CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_5_ruimtelijke_onderbouwing2

Gemeenteraad 4 juli 2024, gemeente HulstBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van een stal aan de Meloweg6.490 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke onderbouwing Meloweg 4 Graauw

Ruimtelijke onderbouwing Bouw pluimveestal

Opsteller Contactgegevens: A.B. (Bram) Verhage Boulevard de Wielingen 33 4506 JJ Cadzand T: 0117-700550 E bram@vlamingendezeeuw.nl

Versie: 21 mei 2024

RO Meloweg 4 Graauw

1

INHOUD

1. Inleiding ................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................... 3 1.2 Huidige situatie ........................................................................................................ 3 1.3 Het plan .................................................................................................................. 5 1.4. Leeswijzer ........................................................................................................... 7 2. 2.1 2.2 2.3

Planologisch beleidskader ...................................................................................... 7 Rijksbeleid .............................................................................................................. 7 Provinciaal beleid ..................................................................................................... 8 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 9

3. Ruimtelijke aspecten ............................................................................................ 13 3.1 Natuur ................................................................................................................... 13 3.2 Cultuurhistorie ........................................................................................................ 14 3.3 Archeologie ............................................................................................................ 15 3.4 Mobiliteit en parkeren .............................................................................................. 16 3.5 Technische infrastructuur ......................................................................................... 16 3.6 Bodem ................................................................................................................... 16 3.7 Geur ...................................................................................................................... 17 3.8 Geluid .................................................................................................................... 17 3.9 Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 17 3.10 Externe veiligheid ....................................................................................................

18 3.11 Omliggende functies ................................................................................................ 18 4. 4.1

Waterparagraaf .................................................................................................... 19 Watertabel ............................................................................................................. 19

5.

Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 21

6.

Maatschappelijke haalbaarheid ............................................................................ 22

Bijlage 5A Landschappelijke inpassing Bijlage 5B Participatieplan

RO Meloweg 4 Graauw

2

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Op de locatie Meloweg 4 te Graauw is het landbouwbedrijf van initiatiefnemer gevestigd. Initiatiefnemer exploiteert een gemengd bedrijf met akkerbouw en 40.000 stuks pluimvee in de vorm van een neventak intensieve veehouderij. Het bedrijf beschikt over een aanzienlijk landbouwareaal. Het agrarisch bedrijf bewerkt een landbouwareaal van circa 280 hectare landbouwgrond en voorziet in de teelt van aardappelen, tarwe, gras, bieten, uien en witlof. Het agrarisch bouwvlak heeft een omvang van 1,5 hectare. Initiatiefnemer heeft de wens om de pluimveehouderij als grondgebonden activiteit om te schakelen en uit te breiden naar 64.052 dieren en tevens te voldoen aan de voorwaarden Beter Leven Keurmerk 1 ster. In dat geval wordt zowel aan de bestaande stal als de nieuw te bouwen stal een uitloop gerealiseerd. Om de tweede stal met uitloop te realiseren dient de stal op het bouwvlak te worden gebouwd. De gronden waar de uitbreiding wordt gerealiseerd zijn bestemd met de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Op deze gronden ontbreekt echter gedeeltelijk de aanduiding bouwvlak.

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verbiedt in artikel 2.1 lid 1 sub c een project zonder omgevingsvergunning uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met zowel het bouwen als het opheffen van de strijdigheid met het bestemmingsplan. Volgens artikel 2.12 lid 1 sub 3 van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voorliggend document vormt de ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat de ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Deze

ruimtelijke

onderbouwing

maakt

deel

uit

van

de

aanvraag

voor

een

omgevingsvergunning.

1.2

Huidige situatie

Het plangebied aan de Meloweg 4 is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hulst. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Hulst, sectie O, nummers 763, 764, 765 en 766. De locatie is gelegen in het buitengebied, op een afstand van circa 570 meter ten noorden van de bebouwde kom van Graauw. De meest nabijgelegen woning van derden (Meloweg 6) ligt op een afstand van 197 meter van het agrarische bouwvlak.

RO Meloweg 4 Graauw

3

Figuur 1: Kadastrale situatie Meloweg 4 (Kadastralekaart.com)

Figuur 2 Locatie plangebied (Google Maps 2023)

RO Meloweg 4 Graauw

4

1.3

Het plan

Het initiatief is erop gericht om een tweede pluimveestal te realiseren van in totaal 3.984 m2 leefoppervlak voor de dieren, waarvan 2.984 m2 binnenruimte en 1.000 m2 uitloop. De bestaande stal wordt ook voorzien van een uitloop met een oppervlakte van 733 m2. In totaliteit is er dan 6.823 m2 bedrijfsvloeroppervlak voor de dieren aanwezig. De bedrijfsvoering zal worden uitgevoerd conform het Beter Leven Keurmerk met 1 ster. Binnen het grondgebonden concept en in combinatie met het 1 Ster beter leven concept wordt er gewerkt met 9,2 kuikens per vierkante meter. Het maximaal aantal te houden dieren omvat hiermee 62.772. Dit aantal dieren wordt vastgelegd in de omgevingsvergunning milieu. De pluimveehouderij zal worden opgezet als grondgebonden veehouderij. De uitbreiding speelt in op kringlooplandbouw waarbij de dieren voor circa 60% van eigen land worden gevoerd en waarbij de volledige hoeveelheid mest wordt afgezet naar de eigen cultuurgronden. Mest Op basis van de gebruiksnormen voor dierlijke mest, die afhankelijk zijn van het gewas en van de fosfaattoestand van de grond, bedraagt de plaatsingsruimte aan fosfaat uit dierlijke mest in de richting het drievoudige van hetgeen 40.000 dieren produceren. Voor wat betreft mestafzet is er voldoende eigen areaal om de mest van 62.772 kuikens zelf af te kunnen zetten.

Aanvoer van mest van buiten de inrichting wordt hierdoor dus minder. Voer Om de pluimveehouderij te exploiteren als een grondgebonden bedrijf wordt overgeschakeld op een andere samenstelling van het mengvoer en zal een groter aandeel tarwe worden verwerkt in het veevoer. Bij een vervanging van 60% van het mengvoer door tarwe, wat geteeld wordt op het eigen bedrijf, ontstaat kringlooplandbouw. De kuikens zijn 56 dagen, oftewel 8 weken aanwezig op het bedrijf. Daarna is er 1,5 week tijd nodig om de stallen uit te mesten, te reinigen, te ontsmetten, op te strooien en eieren uit te broeden. Een ronde op het bedrijf duurt zo 9,5 week. Dit wil zeggen dat er op jaarbasis 52/9,5=5,47 rondes op het bedrijf aanwezig zijn. In totaliteit op jaarbasis zijn er dan 5,47x62.772=342.910 dieren op het bedrijf aanwezig. Kenmerkend voor het 1-ster beter leven concept is de voederconversie van 2 punten. Dit houdt in dat er 2 kg voer nodig is om 1 kg kip te produceren. Daarnaast worden de kuikens afgeleverd op maximaal 2,6 kg. Dit gewicht mag niet overschreden worden omdat er een maximaal gewicht per vierkante meter van 25 kg van toepassing is indien geleverd wordt onder het keurmerk. Wanneer er 343.363 kippen op jaarbasis gekweekt worden, wordt er dus 342.910x2,6=892.744 kg pluimveevlees per jaar geproduceerd.

Om 1 kg kip te produceren is 2 kg voer nodig, in totaal een voerbehoefte van 892.744x2=1.785.488 kg. Van deze totale voerbehoefte dient minimaal 60% zelfvoorzienend te verbouwen. Dat resulteert in totaal 1.649.397x0,6=1.071.293 kg. De voerbehoefte bij vleeskuikens kan worden ingevuld door tarwe, dorsmais of bonen. Uitgangspunten hierbij is een opbrengst van 10 ton per hectare. In de beoogde nieuwe situatie is dan ook een oppervlakte van 1.071.292/10.000=107 hectare noodzakelijk om het aantal dieren te

RO Meloweg 4 Graauw

5

kunnen houden. En dient dus 107 hectare landbouwareaal te worden benut voor de eigen voorproductie van de dieren. AAZ De Agrarisch Adviescommissie Zeeland heeft het agrarisch bedrijf in omvang en in relatie tot de gewenste ontwikkeling beoordeeld. De AAZ is van mening dat het bedrijfsplan met circa 60.000 dieren, eigen mestafzet en het voorzien in 60% van het voedsel zelf wordt geteeld voldoet aan een grondgebonden bedrijfsvoering. Verder concludeert zij dat het ruimte bieden aan de ondernemer om onder noemer grondgebonden op een innovatieve wijze invulling te geven aan de ontwikkeling van een grondgebonden pluimveehouderijbedrijf dit dient samen te gaan met transparantie ten aanzien van het feitelijk functioneren van het bedrijf. Een optie is om afspraken dienaangaande vast te leggen in een anterieure overeenkomst. Het AAZ advies, 18 januari 2023, is niet als bijlage toegevoegd gezien alle persoonlijke informatie in het document. Het advies kan worden opgevraagd bij de gemeente indien dit gewenst is. Controle Belangrijk onderdeel is de controleerbaarheid van de grondgebondenheid. De AAZ stelt in hun advies dat de beteelde oppervlakte voedergewassen controleerbaar moet zijn via RVO. Jaarlijks geven telers hun beteelde percelen op in de gecombineerde oppervlakte van RVO.

In deze opgave, die jaarlijks ingediend moet zijn op 15 mei, is vrij snel en eenvoudig te zien welke oppervlaktes aan gewassen geteeld zijn in dat jaar. Tevens kan er aan de hand van slachtrapporten aangetoond worden hoeveel kuikens er per ronde afgeleverd worden. Zo kan gecontroleerd worden hoeveel kuikens er op jaarbasis gehouden worden. Het plan is verder vormgegeven en uitgewerkt in het landschappelijke inpassingsplan welke is bijgevoegd als bijlage en tevens in figuur 3. De uitgewerkte plannen zijn opgesteld door OMNA Ontwerper van de Buitenruimte. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is voorwaardelijk opgenomen in een overeenkomst.

RO Meloweg 4 Graauw

6

Figuur 3. Plan voor landschappelijke inpassing (OMNA 22 mei 2024)

1.4.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden eerst de beleidskaders van het Rijk, de provincie Zeeland en de gemeente Hulst uiteengezet. In hoofdstuk 3 worden de sectorale aspecten zoals flora en fauna, cultuurhistorie, archeologie, Wetgeluidhinder en luchtkwaliteit uiteengezet. In hoofdstuk 4 wordt de waterparagraaf omschreven met de bijbehorende watertabel. Hoofdstuk 5 geeft vervolgens de juridische componenten van het bestemmingsplan weer. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 de procedure nader weergegeven. 2.

Planologisch beleidskader

2.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI bevat de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren beleid. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en

RO Meloweg 4 Graauw

7

zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving wordt opgenomen in de NOVI. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro) en heeft als ondertitel Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De Omgevingswet geeft aan de NOVI mee dat deze ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: (a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’.

De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitwerking in regelgeving van het beleid dat in de NOVI staat. De betreffende onderdelen en/of artikelen in het Barro, Bro, en straks Bkl, blijven ook onder de NOVI gelden. Bij nadere invulling van de uitvoeringsinstrumenten van de NOVI kan blijken dat het nodig is de uitvoeringsregels aan te passen. De gewenste uitbreiding van het bedrijf met een tweede pluimveestal is in het belang van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Rijk heeft in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) nationaal ruimtelijk beleid geborgd.

Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Barro omvat 14 onderwerpen. De gewenste ontwikkeling is niet strijdig met een van deze 14 onderwerpen. De ontwikkeling wordt niet beperkt door nationaal ruimtelijk beleid.

2.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Zeeland 2021 Op 12 november 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Zeeland 2021 vastgesteld. In dit Omgevingsplan zijn de hoofdlijnen voor het provinciaal ruimtelijk beleid uiteengezet.

RO Meloweg 4 Graauw

8

In de Omgevingsvisie zet de provincie Zeeland in op grondgebonden en biologische landbouw. Voor deze vormen van landbouw worden ruime ontwikkelingsmogelijkheden geboden. Voor de nietgrondgebonden

landbouw

(intensieve

veehouderij

en

glastuinbouw;

ref)

zijn

de

ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Het streven is behoud van omgevingskwaliteit, behoud van biodiversiteit, beperken milieubelasting, minder uitstoot van broeikasgassen en levering van grondstoffen voor de biobased industrie. Het ruimtelijk beleid voor de landbouw is gebaseerd op het onderscheid in grondgebondenheid en niet-grondgebondenheid. Initiatiefnemer exploiteert een gemengd bedrijf met akkerbouw en pluimvee. Voor de (biologisch) grondgebonden landbouw wil de Provincie Zeeland zoveel als mogelijk de 'eigenschaligheid' van agrarische ondernemers bevorderen. Onder eigenschaligheid wordt verstaan dat agrarische ondernemers inzetten op een verdere ontwikkeling van het agrarisch bedrijf die het beste aansluit bij de ondernemer, de omgeving, de afzetmarkt en de toegevoegde waarde die bij het desbetreffende bedrijf kan worden gerealiseerd. Afhankelijk van de bestaande bedrijfsstructuur zijn daarbij aspecten als schaalvergroting, verbreding, deeltijd-landbouw of combinaties daarvan aan de orde. De nieuw te realiseren pluimveestal met uitloop wordt gerealiseerd op basis van grondgebondenheid, zie 1.3 en advies AAZ. De grondgebondenheid geldt niet enkel voor de nieuwe stal, maar ook voor de bestaande stal. De verwijzing neventak intensieve veehouderij is dan ook niet meer van toepassing op deze locatie.

Kringlooplandbouw, meer eigen voerproductie voor het bedrijf en de omschakeling naar een grondgebonden veehouderij, is een voorgestane ontwikkelingsrichting in het provinciaal beleid. Omgevingsverordening Zeeland Per 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Zeeland van kracht. Nadere specifieke eisen worden in de Omgevingsverordening Zeeland voor wat betreft de omvang van een bouwvlak niet gesteld. Artikel 5.22 stelt dat concentratie van agrarische bebouwing uitgangspunt is. Bouwwerken kunnen enkel in een agrarisch bouwvlak gerealiseerd worden. Daarnaast duidt de Verordening gebieden aan met een bijzondere verwachtingswaarde. Bij het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing zijn de kaarten behorend bij de Omgevingsverordening, artikelen 5.32 tot en met 5.36, geraadpleegd. De ontwikkeling is niet in strijd met een gebied met een bijzondere verwachtingswaarde.

2.3

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Hulst In de Structuurvisie Hulst, vastgesteld 15 mei 2012, heeft de gemeenteraad van Hulst op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Hulst op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied naar toe gaat in 2025. De agrarische sector is in Zeeuws-Vlaanderen van oudsher een belangrijke sector. Het betreft veelal de meer ‘traditionele’ landbouwbedrijven met een akkerbouwkundig bouwplan met granen, bieten, en aardappelen. Om in 2025 nog te kunnen spreken van een sterke landbouwsector zijn verschillende perspectieven denkbaar waaronder het aspect schaalvergroting. Om in de Europese markt concurrerend te kunnen produceren en aan steeds strengere milieu- en dierenwelzijnseisen te kunnen voldoen is een opschaling van de bedrijfsomvang noodzakelijk. Hiermee kunnen schaalvoordelen worden bereikt en is het financieel haalbaar om benodigde (uit regelgeving voortvloeiende) investeringen te doen. De schaalvergroting dient gepaard te gaan met een efficiënte inrichting van de productiestructuur en geringe externe milieubeperkingen vanwege de aanwezigheid van andere functies. De bouw van de tweede stal met uitloop en de uitloop bij de bestaande stal komt voort uit schaalvergroting, het efficiënter inrichten van de bedrijfsvoering en maatschappelijke

RO Meloweg 4 Graauw

9

ontwikkelingen. De omvorming en uitbreiding van een grondgebonden pluimveehouderij is in lijn met de Structuurvisie Hulst. Wijzigingsplan Meloweg 4 Graauw Op de gronden is het wijzigingsplan Meloweg 4 Graauw van kracht (vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders d.d. 06-04-2018). In dit wijzigingsplan is de locatie gelegen binnen de bestemming ‘Agrarisch’ met de functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch – neventak intensieve veehouderij, de gebiedsaanduiding vrijwaringszone – radar en de bouwaanduidingen maximum goothoogte 6 meter en maximum vloeroppervlak van 2.100 m2 bvo ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij. Agrarische activiteiten zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan toegestaan. Het bestemmingsplan staat agrarische bedrijven alleen toe in daarvoor aangewezen agrarische bouwvlakken. Het huidige bouwvlak is hieronder weergegeven als figuur 4.

Figuur 4: Uitsnede wijzigingsplan Meloweg 4 Graauw.

Op de locatie is tevens het bestemmingsplan Archeologische en Aardkundige Waarden van toepassing. Daarin is het huidige bouwvlak en de locatie van het nieuwe bouwvlak aangeduid met de Archeologie 3 bestemming. Daarmee wordt aangegeven dat bouwwerkzaamheden welke de vrijstellingsdiepte van 40 centimeter en de vrijstellingsoppervlakte van 1.000 m2 niet overschrijden worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

RO Meloweg 4 Graauw

10

Figuur 5: Uitsnede bestemmingsplan ‘Archeologische en aardkundige waarden’.

In het bestemmingsplan is voor de bedrijfslocatie een neventak intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 2.100 m2 opgenomen. Het ingediende verzoek omvat de uitbreiding van stalruimte voor het houden van dieren en van het aantal vleeskuikens onder de noemer grondgebonden agrarisch bedrijf. Bij de omschakeling naar het houden van pluimvee op basis van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering is de functieaanduiding ‘neventak intensieve veehouderij’ niet meer van toepassing en komt deze te vervallen. Daarnaast verdraagt de functieaanduiding ‘neventak intensieve veehouderij’ zich niet met een uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak voor vleeskuikens als grondgebonden agrarisch bedrijf. De houderij van vleeskuikens op het bedrijf vormt één integrale bedrijfsvoering en dient vanuit planologische optiek als één geheel te worden benaderd. Om de grondgebonden pluimveestal met uitloop te realiseren dient deze op het agrarisch bouwvlak gebouwd te worden, echter ontbreekt dit bouwvlak gedeeltelijk. Om deze wijziging, conform provinciaal en gemeentelijk beleid, te bewerkstelligen is een omgevingsvergunning afwijkend gebruik noodzakelijk. De gemeente Hulst hanteert voorwaarden voor de vergroting van het agrarisch bouwvlak.

Hoewel hier geen sprake is van een wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak, bieden deze voorwaarden wel een duidelijk toetsingskader. Burgemeester en wethouders kunnen op basis van artikel 3.6.3 van het bestemmingsplan Buitengebied het bestemmingsplan wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak mits voldaan aan de volgende voorwaarden: 3.6.3 sub a: de gezamenlijke oppervlakte van het bouwvlak per agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan: 1.voor een grondgebonden bedrijf: 2 hectare; 2.voor een niet-grondgebonden bedrijf: 1 hectare; Het huidige bouwvlak heeft een oppervlakte van 1,5 hectare. Voor grondgebonden bedrijven is een maximum van 2 hectare opgenomen. De bouw van de nieuwe stal met uitloop zou niet resulteren in een bouwvlak groter dan 2 hectare.

RO Meloweg 4 Graauw

11

3.6.3 sub b: na vormverandering mag het bouwvlak voor maximaal 50% worden bebouwd; Het bebouwd oppervlak na realisatie van de pluimveestal met uitloop bedraagt circa 9.740 m2. Aan de voorwaarde wordt voldaan. 3.6.3 sub c: aangetoond wordt dat vormverandering noodzakelijk is vanuit een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Het bevoegd gezag wint omtrent deze voorwaarden schriftelijk advies in bij de agrarisch deskundige; Het agrarisch bewerkt circa 280 hectare landbouwgrond. De bouw van de pluimveestal is noodzakelijk in het kader van de ontwikkelingen, schaalvergroting en Beter Leven Keurmerk, binnen de pluimveesector. De nieuwbouw is eveneens van belang voor de eigen mestafzet, voerproductie en de kringlooplandbouw op het eigen bedrijf gericht op een doelmatige bedrijfsvoering. De volledige bedrijfsvoering inclusief uitbreidingswens is voorgelegd aan de AAZ. De gewenste ontwikkeling is noodzakelijk vanuit de gewenste en doelmatige agrarische bedrijfsvoering. 3.6.3 sub d: in aanvulling op het bepaalde in lid c geldt dat wijziging eveneens is toegestaan indien toepassing noodzakelijk is voor instandhouding van een cultuurhistorisch waardevol gebouw of een monument, zoals opgenomen in bijlage 3 van deze regels; De bouw van de stal is niet noodzakelijk wegens behoud van cultuurhistorische bebouwing.

3.6.3 sub e: vergroting is niet toegestaan voor een intensieve veehouderij; De uitbreiding met de nieuwe pluimveestal is niet ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij, maar ten behoeve van de grondgebonden agrarische activiteiten. Aan de voorwaarde wordt voldaan. 3.6.3 sub f: wijziging is niet toegestaan voor gronden ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch gebied met ecologische betekenis', 'kernrandzone' en 'natuurontwikkelingsgebied'; De ontwikkeling vindt niet plaats op gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch gebied met ecologische betekenis’, ‘kernrandzone’, en ‘natuurontwikkelingsgebied’. 3.6.3 sub g: wijziging voor gronden gelegen binnen een afstand van 100 meter van de bestemming 'Natuur' is uitsluitend toegestaan indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen natuurgebied; De gronden waar momenteel nog geen bouwvlak is, zijn niet gelegen binnen een afstand van 100 meter van de bestemming Natuur. 3.6.3 sub h: er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, wat in ieder geval inhoudt dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing voorafgaand aan verlening van de omgevingsvergunning in een privaatrechtelijke overeenkomst worden vastgelegd In de bijlage is het plan voor landschappelijke inpassing bijgevoegd.

De aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing zal in een privaatrechtelijke overeenkomst worden vastgelegd.

3.6.3 sub i: vergroting mag niet leiden tot: 1. onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies; 2. onevenredige verstening, verglazing en versnippering van de agrarische gronden.

RO Meloweg 4 Graauw

12

3. onevenredige aantasting aan infrastructuur. Het bevoegd gezag wint omtrent deze voorwaarde vooraf schriftelijk advies in bij de wegbeheerder; 4. onevenredige aantasting van de waterhuishouding van het gebied: vooraf wordt hierover door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij het waterschap. 1. Het gebied is gelegen in agrarisch gebied. De omliggende percelen betreffen agrarische gronden. Dichtstbijzijnde locaties van derden zijn eveneens agrarische locaties. De agrarische activiteiten zijn passend in de omgeving en leiden niet tot aantasting van omliggende bestemmingen en functies. 2. De agrarische bebouwing blijft geclusterd op de locatie waardoor versnippering van gronden wordt tegengegaan. De stal wordt landschappelijk ingepast en is hierdoor maar in beperkte mate zichtbaar in de omgeving. Op deze wijze een zo klein mogelijke impact op de omliggende aanwezige agrarische gronden. 3 en 4. Voor het initiatief is een watertabel opgesteld, welke is bijgevoegd is in hoofdstuk 4 Waterparagraaf. Deze zal aan het waterschap worden toegezonden waardoor deze onderdelen worden beoordeeld. Aan alle voorwaarden van artikel 3.6.3 wordt voldaan.

Overige en genoemde aspecten zoals bodem, flora en fauna, archeologie, cultuurhistorie, watertoets, milieu en externe veiligheid zullen in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de volgende hoofdstukken nader worden behandeld. 3.

Ruimtelijke aspecten

3.1

Natuur

De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. Gebiedsbescherming In

de

omgeving

van

het

plangebied

bevinden

zich

geen

aangewezen

Vogel-

en

Habitatrichtlijngebieden of Natura2000 gebieden. Deze beschermde gebieden zijn op grote afstand gelegen van het plangebied. Het meest nabij gelegen beschermde Natura2000 gebied is Westerschelde en Saeftinghe op een afstand van circa 1,5 kilometer. Met het programma AERIUS Calculator

(versie

2023.0.1)

worden

berekeningen

uitgevoerd

om

de

gevolgen

voor

de

stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. Het onderzoek wordt opgenomen als bijlage bij de vergunningaanvraag. Naast de Natura2000 gebieden zijn er tevens gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Zeeland. Het agrarisch bouwvlak is gelegen op circa 450 meter van het dichtst bijgelegen gebied. De gewenste ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de omliggende natuurgebieden.

RO Meloweg 4 Graauw

13

Figuur 6: Uitsnede Natuurnetwerk rondom plangebied (Geoweb 2023)

Soortenbescherming De soortenbescherming is per 1 januari 2017 in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. De locatie is gelegen in het agrarische gebied. Het plangebied betreft agrarisch bestemde gronden welke intensief worden bewerkt. Gezien de aard van het plan en met name aangaande het huidige gebruik van de locatie zijn er geen invloeden op de aanwezige vogelsoorten te verwachten. De te realiseren landschappelijke inpassing zal een positieve bijdrage leveren voor het kunnen verblijven van dieren en planten. Compenserende of mitigerende maatregelen worden dan ook niet noodzakelijk geacht.

3.2

Cultuurhistorie

Op 1 januari 2012 is door middel van aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening bepaald dat cultuurhistorische belangen moeten worden meegewogen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Het waarborgen van cultuurhistorische belangen en het meewegen van deze belangen is belangrijk. Hiervoor is een omschrijving van het plangebied noodzakelijk. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hulst. De omgeving wordt gekenmerkt door het agrarische landschap. De gewenste agrarische bebouwing past in het uitgestrekte gebied. Binnen het plangebied zijn geen Rijksmonumenten aanwezig. De boerderij zelf is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol echter wel met een categorie C waardoor de cultuurhistorische waarde gering is. In de nabije omgeving zijn twee boerderijen met een MIP aanduiding gelegen (Paalseweg 1 en Meloweg 6). De nieuw te bouwen stal is gelegen op ruime afstand van deze boerderijen.

RO Meloweg 4 Graauw

14

Figuur 7: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Zeeland (Geoweb 2023)

Het voorliggende plan leidt niet tot aantasting van het cultuurhistorische karakter van de omgeving. De bouw van de nieuwe stal is ten behoeve van het aanwezige agrarische bedrijf en heeft geen directe invloed op de waarden van de omliggende objecten.

3.3

Archeologie

De gemeente Hulst dient op basis van de Erfgoedwet de archeologische waarden binnen de gemeente Hulst te waarborgen. Hoe deze waarden worden gewaarborgd is opgenomen in het bestemmingsplan Archeologie en Aardkundige Waarden. Daarin is het huidige bouwvlak en de locatie van het nieuwe bouwvlak aangeduid met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Daarmee wordt aangegeven dat bouwwerkzaamheden welke de vrijstellingsdiepte van 40 centimeter en het vrijstellingsoppervlak van 1.000 m2 niet overschrijden worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

RO Meloweg 4 Graauw

15

Figuur 8: Uitsnede bestemmingsplan Parapluplan Archeologische en Aardkundige waarden.

De bouwplannen welke ten grondslag liggen aan deze ruimtelijke onderbouwing betreft de bouw van een stal met uitloop met een oppervlakte van 3.000 m2. De bodemverstoring dieper dan 40 cm blijft echter onder de toegestane oppervlakte van 1.000 m2. Hierbij wordt verwezen naar de bijlagen omtrent onderdeel bouw. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

3.4

Mobiliteit en parkeren

De ontsluiting van de locatie verloopt via de Meloweg. Dit is een lokale ontsluitingsweg voor bestemmingsverkeer. Er is geen fysieke scheiding tussen fiets- en autoverkeer. Het profiel van de wegen bestaat uit asfalt en grasbermen. De weg kent een geringe verkeersintensiteit. Het plan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. De hoeveelheid verkeersbewegingen als gevolg van de extra dieren zijn beperkt en nader omschreven in de opgestelde stikstofdepositieberekening als het akoestisch onderzoek welke separaat zijn bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. Op de locatie zelf zijn voldoende parkeervoorzieningen aanwezig en er is er zodoende geen overlast te verwachten voor parkeren op de openbare weg.

3.5

Technische infrastructuur

De omgeving is aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals en nutsvoorzieningen (gas, water, elektra). Ten behoeve van het plan hoeven hiervoor geen structurele aanpassingen plaats te vinden.

3.6

Bodem

Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. De oppervlakte van het plangebied en de conclusie van het vooronderzoek (historisch onderzoek) zijn bepalend voor het uitvoeren van eventueel veld- en laboratoriumonderzoek. Bodemgebruiksfuncties nemen af naarmate bodemverontreinigingen en gerelateerde risico's toenemen. Sanerende maatregelen kunnen daardoor nodig zijn. In het onderliggende geval betreft dit de bouw van een stal met wintergarden. In dit gebouw zijn dan ook niet permanent personen aanwezig en tevens zijn op grond van historie en gebruik als ook de gegevens in het gemeentelijk

RO Meloweg 4 Graauw

16

bodeminformatiesysteem is er geen aanleiding is om op de ontwikkelingslocatie een belemmerde mate van bodemverontreiniging te verwachten op grond waarvan een wettelijke saneringsnoodzaak zou kunnen gelden. Bodemonderzoek is niet noodzakelijk.

3.7

Geur

In de omgeving van het bedrijf zijn twee geurgevoelige objecten gelegen. Dichtstbijzijnde object is Margarethaweg 4 welke is gelegen buiten de bebouwde kom, zoals omschreven in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In de Wgv wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom, behorende bij een veehouderij of niet bij een veehouderij en gelegen in concentratiegebieden of niet-concentratiegebieden zoals gedefinieerd in de Meststoffenwet. De geuremissie van de dierverblijven dient overeenkomstig de Wgv echter individueel benaderd te worden. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning dient de geurbelasting op omliggende burgerwoningen niet hoger te zijn dan de hiervoor geldende normen, de normen kunnen per gemeente verschillend zijn, dit is vastgesteld middels een gemeentelijke geurverordening, danwel rechtsreeks voortkomend uit artikel 3 van de Wgv. Voor de verspreidingsberekeningen wordt gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel V-stacks vergunning. V-stacks vergunning is een computerprogramma voor het berekenen van geur rond dierenverblijven. Aan de hand van V-stacks vergunning wordt de geurbelasting berekend en getoetst. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv).

De geurbelasting op dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten is lager dan de maximaal toegestane geurnorm van 8,0. De geurberekening is separaat bijgevoegd als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning

3.8

Geluid

De geluidproductie van het bedrijf zelf (bedrijfsactiviteiten en verkeersbewegingen) is in de omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu verbonden aan de gangbare voorschriften en geldende voorschriften van de vergunning. Het akoestisch onderzoek is separaat bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning.

3.9

Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak

zorgt

voor

een

flexibele

koppeling

tussen

ruimtelijke

activiteiten

en

milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

RO Meloweg 4 Graauw

17

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld dat bij één ontsluitingsweg een aantal van 500 nieuwe woningen niet in betekenende mate van invloed zijn op de luchtkwaliteit. In de landbouwsector is voornamelijk de emissie van fijn stof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen zoals bedoeld in artikel 4.9 en 5.2 van deze wet. Emissies van de overige stoffen, waaraan volgens de Wet luchtkwaliteit getoetst moet worden, zijn verwaarloosbaar en voldoen aan de Wet luchtkwaliteit. Stikstofdioxide komt normaliter vrij bij grootschalige verbrandingsprocessen of vervoersbewegingen, hetgeen in onderhavige situatie niet het geval is. De wijze van berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen is vastgelegd in de “Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007”. Voor de veehouderij zijn voor de diverse diersoorten en stalsystemen specifieke emissiefactoren vastgesteld. Deze zijn gekoppeld aan de diercodes zoals vermeld in de Regeling ammoniak en veehouderij. Hieronder is uiteengezet wat de emissie van onderhavig bedrijf is en of deze niet in betekende mate bijdraagt aan de totale emissie (NIBM). Wanneer dit het geval is, is een uitgebreide berekening niet meer noodzakelijk, conform de handleiding fijn stof.

Geconcludeerd wordt dat ontwikkeling voldoet aan de gestelde normen. De berekening is separaat bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning.

3.10

Externe veiligheid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient zorg gedragen te worden dat er een scheiding in acht genomen wordt tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicoveroorzakende bedrijven en/of transportassen. Beide locaties zijn niet gelegen binnen de invloedsfeer van objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt (zoals industrie vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen BEVI) volgens de Risicokaart van de Provincie Zeeland. Ook is er geen sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen in de omgeving of buisleidingen met een toetsingszone. Geconcludeerd kan worden dat de bouw van de stal met uitloop niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle activiteit is gelegen. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk. In de directe omgeving zijn geen kabels of leidingen gelegen.

3.11

Omliggende functies

Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te borgen, wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient ervoor te zorgen dat door het inachtnemen van voldoende afstand tussen bedrijven milieugevoelige objecten (zoals woningen) geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het inachtnemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van het bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. De vermelde afstanden zijn richtlijnen. Deze richtlijnen zijn opgenomen in de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG. Ten aanzien van de opslag van mest wordt een afstand van 50 meter gehanteerd en voor het houden van dieren 100 meter. Binnen de afstand van 100 meter zijn geen (agrarische) bedrijven of burgerwoningen gelegen. Het meest nabijgelegen milieugevoelige object betreft een agrarische bedrijfswoning op het adres

RO Meloweg 4 Graauw

18

Meloweg 6 te Graauw. Deze woning is op circa 197 meter afstand van het agrarisch bouwvlak gelegen. De ontwikkeling voldoet aan de richtlijnen ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG. Het bedrijf voldoet aan de eisen welke gesteld worden (geluid, stof en geur). 4.

Waterparagraaf

4.1

Watertabel

Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Aangaande de aspecten omtrent water zal een watertoets worden opgesteld en worden toegezonden aan Waterschap Scheldestromen.

Thema en water(beheer)doelstelling

Uitwerking

Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en

Het plan heeft geen relatie met de primaire of

rekening houden met de daarvoor benodigde

secundaire waterkeringen.

ruimte. huidige

na

situatie

realisa tie

dakopper vlak

0

4.000

1

0

0

2

0

0

3

0

0

4

dichte bodemver

Voorkomen overlast door oppervlaktewater

harding

Het plan biedt voldoende ruimte voor het

doorlaten de

vasthouden, bergen en afvoeren van water.

bodemver

Waarborgen van voldoende bouwpeil om

harding

overstroming vanuit oppervlaktewater in

wateropp

maatgevende situaties te voorkomen.

ervlak

Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme

De ontwikkeling omvat de bouw van een

weersituaties.

pluimveestal met uitloop met een oppervlakte van 4.000 m2. In overleg met het waterschap wordt waterberging gerealiseerd in hetzelfde peilgebied, kaartje is bijgevoegd. De totale verplichte capaciteit omvat 3984x0,075=299 m3. In praktijk wordt 1400 m2 nieuwe oever aangelegd met een minimale extra berging van 2100 m3.

Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de

Van overlast is geen sprake. Hemelwater wordt

zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke)

geloosd op het oppervlaktewater. De situatie van

rioleringen.

het afvalwater op het bedrijf blijft ongewijzigd.

Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische

RO Meloweg 4 Graauw

19

belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.

Thema en water(beheer)doelstelling

Uitwerking

Grondwaterkwantiteit en verdroging

De locatie is niet gelegen in een bufferzone

Voorkomen en tegengaan van

rondom een natuurgebied.

grondwateroverlast

Er wordt geen grondwater onttrokken, schoon

en -tekort. Rekening houdend met de

hemelwater wordt toegevoegd aan het

gevolgen

grondwater. Er is geen sprake van

van klimaatverandering. Beschermen van

grondwateroverlast. Het plangebied wordt

infiltratiegebieden en –mogelijkheden.

gekenmerkt door slechte infiltratiemogelijkheden.

Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede

Bij de bouw zijn geen uitlogende materialen

grondwaterkwaliteit. Denk aan

gebruikt.

grondwaterbeschermingsgebieden.

Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing

Er zijn geen uitlogende materialen gebruikt.

van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.

Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten Nvt.

en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.

Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra)

Het plangebied is aangeduid als sterk

maaiveldsdalingen in zettinggevoelige

zettingsgevoelig gebied.

gebieden kunnen veroorzaken.

Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke

In de directe omgeving is geen bestemming met de

gevarieerde en natuurlijk karakteristieke

functie natte natuur.

aquatische natuur.

Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat De onderhoudssituatie blijft ongewijzigd.

onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.

Andere belangen waterbeheer

RO Meloweg 4 Graauw

20

Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de

De stal wordt gerealiseerd op de achterzijde van het perceel ten opzichte van het perceel op

werking van objecten (terreinen,

voldoende afstand tot aan de Meloweg. Tevens

milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.

wordt voldoende afstand tot de sloot gehanteerd.

Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?

Ja, ten tijde van de plaatsing van de bouw van de stal zal tijdelijk transport plaatsvinden over de Meloweg. Deze transporten zijn echter beperkt en

* na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?

enkel noodzakelijk voor het afleveren van

* na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en

werking.

voetgangers uw plan kunnen bereiken.

Nee, er worden geen uitwegen gewijzigd.

Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?

Ja, er wordt op eigen terrein geparkeerd.

* na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van

bouwproducten. Nee er is geen sprake van verkeersaantrekkende

De stal wordt niet binnen 20 meter van de weg gebouwd.

een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).

5.

Economische uitvoerbaarheid

Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Grondexploitatie Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publieksrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1. Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. Dat kan een bestemmingsplan, een wijzigingsplan, een projectbesluit en een buiten toepassingsverklaring van een beheersverordening zijn. Bij de uitbreiding van gebouwen met tenminste 1.000 m2 is een exploitatieplan verplicht. Onderhavig plan ziet niet toe op de bouw van een hoofdgebouw. Hierdoor is er geen sprake van een aangewezen bouwplan (ex art. 6.2.1 Bro), waardoor er geen exploitatieplan opgesteld hoeft te worden. Voor onderhavige ontwikkeling is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten voor wat betreft planschade en de realisatie van de landschappelijke inpassing.

RO Meloweg 4 Graauw

21

6.

Maatschappelijke haalbaarheid

Op basis van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt de ruimtelijke onderbouwing in vooroverleg gezonden naar de provincie Zeeland en Waterschap Scheldestromen. Tevens zijn in het kader van het participatiebeleid de omwonenden op de hoogte gebracht van het initiatief. Na het toetsen van de complete aanvraag (inclusief alle benodigde vergunningen) wordt het ontwerpbesluit gedurende 6 weken ter visie gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze in te dienen.

RO Meloweg 4 Graauw

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14249539/1