ClingeWestBestemmingsplan pdf plandocument clinge - west 20211316
Tekst van het document
Parkeren
Huidige‐ en toekomstige situatie Voor vrijstaande woningen is op basis van de kengetallen uit CROW (uitgave 381) een parkeerbehoefte van 2,3 parkeerplaats per woning. Er worden twee parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Aan het verlengde van de Kerkstraat worden circa 7‐8 parkeerplaatsen als langsparkeervakken gerealiseerd. Daarnaast wordt tussen Kerkstraat 46 en de nieuwe woningen een parkeerkoffer gerealiseerd van 8 parkeerplaatsen. Deze zijn tevens bedoeld als parkeerplaatsen voor huidige bewoners van de Kerkstraat, aangezien het eerste deel van de Kerkstraat behoorlijk smal is.
4.8.4 Conclusie Verkeer en ontsluiting Aan de hand van CROW kencijfers is berekend dat de verkeerstoename als gevolg van de rijwoningen maximaal 82mvt/etmaal bedraagt. De bestaande infrastructuur in de omgeving heeft voldoende capaciteit om het extra verkeer zonder problemen te kunnen afwikkelen. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten. Parkeren Er worden voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied gerealiseerd om in de parkeerbehoefte voor de beoogde woningen te voorzien.
35/86
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Uit de risicokaart voor Nederland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Andere relevante risicovolle bronnen zijn geen belemmering of van invloed op de beoogde ontwikkeling.
Er zijn geen wegen, spoorwegen of vaarroutes in de omgeving van het plangebied, die onderdeel uitmaken van het Basisnet. Tevens vindt in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen plaats. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologische hoogspanningsverbindingen, waterleidingen, gasleidingen of rioolleidingen. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
36/86
4.11 Milieueffectrapportage Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Onderzoek en conclusies Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft.
Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.‐beoordeling. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' opgenomen met een drempelwaarde van 100 hectare of 2000 of meer woningen. In onderhavig plan worden tien nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarmee ligt de ontwikkeling ruim lager dan de drempelwaarde. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling in een gebied dat aansluitend is aan bestaand stedelijk gebied met hoofdzakelijk een woonfunctie en gezien de beperkte milieu‐effecten (zie voorgaande paragrafen), zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten. Het opstellen van een aparte (vormvrije) m.e.r.‐beoordelingsnotitie is niet nodig.
37/86
38/86
Hoofdstuk 5 5.1
Financiële aspecten
Financiële aspecten
5.1.1 Kostenverhaal Regelgeving In de Wro (Afdeling 6.4. Grondexploitatie) zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening). Doel hiervan is om bij de ontwikkeling van bouwlocaties een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Als er te verhalen kosten zijn, dan legt de gemeente dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is niet vereist indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten van grondexploitatie met alle eigenaren in het exploitatiegebied, waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden of volledig grondeigendom). Toetsing In dit bestemmingsplan wordt een 'bouwplan' mogelijk gemaakt dat voorziet in de bouw van ten hoogste 10 woningen. Er is daarmee sprake van een bouwplan als bedoeld in de wet waarvoor kostenverhaal verplicht is. Er is voldoende behoefte aan kavels waardoor de verwachting is dat deze op zeer korte tijd verkocht worden. Conclusie Een exploitatieplan is niet vereist omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
5.1.2 Financiële uitvoerbaarheid Regelgeving In artikel 3.1.6. van het Bro is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan inzicht moet worden gegeven in de uitvoerbaarheid. Hieronder wordt mede de financiële uitvoerbaarheid verstaan. Toetsing De financiële uitvoerbaarheid wordt door middel van een grondexploitatieberekening aangetoond. Deze berekening wordt voor het bestemmingsplan vastgesteld. De gemeente neemt in de gezamenlijke exploitatie zoals die nu voorligt investeringen en risico's op zich en er is een bescheiden winst te verwachten. Gelet op het vertrouwelijke karakter worden de financiële gegevens niet in deze paragraaf opgenomen. Conclusie De financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is voldoende verzekerd.
39/86
5.2
Resultaten overleg en inspraak
5.2.1 Regelgeving In artikel 3.1.6. van het Bro is tevens bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. De verplichting om tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn, is vastgelegd in artikel 3.1.1 van het Bro. 5.2.2 Toetsing Er zal een inspraakavond gehouden worden. Resultaten worden bijgevoegd voor vaststelling van het plan. P.M.
40/86
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking
Onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking Clinge-West Inleiding Het thans voorliggende plan gaat uit van het ontwikkelen van een kleinschalig woonwijkje met maximaal 10 woningen in het verlengde van de Kerkstraat. De beoogde ontwikkeling is onveranderd ten opzichte van het plan waarover de raad in 2015 positief heeft besloten. In het ontwerp is een wandelpad naar de Papaverweg opgenomen. Het wijkje is goed inpasbaar in het coulisselandschap tussen de kern Clinge en de woonwijk Groote Kreek. De bouwmogelijkheden in de kern Clinge zijn beperkt. Er is feitelijk geen aanbod van vrije bouwkavels. Ook het aanbod van recente moderne woningen is beperkt. Een beperkt aantal kavels in Clinge kan aantrekkelijk zijn voor inwoners van Clinge en voor mensen van buiten Clinge, waaronder Belgen. Door deze ontwikkeling kunnen een aantal inwoners van Clinge in het dorp blijven wonen. Inwoners die graag in een moderne woning willen wonen of zelf een woning willen (laten) bouwen zijn op dit moment veelal aangewezen op de omliggende kernen, waar het aanbod ook beperkt is. Onderbouwing ladder Hoewel een plan van minder dan 11 woningen volgens vaste jurisprudentie geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft en daardoor een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven, is toch een onderbouwing van de behoefte opgesteld.
De gemeenteraad kan een mogelijke toekomstige toename van leegstand (in bepaalde woonsegmenten) door een nieuw initiatief aanvaardbaar achten, gelet op de zwaarder wegende positieve gevolgen van de beoogde ontwikkeling. Echter bedraagt het huidige leegstandspercentage van woningen in de gemeente Hulst circa 2% (CBS 2021). Enkel verouderde woningen staan langere tijd te koop. De gemeente Hulst groeide, ondanks het sterfteoverschot, tussen 2016 en 2021 in inwoneren huishoudensaantal. Dit is met name te wijten aan de instroom van buiten Hulst. Het gemiddeld aantal personen dat jaarlijks naar de gemeente Hulst migreert bedraagt 1019 personen, 37,5% van dat aantal is afkomstig uit het buitenland, met name België. Het overige deel is afkomstig uit een andere Nederlandse gemeente, zoals bijvoorbeeld schoolverlaters die naar hun geboortegemeente terugtrekken om hier te komen werken. Naast het feit dat huidige bewoners van Clinge veelal wegtrekken naar omliggende kernen vanwege het gebrek aan bouwmogelijkheden, zijn er afgelopen jaren steeds meer Belgen komen wonen. Clinge is een grensdorp onder de rook van Antwerpen en daarmee een aantrekkelijk woonmilieu voor Vlamingen. Behoefte vrije kavels Er zijn gezinnen waarbij de huidige woning te klein wordt waardoor ze willen doorstromen naar grotere woningen. Die woningen moeten voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen.
Levensloopgeschiktheid is daarvan de belangrijkste. De gemeente Hulst krijgt veel vragen over verkoop van vrije kavels voor zelfbouwwoningen. Door te voorzien in deze behoefte kunnen er meer toekomstbestendige woningen worden gerealiseerd. In de kern Clinge staat momenteel (juli 2022) geen bouwkavel te koop.
Woningbehoefte Vlamingen De grootste toenemende groep inwoners zijn de immigranten vanuit het buitenland . Daarvan is, zoals eerder vermeld, het grootste gedeelte van Belgische (Vlaamse) afkomst. Per saldo trekt de gemeente Hulst vooral gezinnen aan. Dit blijkt uit het positieve saldo bij de leeftijdsklassen 25-65 (de ouders) en de leeftijdsklasse beneden de 15 jaar (de kinderen). Deze gezinnen zijn op zoek naar diverse woningtypen, met name twee-ondereen-kap en vrijstaande woningen . Deze woningen vallen ook grotendeels in de categorie 200.000-300.000 euro.
Huidige ontwikkelingen en prognoses Immigranten afkomstig uit België zijn grotendeels afkomstig uit de gemeenten Antwerpen, Beveren, Sint-Niklaas, Sint-Gillis-Waas, Stekene, delen van Waasmunster en Temse (provincie Oost-Vlaanderen). Deze gemeenten zijn samengevoegd in twee woonregio’s: Sint-Niklaas en Antwerpen. Deze reguliere instroom is opgenomen in de provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 2019. In de prognose wordt uitgegaan van een positief saldo van gemiddeld 136 per jaar over de periode 2020 t/m 2025.10 Over de periode 2016 t/m 2019 lag het daadwerkelijk buitenlands migratiesaldo hoger dan de prognose, met gemiddeld 163 personen per jaar. De gemeente Hulst slaagt erin om meer mensen uit het buitenland aan te trekken én om hen aan de gemeente te binden. De Provincie Oost-Vlaanderen heeft in het woningonderzoek 2017-20351 de toekomstige bevolkings- en huishoudensprognoses voor Vlaanderen in kaart gebracht. Alle regio’s kunnen de komende jaren een toename van het aantal inwoners en huishoudens verwachten. Woonregio inwoneraantal Sint-Niklaas Antwerpen
1
Ontwikkeling 2017 2020 2025 2030 2035 (%) 186188 188820 194099 198334 201563 8,3% 57878 58750 60272 61575 62505 8,0%
Bron: Woonregio’s rapportage Oost-Vlaanderen 2017-2035 (provincie Oost-Vlaanderen) 4-10-2018 10 Bron: Studie InFact onderbouwing extra huishoudensgroei Hulst
Woonregio huishoudensaantal Sint-Niklaas Antwerpen
2017 77317 23924
2020 79094 24522
2025 81645 25393
2030 83782 26131
2035 85431 26673
Ontwikkeling (%) 10,5% 11,5%
Het aantal inwoners stijgt in de regio’s met 8 tot 8,3% en het aantal huishoudens zal groeien met 10,5 tot 11,5%. Door de groei in de voorgenoemde woonregio’s zal ook de woningbehoefte verder toenemen. Bovendien is het niet ondenkbaar dat, door de ontwikkelingen in het westelijke Antwerpse havengebied, de focus als woonregio meer komt te liggen op de gemeente Hulst. De linkeroever van het Antwerpse havengebied kent komende jaren naar verwachting een toename aan werkgelegenheid. De komst van grote werkgevers gaat gepaard met de noodzaak voor huisvesting van werknemers. Door verkeersproblematiek rondom Antwerpen en de nabijheid van Hulst kan Hulst tevens in beeld komen als woonplaats bij (toekomstige) werknemers. Uitbreiding van de kern Clinge Het doel van de gemeente Hulst is om op korte termijn te voorzien in de toenemende woningbehoefte. Hiervoor is gezocht naar geschikte locaties om woningen toe te voegen. Daarvoor worden eerst herstructureringslocaties onderzocht alvorens naar inbreiding en daarna uitbreidingslocaties wordt gekeken. In Clinge zijn echter geen leegstaande bedrijfslocaties die vragen om een transformatieopgave of inbreidingslocaties. Naast het voorzien in de woningbehoefte van de verschillende doelgroepen is Clinge-West ook gericht op de kwalitatieve aspecten en toekomstbestendigheid.
De vraag naar nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen is zonder meer groot, want de huidige particuliere woningvoorraad is relatief verouderd. Bij uitbreidingslocaties is het mogelijk een wijk volledig in te richten naar de eisen van deze tijd. Het doel is om een klimaatadaptieve wijk te ontwerpen met toekomstbestendige woningen. In de wijk worden energie neutrale woningen gerealiseerd, wordt hemelwater volledig op eigen terrein en in het openbaar gebied opgevangen en geïnfiltreerd. Voor het bouwen van levensloopbestendige woningen is vloeroppervlak nodig. Dit is vooral mogelijk op locaties waar ruimte beschikbaar is. Daarom is gekozen voor een verlenging van het bestaand stedelijk gebied aan de Kerkstraat. Kwaliteitsimpuls Naast het voorzien in de woningbehoefte van de verschillende doelgroepen is Clinge-West ook gericht op de kwalitatieve aspecten en toekomstbestendigheid. De vraag naar nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen is zonder meer groot, want de huidige particuliere woningvoorraad is relatief verouderd. Bij uitbreidingslocaties is het mogelijk een wijk volledig in te richten naar de eisen van deze tijd, zowel op levensloopbestendig als duurzaam vlak. Voor het bouwen van levensloopbestendige woningen is vloeroppervlak nodig. Dit is met name mogelijk op locaties waar ruimte beschikbaar is, in dit geval buiten bestaand stedelijk gebied.
Het doel is ook om een klimaatadaptieve wijk te ontwerpen met toekomstbestendige woningen. In de wijk worden energie neutrale woningen gerealiseerd, wordt hemelwater volledig op eigen terrein en in het openbaar gebied opgevangen en geïnfiltreerd. Er is in het plangebied voldoende ruimte om waterberging aan te leggen.
Ladderruimte De gemeente Hulst heeft uit de Woningmarktafspraken 2016-2025 recht op ladderruimte. Ladderruimte bestaat uit bouwtitels die bovenop de huidige woningvoorraad mogen worden toegevoegd aan de woningmarkt. In nieuwe afspraken uit 2019 is die ladderruimte aangepast op basis van de behoefte per gemeente. Met die ladderruimte moet zorgvuldig worden omgegaan. Uitgaande van de nieuwe cijfers is de intentie van het college om zorgvuldig met de beschikbare ruimte om te gaan en de ladderruimte te benutten voor woningbouwlocaties die een grote ruimtelijke kwaliteitswinst opleveren en voorzien in de behoefte. Door het inzetten van ladderruimte (bouwtitels) op deze locatie wordt voorzien in een aantoonbare behoefte en verbetert het indirect de leefbaarheid van Clinge. Huidige bewoners kunnen binnen de kern doorstromen en maken zodoende plaats voor jongeren of nieuwe inwoners. De ladderruimte wordt gereserveerd in de Planmonitor van de Provincie Zeeland.
Bijlage 2 Archeologisch advies
Gemeente Hulst De heer X Postbus 49 4560 AA Hulst
Ons kenmerk Projectnummer Behandeld door Email Telefoonnummer Betreft
22U.022 2021EDU023 X X@edufact.nl XXXXXXXXXX Clinge West uitbreidingsplan, aangepast advies archeologie en cultuurhistorie
Grijpskerke, 24 juni 2022
Geachte heer X, Op 15 juni 2022 heeft u mij gevraagd het advies van 28 december 2021 (kenmerk 21U.020) aan te passen naar de actualiteit. Dit omdat er momenteel gewassen in het plangebied staan, waardoor het archeologisch proefsleuvenonderzoek pas na de oogst in najaar 2022 uitgevoerd kan worden. Dat betekent dat de uitkomsten van het nog uit te voeren archeologisch onderzoek niet richtinggevend zijn voor het al dan niet vrijstellen van (delen van) het plangebied in het nu voorliggende bestemmingsplan alsook de waarde van de dubbelbestemming. Hieronder vindt u mijn aangepast advies. Samenvatting Het noordelijk deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Kernen Hulst H1 (2021) en het zuidelijk deel binnen het Bestemmingsplan Archeologische en Aardkundige Waarde (2017). Het gehele plangebied is in beide bestemmingsplannen gelegen binnen een zone met een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2. Dit betekent dat er vergunningplicht bestaat voor archeologie indien de graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,40 meter –mv groter zijn dan 500 m2. In 2016 werd in kader van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan een Archeologisch Bureauonderzoek met verkennende boringen uitgevoerd (Artefact rapport 272). Conclusie was dat de archeologische verwachting voor de perioden prehistorie tot en met de vroege middeleeuwen hoog is.
Voor het opstellen van het bestemmingsplan is het advies gegeven om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dat is tot nu toe nog niet uitgevoerd. Er zijn twee mogelijkheden: 1. Uitvoering proefsleuvenonderzoek waarna plangebied wordt vrijgegeven en dubbelbestemming wordt verwijderd of indien vindplaatsen worden aangetroffen, deze wordt bijgewerkt (bv naar Waarde-Archeologie 1) 2. Opnemen Waarde-Archeologie 2 in het nieuwe bestemmingsplan en het archeologisch onderzoek verplicht te stellen bij de vergunningaanvragen die volgen uit de bouwplannen. Cultuurhistorische waarden zijn hier niet aanwezig. EDUFACT ADVIES IN ERFGOED
Huidige Bestemmingsplan Het noordelijk deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Kernen Hulst H1 (2021) en het zuidelijk deel binnen het Bestemmingsplan Archeologische en Aardkundige Waarde (2017). Het gehele plangebied is in beide bestemmingsplannen gelegen binnen een zone met een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2. Dit betekent dat er vergunningplicht bestaat voor archeologie indien de graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,40 meter –mv groter zijn dan 500 m2. Archeologie Binnen het plangebied liggen geen archeologische rijksmonumenten. Op de beleidskaart van de gemeente Hulst is het gehele plangebied gelegen in een zone met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. In Archis 3.0, de nationale database voor vindplaatsen in Nederland, worden ter plaatste van het plangebied geen vondstcomplexen vermeld, zie Bijlage 2. In 2006 werd ter hoogte van Kerkstraat 44-46 onderzoek gedaan (Archis-Zaaknummer 2212960100) door SOB Research. Daarbij werd een intacte bodem aangetroffen met een esdek. Er werden echter geen vondsten aangetroffen. Er werd geen vervolgonderzoek uitgevoerd. In 2016 werd door Artefact in kader van het opstellen van het huidig bestemmingsplan een onderzoek uitgevoerd (Archis-Zaaknummer 4013909100). In het rapport BP Clinge-West. Gemeente Hulst.
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen (Artefact! rapport 272) werd geconcludeerd dat er een hoge verwachting bestaat op het aantreffen van vindplaatsen uit de prehistorie tot en met de vroege middeleeuwen. Ook is in de bovenste laag een esdek aanwezig. Het archeologisch niveau bevindt zich nog vaak intact hieronder. Om die reden wordt bij onderzoek ook altijd de onderkant van het esdek betrokken. In dit esdek komt vaak vondstmateriaal voor maar duidt niet op sporen omdat dit van elders is aangevoerd. De verwachting op vindplaatsen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd is laag. Vindplaatsen kunnen voorkomen vanaf 0,40 meter onder maaiveld. Artefact heeft om die reden de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek aanbevolen om te kijken of er daadwerkelijk vindplaatsen uit de perioden prehistorie – vroege middeleeuwen in het plangebied aanwezig zijn en wat de waardering van deze vindplaatsen is. Dit onderzoek is nog niet uitgevoerd. Advies Archeologie In het huidige bestemmingsplan is het plangebied gelegen binnen een zone met een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2. Dit betekent dat er vergunningplicht bestaat voor archeologie indien de graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,40 meter –mv groter zijn dan 500 m2 .
Op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat er een hoge kans bestaat in het plangebied op het aantreffen van vindplaatsen uit de vroege en late prehistorie, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen bij graafwerkzaamheden dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld.
2
Dit betekent dat in het gehele plangebied een dubbelbestemming Waarde-Archeologie , zijnde de Waarde-Archeologie 2 met een vrijstelling van 500 m2 en een diepte zoals is aangegeven op de vrijstellingenkaart, blijft gehandhaafd in het nieuwe bestemmingsplan. De daarbij behorende standaardregels voor deze waarde kunnen dan worden opgenomen alsook (een uitsnede van) de vrijstellingenkaart. De uitvoering van het vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven zal worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. Een door de gemeente goedgekeurd PvE is reeds voorhanden. Aan dit advies kunnen, behoudens opzet of grove nalatigheid onzerzijds, geen rechten worden ontleend, noch eventuele schade die daaruit zal voortvloeien worden geclaimd. Indien u naar aanleiding van dit advies nog opmerkingen of vragen heeft, kunt u mij bereiken via XXXXXXXXXX en X@edufact.nl Met vriendelijke groeten,
3 X SENIOR ADVISEUR ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE
CC. Gemeente Hulst, de heer X
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek
ABO Colsen-bodem
RAPPORT
Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West (Kadastraal bekend: Hulst R 312, 810 en 1844 en K 1443 (deels ged.))
Versie 1.0 1 juni 2022
www.colsen.nl www.abo-milieuconsult.nl
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
Rapporttitel:
Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
Projectnummer:
ANL22-6782
Versie:
1.0
Datum:
1 juni 2022
Klant:
Gemeente Hulst
Adres:
Postbus 49, 4560 AA, Hulst
Uitgevoerd door:
ABO Colsen-bodem
Adres:
Kreekzoom 3, 4561 GX Hulst, NL
Website:
www.colsen.nl / www.abo-milieuconsult.nl
Contactpersoon:
Mevrouw L. Strobbe
Telefoonnummer:
+31 (0) 114 311 548
E-mail:
leoniek.strobbe@abo-group.eu
Auteur:
Mevrouw L. Strobbe
Paraaf:
Goedgekeurd door:
De heer N. Gelderland
Paraaf:
Niets uit dit drukwerk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van ABO Colsen-bodem., noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
ABO Colsen-bodem is gecertificeerd conform de NEN-EN-ISO 9001:2015 (certificaat nr. NL09/81825893), hetgeen een waarborg is voor een constante kwaliteit en reproduceerbaarheid van onderzoeksgegevens. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart ABO Colsen-bodem, op geen enkele wijze gelieerd te zijn aan de te onderzoeken projectlocatie, zowel in juridische, financiële of personele sfeer.
Pagina 2 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
INHOUDSOPGAVE 1
Inleiding .............................................................................................................................................. 5
2
Vooronderzoek ................................................................................................................................... 6 2.1
Algemeen ................................................................................................................................... 6
2.2
Locatiegegevens ......................................................................................................................... 6
2.3
Regionale bodemopbouw en geohydrologie............................................................................. 7
2.4
Terreinverkenning ...................................................................................................................... 7
2.5
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit ..................................................................... 8
2.5.1
Eerder bodemonderzoek ................................................................................................... 8
2.5.2
Informatie Gemeente Hulst (tevens opdrachtgever) ........................................................ 8
2.5.3
Digitale bronnen................................................................................................................. 9
2.6
2.6.1
Historisch kaartmateriaal en luchtfoto’s ........................................................................... 9
2.6.2
Toekomstig gebruik .......................................................................................................... 10
2.6.3
Calamiteiten/ongewoon voorval ..................................................................................... 10
2.6.4
Asbest ............................................................................................................................... 10
2.6.5
PFAS .................................................................................................................................. 10
2.7 3
5
6
Hypothese en onderzoeksstrategie ......................................................................................... 11
Veld- en laboratoriumwerkzaamheden ........................................................................................... 13 3.1
Uitvoering veldwerkzaamheden .............................................................................................. 13
3.2
Resultaten veldonderzoek ....................................................................................................... 13
3.2.1
Bodemopbouw ................................................................................................................. 13
3.2.2
Grondwatermeting .......................................................................................................... 13
3.2.3
Verdachtheid asbest in bodem ........................................................................................ 14
3.3 4
Gebruik en beïnvloeding ............................................................................................................ 9
Monsterselectie en analyses .................................................................................................... 14
Analyseresultaten ............................................................................................................................. 16 4.1
Algemene begrippen en toetsingskader .................................................................................. 16
4.2
Grond ........................................................................................................................................ 18
4.3
Grondwater .............................................................................................................................. 20
Conclusies en aanbevelingen ........................................................................................................... 21 5.1
Conclusies ................................................................................................................................. 21
5.2
Toetsing van de hypothese ...................................................................................................... 22
5.3
Aanbevelingen .......................................................................................................................... 22
Aansprakelijkheid ............................................................................................................................. 23
Pagina 3 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Situering onderzoekslocatie Plattegrond met situering boringen en peilfilter(s) Foto’s onderzoekslocatie Boorstaten met legenda Analyseresultaten Toetsingsresultaten Toelichting asbest in de bodem Gegevens vooronderzoek
Pagina 4 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
1 Inleiding In opdracht van de Gemeente Hulst heeft ABO Colsen-bodem, op de locatie Kerkstraat ong. te Clinge (kadastraal bekend: Hulst R 312, 810 en 1844 en K 1443 (deels ged.)) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van het uitbreidingsplan ‘Clinge-West’. Aanleiding Aanleiding tot de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek vormt de voorgenomen realisatie van een kleinschalige woonwijk ter uitbreiding van het dorp Clinge. Doel Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht verkrijgen in de huidige bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen realisatie van een kleinschalige woonwijk. Onderzoeksstrategie en kwaliteit Het bodemonderzoek is gebaseerd op de richtlijnen uit de NEN 5740 + A1: 2016 (Bodem – landbodem – strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond). ABO Colsen-bodem draagt zorg voor de overdracht van monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. De rapportage kan niet worden toegepast voor de beoordeling van af te voeren grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit.
Onderhavig rapport beschrijft de verrichte werkzaamheden en de daaruit volgende conclusies en aanbevelingen van het verkennend bodemonderzoek.
Pagina 5 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
2 Vooronderzoek 2.1 Algemeen Conform de NEN 5740 dient, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden, een hypothese worden opgesteld omtrent de aan-/afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventuele verontreinigingen. Ten behoeve van het opstellen van een hypothese dient een vooronderzoek uitgevoerd te worden overeenkomstig de NEN 5725:2017 (Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). De aanleiding tot het vooronderzoek is: ▪ Opstellen hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. In dit hoofdstuk zijn de bij de aanleiding behorende te onderzoeken aspecten weergegeven. Op basis van deze informatie is een onderzoekshypothese en een onderzoeksstrategie voor het verkennend bodemonderzoek opgesteld. In bijlage 8 zijn de bij de aanleiding behorende onderzoeksvragen inclusief antwoorden weergegeven. In de volgende tabel zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen Bron
Website, contactpersoon of archief
Kadaster
www.kadaster.nl
Topotijdreis
www.topotijdreis.nl
Provincie Zeeland
www.zeeland.nl
Bodemloket
www.bodemloket.nl
Nazca Rapportagemodule
https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/
Gemeente Hulst (tevens opdrachtgever)
Dhr. G.J.J. de Vaan
2.2 Locatiegegevens Adres Kadastrale gegevens Gemeente Gebruik Oppervlakte / Lengte RD-coördinaten
: Kerkstraat ong. te Clinge : Hulst R 312, 810 en 1844 en K 1443 (deels ged.) : Hulst : Landbouwgrond en openbare weg : 14.380 m2 : X = 63.996 ; Y = 365.208
De onderzoekslocatie is gelegen direct ten westen van de bebouwde kom van het dorp Clinge. Het te onderzoeken terrein bestaat uit agrarisch bouwland en een gedeelte van de openbare weg Kerkstraat. De onderzoekslocatie is in de huidige situatie volledig onbebouwd en grotendeels onverhard. Een klein gedeelte van de onderzoekslocatie (ter plaatse van de Kerkstraat) is verhard met klinkers. Aan de noordzijde grenst de onderzoekslocatie aan agrarisch bouwland en bosschage. Ten zuiden is agrarisch bouwland gesitueerd. De Papaverweg en agrarisch bouwland begrenst de onderzoekslocatie aan de westzijde. Aan de oostzijde is het vervolg van de Kerkstraat en woonbebouwing gelegen. De situering van de onderzoekslocatie is weergegeven op de regionale situatieschets in bijlage 1 van onderhavige rapportage en op onderstaande figuur.
Pagina 6 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
Figuur 1: Situering onderzoekslocatie (Bron: Geoloket Provincie Zeeland)
2.3 Regionale bodemopbouw en geohydrologie De globale bodemopbouw is weergegeven in tabel 2. Er is een inschatting gemaakt van de bodemopbouw aan de hand van de dichtstbijzijnde boringen (Bron: Dinoloket, via www.dinoloket.nl). Tabel 2: Regionale bodemopbouw Geohydrologische eenheid Formatie van Boxtel
Globale diepte (m-mv) 0,00 – 7,80
Samenstelling bodem Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig; klei, siltig tot zandig, humeus; veen, kleiig
Formatie van Oosterhout
7,80 – 18,25
Zand, matig fijn tot matig grof, glauconiethoudend, schelphoudend; klei, siltig tot zandig
Rupel Formatie
18,25 – 18,75
Klei, lokaal siltig tot zandig; zand, uiterst fijn tot matig fijn, lokaal kleiig, glauconiethoudend
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied, wel binnen een gebied met zoetwatervoorkomens (bron: Geografisch loket Waterschap Scheldestromen). Ter plaatse van verschillende locaties binnen 1 kilometer ten zuiden, ten noorden en ten westen van de onderzoekslocatie vindt grondwateronttrekking ten behoeve van de landbouw plaats (Geografisch loket Waterschap Scheldestromen). 2.4 Terreinverkenning Door de heer L. Knoop, medewerker van BodemBasics B.V., is op 13 mei 2022 een terreinverkenning uitgevoerd. Tijdens de terreinverkenning zijn geen bijzonderheden geconstateerd. Tijdens de uitvoering van de terreinverkenning zijn foto’s van de onderzoekslocatie gemaakt. Deze zijn opgenomen in bijlage 3 van onderhavige rapportage.
Pagina 7 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
2.5 2.5.1
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit Eerder bodemonderzoek
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in het verleden het volgende bodemonderzoek uitgevoerd. Kerkstraat ong. Clinge (locatie betreft het gedeelte van de huidige onderzoekslocatie direct ten westen van het adres Kerkstraat 46), Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium Zeeuws-Vlaanderen B.V., referentienummer 06A0199, d.d. 18 april 2006 Het bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de herontwikkeling van de locatie. In de zowel de bovengrond, de ondergrond als in het grondwater zijn geen gehaltes/concentraties boven de (toenmalige) streefwaarden aangetoond. Er is geen noodzaak voor de uitvoering van een nader bodemonderzoek. In de directe omgeving (binnen 25 meter) van de onderzoekslocatie is onderstaand bodemonderzoek bekend. Verkennend bodemonderzoek Kerkstraat 46 Clinge (direct ten noorden van het oostelijke gedeelte van de huidige onderzoekslocatie), Colsen Adviesburo voor Milieutechniek B.V., referentienummer onbekend, d.d. 11 februari 1997 Het bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de aanvraag van een bouwvergunning. In de grond zijn geen overschrijdingen van de (toenmalige) streefwaarden aangetoond. In het grondwater overschrijden de concentraties aan cadmium, lood en tolueen de streefwaarden. De concentratie aan zink overschrijdt de toetsingswaarde voor nader bodemonderzoek. 2.5.2
Informatie Gemeente Hulst (tevens opdrachtgever)
De opdrachtgever (Gemeente Hulst) is voornemens om ter plaatse van de onderzoekslocatie een kleinschalige woonwijk te realiseren. Dit plan is bij de opdrachtgever bekend als ‘Uitbreidingsplan Clinge-West. Binnen het uitbreidingsplan worden twee grotere percelen voor woningbouw vrijgegeven, daarnaast zal een weg, een voetpad en een waterpartij gerealiseerd worden. Deze waterpartij zal aan de oostzijde worden aangesloten op de bestaande riolering en aan de westzijde op het bestaande oppervlaktewater. In onderstaande figuur 2 is een overzichtstekening van het uitbreidingsplan opgenomen. Figuur 2: Overzichtstekening Uitbreidingsplan Clinge-West
Door de Gemeente Hulst is aangegeven dat er geen relevante gegevens bekend zijn met betrekking tot de bodemkwaliteit of (voormalige) potentieel bodembedreigende activiteiten ter plaatse of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
Pagina 8 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
2.5.3
Digitale bronnen
Bodemloket Volgens de website Bodemloket zijn ter plaatse en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie twee uitgevoerde bodemonderzoeken bekend (Colsen Adviesburo voor Milieutechniek B.V., 1997 en Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium Zeeuws-Vlaanderen B.V., 2006). Voor meer informatie omtrent deze bodemonderzoeken wordt verwezen naar paragraaf 2.5.1 ‘Eerder bodemonderzoek’ van onderhavige rapportage. Geografisch loket Provincie Zeeland Bodemkwaliteitskaart Volgens de Bodemkwaliteitskaart van de Gemeente Hulst is de onderzoekslocatie grotendeels gelegen in zone A ‘Buitengebied en woonwijken > 1960’ en heeft de bodem de functie ‘overig’. Zowel de bovenals de ondergrond ter plaatse van dit gedeelte van de onderzoekslocatie valt in de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’. Een klein gedeelte van de onderzoekslocatie (het meest oostelijke deel ter plaatse van de Kerkstraat en direct ten noorden hiervan) is gelegen in de zone B1 ‘Woonwijken < 1960’. Ter plaatse van dit gedeelte heeft de bodem van de onderzoekslocatie de functie Wonen. De bovengrond van dit deel van de onderzoekslocatie valt in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’, de ondergrond in de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’. Boomgaardenkaart Volgens de boomgaardenkaart zijn ter plaatse en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie in het verleden geen boomgaarden aanwezig geweest.
Wet bodembeschermingkaart Volgens de Wet bodembeschermingskaart zijn ter plaatse, en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging bekend. Voormalige stortplaatsenkaart Volgens de informatie die geraadpleegd is via de voormalige stortplaatsenkaart zijn geen (voormalige) stortplaatsen bekend ter plaatse of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Rapportagemodule Nazca Volgens de Rapportage van Nazca zijn van de onderzoekslocatie de gegevens van twee uitgevoerde bodemonderzoeken bekend (Colsen Adviesburo voor Milieutechniek B.V., 1997 en Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium Zeeuws-Vlaanderen B.V., 2006). Voor meer informatie omtrent deze bodemonderzoeken wordt verwezen naar paragraaf 2.5.1 ‘Eerder bodemonderzoek’ van onderhavige rapportage. Verder zijn geen relevante gegevens bekend in de rapportage van Nazca met betrekking tot de bodemkwaliteit of (voormalige) potentieel bodembedreigende activiteiten ter plaatse of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 2.6 2.6.1
Gebruik en beïnvloeding Historisch kaartmateriaal en luchtfoto’s
Volgens het via de website www.topotijdreis.nl geraadpleegde historische kaartmateriaal (periode 1850-2021) is beoordeeld dat de onderzoekslocatie in de periode 1850 tot 1912 voornamelijk in gebruik was als bebost gebied, een klein gedeelte was destijds in gebruik als agrarisch bouwland. Vanaf 1912 is de openbare weg Kerkstraat met aangrenzende woonbebouwing zichtbaar. Het overige gedeelte van de onderzoekslocatie is sindsdien hoofdzakelijk in gebruik als agrarisch bouwland, een klein gedeelte
Pagina 9 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
bestaat uit bosschage. Dit blijft zo tot 1949. Vanaf 1950 is de onderzoekslocatie (behalve de openbare weg Kerkstraat) in gebruik als agrarisch bouwland, de strook met bosschage direct ten noorden van de onderzoekslocatie is dan aanwezig. Vanaf 1980 is de openbare weg Papaverweg zichtbaar op het kaartmateriaal. Sindsdien blijft de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie zo goed als ongewijzigd. In de periode tussen 1850 en 1988 bestaat de onderzoekslocatie uit meerdere agrarische percelen, die mogelijk van elkaar gescheiden zijn door slootjes of greppels. Het is op basis van het kaartmateriaal niet duidelijk te stellen of de scheiding tussen de percelen perceelsgrenzen, sloten of greppels betreffen. Volgens de (historische) luchtfoto’s die geraadpleegd zijn via de website van de Provincie Zeeland is de locatie in 1959 en 1970 hoofdzakelijk in gebruik als landbouwgrond, de openbare weg Kerkstraat is dan al aanwezig. Op de luchtfoto’s van deze periode bestaat de onderzoekslocatie uit meerdere agrarisch percelen, deze lijken op basis van de luchtfoto’s niet door sloten van elkaar gescheiden te zijn. Op de luchtfoto van 2003 is de openbare weg Papaverweg, direct ten westen van de onderzoekslocatie zichtbaar, de onderzoekslocatie zelf is nog steeds hoofdzakelijk in gebruik als agrarisch bouwland.
Op de luchtfoto’s van de periode 2007 – 2021 zijn geen noemenswaardige veranderingen zichtbaar ter plaatse van de onderzoekslocatie of de directe omgeving hiervan. 2.6.2
Toekomstig gebruik
In de nabije toekomst zal ter plaatse woningbouw, een openbare weg, een voetpad en een waterpartij worden gerealiseerd. 2.6.3
Calamiteiten/ongewoon voorval
Er is geen informatie bekend omtrent calamiteiten of ongewone voorvallen ter plaatse van de onderzoekslocatie. 2.6.4
Asbest
Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als onverdacht ten aanzien van asbest wordt beschouwd, omdat er geen aanwijzingen zijn voor bodembelastende activiteiten waarbij asbest op of in de bodem terecht is gekomen 2.6.5
PFAS
PFAS is een stofgroep van gefluoreerde koolwaterstoffen, die van nature niet afbreken en in hogere gehalten/concentraties schadelijke gevolgen kunnen hebben voor mens, dier en milieu. Tot deze stofgroep worden onder andere PFOS, PFOA en GenX gerekend. In juli 2019 is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een tijdelijk handelingskader gepubliceerd met betrekking tot de hergebruiksmogelijkheden van PFAS-houdende grond en baggerspecie. In dit document zijn voorschriften omschreven voor het onderzoek en de mogelijkheden voor hergebruik van grond die (mogelijk) PFAS (poly- en perfluor alkyl stoffen) houdend is. Als gevolg van dit tijdelijk handelingskader dient grond die in aanmerking komt voor hergebruik onderzocht te zijn op PFAS. Op 13 december 2021 is een geactualiseerde versie van dit handelingskader gepubliceerd. Er zijn wat betreft PFAS geen bekende puntbronnen aanwezig ter plaatse en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Hierdoor wordt aangenomen dat atmosferische depositie de enige bron van PFAS-verontreiniging op deze locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Omdat bij de geplande werkzaamheden waarschijnlijk grond afgevoerd zal worden van de locatie wordt de grond ter plaatse aanvullend onderzocht op PFAS (excl. GenX).
Omdat er ter plaatse, of in de directe omgeving, van de onderzoekslocatie geen bekende puntbronnen aanwezig zijn ten aanzien van GenX wordt deze parameter niet meegenomen in het analysepakket.
Pagina 10 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
2.7 Hypothese en onderzoeksstrategie Ten behoeve van het uit te voeren verkennend bodemonderzoek wordt de onderzoekslocatie op basis van de huidige informatie beschouwd als een onverdachte locatie wat betreft het voorkomen van bodemverontreiniging. Er bestaat vooralsnog geen aanleiding voor het indelen van de onderzoekslocatie in deellocaties. Het bodemonderzoek ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt opgezet op basis van de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL) zoals omschreven in de vigerende versie van de Nederlandse Norm NEN 5740. Vanwege de aard van de voorgenomen werkzaamheden (o.a. aanleg van een weg, voetpad en waterpartij) worden alle ondiepe boringen (0,50 m-mv) doorgezet tot een diepte van 1,00 m-mv. In tabel 3 op de volgende pagina is de te hanteren onderzoeksstrategie schematisch weergegeven.
Pagina 11 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
Tabel 3: Overzicht onderzoeksstrategie Onderzoekslocatie
Uitbreidingsplan Clinge-West
Oppervlakte (m 2)
Ca. 14.380
Toe te passen strategie uit de NEN 5740+A1 2016
ONV-NL
Boringen Tot 1,00 m-mv
17**
Tot 2,00 m-mv
5
En boring met peilbuis* Peilbuis met bovenzijde filter 0,5 mgrondwaterstand
2
Analyses grond Bovengrond: Pakket 1
3
Ondergrond: Pakket 1
2
PFAS Bovengrond: Pakket 3
3***
Analyses grondwater Pakket 2 Pakket 1:
Pakket 2:
Pakket 3:
2 NEN 5740 standaard stoffenpakket grond (bestaande uit: droge stof, organische stof, lutum, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood, zink, PCB (7), minerale olie (C10-C40) en PAK (10 VROM)) conform AS3000 NEN 5740 standaard stoffenpakket grondwater (bestaande uit: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood, zink, vluchtige aromaten (BTEXN), VOCl (11), 1,1-dichlooretheen, 1,1-dichloorpropaan, 1,2dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, tribroommethaan, vinylchloride, styreen, minerale olie (C10-C40)) conform AS3000 PFAS (28 verbindingen Tijdelijk Handelingskader) en organische stof
* Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 5,0 meter beneden het maaiveld bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. Er wordt wel geboord tot een diepte van 2 meter. Indien de diepte van de grondwaterspiegel niet bekend is, geldt een boordiepte van 5 meter. ** Vanwege de aard van de voorgenomen werkzaamheden (o.a. aanleg weg, voetpad en waterpartij) worden alle ondiepe boringen doorgezet tot een diepte van 1,00 m-mv. *** Het aantal grondmonsters dat wordt geanalyseerd op PFAS is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigende stof (VED-HO-NL).
Pagina 12 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
3 Veld- en laboratoriumwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitbesteed aan het bedrijf BodemBasics B.V. en zijn uitgevoerd op basis van de actuele BRL SIKB 2000, protocol 2001 en protocol 2002. BodemBasics B.V. is voor deze werkzaamheden gecertificeerd en erkend door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op verzoek van de opdrachtgever worden de betreffende protocollen en het procescertificaat toegezonden. De medewerker die de veldwerkzaamheden heeft uitgevoerd is geregistreerdals erkend veldmedewerker voor de protocollen 2001 en 2002 van de BRL SIKB 2000. 3.1 Uitvoering veldwerkzaamheden Op 13 mei 2022 zijn de boringen voor het bepalen van de bodemstructuur, het nemen van de grondmonsters en het plaatsen van de peilbuizen uitgevoerd door de heer L. Knoop. De heer Knoop heeft verklaard dat de veldwerkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd. Verspreid over de onderzoekslocatie zijn geplaatst: ▪ 17 boringen tot 1,00 meter – maaiveld (m-mv) (nrs. 02, 05 t/m 13, 15, 17, 18, 20, 22 t/m 24); ▪ 5 boringen tot 2,00 m-mv (nrs. 01, 04, 14, 16 en 21); ▪ 2 peilbuizen (filterstelling 2,00-3,00 m-mv) (nrs. (P)03 en (P)19). Tijdens de terreinverkenning en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden is aandacht besteed aan de aanwezigheid van asbestverdachte materialen op zowel het maaiveld als in het opgeboorde materiaal.
Er is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Een tekening met de situering van de boringen en de peilbuizen is bijgevoegd als bijlage 2. 3.2 3.2.1
Resultaten veldonderzoek Bodemopbouw
De boorstaten met de veldwaarnemingen zijn als bijlage 4 bijgevoegd. Uit de veldwaarnemingen blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie tot een diepte van 3,00 m-mv bestaat uit matig fijn zand met een matig siltige toevoeging. De bovengrond ter plaatse van het agrarisch bouwland bevat een zwak humeuze toevoeging, onder de klinkerverharding van de Kerkstraat wordt deze humeuze toevoeging niet aangetroffen in de bovengrond. Bij het uitvoeren van het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die mogelijk duiden op bodemverontreiniging. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn foto’s van de onderzoekslocatie gemaakt. Deze zijn opgenomen in bijlage 3 van onderhavige rapportage. 3.2.2
Grondwatermeting
Het grondwater uit de peilbuizen P03 (boring 03) en P19 (boring 19) is op 20 mei 2022 bemonsterd door de heer L. Knoop. De heer Knoop heeft verklaard dat de veldwerkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd. In het veld zijn de grondwaterstand (m-mv), de zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid (NTU) bepaald. In de volgende tabel worden de uitgevoerde veldmetingen en veldwaarnemingen van de bemonsterde peilbuizen schematisch weergegeven.
Pagina 13 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
Tabel 4: Overzicht veldmetingen en veldwaarnemingen grondwaterbemonstering Peilbuis / Filterdiepte Grondwaterstand Zuurgraad Monstercode (m-mv) (m-mv) (pH) (P)03 / 2,00 - 3,00 1,62 5,8 03-1-1 (P)19 / 19-1-1
2,00-3,00
1,65
6,0
EC-waarde (µS/cm) 400
Troebelheid (NTU) 16,69
320
9,91
De in het veld gemeten zuurgraad (pH-waarde) is vrij laag, de waarden die gemeten zijn voor de geleidbaarheid (EC-waarde) zijn normaal voor deze regio. De troebelheid van grondwatermonster 031-1 is licht verhoogd ten opzichte van de troebelheid van grondwater onder natuurlijke omstandigheden. De troebelheid van grondwatermonster 19-1-1 is vergelijkbaar met de troebelheid van grondwater onder natuurlijke omstandigheden. Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de concentraties aan PAK, PCB, OCB, dioxines of andere matig/slecht oplosbare organische parameters. Dergelijke stoffen zijn in dit onderzoek niet onderzocht. Aanvullend onderzoek naar de verhoogde troebelheid is daarom niet uitgevoerd. 3.2.3
Verdachtheid asbest in bodem
In het kader van dit onderzoek is géén specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond. Als tijdens het veldwerk in de bodem asbestverdachte materialen zijn opgemerkt, dan komt dit in de profielbeschrijvingen en de conclusies naar voren. In de regel is een locatie verdacht op asbest wanneer er asbest(verdachte)resten in of op de bodem zijn aangetroffen, of wanneer er puinhoudende materialen in of op de bodem voorkomen. In bijlage 7 is een nadere toelichting opgenomen op het bepalen van de verdachtheid van een locatie op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Onderhavige onderzoekslocatie is op basis van de huidige informatie en de tijdens de veldwerkzaamheden gedane zintuiglijke waarnemingen niet verdacht op het voorkomen van asbest. 3.3 Monsterselectie en analyses In de volgende tabel is weergegeven welke monsters ter analyse zijn ingezet en op welke parameters deze geanalyseerd zijn. Tabel 5: Overzicht analysemonsters en monstersamenstelling Traject (m-mv)
Deelmonsters
Zintuiglijke waarneming
Analysepakket 1) (conform AS3000) / motivatie
Grond M1
0,00 - 0,50
01 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50)
-
Standaardpakket grond en PFAS(28) Handelingskader / Bovengrond westelijk gedeelte onderzoekslocatie
M2
0,00 - 0,50
09 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50)
-
Standaardpakket grond en PFAS(28) Handelingskader / Bovengrond centraal gedeelte onderzoekslocatie
Analysemonster
Pagina 14 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
M3
0,00 - 0,50
M4
0,08 - 0,50
M5
0,50 - 2,00
M6
0,50 - 2,00
Grondwater 03-1-1 19-1-1 Toelichting:
2,00 - 3,00 2,00 - 3,00
1)
13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 18 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 20 (0,00 - 0,50) 21 (0,00 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50) 23 (0,00 - 0,50) 24 (0,08 - 0,50)
-
01 (1,00 - 1,50) 01 (1,50 - 2,00) 02 (0,50 - 1,00) 03 (1,00 - 1,50) 04 (1,00 - 1,50) 04 (1,50 - 2,00) 05 (0,50 - 1,00) 06 (0,50 - 1,00) 07 (0,50 - 1,00) 08 (0,50 - 1,00) 09 (0,50 - 1,00) 10 (0,50 - 1,00) 11 (0,50 - 1,00) 14 (1,00 - 1,50) 15 (0,50 - 1,00) 16 (1,50 - 2,00) 18 (0,50 - 1,00) 21 (1,00 - 1,50) 22 (0,50 - 1,00) 23 (0,50 - 1,00)
-
03 (2,00 - 3,00) 19 (2,00 – 3,00)
-
Standaardpakket grond en PFAS(28) Handelingskader / Bovengrond oostelijk gedeelte onderzoekslocatie
Standaardpakket grond / Bovengrond onder klinkerverharding Kerkstraat Standaardpakket grond / Ondergrond westelijk gedeelte onderzoekslocatie
Standaardpakket grond / Ondergrond centraal en oostelijk gedeelte onderzoekslocatie
Standaardpakket grondwater Standaardpakket grondwater
Standaardpakketten: Grond:
Grondwater:
Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB som 7), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM), minerale olie, lutum en organische stof Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl, 17 stuks), minerale olie
Omdat de bovengrond onder de klinkerverharding van de Kerkstraat een andere samenstelling heeft (geen humeuze toevoeging) dan de bovengrond ter plaatse van het agrarisch bouwland is, ten opzichte van de vooraf opgestelde strategie, één extra monster (M4, boring 24, traject 0,08-0,50 m-mv) samengesteld en aangeboden voor analyse op een standaardpakket grond. De monsters zijn op 13 mei 2022 (grond) en 20 mei 2022 (grondwater) ter analyse aangeboden c.q. overgedragen aan Eurofins Analytico B.V., dit is een door de Raad van Accreditatie erkend laboratorium. De monsters zijn onder de vereiste gekoelde omstandigheden opgeslagen en vervoerd. De analyses zijn, met uitzondering van PFAS, uitgevoerd conform de AS3000 ‘Accreditatieschema Laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek’.
Pagina 15 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
4 Analyseresultaten 4.1 Algemene begrippen en toetsingskader Wet bodembescherming Om de mate van verontreiniging van de grond en het grondwater te beoordelen worden de analyseresultaten van de grond en het grondwater getoetst aan het toetsingskader uit de Wet bodembescherming. Toetsing vindt plaats met behulp van het computerprogramma Terra Index. Terra Index is een programma dat aansluit op de BoToVa-toetsing (Bodem Toets- en Validatieservice). Hierin is de regelgeving van de Wet bodembescherming verwerkt en vindt een toetsing plaats van de gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD) aan de achtergrond-/ streef- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden (AW) zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als ‘schone’ of ‘niet verontreinigde grond’. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan, waarboven wel en waaronder geen sprake is van een aantoonbare verontreiniging. De interventiewaarden (I) geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd.
Grond, slib of grondwater, waarin stoffen voorkomen die de interventiewaarden overschrijden, wordt aangeduid als sterk verontreinigd. Er wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging, indien het gemiddelde gehalte (of concentratie bij grondwater) aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m3 grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m3 bodemvolume. De voormalige tussenwaarde (matige verontreiniging) is het gemiddelde van de achtergrond- c.q. streefwaarde en de interventiewaarde van een parameter. Het betreft een rekenkundig gemiddelde, dat niet rechtstreeks aan een specifiek risiconiveau is gekoppeld. Wanneer de gestandaardiseerde meetwaarde deze waarde overschrijdt bestaat het vermoeden van een bodemverontreiniging en dient mogelijk een nader onderzoek uitgevoerd te worden. De norm voor barium is tijdelijk ingetrokken (volgens de Circulaire bodemsanering, d.d. 1 juli 2013). Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium (920 mg/kg d.s.).
De toetsing hoeft alleen nog uitgevoerd te worden in situaties waarbij sprake is van een duidelijke antropogene bron. Correctie van de analyseresultaten De toetsingswaarden voor grond zijn afhankelijk van het lutum- en het organische stofgehalte in de betreffende bodemlagen. De achtergrond- en interventiewaarden van zware metalen zijn afhankelijk van de lutum en organische stofgehalten van de grond. De overige (organische) parameters zijn enkel afhankelijk van het percentage organische stof. Derhalve dienen de eerder beschreven achtergrond- en interventiewaarden of het analyseresultaat te worden gecorrigeerd voor de gemeten percentages lutum en organische stofgehalten. In dit geval worden de meetwaarden gecorrigeerd (bodem met 10% organische stof en 25% lutum) en worden de gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD) getoetst aan de normen.
Pagina 16 / 23
Projectnummer: ANL22-6782 Verkennend bodemonderzoek Uitbreidingsplan Clinge-West
Toelichting van de index Bij de getoetste waarden is een index opgenomen. De index geeft aan in welke mate een gehalte/concentratie een richtwaarde overschrijdt voor een specifieke parameter. Deze index wordt als volgt berekend: Index = (GSSD-AW) / (I-AW). Een negatieve index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD lager is dan de achtergrond-/ streefwaarde. Een index kleiner dan 0,5 houdt in dat de GSSD (ver) onder de interventiewaarde ligt (lichte verontreiniging). Een index boven de 1,0 houdt in dat de GSSD boven de interventiewaarde ligt (sterke verontreiniging). Een index tussen 0,5 en 1 houdt in dat de GSSD dicht bij de interventiewaarde ligt (matige verontreiniging). Afhankelijk van de locatie specifieke omstandigheden geeft laatstgenoemde mogelijk aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek. De volledige analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn toegevoegd in bijlage 5. In bijlage 6 zijn de resultaten opgenomen van de toetsing van de gestandaardiseerde meetwaarden aan de achtergrond-/streef- en interventiewaarden inclusief de bijbehorende normen.