Bijlage 5 Ontwerp Bestemmingsplan Stationsweg 1-3-5
Tekst van het document
Rapportnummer: K2320086
10
Op de locatie zijn 9 gaten gegraven. De grond uit de gegraven gaten is geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. In de grond uit de gaten is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De gezeefde grond is bemonsterd. 4.5 Toetsingskader De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de waarden van de toetsingstabel uit de circulaire “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en achtergrondwaarden en maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). 4.5.1 Wet bodembescherming De in deze tabel genoemde toetsingswaarden hebben de volgende betekenis: achtergrond-/streefwaarde3 tussenwaarde4
= =
interventiewaarde
=
referentiewaarde referentiewaarde voor nader onderzoek grond: 1/2(AW+I-waarde) grondwater: 1/2(S+I-waarde) toetsingswaarde voor sanering of saneringsonderzoek
De achtergrond-, tussen- en interventiewaarden voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel (zie bijlage 3 voor de analyseresultaten en bijlage 4 voor de toetsing). Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: kleiner dan de achtergrond-/streefwaarde tussen achtergrondwaarde en tussenwaarde tussen tussenwaarde en interventiewaarde groter dan de interventiewaarde
= = = =
niet verontreinigd licht verontreinigd matig verontreinigd sterk verontreinigd
De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde. Overschrijding van de tussenwaarde houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Als voor tenminste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde is het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bevestigd. Het bovenstaande toetsingskader is alleen van toepassing voor “bestaande” gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan voor 1987). Recente gevallen van bodemverontreinigingen vallen onder de “zorgplicht”. De aantasting van de bodem dient dan gesaneerd te worden of de aantasting en de directe gevolgen daarvan dienen beperkt en zoveel mogelijk ongedaan gemaakt te worden. Dit staat los van de ernst en urgentie van de verontreiniging. 3
Voor grond wordt de achtergrondwaarde en voor grondwater wordt de streefwaarde als referentiewaarde gehanteerd.
4 De term tussenwaarde is niet meer in de wet verankerd maar wordt landelijk nog wel op deze wijze gebruikt.
Rapportnummer: K2320086
11
4.5.2 Besluit bodemkwaliteit Voor het toetsen van de kwaliteit van grond en baggerspecie aan de verschillende normen van het Besluit en voor het indelen van de (water)bodem in kwaliteitsklassen kent het Besluit als uitgangspunt dat de rekenkundige gemiddelden moeten voldoen aan de gestelde maximale waarden. Deze maximale waarden zijn landelijk (generiek) vastgesteld. Daarnaast mogen gemeenten gebiedsspecifieke maximale waarden hanteren. Deze dienen te worden vastgelegd in een bodembeheernota. Bij de toetsing geldt een rekenregel voor het standaardiseren van de gemeten concentraties met de daadwerkelijk gemeten concentraties lutum en organische stof. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de achtergrondwaarde en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: Kleiner dan de achtergrondwaarde(a) Kleiner dan maximale waarde wonen(b) Kleiner dan maximale waarde industrie (a)
(b)
= = =
Bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde Wonen Industrie
De kwaliteit van de grond en baggerspecie overschrijdt niet de achtergrondwaarde als bij meting van X stoffen in de grond of baggerspecie het rekenkundige gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. De verhoging mag per stof maximaal 2x de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen van de betreffende stof. X
2
7
16
27
37
Y
1
2
3
4
5
De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X
7
16
27
37
Y
2
3
4
5
4.5.3 Asbest In de circulaire Streef/ en interventiewaarden bodemsanering (Staatscourant 2000, 39) is voor asbest een interventiewaarde opgenomen van 100 mg/kg (gewogen: serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie). Bij concentraties asbest beneden de 100 mg/kg gewogen zijn geen risico’s aanwezig en wordt vastgehouden aan de benadering dat beneden deze norm het materiaal als asbestvrij beschouwd mag worden. Echter bij een verkennend asbestonderzoek kan door de lage intensiteit van het onderzoek niet direct worden getoetst aan de interventiewaarde, maar dient deze waarde gecorrigeerd te worden met factor 2. Indien het asbestgehalte groter is dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. In de circulaire bodemsanering is aangegeven dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, wanneer er asbest wordt aangetroffen in een concentratie boven de interventiewaarde (onafhankelijk van het volume).
Rapportnummer: K2320086
12
4.5.4 PFAS In onderstaande tabel zijn de toepassingsnormen van grond en baggerspecie weergegeven in oppervlaktewater (diepe plassen) (bron: handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (versie december 2021)): Tabel 4.2: Generieke toetsingskader PFAS Functieklasse in de zin van het Besluit bodemkwaliteit Op landbodem landbouw/natuur (achtergrondwaarde) wonen industrie
PFOS (µg/kg.ds)
PFOA (µg/kg.ds)
GenX (µg/kg.ds)
Overige PFAS (µg/kg.ds)
<1,4
<1,9
<1,4
<1,4
3,0 3,0
7,0 7,0
3,0 3,0
3,0 3,0
4.6 Analyseresultaten grond en grondwater In tabel 4.5 zijn de toetsingsresultaten van de grond en grondwater weergegeven en wordt per analysemonster het eindoordeel met betrekking tot de Wet bodembescherming en een indicatieve toetsing ten aanzien van het Besluit Bodemkwaliteit weergegeven. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 3, de toetsingsresultaten in bijlage 4. Tabel 4.5: Resultaten toetsing grond en asbest Deellocatie
Monster
Traject
Toetsing Wbb
[m-mv]
> AW
Gehele terrein
BG1
0,0-0,55
koper, kwik, zink
BG2
0,05-0,55
cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK
OG1
0,55-2,0
kwik, lood, PAK (10 van VROM)
AMM1
0,0-0,55
Asbest: 2,38 mg/kg ds
n.v.t.
AMM2
0,05-0,55
Asbest: < 2 mg/kg ds
n.v.t.
01-2
0,1-0,55
lood
wonen
02-2
0,1-0,55
lood
wonen
03-2
0,1-0,55
lood
wonen
09-1
0,0-0,5
10-1
0,0-0,5
Uitsplitsing BG1
Toetsing Bbk >T
>I
Beoordeling
lood
niet toepasbaar
-
-
industrie
-
-
wonen
lood lood
niet toepasbaar industrie
Tabel 4.6: Resultaten toetsing grondwater Deellocatie
Gehele terrein
Monster
01-1-1
Traject
Toetsing Wbb
[m-mv]
>S
>T
>I
2,5-3,5
barium, molybdeen, xylenen
-
-
Tabel 4.7: Resultaten toetsing PFAS Mengmonster BG1 BG2
Rapportnummer: K2320086
PFOS (µg/kg.ds) 1,8 1,2
PFOA (µg/kg.ds) 0,5 0,6
Overige PFAS (µg/kg.ds) PFUnDA, PFDoDA, MePFOSAA: 0,1 PFBA: 0,2
Toetsing wonen achtergrondwaarde
13
4.7 Grond In het bovengrondmengmonster BG1 is een sterk verhoogd gehalte lood en licht verhoogde gehalten koper, kwik en zink aangetroffen. Na uitsplitsing blijkt dat de hoge concentraties voornamelijk veroorzaakt worden door de monsters uit boringen 9 en 10. De verontreiniging met lood bevindt zich dus aan de noordzijde van de onderzoekslocatie. In het bovengrondmengmonster BG2 is een licht verhoogd gehalte cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK (10 van VROM) aangetoond. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik, lood en PAK (10 van VROM). In het bovengrondmengmonster BG1 is tevens een licht verhoogd gehalte PFOS aangetroffen. De aangetroffen concentratie voldoet aan de maximale waarde voor klasse Wonen. 4.8 Grondwater Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is licht verontreinigd met barium, molybdeen en xylenen. 4.9 Asbest In de grond is een zeer licht verhoogd gehalte asbest aangetroffen. De concentratie ligt ruim onder de interventiewaarde of de toetsingswaarde voor nader onderzoek. 4.10 Toetsing hypothese In de onderstaande tabel staan de hypotheses weergegeven. Tevens wordt aangegeven of deze aangenomen of verworpen kan worden. Tabel 4.6: Toetsing hypotheses Deellocatie Gehele terrein
Oppervlakte (m²) 1053
Hypothese
Verdachte stoffen
Onverdacht
-
Verdachte bodemlaag -
Toetsing verworpen
Door de aangetroffen verontreinigingen in de grond en het grondwater dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden. De aangetroffen concentratie lood in de grond behoeft nader onderzoek. De aangetroffen gehalten asbest in de grond zijn van dien aard dat geen nader asbestonderzoek noodzakelijk is.
Rapportnummer: K2320086
14
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In opdracht van SAB is door De Klinker Milieu Adviesbureau een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 en NEN 5707 op de locatie Stationsweg 1, 3 en 5 te Hulst. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. 5.1 Conclusies Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: de bodem op de locatie is in de bovengrond zwak baksteenhoudend; de bovengrond aan de noordzijde is matig tot sterk verontreinigd met lood; in de bovengrond van het buitenterrein zijn verder licht verhoogde gehalten zware metalen en PAK (10 van VROM) aangetroffen; in de ondergrond van het gehele terrein zijn licht verhoogde gehalten kwik. lood en PAK (10 van VROM) aangetoond; het grondwater is licht verontreinigd met barium, molybdeen en xylenen; de grond is plaatselijk zeer licht asbesthoudend, de concentratie ligt ruim onder de interventiewaarde of de toetsingswaarde voor nader onderzoek. er zijn geen inpandige boringen uitgevoerd, derhalve kan geen uitspraak gedaan worden over de bodemkwaliteit onder het pand; de hypothese dient verworpen te worden.
Het terrein is ons inziens op basis van de milieuhygiënische kwaliteit niet geschikt voor het voorgenomen gebruik. 5.2 Aanbeveling Aanbevolen wordt de omvang en herkomst van de aangetroffen verontreiniging met lood in beeld te brengen. Door middel van enkele boringen kan bepaald worden of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of spoedige sanering noodzakelijk is. Vervolgens kan een saneringsplan of een BUS-melding ingediend te worden bij het bevoegd gezag (provincie Zeeland)5. 5.3 Algemeen Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). De conclusies hebben uitsluitend betrekking op de geselecteerde deellocaties en de geanalyseerde componenten. Gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt.
5 Met de invoering van de omgevingswet (januari 2024) gaan er taken in het kader van de Wet Bodembescherming vanuit de Provincies over
naar de gemeenten. Gemeenten kunnen deze taken zelf uitvoeren of bij één van de omgevingsdiensten beleggen.
Rapportnummer: K2320086
15
BIJLAGE 1: LIGGING ONDERZOEKSLOCATIE
Rapportnummer: K2320086