CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Artikelsgewijze toelichting GR Sociaal Domein Zeeland

Gemeenteraad 4 juni 2026, gemeente HulstBij agendapunt: Raadsvoorstel tot toestemming toetreden GR Sociaal Domein Jeugdregio Zeeland3.062 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL DOMEIN EN JEUGDREGIO ZEELAND

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 - Begripsomschrijvingen Dit artikel bevat enkele algemene begripsbepalingen die gelden voor de gehele gemeenschappelijke regeling. Daarnaast worden begrippen gehanteerd uit de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Artikel 2 - Missie en doelstelling Dit artikel bevat de doelstelling en missie. In de artikelen 5, 6 en 7 wordt dit verder uitgewerkt en geconcretiseerd. Artikel 3 - Openbaar lichaam Dit artikel bepaalt dat er een zogenoemd gemeenschappelijk openbaar lichaam wordt ingesteld krachtens artikel 1 lid 1 in samenhang met artikel 8 lid 1 Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr). Het gemeenschappelijk openbaar lichaam bezit rechtspersoonlijkheid (art. 8 lid 1 Wgr jo. art. 2:1 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) en kan zodoende ook privaatrechtelijke rechtshandelingen verrichten (art. 2:1 lid 3 jo. art. 2:5 jo. art. 3:32 BW). Tot slot bepaalt het artikel dat het gemeenschappelijk openbaar lichaam gevestigd is te Goes (art. 10 lid 3 Wgr). Deze vestigingsplaats bepaalt onder andere welke rechtbank bevoegd is kennis te nemen van eventuele procedures. Artikel 4 - Bestuursorganen Het bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam bestaat ten minste uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter (art. 12 lid 1 Wgr).

HOOFDSTUK 2 BELANGEN, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN Artikel 5 - Belangen en taken Een gemeenschappelijke regeling kan getroffen worden voor een of meerdere gemeentelijke belangen en taken (art. 1 lid 1 Wgr). Deze moeten in de gemeenschappelijke regeling worden opgenomen (art. 10 lid 1 Wgr). De belangen en taken tekenen de bevoegdheden en taken van (het bestuur van) het gemeenschappelijk openbaar lichaam af. De regeling behartigt de belangen en taken van zijn deelnemers op het gebied van het sociaal domein en de jeugdregio. Artikel 6 - Samenwerkingsmodules Er is voor gekozen om alle taken en bevoegdheden te clusteren in vier samenwerkingsmodules. Dit zijn de modules: 1. gespecialiseerde jeugdzorg; 2. beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang; 3. sociale veiligheid, preventie en toezicht; 4. welzijn en maatschappelijke ondersteuning. De taken 1 tot en met 3 worden overgedragen (delegatie) en de 4e taak wordt opgedragen (mandaat). De modules 1 tot en met 3 zien op taken die voor alle deelnemers worden uitgevoerd. De 4 e module ziet op taken die voor meerdere deelnemers worden uitgevoerd. Via een Dienstverleningsovereenkomst (DVO) maakt het openbaar lichaam nadere afspraken met de afnemer van deze taken.

1

Artikel 7 - Bevoegdheden In dit artikel zijn per samenwerkingsmodule de verschillende bevoegdheden opgenomen die het openbaar lichaam voor de deelnemers uitvoert. In de toelichting van de vier samenwerkingsmodules wordt hier nader op ingegaan. Artikel 8 - Reikwijdte Om te voorkomen dat er een misverstand ontstaat als een over- of opgedragen taak of bevoegdheid door gewijzigde wetgeving anders komt te luiden, is in dit artikel bepaald dat de nieuwe wettekst voor de oude wetstekst in de plaats treedt. Dit geldt alleen als het gaat om bestaande taken en bevoegdheden en er geen sprake is van een nieuwe taak. Voor nieuwe taken en bevoegdheden moet de regeling worden aangepast volgens de procedure die daarvoor in de Wgr is opgenomen.

HOOFDSTUK 3 HET ALGEMEEN BESTUUR Artikel 9 - Samenstelling Deze regeling omvat een collegeregeling waaraan uitsluitend collegebevoegdheden kunnen worden overgedragen of opgedragen. Het betreft een samenwerkingsverband gericht op uitvoerende taken. De colleges worden dan ook vertegenwoordigd in het algemeen bestuur. Ieder deelnemend college kiest uit zijn midden één algemeen bestuurslid (art. 13 lid 6 jo. lid 1 Wgr). Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege wanneer men ophoudt lid te zijn van het college dat het lid heeft aangewezen (art. 13 lid 6 jo. lid 2 Wgr). Om te voorkomen dat een deelnemer niet vertegenwoordigd is bij afwezigheid van het lid in het algemeen bestuur, is iedere deelnemer verplicht tevens een plaatsvervangend lid voor het algemeen bestuur aan te wijzen. Dit plaatsvervangend lid vervangt het eigen lid in het algemeen bestuur in alle gevallen, met uitzondering van de eventuele rol van lid in het dagelijks bestuur. Binnen het dagelijks bestuur geldt een eigen vervangingsregeling. Artikel 10 - Bevoegdheden van het algemeen bestuur Het artikel beschrijft de taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur en is gebaseerd op artikel 24 Wgr. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het gemeenschappelijk openbaar lichaam (art. 12 lid 2 Wgr).

Dit betekent dat het algemeen bestuur eindverantwoordelijk is voor het gemeenschappelijk openbaar lichaam. Het algemeen bestuur is bevoegd tot het instellen commissies. In ieder geval worden ingesteld commissies van advies voor de behandeling van klachten, bezwaren, jeugd en de plustaken. Het algemeen bestuur regelt in het instellingsbesluit de bevoegdheden en samenstelling van een commissie van advies. Ten aanzien van de adviescommissie jeugd en de adviescommissie Plustaken wordt de werkafspraak gemaakt dat als het algemeen bestuur wil afwijken van het advies van de commissie, er door het algemeen bestuur eerst een terugkoppeling plaatsvindt waarom het wil afwijken van het advies. De adviescommissie krijgt dan de mogelijkheid om hierop te reageren. Een raadsadviescommissie op grond van artikel 24a Wgr wordt alleen ingesteld als de gemeenteraden van de gemeenten van de deelnemende colleges hiertoe unaniem beslissen. Dit artikel voorziet ook in de mogelijkheid van het algemeen bestuur om bestuurscommissies in te stellen (vgl. art. 25 lid 1 Wgr). Voordat het algemeen bestuur kan overgaan tot instelling van de bestuurscommissie moet eerst toestemming worden verkregen van de raden van de deelnemers (art. 25 lid 2 Wgr).

Het algemeen bestuur regelt de samenstelling van de bestuurscommissie, alsmede zijn taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties jegens het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur (art. 25 Wgr). Het algemeen bestuur kan zijn bevoegdheden overdragen aan het dagelijks bestuur met uitzondering van de taken benoemd in 5. Een klankbordgroep kan te allen tijde worden ingesteld als meerdere raden daarom vragen. Omdat dit een informeel gremium is, is het niet nodig om de bevoegdheid hiertoe in de regeling op te nemen.

2

Artikel 11 - Werkwijze Dit artikel bevat de werkwijze van het algemeen bestuur. Het bevat eveneens de stemverhouding in het algemeen bestuur. Het aantal stemmen dat een lid in de vergadering kan uitbrengen, wordt bepaald door het aantal inwoners van de gemeente door wiens college van burgemeester en wethouders hij is aangewezen. Hierbij geldt de volgende stemverdeling: a. een gemeente met 1 tot en met 5000 inwoners: 1 stem; b. een gemeente met 5001 tot en met 10.000 inwoners: 2 stemmen; c. een gemeente met 10.001 tot en met 15.000 inwoners: 3 stemmen; d. een gemeente met 15.001 tot en met 20.000 inwoners: 4 stemmen; e. een gemeente met 20.001 tot en met 25.000 inwoners: 5 stemmen; f. een gemeente met 25.001 tot en met 30.000 inwoners: 6 stemmen; g. een gemeente met 30.001 tot en met 35.000 inwoners: 7 stemmen; h. een gemeente met 35.001 tot en met 40.000 inwoners: 8 stemmen; i. een gemeente met 40.001 tot en met 45.000 inwoners: 9 stemmen; j. een gemeente met 45.001 tot en met 50.000 inwoners: 10 stemmen; k. een gemeente met 50.001 tot en met 55.000 inwoners: 11 stemmen; l. een gemeente met 55.001 tot en met 60.000 inwoners: 12 stemmen; Voor elke verdere toename van 5.000 inwoners wordt het aantal stemmen telkens met één stem verhoogd.

Telkens bij de aanvang van een zittingsperiode van het algemeen bestuur wordt het aantal stemmen voor de duur van de nieuwe zittingsperiode voor 4 jaar vastgesteld. Voor de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van het aantal inwoners per 1 januari voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen. Voor enkele besluiten geldt dat hiervoor tenminste een meerderheid nodig is van twee derde van de gewogen stemmen. Dit is voor de jaarrekening, de begroting, begrotingswijzigingen, wijziging van een financiële verdeelsleutel, wijziging van de regeling, ontbinding en liquidatie. Artikel 12 – Besloten vergadering/geheimhouding Dit artikel regelt dat bepaalde besluiten niet een in een besloten vergadering mogen worden genomen. Het gaat om het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan.

HOOFDSTUK 4 HET DAGELIJKS BESTUUR Artikel 13 - Samenstelling Op grond van artikel 14 Wgr bestaat het dagelijks bestuur uit de voorzitter en ten minste twee andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen. Er is een lid namens de deelnemers uit de Oosterschelderegio (7), Walcheren (3) en Zeeuws-Vlaanderen (3). De leden van het dagelijks bestuur mogen gezamenlijk geen meerderheid meer vormen binnen het algemeen bestuur. Zowel niet in aantal en ook niet op basis van gewogen stemmen. Artikel 14 - Einde lidmaatschap Dit artikel bepaalt wanneer het lidmaatschap van het dagelijks bestuur ophoudt. Artikel 15 - Werkwijze Dit artikel regelt de werkwijze van het dagelijks bestuur. Ook is bepaald dat er wordt gestemd met een gewone meerderheid van stemmen en dat bij een staking van de stemmen het voorstel wordt geacht te zijn verworpen. Tot slot regelt dit artikel dat het dagelijks bestuur een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststelt. Artikel 16 - Bevoegdheden van het dagelijks bestuur Het artikel bevat de bevoegdheden dit bij het dagelijks bestuur liggen. Zoals regels voor de ambtelijke organisatie, het voeren van rechtsgedingen en direct optreden bij een acute crisis.

3

HOOFDSTUK 5 DE VOORZITTER Artikel 17 - Benoeming en Taak Op grond van artikel 13 lid 9 Wgr moet de voorzitter door en uit het algemeen bestuur benoemd worden. De voorzitter is een eenhoofdig bestuursorgaan (art. 12 lid 1 Wgr) en is voorzitter van zowel het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur (art. 12 lid 3 Wgr). De aanwijzing van de voorzitter kan niet aan het dagelijks bestuur worden gedelegeerd.

HOOFDSTUK 6 DE DIRECTEUR Artikel 18 - Functie, Benoeming en Taak Het openbaar lichaam heeft een directeur die belast is met de dagelijkse leiding van de organisatie en in het bestuur de functie van secretaris vervult.

HOOFDSTUK 7 INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 19 - Interne verantwoordingsplicht Dit artikel regelt de interne verantwoordingsplicht van het dagelijks bestuur en de voorzitter ten opzichte van het algemeen bestuur. Artikel 20 - Extern verantwoordingsplicht Het dagelijks bestuur, algemeen bestuur en de voorzitter ten opzichte van de raden.

HOOFDSTUK 8 HET PERSONEEL Artikel 21 - Personeel Dit artikel beschrijft de bevoegdheid van het samenwerkingsverband om personeel in dienst te nemen, te schorsen en te ontslaan. Daarnaast bepaalt het artikel dat het dagelijks bestuur een arbeidsvoorwaardenregeling vaststelt en de daarbij horende algemene voorschriften en bepalingen. Dit mag een bestaande arbeidsvoorwaardenregeling van een bepaalde deelnemer zijn.

HOOFDSTUK 9 FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 22 - Begrotingsprocedure Dit artikel bevat de begrotingsprocedure. Dit is overeenkomstig de Wgr met dat verschil dat de gemeenten en de gemeenschappelijke regelingen in Zeeland de afspraak hebben gemaakt dat voor 15 juli de raden hun zienswijze kenbaar maken zodat het algemeen bestuur de begroting kan vaststellen en aanleveren voor 15 september bij gedeputeerde staten van Zeeland. Artikel 23 - Bijdragen van de gemeenten De bestaande budgetten van SWVO en het CZW Bureau gaan bij aanvang over naar de gemeenschappelijke regeling Sociaal Domein en Jeugdregio Zeeland. Voor het uitvoeren van de taken op het gebied van beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang geldt: centrumgemeente Vlissingen stelt namens de voormalige deelnemers van de partnerschapsafspraken beschermd wonen en opvang 2024 vanaf 1 januari 2027 en daarna jaarlijks de budgetten beschikbaar die op basis van de begroting nodig zijn voor het uitvoeren van deze taken. Daarnaast wordt eenmalig een nader te bepalen bedrag beschikbaar gesteld voor

4

het vormen van een bestemmingsreserve zorginfrastructuur. In geval van tekorten en na de wetswijziging (doordecentralisatie) stellen de gemeenten van de deelnemers op basis van de begroting de (aanvullende) budgetten beschikbaar. In geval van overschotten keert centrumgemeente Vlissingen deze uit aan de gemeenten van de deelnemers op basis van de laatstelijk tussen deelnemers vastgestelde landelijke objectieve verdeelsleutel. NB: Met overschotten bedoelen we het verschil tussen de rijksbijdrage aan centrumgemeente Vlissingen en het benodigde bedrag voor de begroting voor de taken beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, en/of een eventueel surplus voorziening centrumtaken. Uit het wettelijk systeem vloeit voort dat de deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling er te allen tijde voor moeten zorgen dat het gemeenschappelijk openbaar lichaam over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen. Het exacte bedrag per gemeente wordt jaarlijks in de begroting opgenomen. Dit is een verplichte uitgave. Het openbaar lichaam herijkt de verdeelsleutels op basis van inwoneraantal jaarlijks met de t-1 systematiek. (Voorbeeld: voor het jaar 2027 wordt gekeken naar het inwoneraantal op 1 januari 2026.) Dit met uitzondering van de verdeelsleutel voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang.

Daarvoor geldt de laatstelijk tussen deelnemers vastgestelde objectieve verdeelsleutel. Artikel 24 - Reserve In Zeeland hebben de gemeenten en de gemeenschappelijke regelingen afgesproken zich te zullen houden aan de afgesproken richtlijnen, waaronder ook de Zeeuwse richtlijn reservevorming. Artikel 25 - Jaarstukken Dit artikel regelt de procedure ten aanzien van de jaarstukken. In Zeeland hebben de gemeenten en de gemeenschappelijke regelingen afgesproken dat de raad alleen een zienswijze kan geven als de algemene reserve boven de Zeeuwse richtlijn reservevorming uitkomt en/of als het dagelijks bestuur met het positieve jaarrekeningresultaat een andere bestemming wenst dan toevoeging aan de algemene reserve. Voor de begroting en begrotingswijzigingen is het aanbieden voor een zienswijze verplicht op grond van de Wgr. In deze wet staat ook de datum van 30 april genoemd. Voor de voorlopige jaarrekening is dit niet wettelijk verplicht. Een zienswijze is alleen vereist als een positief saldo wordt toegevoegd aan de algemene reserve en daardoor uitkomt boven de VZG-richtlijn van 5% of als voorgesteld wordt het positieve saldo een andere bestemming te geven. Als de algemene reserve niet toereikend is om een negatief rekeningresultaat op te vangen, betalen de deelnemers het resterende tekort bij. Dat is dan voor die deelnemers een verplichte uitgave.

Daarvoor geldt geen zienswijzeprocedure. Deelnemers kunnen wel kun eventuele ongenoegen over het rekeningresultaat kenbaar maken, al dan niet via hun vertegenwoordiger in het algemeen en/of dagelijks bestuur. Het verzoek tot een hogere bijdrage volgt via een begrotingswijziging in het lopende jaar. Artikel 26 – Getrouwheid en rechtmatigheid In de regeling is een artikel opgenomen over de getrouwheid en rechtmatigheid. Het openbaar lichaam moet jaarlijks rapporteren, als onderdeel van de jaarstukken op grond van wet- en regelgeving, over de getrouwheid en rechtmatigheid van de door haar algemeen bestuur of onder diens verantwoordelijkheid ondernomen financiële beheers handelingen en daaruit voortvloeiende baten en lasten.

HOOFDSTUK 10 HET ARCHIEF EN INFORMATIEVEILIGHEID Artikel 27 - Archief Op grond van artikel 40 Archiefwet 1995 moet de gemeenschappelijke regeling bepalingen bevatten over het archief. Deze moeten zoveel mogelijk overeenkomstig de Archiefwet 1995 worden vormgegeven. Om die reden zal aansluiting worden gezocht bij de bepalingen zoals die op grond van de Archiefwet 1995 voor de gemeenten gelden. Artikel 28 - Informatieveiligheid Net als bij gemeenten is het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam verantwoordelijke voor een goede

5

beveiliging van de informatie en de bescherming van persoonsgegevens. Hiervoor wordt jaarlijks een ‘In Control Statement’ (ICS) verstrekt aan deelnemers. Een externe partij stelt het ICS op. Het sluit aan bij de eis om aan de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) te voldoen. Het openbaar lichaam neemt het ICS op in de jaarrekening. Artikel 29 - Participatie Het bestuur kan ingezetenen en andere belanghebbenden betrekken bij de totstandkoming, uitvoering of evaluatie van het beleid.

HOOFDSTUK 11 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING Artikel 30 - Toetreding De gemeenschappelijke regeling moet bepalingen bevatten omtrent toe- en uittreding, wijziging en opheffing (art. 9 lid 1 Wgr). Een gemeente kan tot de regeling toetreden krachtens een daartoe strekkend besluit van het college en na verkregen toestemming van de gemeenteraad. De laatstgenoemde toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Daarnaast moeten alle colleges van de deelnemers instemmen met de toetreding van de buitenstaande gemeente bij eensluidend besluit. Het algemeen bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding van een gemeente tot de regeling. Artikel 31 - Aanvang uittredingsprocedure Door de wijziging van de Wgr moet een regeling inhoudelijke regels bevatten over de uittredingsprocedure en de gevolgen van het uittreden. In de artikelen 30 tot en met 33 is dit bepaald. Artikel 30 bepaalt wanneer de uittredingsprocedure start en dat het algemeen bestuur de gevolgen van de uittreding in beeld laat brengen. In het geval dat een deelnemer besluit geheel of gedeeltelijk uit te treden dient dit plaats te vinden op grond van een besluit van het college dat uittreedt en na verkregen toestemming van de eigen gemeenteraad.

De toestemming van de raad kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Bijvoorbeeld als regionale samenwerking via een Wgr wettelijk verplicht is. Een besluit van de andere deelnemers wordt niet vereist omdat de keuze voor uittreding een keuze is van de uittredende deelnemer. Artikel 32 – Procedure voor vaststelling uittredingsplan In dit artikel is bepaald hoe het uittredingsplan tot stand komt en wat hierbij de rol van de externe deskundige is. Artikel 33 – Te vergoeden kosten bij uittreding De uittredende deelnemer kan alleen uittreden wanneer deze de directe en indirecte kosten vergoed. Dit zijn eventuele frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. Artikel 34 Verplichting uittreder De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om eventueel boventallig personeel in dienst te nemen. Artikel 35 - Wijziging De regeling kan worden gewijzigd krachtens een daartoe strekkend besluit van de colleges van alle deelnemers na verkregen toestemming van de gemeenteraad. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. De regeling kan worden gewijzigd na een meerderheidsbesluit van ten minste twee derde van de gewogen stemmen en na verkregen toestemming van de gemeenteraad.

Ook hier geldt dat toestemming alleen kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

6

Artikel 36 - Geschillen Geschillen worden voorgelegd aan een geschillencommissie. Indien partijen onverhoopt niet tot een oplossing komen, zal het geschil aan gedeputeerde staten van Zeeland worden voorgelegd overeenkomstig de Wgr. Artikel 37 - Ontbinding en liquidatie In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en regelt het de financiële en andere gevolgen van de opheffing in een liquidatieplan.

HOOFDSTUK 16 SLOTBEPALINGEN Artikel 38 – Inwerkingtreding Het openbaar lichaam start op 1 januari 2027. Artikel 39 - Hardheidsclausule Indien de regeling geen uitkomst biedt dan ligt de bevoegdheid bij het algemeen bestuur. Artikel 40 – Evaluatie De regeling wordt iedere vier jaar geëvalueerd. Dus de periode 2027 tot en met 2030 en vervolgens de periodes die hierna volgen. De evaluatie richt zich op de vraag of de doelen zijn bereikt in relatie tot de hiervoor gemaakte kosten. Artikel 41 - Titel Dit artikel behoeft geen toelichting.

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16911235/1