willaert spreekt zijn waardering uit voor het voorstel, vooral voor artikel 35, waarin aandacht wordt besteed aan de overgang van jeugdhulp naar volwassenenzorg bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar. Hij benadrukt dat deze overgang vaak problematisch is en kan leiden tot ernstige situaties, zoals jongeren die op straat belanden. Daarnaast vraagt hij of de inhoud van het voorstel mede voortkomt uit de waardevolle bijeenkomst die eerder in de raadzaal van Terneuzen is gehouden, waarbij ook wethouder Ruissen aanwezig was. Hij vraagt of de input uit die sessie is verwerkt in dit voorstel, aangezien hij daar nooit feedback over heeft ontvangen. Tot slot benadrukt hij het belang van voldoende capaciteit, ook op personeelsvlak, om de toenemende hulpvraag en de begeleiding na het achttiende levensjaar goed te kunnen opvangen.
De heer Lambert geeft aan dat er een tiental tot vijftiental vragen over het voorstel zijn. Hij legt uit dat deze vragen in overleg met de griffier schriftelijk zijn ingediend en dat zij nog antwoord daarop verwachten. Omdat die antwoorden nog niet zijn ontvangen, wil hij het voorstel graag later in de raad opnieuw bespreken, zodat ze de antwoorden goed kunnen bestuderen. Hij benadrukt dat dit niet betekent dat ze de wethouder niet steunen, maar dat zij graag de gelegenheid krijgen om op basis van de antwoorden het voorstel nog eens te behandelen. De heer Van Eck verwijst naar een eerdere bijeenkomst in het gemeentehuis van Terneuzen, waar onder meer werd gesproken over kostenbesparing binnen de jeugdhulp. Hij merkt op dat toen al een nieuwe regiovisie bestond, waarvan volgens hem veel is overgenomen in het huidige voorstel. Wat hij mist en waar ook eerder vragen over zijn gesteld die niet zijn beantwoord, is hoe de overgang wordt geregeld voor jongeren die achttien worden, met bijvoorbeeld aandacht voor reiskosten. Volgens hem is de afbakening van de jeugdhulp bedoeld om efficiënter en kostenbewuster te werken. Hoewel hij vindt dat daarna minder van die intenties zichtbaar waren, staat hij redelijk positief tegenover het huidige voorstel. Mevrouw Van de Walle geeft aan dat zij het voorstel steunt en erkent dat het een complex dossier is.
Ze vraagt hoe wordt bepaald wie de meest kwetsbaren zijn en op welke manier de aanvragen worden beoordeeld. Wethouder Ruissen bevestigt dat de input van de bijeenkomst in Terneuzen, evenals van twee andere locaties in Zeeland, is gebruikt bij het opstellen van de verordening. De huidige verordening bevat nog niet de definitieve reikwijdte, die wordt op landelijk niveau nog vastgesteld binnen de hervormingsagenda. Zeeland neemt alvast zelf het initiatief om bepaalde afbakeningen te maken, omdat de landelijke besluitvorming nog lang op zich laat wachten. De verordening richt zich op het beperken van de jeugdhulpuitgaven, waarbij vier specifieke onderdelen zijn afgebakend. Deze verordening wordt de komende jaren geëvalueerd. De wethouder benadrukt dat het belangrijk blijft dat kinderen die hulp nodig hebben die ook krijgen, ondanks de financiële uitdagingen. Hij verwijst naar de noodzaak om de stijgende kosten van jeugdhulp, zoals reiskosten, beter te beheersen. Over de schriftelijke vragen van de Partij van de Arbeid zegt hij dat deze vanochtend zijn ontvangen en dat hij die graag schriftelijk wil beantwoorden, omdat het dan een overzichtelijk en goed document wordt. Op de vraag hoe het oordeel over aanvragen wordt geborgd, legt hij uit dat hiermee bedoeld wordt dat het oordeel onafhankelijk tot stand moet komen, door deskundige mensen die geen belang hebben bij de beslissing.
Dit wordt binnen Zeeland verder uitgewerkt en maakt deel uit van de beheersmaatregelen. Hij noemt ook dat er nog uniforme beoordelingskaders ontwikkeld worden, wat een aparte maatregel is en geen onderdeel van deze verordening. Over de financiële effecten zegt hij dat die nog niet goed te voorspellen zijn, maar dat er waarschijnlijk een inperking van kosten zal plaatsvinden, bijvoorbeeld vervoerskosten.
15
Hij bespreekt ook het punt dat jeugdhulp soms gegeven wordt aan kinderen met problemen die eigenlijk door volwassenen in het gezin veroorzaakt worden. In zo’n geval moet de hulp aan het gezin worden verleend, maar dan niet op grond van de Jeugdwet maar uit een andere financieringsbron. Tot slot gaat hij in op het principe van eigen kracht binnen de Wmo en de Jeugdwet. Ouders worden geacht problemen zoveel mogelijk zelf op te lossen en als dat niet lukt, wordt aanvullende hulp geboden. Het beoordelen hiervan vraagt om deskundigheid en een onafhankelijke beoordeling. Mevrouw De Bruijn-van Denderen vraagt hoe terugwerkende kracht van de verstrekte jeugdhulp werkt. Wethouder Ruissen legt uit dat de verordening bepaalt dat zorg in principe niet met terugwerkende kracht wordt vergoed, behalve in het geval van crisiszorg. Wat precies onder crisis valt, wordt beoordeeld, maar dit is het uitgangspunt. Soms nemen mensen zelf zorg op eigen initiatief, maar die kosten worden dan niet meer vergoed, tenzij er sprake was van crisishulpverlening. De heer Van Eck haalt een punt aan uit eerdere bijeenkomsten, namelijk het onderscheid dat de verordening maakt tussen algemene vrij toegankelijke voorzieningen en individuele, niet vrij toegankelijke jeugdhulp. Hij merkt op dat voor sommige hulpvragen een algemene voorziening voldoende kan zijn, maar vraagt zich af wie bepaalt wanneer dat zo is.