Bijlage 4: Was-wordt lijst Gemeenschappelijke Regeling GGD Zeeland 2025
Tekst van het document
Was-wordt-lijst bij wijzigingsvoorstel Gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland 2025 Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Begripsomschrijvingen Toegevoegd:
a) algemeen bestuur: het algemeen bestuur van Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland; b) dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland; c) voorzitter: de voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur; d) directeur publieke gezondheid: de functionaris zoals bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze regeling, verder hierna te noemen: directeur publieke gezondheid; e) directeur Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland: de functionaris zoals bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze regeling, verder hierna te noemen de directeur jeugdhulp; f) Veilig Thuis: het organisatieonderdeel van het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2,dat de taken uitvoert en bevoegdheden uitoefent als het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling in Zeeland. Artikel 2: Openbaar Lichaam Verwijderd:
“4. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.” Vervangen:
1. “Er is een openbaar lichaam Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland. 2. Het openbaar lichaam is rechtspersoon en is gevestigd in de gemeente Goes. 3. Het rechtsgebied van het openbaar lichaam omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.” (oud) Door:
1. “Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, zoals bedoeld in artikel 14, lid 1 en 2, van de Wet Publieke Gezondheid met de aanduiding Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland. 2. Het openbaar lichaam is gevestigd in Goes. 3. Het rechtsgebied van Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten conform artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.” (nieuw)
Artikel 3: Belang Vervangen
“Het openbaar lichaam is ingesteld om gezamenlijke belangen van de deelnemers te behartigen op het gebied van de Wet publieke gezondheid, de Wet veiligheidsregio’s, de Wet op de lijkbezorging, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Wet Kinderopvang.” (oud) Door:
1
“De GGD Zeeland behartigt de belangen van de deelnemende gemeenten op het gebied van de Wet publieke gezondheid, de Wet veiligheidsregio’s, de Wet op de lijkbezorging, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Wet Kinderopvang.” Artikel 4: Bestuursorganen Verwijderd:
“Dit onverminderd de bevoegdheid tot het instellen van een bestuurscommissie.” Hoofdstuk 2: Taken en bevoegdheden Artikel 5: Belang Dit artikel is in zijn geheel verwijderd. Artikel 5: Taken en bevoegdheden (nieuw) Toegevoegd aan lid 7:
“De colleges wijzen de directeur publieke gezondheid aan als toezichthouder in de zin van de Wet Kinderopvang en “de Wet maatschappelijke ondersteuning.” De directeur publieke gezondheid mandateert zijn toezichthoudende bevoegdheden aan medewerkers die werkzaam zijn als toezichthouder met betrekking tot de Wet Kinderopvang en de “Wet maatschappelijke ondersteuning.” Toegevoegd voor de volledigheid. Artikel 5a: Taken en bevoegdheden in het kader van de Jeugdwet en 6: Bezwaar en beroep Beide artikelen zijn niet gewijzigd. Artikel 7: Klachtrecht Toegevoegd:
“Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.” In verband met de opheffing van de Zeeuwse Ombudsman per 1 januari 2023. Hoofdstuk 3: Algemeen Bestuur Artikel 8: Samenstelling Vervangen lid 2, 3, 5 en 7:
“de raad/raden van de gemeente(n)” (oud) door
“het college/colleges van de gemeente(n)” nieuw Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 9: Bevoegdheden van het algemeen bestuur Verwijderd:
“1a Het algemeen bestuur kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 van de Wetgemeenschappelijke regelingen bestuurscommissies instellen.” Én
2
“2g het vaststellen van een subsidieverordening als bedoeld in artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht,” Én
“2i
het vaststellen van een directiestatuut”
Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Toegevoegd:
“Lid 2: Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 10: Werkwijze Verwijderd
“3. In dit laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Toegevoegd
“4. Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 11: Besloten vergadering Verplaatsing
“Artikel 10 […] 6. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. 7. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. 8. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.” (oud) Wordt:
“Artikel 11 In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken, liquidatieplan, afschaffen retributies of andere heffingen, vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen, treffen van wijzigingen verlengen of opheffen van een GR tussen gemeentelijke gezondheidsdienst Zeeland en andere openbare lichamen, alsmede toetreden tot en uittreden uit dergelijke regeling.” (nieuw)
3
Hoofdstuk 4: Het dagelijks bestuur Artikel 12: Samenstelling Toegevoegd:
“3. De directeur publieke gezondheid neemt deel aan de vergaderingen van het dagelijks bestuur, in de rol van ambtelijk secretaris.” Verwijderd: “4. Het dagelijks bestuur mag geen meerderheid vormen in het algemeen bestuur.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 13: Einde Lidmaatschap Verwijderd:
“3. ….De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 14: Werkwijze Blijft ongewijzigd Artikel 15: Taak Toegevoegd:
“2h. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in art. 31a van de Wet gemeenschappelijke regelingen; 2i. met besluiten inzake inkoop- en verkoopbeleid; 2j. Het dagelijks bestuur stelt de rechtspositieregelingen vast voor het personeel van Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland; 2k. te besluiten namens Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover dit het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; 3. Het algemeen bestuur is bevoegd kaders te stellen ten aanzien van het bepaalde onder sub f. en i t/m k.” Hoofdstuk 5: de Voorzitter Artikel 16: Benoeming en taak Toegevoegd:
“5. Deze stukken worden door de ambtelijk secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur mede ondertekend. 6. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het dagelijks bestuur de voorzitter toestaan om de ondertekening van stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan op te dragen aan een ander lid van het dagelijks bestuur of de ondertekening te mandateren aan de ambtelijk secretaris van het dagelijks bestuur of aan een ander persoon;”
4
Hoofdstuk 6: de Directeuren Artikel 17: Functie, Benoeming en Taak Vervangen
“6. De directeur publieke gezondheid is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. De directeur jeugdhulp is verantwoording verschuldigd aan het algemeen bestuur, tenzij het algemeen bestuur heeft bepaald dat de directeur jeugdhulp aan een ingestelde bestuurscommissie verantwoording schuldig is.” (oud) Door:
“6. De directeur publieke gezondheid is zowel inhoudelijk als financieel verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. De directeur jeugdhulp is financieel verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur. Inhoudelijke verantwoording is hij verschuldigd aan de door het AB ingestelde bestuurscommissie. Dat laatste indien het algemeen bestuur een bestuurscommissie heeft ingesteld.” (nieuw) Hoofstuk 7: Inlichtingen, verantwoording en ontslag Artikel 18: Intern Ongewijzigd Artikel 19: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter Toegevoegd:
“3. Belangrijke financiële, beleidsmatige en/ of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke ontwikkelingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen en dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten ter informatie.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 20: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur Vervangen
“1. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan de raad door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad aangegeven wijze. 2. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door de raad waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de raad bezit. (oud) Door:
” 1. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en verstrekt indien gewenst door een of meer leden van zijn raad gevraagde inlichtingen. 2. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van het college bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.”(nieuw) Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 5
Artikel 21a en 21b (oud) komen te vervallen Artikel 22 (oud) wordt artikel 21: Personeel (nieuw) Verwijderd:
“Artikel 22 […] 2. Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van het openbaar lichaam de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt. 4. Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het dagelijks bestuur, behoudens het bepaalde in artikel 10, lid 2, sub b en artikel 16 lid 2, sub f van deze regeling.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 23 komt te vervallen Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Hoofdstuk 9: Financiële bepalingen Artikel 22: Begrotingsprocedure Artikel 24 (oud) wordt artikel 22 (nieuw) en wordt als volgt vervangen:
“Artikel 24:Begrotingsprocedure 1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 15 april de ontwerpbegroting van het openbaar lichaam voor het komende kalenderjaar met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen voor de drie daarop volgende jaren aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in artikel 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). 2. In de ontwerpbegroting wordt een analyse opgenomen van de begrotingscijfers ten opzichte van de cijfers uit de laatst opgemaakte jaarstukken. De ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en3 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het algemeen bestuur stelt de begroting uiterlijk 14 juli vast. 4.
Het dagelijks bestuur stuurt de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 5. Nadat deze is vastgesteld, stuurt het algemeen bestuur de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan de raden van de deelnemende gemeenten. 6. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing. 7. Het bestuur geeft de deelnemende gemeenten de gelegenheid om wensen en bedenkingen in te geven over begrotingswijzigingen. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geenbelangrijke beleidswijzigingen betreffen en/of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.” (oud) Wordt:
“Artikel 22: Begrotingsprocedure 6
1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in art. 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) 2. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. 3. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 4. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. 5. Een begrotingswijziging wordt ingediend, indien de gemeentelijke bijdragen van de deelnemers worden verhoogd.” (nieuw) In verband met in de artikelen 34 en 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen opgenomen gewijzigde begrotingsprocedure.
Artikel 23: Bijdragen van de gemeenten Artikel 23a: Administratie, bijdragen en informatievoorziening Jeugdhulp Artikel 25 en 25a (oud) worden artikel 23 en 23a (nieuw) en zijn inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 24: Reserve Nieuwe bepaling, een regeling omtrent de financiële reserve conform hetgeen is afgesproken binnen de VZG. Artikel 25: Jaarstukken Artikel 26 (oud) wordt artikel 25 (nieuw) en is als volgt gewijzigd:
“Artikel 26: Jaarstukken 1.Het dagelijks bestuur legt voor 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant. 2.De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden; 3.Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt haar uiterlijk 14 juli vast, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, evenals de bijdragen die de deelnemende gemeenten betalen in het eventuele exploitatietekort. 4.De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar uiterlijk voor 15 juli; 5.Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken verleent – voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft – het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.” (oud) Wordt:
“Artikel 25: Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.
7
3. Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt de jaarstukken en de resultaatbestemming vast. 5. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli. 6. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.” (nieuw) Conform het bepaalde in artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Hoofdstuk 10: Het Archief en Informatieveiligheid Artikel 26: Archief Artikel 28 (oud) wordt artikel 26 (nieuw) en wijzigt als volgt:
“Artikel 28: Archief 1.Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling. 2.Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd. 3.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.” (oud) Wordt:
“Artikel 26: Archief 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. Deze regeling wordt toegestuurd aan gedeputeerde staten. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.” (nieuw) Artikel 27: Informatieveiligheid Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op informatieveiligheid en luidt als volgt:
“Artikel 27: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen.” Artikel 28: Participatie Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op participatie en luidt als volgt:
“Artikel 28: Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; 8
b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.” Dit in verband met het bepaalde in artikel 10 lid 7 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING Artikel 29: Toetreding en uittreding Is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 30: Procedure voor vaststelling uittredingsplan Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op de procedure voor het vaststellen van een uittredingsplan en luidt als volgt:
“Artikel 30: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.
Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uit-treedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.” 9
De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 31: Te vergoeden kosten, de uittreedsom Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op een vergoeding van kosten in geval van uittreding en luidt als volgt:
“Artikel 31: Te vergoeden kosten, de uittreedsom 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het Algemeen Bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 33, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 33, achtste lid, anders is vastgelegd. 5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, vijfde lid. 7. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 29B en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het Algemeen Bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 32: Verplichtingen uittreder Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op de verplichtingen van de uittreder en luidt als volgt:
“Artikel 32: Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Veiligheidsregio Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.
10
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 33: Wijziging Artikel 30 (oud) wordt artikel 33 (nieuw) en wijzigt als volgt:
“Artikel 30: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de raden en de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die 3 maanden na ontvangst ter zake een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur melden. 4. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeentenen het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. 5. De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan Gedeputeerde Staten geschiedt door het dagelijks bestuur.” (oud) Wordt:
“Artikel 33: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers. 3. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.” (nieuw) De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 34: Geschillen Is inhoudelijk niet gewijzigd. Artikel 35: Ontbinding en liquidatie Artikel 32 (oud) wordt artikel 35 (nieuw) en wijzigt als volgt:
Artikel 32 […]: 2. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Daarbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. 3. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld.”(oud) Wordt:
11
“2. Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.”(nieuw) Artikel 35 lid 1, 4 t/m 9 (oud) blijven in het nieuwe artikel 36 lid 1, 4 t/m 8 (nieuw) ongewijzigd. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 36: Overgangsbepaling Artikel 33 (oud) worden opgenomen in artikel 36 (nieuw). Artikel 37: Inwerkingtreding Artikel 34 (oud) wordt artikel 37 (nieuw) betreft de bekendmaking en inwerkingtreding en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 35 oud Is verwijderd. Artikel 38: Evaluatie Artikel 36 (oud) wordt artikel 38 en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 39: Titel Artikel 37 (oud) wordt artikel 39 (nieuw) en omvat de citeertitel, deze is ongewijzigd.
12