Bijlage 3 - Overzicht zienswijzen en reacties
Tekst van het document
Zienswijzen en reacties op ontwerpverordening jeugdhulp Nr. Gemeente
Wie?
Zienswijze/reactie
1.
Borsele
Gemeenteraa d
2.
Goes
Gemeenteraa d
3.
Hulst
Gemeenteraa d
Positieve zienswijze: werk verder op basis van deze ontwerpverordening. Positieve zienswijze: werk verder op basis van deze ontwerpverordening. Positieve zienswijze: werk verder op basis van deze ontwerpverordening.
4.
Kapelle
5.
Middelburg
6.
Noord-Beveland
7. 8.
Reimerswaal SchouwenDuiveland
Gemeenteraa d Gemeenteraa d Gemeenteraa d Ander proces Fractie ChristenUnie
Reactie portefeuillehoudersoverleg Jeugd
Leidt tot aanpassing ontwerpverorde ning Nee Nee Nee
Geen zienswijze
Nee
Geen zienswijze
Nee
Geen zienswijze
Nee
Er is ons een tegenstrijdigheid opgevallen: Wanneer de hulpvraag van de jeugdige wordt onderzocht en daar eventueel hulp van een deskundige bij wordt gevraagd. (artikel 7, vijfde lid). Stel dat alle betrokkenen vinden dat voor deze jeugdige een vaktherapie zeer helpend zou kunnen zijn. Dan zou artikel
Als een vorm van vaktherapie op dat moment de enige beschikbare en passende voorziening is die deze jeugdige in staat stelt gezond en veilig op te groeien te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, dan zet het college die
Nee
1
9, derde lid, gelden: Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopste adequate, tijdig beschikbare voorziening. Maar… in artikel 13, vijfde lid, staat dat deze jeugdige dan eerst naar een (dure) GZ psycholoog moet.
9.
Graag zouden wij de termijnen terugzien in de verordening. Artikel 7, eerste lid, daar staat ‘zo snel mogelijk’. Wij zouden daar graag een termijn in dagen in terug zien. Bij artikel 7, tiende lid, zouden we graag een termijn in weken zien waarbinnen het ondersteuningsplan wordt overlegd aan de jeugdige en/of ouders.
10. Sluis
Ander proces
11. Terneuzen
Ander proces
12. Tholen
Commissie Samenleving
Zorg voor gegarandeerde hulp aan kwetsbare jongeren en gezinnen, vooral wanneer er geen stevig eigen netwerk beschikbaar is. Het stimuleren van eigen kracht is waardevol, maar mag niet gebruikt worden om noodzakelijke hulp uit te stellen, zeker niet bij gezinnen die al overbelast zijn. Maatwerk is belangrijk, maar het uitgangspunt moet zijn dat
voorziening in (artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet). Ook als dat duur is. Het gaat immers om het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige. Maar in de meeste gevallen is het niet zo dat maar één voorziening beschikbaar en passend is. En dan kiest het college voor de goedkoopste adequate, tijdig beschikbare voorziening. Afgesproken is termijnen op te nemen in de nadere regels voor jeugdhulp. De ontwerp-nadere regels worden voorgelegd aan de Wmo-adviesraden/adviesraden sociaal domein en vervolgens vastgesteld door de colleges.
We zijn het met u eens dat passende (jeugd)hulp beschikbaar moet zijn als dat nodig is, zeker voor de meest kwetsbare jeugdigen en gezinnen. Dat is de kern van de Jeugdwet en vanzelfsprekend werken we binnen de kaders van deze wet. Met deze verordening kunnen we kritischer beoordelen of een individuele voorziening voor jeugdhulp écht nodig is.
Nee
Nee
2
13.
14.
15.
passende hulp altijd beschikbaar is wanneer nodig. Investeer in preventie en vroegsignalering in samenwerking met lokale partners, zoals verenigingen, scholen en kerken. De verordening noemt algemene voorzieningen zoals opvoedondersteuning en jongerenwerk, maar gaat nauwelijks in op de opbouw van preventieve netwerken. Verenigingen, scholen en kerken zijn belangrijke samenwerkingspartners die vroegtijdige signalen herkennen en ondersteuning kunnen bieden. Zorg voor duidelijke en toegankelijke uitvoering en communicatie. De ontwerpverordening is inhoudelijk complex, wat begrijpelijk is, maar dat mag de uitvoering niet in de weg staan. Houd rekening met mogelijke drempels in de toegang tot hulp. Voor ouders die al onder druk staan, kan het aanvragen van ondersteuning een grote stap zijn. Daarom zijn heldere communicatie en laagdrempelige cliëntondersteuning van groot belang. We staan volledig achter het uitgangspunt dat kinderen veilig,
De in de verordening genoemde algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen op grond van de Jeugdwet. Jeugdigen en/of ouders kunnen er zonder beschikking van het college gebruik van maken. We zijn het met u eens dat daarnaast verenigingen, scholen en kerken een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan preventie en vroegsignalering.
Nee
Een verordening is een juridisch document. De gebruikte taal kan inderdaad ingewikkeld zijn. Onze jeugdconsulenten hebben veel ervaring met het helder communiceren met inwoners. Daarnaast kunnen jeugdigen en/of ouders gebruik maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Dat staat in de Jeugdwet en verordening. De jeugdconsulent wijst de jeugdige en/of ouder(s) hierop bij het eerste contact.
Nee
Colleges moeten op grond van de Jeugdwet een voorziening
Nee
3
gezond en kansrijk kunnen opgroeien. De meeste ouders redden dat prima, maar waar het niet lukt moet de gemeente niet wegkijken. In de verordening wringt dit soms, de nadruk ligt te veel op de eigen kracht. Belangrijk dat de menselijk maat gehanteerd wordt en dat de uitvoering niet doorschiet in regels, maar kwaliteit voorop staat.
16.
17.
De verordening is een goed fundament voor de uitvoering. De regionale samenwerking met Zeeland en West-Brabant is belangrijk, waarbij begrip en zorg voor inwoners voorop staat. Bureaucratie moet niet doorslaan in de hulpverlening en onderlinge samenwerking, wat ten koste gaat van de kwaliteit.
treffen op het gebied van jeugdhulp als ze oordelen dat de jeugdige en/of ouder(s) die nodig heeft (artikel 2.3, eerste lid). Daarin staat ook dat geen voorziening getroffen wordt als sprake is van eigen kracht. De Jeugdwet legt dit begrip niet verder uit. Daarom staat in de verordening welk kader we ervoor gebruiken. Dit biedt de jeugdige en/of ouder(s) rechtszekerheid, het is niet bedoeld om weg te kijken. Het kader maakt ook duidelijk wanneer het college moet ingrijpen. Verder zijn colleges verantwoordelijk voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod (artikel 2.6, eerste lid onder a). Zoals gezegd bij 12: vanzelfsprekend werken we binnen de kaders van de Jeugdwet.
Nee
Een van de opgaven in de landelijke Hervormingsagenda Jeugd is een eenvoudigere uitvoering (…) en minder administratieve lasten. Net als alle Nederlandse gemeenten geven we uitvoering aan deze opgave.
Nee
4
18.
19.
20.
De rode draad in alle zienswijzen is het belang dat onze jeugd de juiste zorg moet krijgen wanneer dit nodig is. De meeste kwetsbare gezinnen mogen niet de dupe zijn van de afbakening. Ondanks de krappe arbeidsmarkt en financiële houdbaarheid zijn de bovenstaande uitgangspunten het belangrijkste. De samenwerking met onderwijs, verenigingen, kerken en inwoners is een belangrijke opgave m.b.t. de houdbaarheid van het jeugdstelsel. Daartegenover is het belangrijk dat ouders (samen met het netwerk) de verantwoordelijkheid nemen en thuis zijn, waar dat nodig is voor hun kinderen. Wij missen in de stukken de betrokkenheid van de gebruikers. Ons advies is om de doelgroep meetbaar betrokken te maken en de vergaarde data uit het verleden als essentiële input te gebruiken voor het nieuwe beleid.
Wij missen in de stukken de betrokkenheid van het onderwijs. In de regiovisie jeugdhulp Zeeland 2023-2028 is
Zie reactie 12. Verder zijn we het met u eens dat samenwerken met onderwijs, verenigingen, kerken en inwoners belangrijk is voor de inhoudelijke en financiële houdbaarheid van het jeugdhulpstelsel. Ook onderschrijven we het belang van de eigen verantwoordelijkheid van ouders voor hun kinderen.
Nee
Voor het opstellen van de ontwerpverordening hebben we cliëntvertegenwoordigers/ ervaringsdeskundigen geconsulteerd. Zij zijn onderdeel van het Zeeuws-Brabants netwerk voor jongeren- en ouderperspectief (ZeBra Netwerk JOP/ZeBra-ExpEx). Dit wordt kort benoemd in de inleiding van het commissievoorstel. De verbinding met het onderwijs heeft onze aandacht. We maken op (sub)regionaal niveau afspraken over de afbakening
Nee
Nee
5
21.
22.
23.
een van de ontwikkeldoelen de “verbinding van onderwijs en jeugdhulp”. Eén van de actiepunten is het werken aan preventie en vroeg signalering in kinderopvang en op scholen. Neem de vergaarde evaluatiedata mee in de ontwerpverordening en gebruik deze als meetobject voor de nieuwe verordening. De verwachting van de ‘eigen kracht’ wordt naar onze mening te positief ingeschat. Als dit uitgangspunt niet onderbouwd kan worden, schaal deze verwachting af naar een realistisch uitgangspunt.
Artikel 5 ontwerpverordening; toelichting p.2 De toelichting suggereert dat het college een discretionaire bevoegdheid heeft om een beschikking af te geven na een medische verwijzing, terwijl de verordening dit voorschrijft als verplichte handeling. Artikel 9 lid 8 ontwerpverordening; toelichting p.6 De toelichting spreekt impliciet over beoordelingsruimte bij voorzieningen met terugwerkende kracht, terwijl artikel 9 lid 8 van de verordening
van jeugdhulp en onderwijs en kopen onderwijszorgarrangementen in voor collectieve vormen van jeugdhulp op scholen. NB: Deze verordening gaat over jeugdhulp en niet over onderwijs. De samenwerking en afstemming met het onderwijs is/wordt vastgelegd in andere documenten. Onze jeugdconsulenten hebben veel ervaring met het voeren van gesprekken met jeugdigen en ouders. Op basis van dat gesprek kunnen zij goed beoordelen in hoeverre de hulpvraag kan worden opgelost binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Ons inziens suggereert de toelichting dit niet. Op blz. 2, onder ‘Toelichting via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts’, is niets opgenomen over de discretionaire bevoegdheid van het college bij een medische verwijzing. Artikel 5 van de verordening is leidend. Ons inziens is er geen verschil tussen wat de verordening en toelichting zeggen over een aanvraag voor jeugdhulp met terugwerkende kracht. Artikel 9, tweede lid, van de verordening is leidend. Dit artikel beperkt niet tot crisissituaties, maar
Nee
Nee
Nee
6
dit beperkt tot crisissituaties met toetsbare noodzaak.
24.
Artikel 10 lid 10 ontwerpverordening; toelichting artikel 1 sub l In de verordening wordt het sociaal netwerk als structureel onderdeel van de "eigen kracht" gezien, terwijl de toelichting hier terughoudender over is.
25.
Artikel 6 ontwerpverordening; toelichting p.3 De toelichting benadrukt leveringsplicht zonder beschikking; de verordening bevestigt dit, maar deze uitzonderingspositie is mogelijk verwarrend ten opzichte van de andere routes waarin wel beschikkingen vereist zijn.
geeft ook ruimte voor terugwerkende kracht als de noodzaak en passendheid en de gemaakte kosten achteraf nog beoordeeld kunnen worden. Bedoeld wordt dat de jeugdconsulent bij een aanvraag voor jeugdhulp beoordeelt of de jeugdige en/of ouder(s) een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor (het leveren van een bijdrage aan) het oplossen van de hulpvraag. Zo ja, dan valt de ondersteuning van het sociale netwerk onder de eigen kracht. In de toelichting staat niets over het sociale netwerk, maar daarin wordt verwezen naar artikel 10 voor de uitleg wanneer sprake is van eigen kracht. Het volgt impliciet uit de Jeugdwet dat hiervoor geen beschikking vereist is. En dat geldt niet voor de medische verwijzingen. Daarvoor is formeel nog een besluit van het college nodig. Het zorgt juist voor duidelijkheid om in de verordening te zetten wanneer wel en wanneer niet een beschikking volgt van het college. De jeugdconsulent kan dit begrijpelijk uitleggen aan de jeugdige en/of ouder(s) en eventuele verwarring wegnemen.
Nee
Nee
7
26.
Artikel 10 ontwerpverordening; toelichting artikel 1 sub g en artikel 10 De toelichting bevat een algemene beschrijving; de verordening beschrijft uitgebreide beoordelingscriteria en uitzonderingen, wat leidt tot verschil in interpretatieruimte.
27. Veere
Ander proces
28. Vlissingen
Ander proces
Op basis van het advies in het landelijke document ‘Verkenning afbakening jeugdhulpplicht’ kiezen we voor een uitgebreid artikel in de verordening zelf om te beoordelen wat onder (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht valt. Artikel 10 van de verordening is dus leidend. Zie ook reactie 24.
Nee
8