CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 :WarmteTVW 2021 Zeeland bijlagen - Hulst

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen Regionale Structuur Warmte en Transitievisie Warmte17.814 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transitievisie Warmte 2021 Zeeland [Onderwerp]

Bijlagen

Inhoudsopgave Bijlage A: Uitkomsten participatie

3

Bijlage B: Notitie van uitgangspunten en criteria

18

Bijlage C Begrippenlijst

22

Bijlage D Overzicht financieringsinstrumenten

25

Bijlage E Handelingsperspectief inwoners

28

Bijlage F: Achtergrondrapport

33

Bijlage G Toelichting CO2 besparing

53

2

Bijlage A: Uitkomsten participatie Resultaten online enquete voor bewoners en gemeenteraden van Zeeland Via de verschillende gemeentelijke kanalen en via social media is een online enquête verspreid waarbij inwoners van Zeeland gevraagd zijn om een aantal vragen over de warmtetransitie te beantwoorden. De resultaten van de enquête geven een beeld van wat bewoners belangrijk vinden in de warmtetransitie en de keuzes die in de Transitievisies Warmte voor Zeeland gemaakt moeten worden. De enquête is in totaal 977 keer ingevuld door bewoners en 75 keer door raadsleden en geeft daarmee een indruk van de voorkeuren ten aanzien van de overstap naar aardgasvrij wonen.

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

Bijlage B: Notitie van uitgangspunten en criteria Totstandkoming notitie De uitgangspunten en selectiecriteria in deze notitie zijn het resultaat van een gezamenlijk, ambtelijk proces van de Provinciale projectgroep Transitievisie Warmte Zeeland. Daarin zit een afvaardiging namens alle Zeeuwse gemeenten, de gezamenlijke woningcorporaties, netbeheerder Enduris, provincie Zeeland en Zeeuwind (namens alle energiecoöperaties en de Participatiecoalitie). De werkzaamheden van de provinciale projectgroep vinden plaats in afstemming met het Zeeuws Energieakkoord, RES Zeeland, Waterschap Scheldestromen en RWS. In meerdere stappen is afgelopen maanden in de provinciale projectgroep en de subtafel TVW Zeeland hieraan gewerkt, met daarbij tussen de verschillende werksessies steeds ruimte voor individuele lokale afstemming in alle gemeenten. Daarnaast zijn de resultaten van de online enquêtes voor samenleving en raden (19 oktober t/m 23 november 2020) ook verwerkt in deze definitieve versie. Een aanvullende toelichting op deze resultaten is per onderwerp in een apart kader opgenomen. De resultaten van beide enquêtes zijn ook als bijlage toegevoegd bij deze notitie. Leeswijzer In deze notitie worden de volgende onderwerpen behandeld: •

Uitgangspunten (succesfactoren)

•

Selectiecriteria

•

Intermezzo financiële haalbaarheid

•

Intermezzo betrekken van de samenleving

Uitgangspunten Uitgangspunten zijn leidende principes waarop we als Zeeuwse partijen samen onze keuzes en aanpak in de transitie naar een aardgasvrije gebouwede omgeving baseren. Het zijn zaken die we zoveel mogelijk nastreven in het werken aan de transitie. Iedereen kan meedoen We streven naar haalbare en betaalbare oplossingen voor alle inwoners. Daar kunnen we provinciaal en lokaal aan bijdragen door te kijken naar de laagste maatschappelijke kosten. En door als uitgangspunt te nemen dat er logische en duurzame alternatieven beschikbaar zijn. Op de weg daar naartoe zien we ook stappen zoals isolatie en hybride warmtepompen als kansrijk om te zorgen dat iedereen mee kan doen. Naast onze bijdrage zien we ook een taak vanuit de Rijksoverheid om de warmtetransitie haalbaar en betaalbaar te maken. We gaan voor een eerlijke en sociale transitie. De warmtetransitie in Zeeland moet een eerlijke en sociale transitie worden. We gaan zorgvuldig en stapsgewijs te werk, we houden rekening met individuele situaties/knelgevallen en zoeken naar de beste oplossing voor iedere situatie. Het uitgangspunt is dat de warmtetransitie energiearmoede niet mag versterken en waar mogelijk moet verminderen. Inwoners willen meedoen Naast het belang dat iedereen mee kán doen is het ook belangrijk dat iedereen mee wíl doen.

Voldoende draagvlak is cruciaal gezien de warmtetransitie ook achter de voordeur moet gaan plaatsvinden. De eerste stap richting draagvlak is de bewustwording over het nut en de noodzaak van de warmtetransitie. Namelijk aardgasvrij in 2050 of juist zo zuinig mogelijk omgaan met de energiebronnen die we hebben. Deze kennis moet voor iedereen beschikbaar zijn en de inzichten helpen te motiveren en activeren om iedereen zijn of haar steentje bij te dragen om de transitie te laten slagen. Wat dat ‘steentje’ is, dat bepalen bewoners zelf: waar mogelijk geven we gehoor aan

18

ideeën en bieden ruimte aan eigen initiatieven. We streven ten slotte naar een hoog wooncomfort als belangrijke randvoorwaarde voor draagvlak en deelname aan de warmtetransitie. Partijen zijn tevreden over de manier en mate van samenwerken De transitie naar een aardgasvrij Zeeland doen we samen. Een goede samenwerking als basis voor de warmtetransitie geeft deze visie draagkracht en is nodig om er voor te zorgen dat de ambities gehaald. Iedere partij moet zijn stem kunnen laten horen en iedere stem wordt serieus meegenomen. De manier en mate van samenwerken is een belangrijk aandachtspunt voor het gehele traject en zal goed georganiseerd moeten worden om het succes van de warmtetransitie te waarborgen. We maken optimaal gebruik van de kracht van Zeeuwse samenwerking, maar zetten in op lokaal maatwerk en eigenaarschap. We erkennen en maken optimaal gebruik van de kracht van de Zeeuwse samenwerking zoals ook het bovenstaande uitgangspunt belichtte. Maar de warmtetransitie vraagt ook om maatwerk op lokaal niveau, want geen gemeente is hetzelfde. Dit lokale vraagstuk biedt ruimte voor lokaal eigenaarschap en oplossingen door en voor de bewoners van een gemeente.

We zetten beweging in gang: quick-wins voor draagvlak en motivatie We willen onze verantwoordelijkheid nemen voor het klimaat, en onderschrijven het uitgangspunt van het Klimaatakkoord van een CO2-neutrale gebouwde omgeving in 2050. We realiseren ons tegelijktijdig dat veel projecten pas op de lange termijn uitvoerbaar zijn. Om ervoor te zorgen dat we toch gaan bewegen en ook op de korte termijn te kunnen laten zien waar we voor staan, hebben we aandacht voor quick-wins. Deze snelle resultaten geven ons energie en motivatie en vergroten het draagvlak door te laten zien dat we actief onze verantwoordelijkheid pakken en stappen durven te zetten. We streven naar een zo laag mogelijke maatschappelijke impact en zo hoog mogelijke maatschappelijke meerwaarde Dat de warmtetransitie impact gaat hebben op onze omgeving is een feit maar wát de maatschappelijke impact zal zijn, hebben we zelf in de hand. We sturen op een zo laag mogelijke maatschappelijke impact en zo hoog mogelijk maatschappelijke meerwaarde. Dit doen we door bijvoorbeeld koppelkansen aan te grijpen, slimme netoplossingen te realiseren en werk-met-werk maken.

RESULTATEN ENQUETES SAMENLEVING EN RADEN Vanuit de samenleving blijkt dat de ‘betaalbaarheid’ van het aardgasvrij maken van de woning verreweg het meest belangrijk wordt gevonden (ca. 75%). Meer dan de helft (ca. 55%) maakt zich zorgen over de kosten. Vanuit de raden scoort het uitgangspunt dat ‘iedereen mee kan doen’ het hoogst, gevolgd door het uitgangspunt dat ‘inwoners mee willen doen’. Het uitgangspunt ‘we gaan voor een eerlijke en sociale transitie’ volgt vlak daarop op de derde plaats. De overige uitgangspunten ontlopen elkaar nauwelijks en staan op enige afstand. Naast de leidende principes voor de warmtetransitie hebben we ook criteria opgesteld. De selectiecriteria zijn een vertaalslag van de uitgangspunten en hebben meegewogen in de keuzes voor transitiepaden en de aanpak richting uitvoering. Deze criteria zijn: laagste maatschappelijke kosten, koppelkansen met andere opgaven, aanwezigheid van (sociale) warmtebronnen, betrouwbaarheid en toekomstbestendigheid van de warmtebron en draagkracht bij gebouweigenaren. Onderstaande tabel geeft een samenvatting van deze besliscriteria: Selectiecriterium

Korte beschrijving

Laagste maatschappelijke kosten

De aardgasvrije warmteoptie waarvoor de totale maatschappelijke kosten voor een gebied het laagst zijn, krijgt voorrang boven duurdere oplossingen.

19

Koppelkansen met andere opgaven1

Bestaande of reeds geplande opgaven en het maken van werk-met-werk heeft invloed op de warmteoptie per wijk.

Aanwezigheid van (sociale) warmtebronnen

Er is perspectief op een duurzame, alternatieve warmtebron. Ook sluiten we zoveel mogelijk aan bij ‘sociale’ warmtebronnen. Dit zijn bijvoorbeeld initiatieven van inwoners, waarbij aangesloten kan worden.

Betrouwbaarheid en toekomstbestendigheid warmtebron

De alternatieve warmteoptie is betrouwbaar (verschillende analysemodellen laten dezelfde uitkomst zien) en toekomstbestendig.

Draagkracht bij gebouweigenaren

Er is draagkracht bij gebouweigenaren, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een investerende partij/startmotor of financiële draagkracht bij bewoners)

RESULTATEN ENQUETES SAMENLEVING EN RADEN Vanuit de samenleving is aangegeven dat, naast betaalbaarheid, mensen graag op verschillende manieren betrokken willen worden bij de totstandkoming van de TVW. Uit de inhoudelijke reacties blijkt dat hier dwarsverbanden liggen met de uitgangspunten ‘duurzaam handelingsperspectief’ en ‘duidelijk, betrouwbaar en transparant’. Vanuit de raden staan de uitgangspunten ‘duurzaam handelingsperspectief’ en ‘duidelijk, betrouwbaar en transparant’ vrijwel op een gedeeld eerste plek. Ook de scores voor de tweede plaats, ‘win-win situaties’ en ‘standvastige koers’, ontlopen elkaar nauwelijks. Het uitgangspunt ‘platform waarop we lessen uit de praktijk met elkaar delen’ volgt op enige afstand. Op de vervolgvraag of we nog iets zijn vergeten bij de uitgangspunten, wordt voornamelijk de term ‘burgerparticipatie’ veel genoemd. Respondenten vinden het belangrijk dat inwoners kunnen meedenken en meedoen bij de totstandkoming van de TVW. 35% vindt het belangrijk dat inwoners in elk geval worden geraadpleegd over de inhoudelijke totstandkoming. Ruim 20% wil dat inwoners kunnen adviseren, dan wel meebeslissen over de TVW. Onderstaand wordt daarom nader ingegaan op het betrekken van de samenleving.

Intermezzo financiële haalbaarheid De financiële haalbaarheid van de warmtetransitie hangt samen met de betaalbaarheid voor inwoners (zgn. ‘eindgebruikers’). In het Klimaatakkoord streeft het kabinet naar woonlastenneutraliteit voor zoveel mogelijk mensen door de gemiddelde kosten voor energie te verlagen, subsidies te geven en aantrekkelijke financieringsmogelijkheden te bieden. Omdat ieders persoonlijke situatie anders is, kan het kabinet niet met zekerheid zeggen dat de transitie voor iedereen woonlastenneutraal zal zijn.

1 Klimaatadaptatie, leefbaarheid, levensloopbestendig: zijn belangrijke maatschappelijke opgaven die ook (kunnen) spelen in buurten, wijken of dorpen. Ze

vormen echter geen selectiecriterium, maar geven contextuele informatie over de manier waarop participatie en communicatie op buurt, wijk of dorpsniveau kan worden aangepakt en waar qua uitvoering kansen liggen om werk-met-werk te maken.

20

RESULTATEN ENQUETES SAMENLEVING EN RADEN Vanuit de samenleving ligt er een duidelijke voorkeur om te starten op plekken waar de overstap het meest betaalbaar is (ca. 37%). Dit heeft dus vooral betrekking op het selectiecriterium ‘de laagst maatschappelijke kosten’. Op de tweede plaats volgen ‘plekken waar toch al werkzaamheden gepland staan’ (ca. 26%) en ‘plekken waar bewoners zelf initiatief willen nemen’ (ca. 23%). Dit correspondeert met de selectiecriteria ‘logische koppelkansen’ en ‘sociale warmte’. Vanuit de raden is er juist duidelijke voorkeur voor het selectiecriterium ‘logische koppelkansen’. De criteria ‘perspectief op duurzame, alternatieve warmtebron’, ‘de laagst maatschappelijke kosten’ en ‘de warmteoptie is betrouwbaar’ komen op een gedeeld tweede plek. De criteria ‘toekomstbestendig’ en ‘draagkracht bij gebouweigenaren’ volgen op gedeeld derde plek. Het criterium ‘sociale warmte’ scoort bij de raden duidelijk als laagst.

Intermezzo betrekken van de samenleving Een succesvolle aanpak voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving valt of staat bij draagvlak van bewoners en ondernemers. Het is één van de belangrijkste uitgangspunten om te komen tot een TVW. Daarom zijn ook hierover vragen gesteld in de online enquêtes aan de samenleving en raden.

RESULTATEN ENQUETES SAMENLEVING EN RADEN Vanuit de samenleving geeft 46% van de respondenten aan direct vanaf de start geïnformeerd te willen worden over de ontwikkeling van de TVW; 20% graag enkele keren tijdens het proces en voor 32% hoeft dit niet als het nog geen effect heeft op de woning. 44% wil betrokken zijn bij de TVW door regelmatig geïnformeerd te worden; 14% wil actief meedenken in bijv. een inwonerspanel. De voorkeur qua communicatiekanalen gaat uit naar nieuwsbrief (45%), e-mail (40%) of website (37%). Interessant om te vermelden is dat vrijwel alle respondenten al eens gehoord hebben van de term ‘aardgasvrij’. Het betreft bijna uitsluitend inwoners die als particulier eigenaar hebben gereageerd. Ruim 40% heeft al geïsoleerd, 36% kookt elektrisch en bijna 40% heeft (nog) niets aan maatregelen genomen om zich voor te bereiden op aardgasvrij. Belangrijk is verder dat op de vraag wat mensen tot slot nog mee willen geven ongeveer 50% van de respondenten heeft geantwoord. Meer dan de helft van die antwoorden (ca. 25%) zijn negatief ten opzichte van de transitie vanwege zorgen over kosten of omdat men überhaupt niet achter de opgave staan om van het aardgas af te gaan (‘gevoel van nut en noodzaak’ ontbreekt). Ca. 12% wil graag meer en tijdig informatie over de warmtetransitie in begrijpelijke taal.

Daarbij wordt vaak gevraagd om makkelijk en klein te beginnen en daarvoor het juiste handelingsperspectief te bieden. De animatie over de TVW gaf overigens voor bijna 90% van de respondenten uit de samenleving duidelijkheid over inhoud, doel en totstandkoming van de TVW. Bij raadsleden was dit zelfs 100%. Er is de samenleving ook gevraagd naar hoe mensen geïnformeerd willen worden als er in hun buurt plannen komen (zgn. ‘wijkuitvoeringsplannen’). Dan is een overduidelijke voorkeur zichtbaar (ca. 70% om via een persoonlijke brief benaderd te worden. De voorkeur voor de wijze waarop inwoners in zo’n situatie vervolgens willen meedenken (via bewonersavond, een aantal keer in een panel, via een enquête of reageren op een concreet plan) ligt dichtbij elkaar (per antwoord steeds ca. 20-25%). Als laatste is belangrijk om te vermelden dat ca. 40% van de respondenten minimaal 1-5 jaar van tevoren geïnformeerd wil worden of hun buurt van het aardgas af gaat; ca. 25% wil dat 5-10 jaar van tevoren horen en ca. 20% langer dan 10 jaar. Dit past bij het beoogd doel van de eerste TVW; namelijk aangeven welke wijken/buurten voor 2030 wordt gestart met de transitie.

21

Bijlage C Begrippenlijst Term

Toelichting

Aardgasvrij

Niet aangesloten op de fossiele brandstof aardgas. De term aardgasvrij betekent niet altijd gasloos, er kan hernieuwbaar gas worden toegepast.

Afleverset

Bij een warmtenet wordt er gebruik gemaakt van een afleverset in de woning. De afleverset bevindt zich in de meterkast, berging of andere technische ruimte en zorgt ervoor dat de warmte van het warmtenet de verwarmingsinstallatie van de woning bereikt.

All-electric

Warmteoptie waarbij een gebouw alleen aangesloten is op het elektriciteitsnet en verwarmen en koken gebeurt met gebruik van elektriciteit (vaak een warmtepomp).

Aquathermie

Thermische energie uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater dat kan worden gebruikt als bron voor een warmtenet of lokaal bronnet.

(CBS) Buurt

Onderdeel van een gemeente, dat op basis van historische dan wel stedenbouwkundige kenmerken homogeen is afgebakend. In de vergelijkende analyse die voor deze TVW gedaan is, hanteert ieder model als definitie van buurten de zogenaamde CBS-buurtgrenzen. Deze CBSbuurtgrenzen zijn nuttig omdat elk model dezelfde afbakening gebruikt, waarmee de vergelijkende analyse goed uitgevoerd kan worden. Maar deze grenzen hoeven niet altijd in lijn te zijn met wat door inwoners als logische grenzen gezien wordt, of wat logisch is om als grens te hanteren voor een mogelijke vervolgstap zoals een isolatie-actie binnen een gebied. Deze CBS-grenzen zijn dan ook niet leidend geweest in het bepalen van acties voor het vervolg na deze TVW voor de verschillende wijken en dorpen in onze gemeente.

Energiearmoede

10% van de huishoudens in Nederland heeft een te hoge energierekening ten opzichte van hun inkomen. Zij hebben moeite met het betalen van de energierekening.

Geothermie

Warmte afkomstig uit de aarde (aardwarmte) die ingezet kan worden als bron voor warmtenetten.

Hernieuwbaar gas

Gas dat afkomstig is uit een hernieuwbare bron en/of is geproduceerd met duurzame energie, zoals biogas en groene waterstof.

Hoge temperatuur verwarming

Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met 70°C of hoger wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater.

Hybride warmteoplossing

Warmtelevering met elektrische oplossing, vaak een warmtepomp, in combinatie met een HR-ketel op gas

Lage temperatuur verwarming

Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een temperatuur van 55°C of lager verwarmd wordt. Tapwater wordt separaat verwarmd.

Laagste maatschappelijke kosten

De laagste totale kosten voor de gehele keten en al haar gebruikers, dus kosten voor aanpassingen aan gebouwen, kosten voor de infrastructuur en kosten voor de bron en levering van warmte. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, dus inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van

22

30 jaar. De kosten per vermeden ton CO2 zijn naast deze maatschappelijke kosten tevens afhankelijk van de kosten voor verduurzaming van bronnen. Lokale bronnetten

Lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet in combinatie met een warmtepomp in het gebouw. Een bekende vorm is de WarmteKoudeopslag (WKO).

Middentemperatuur verwarming

Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een temperatuur van 55 °C tot 70 °C wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater.

Onderzoeksbeeld

Het onderzoeksbeeld geeft weer welke warmteoptie in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft. Aan het onderzoeksbeeld liggen verschillende modelstudies ten grondslag.

Omgevingswet

De Omgevingswet gaat op 1 juli 2022 in werking en staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Ook biedt de Omgevingswet gemeenten de mogelijkheid om met overzichtelijkere regels de leefomgeving meer in samenhang in te richten. Het biedt daarnaast meer ruimte voor lokaal maatwerk en leidt tot een betere en snellere besluitvorming.

Opt-out

Het verschijnsel waarbij eigenaren niet kiezen voor de overwogen warmteoptie in de buurt. Term is afkomstig uit de Wet collectieve Warmtevoorziening

Transitiekaart

De transitiekaart is een visuele weergave van de uitkomsten in de TVW. In deze kaart is voor elke wijk/dorp een oplossingsrichting richting aardgasvrij opgenomen.

Regionale Energiestrategie (RES)

In de RES onderzoeken 30 Nederlandse energieregio’s hun vraag naar warmte en elektriciteit en geven ze aan hoeveel duurzame warmte en elektriciteit op eigen grondgebied kan worden gerealiseerd.

Restwarmte

Warmte die vrijkomt bij industriële processen en gebruikt wordt als bron voor warmtenetten.

Transitievisie Warmte (TVW)

Document op gemeenteniveau waarin het tijdpad wordt bepaald waarin buurten aardgasvrij worden en met welke warmteoptie.

Transitiepad

In een transitiepad schetsen we per wijk de route om tot een warmteoptie te komen. Die route bevat zowel een fasering als tussenstappen. Het transitiepad beschrijft ook wat voor soort aanpak erbij hoort, zoals een wijkgerichte aanpak of een doelgroepgerichte aanpak.

Warmtenet

Infrastructuur die warm water via een leidingnetwerk onder de grond levert aan gebouwen voor ruimteverwarming en eventueel warm tapwater. Dit wordt ook wel stadsverwarming of stadswarmte genoemd. Warmtenetten kunnen verschillende aanvoertemperaturen hebben (zie lage, midden en hoge temperatuur verwarming).

Warmteoptie

De beoogde infrastructuur voor warmtelevering zonder aardgas per buurt

Warmtepomp

Een warmtepomp onttrekt warmte aan een bron, vaak buitenlucht of grondwater, verhoogt de temperatuur met behulp van een elektrische pomp en staat die hogere temperatuur weer af aan een ruimte.

Werkgroep

De gemeente Hulst heeft met een werkgroep bestaande uit verschillende in de gemeente actieve stakeholders samengewerkt om te komen tot deze TVW.

23

Wet Collectieve Warmtevoorziening (WCW)

Gemeenten krijgen meer sturingsmogelijkheden om in het kader van de wijkgerichte aanpak de aanleg en exploitatie van de collectieve warmtesystemen te bevorderen en worden tevens voorzien in instrumenten om publieke belangen beter te waarborgen. Collectieve warmtelevering kan uitsluitend plaatsvinden nadat een gemeente hiervoor voorzien heeft middels een aanwijzing of ontheffing.

Woningequivalent (WEQ)

Een woningequivalent is een inschatting van de hoeveelheid warmteenergie die nodig is om een gemiddelde Nederlandse woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien.

24

Bijlage D Overzicht financieringsinstrumenten In deze bijlage volgt een overzicht van subsidies en leningen die vanuit het Rijk en de provincie beschikbaar zijn gesteld, of nog steeds beschikbaar zijn. Daarna volgt een overzicht van de regelingen die op dit moment door de individuele Zeeuwse gemeenten worden getroffen. Subsidies •

BZK-proeftuinen aardgasvrij: het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) heeft een subsidieregeling voor aardgasvrije proeftuinen om in de eerste aardgasvrije wijken de onrendabele top (verschil maatschappelijke kosten ten opzichte van aardgas) te verkleinen en lessen voor de uitvoering op te doen. Er zijn begin 2021 twee rondes geweest, waarin 48 wijken subsidie hebben gekregen. Er komt in 2021 / 2022 nog een derde ronde, waarschijnlijk met focus op isolatie en hybride oplossingen.

•

Subsidies van o.a. de provincie en Europa kunnen ondersteuning bieden in de vorm van procesgeld of projectgeld. Voorbeelden zijn Subsidie warmtetransitie gebouwde omgeving op wijkniveau2 en ELENA. Op regionaal niveau worden kansen verkend en inschrijvingen gecoördineerd.

•

Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE): Particuliere huishoudens en zakelijke gebruikers (waaronder VvE’s) die zelf duurzame energie willen opwekken kunnen subsidie aanvragen. Het mag gebruikt worden voor zonneboilers, warmtepompen, biomassaketels en pellet kachels. De subsidie is afhankelijk van de gekozen maatregel.

•

Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH): Woningeigenaren kunnen een subsidie aanvragen bij RVO wanneer zij minimaal twee energiebesparende isolatiemaatregelen laten uitvoeren aan de woning.

•

Regeling Reductie Energiegebruik (RRE): Met de RRE zet de gemeente projecten op om huiseigenaren te stimuleren tot kleine energiebesparende maatregelen in huis. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het inregelen van de cv-installatie, het aanbrengen van radiatorfolie en tochtstrips of het plaatsen van led-lampen. Daarnaast gebruikt de gemeente de regeling om advies te geven aan huiseigenaren over energiebesparende maatregelen, zoals dak-, raam- of gevelisolatie.

•

Voor VvE’s is er subsidie beschikbaar voor een energieadvies en eventueel procesbegeleiding en een energieadvies in combinatie met Meer Jaren Onderhoudsplan en eventueel procesbegeleiding.

•

De Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) is bedoeld voor het aansluiting van huurwoningen op een extern warmtenet. De subsidie is zowel voor aanpassingen in de woningen als voor de aansluitkosten op het warmtenet.

•

SDE++-regeling voor collectieve installaties en exploitatie warmtebron voor collectieve installaties, waaronder Thermisch Energie uit Oppervlaktewater en Afvalwater (TEO en TEA)

Leningen •

Warmtefonds: biedt energiebespaarleningen tegen lage rent voor particuliere woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) voor de verduurzaming van woningen. De lening is aan te vragen via www.energiebespaarlening.nl

•

Hypothecaire leningen: deze zijn rendabel vanaf €15.000,- vanwege de bijbehorende administratie- en advieskosten. Bij het kopen van een nieuwe woning, kan bovendien tot €9.000,- extra gefinancierd worden voor verduurzamingsmaatregelen.

•

Overige duurzaamheidsleningen: verschillende Nederlandse banken bieden duurzaamheidsleningen aan.

Provinciale regelingen: •

25

RRE-subsidieregeling Zeeland. Verlengd tot eind 2021: voucher €90 voor alle Zeeuwse gemeenten.

•

Energiebespaarlening Zeeland: stimuleert energieaanpak van woningen door een korting op de rente te geven van de energiebespaarlening van het Warmtefonds www.energiebespaarlening.nl/zeeland

Overig •

Collectieve inkoop acties (o.a. via het Duurzaam Bouwloket) zorgen voor lagere investeringskosten per maatregel, zoals isolatie en zonnepanelen.

•

Salderingsregeling voor zonnepanelen: De salderingsregeling blijft tot 1 januari 2023 zoals hij nu is. Daarna bouwt de overheid de regeling geleidelijk af. In 2031 stopt hij helemaal.

Borsele Dorpsvernieuwing 2.0 (DVN2.0) voorziet in de stimulering van het opknappen en het behoud van woningen en andere gebouwen in de gemeente. Het project bestaat uit drie subsidieregelingen (waarvan één relevant): -

Woningvoorraad: Particuliere woningeigenaren kunnen subsidie aanvragen voor het verbeteren van hun woning. Het moet hierbij gaan om het meer levensloopbestendig maken van de woning, het verbeteren van de duurzame woningkwaliteit en/of het verbeteren van de bouwtechnische staat van de woning. (Subsidieplafond is bereikt)

-

Regeling Particuliere Woningverbetering Borsele 1 en 2: Met de RPW-B1 en RPW-B2 worden inwoners op weg geholpen om in hun eigen woning te investeren op het gebied van energiebesparing, cascoverbetering en levensloopbestendigheid. Het gaat om een stimuleringslening waar weinig rente voor wordt betaald.

-

Afhankelijk van het bouwjaar van de woning kan de lening op één of meerdere thema’s (energiebesparing, cascoverbetering en levensloopbestendigheid) worden ingezet

Goes -

Lening duurzaam en langer thuis: Met de lening Duurzaam en Langer Thuis, kunt u een lening afsluiten voor het verbouwen, en daarmee verduurzamen of levensloopbestendig maken van uw woning, óf allebei.

-

Subsidie duurzaam bouwen op bedrijventerrein Goes 2012. Aan de eigenaar van een perceel op bedrijventerrein De Poel II kan subsidie worden toegekend ter tegemoetkoming in de kosten van het duurzaam bouwen van een nieuw bedrijfspand.

-

Subsidie passief bouwen: Aan te vragen voor nieuwbouw om een ultra-energiezuinige woning te bouwen.

Middelburg -

Subsidieverordening voor Nul-op-de-Meter en Nul-op-de-meter-Ready renovatieconcepten voor woningen van particulieren in de gemeente Middelburg.

Hulst -

Verwijzing naar DuurzaamBouwloket.nl:

Kapelle -

26

Verwijzing naar DuurzaamBouwloket.nl:

Reimerswaal -

Lening voor duurzame particulieren woningverbetering. Onder andere toepasbaar voor het energetisch verbeteren van de woning.

Terneuzen -

Stimuleringslening Duurzame Particuliere Woningverbetering gemeente Terneuzen (DWP-2).

Schouwen-Duiveland -

Subsidie voor isolatie. Wilt u uw dak, de gevel of de vloer van uw woning laten isoleren of hr++ glas laten zetten? U kunt in aanmerking komen voor subsidiegeld, als uw huis aan een aantal voorwaarden voldoet. U kunt eenmalig 30 % van de gemaakte kosten van ons vergoed krijgen met een maximum van € 1.500 per woning. Over het jaar 2021 is door de gemeente in totaal € 100.000 beschikbaar gesteld aan subsidies voor isolatiemaatregelen.

Sluis -

Opzetten van een stimuleringslening Duurzaam en Langer Thuis. Met de lening Duurzaam en Langer Thuis, kunt u een lening afsluiten voor het verbouwen, en daarmee verduurzamen of levensloopbestendig maken van uw woning, óf allebei.

Tholen -

Stimuleringslening Duurzaam en Langer Thuis. Met de lening Duurzaam en Langer Thuis, kunt u een lening afsluiten voor het verbouwen, en daarmee verduurzamen of levensloopbestendig maken van uw woning, óf allebei.

Veere -

Verordening Stimuleringslening Woningverbetering gemeente Veere 2017. Lening voor particuliere woningeigenaren die energiebesparende, duurzame en/of levensloopbestendige aanpassingen willen doen. Tussen de €3.000 en €15.000 met 1% rente.

Vlissingen -

27

Tip voor woningcorporaties: Verhuurders en huurders kunnen onderling een energieprestatievergoeding (EPV) afspreken. Hiermee kunnen verhuurders een vergoeding van huurders vragen voor (bijna) Nul op de Meter-woningen. Ze krijgen dan een deel van hun investeringen terug die ze hebben gedaan om van sociale huurwoningen Nul op de Meter-woningen te maken.

Bijlage E Handelingsperspectief inwoners Voor de verschillende wijken en dorpen in onze gemeente hebben we een transitiepad uitgestippeld waarin staat welke stappen op welke manier gezet kunnen worden naar een toekomst zonder aardgas. Een transitiepad zegt iets over hoe kansrijk een alternatief voor aardgas is voor een buurt, en hoe we dat alternatief in die buurt stap voor stap realiseren. Dit zijn de verschillende transitiepaden: •

Hybride warmtepompen en lokale, gasvrije technieken

•

Besparen en warmtetechniek later overwegen

•

Elektrische warmtepompen

•

Warmtenet

In deze bijlage leest u wat de transitiepaden en aandachtsgebied betekenen, hoe u kunt bijdragen hieraan en wanneer we van start willen gaan met de transitie per transitiepad.

Hybride warmtepompen en lokale, gasvrije opties Wat? In alle buurten gaan we stapsgewijs woningen isoleren, beter ventileren, kieren dichten en overstappen naar elektrisch koken. Hierdoor bespaart u energie, CO2-uitstoot en op de energierekening. Ook wordt de woning meer geschikt voor duurzame warmtetechnieken als deze beter is geïsoleerd en geventileerd. Woningen van na 2005 zijn vaak al voldoende geïsoleerd. In sommige buurten stappen we over naar hybride warmtepompen en lokale, gasvrije technieken. Hybride warmtepompen gebruiken lucht en elektriciteit om te verwarmen. Daarnaast gebruiken ze alleen nog aardgas voor verwarming op koude dagen en voor warm water. Hybride warmtepompen zijn relatief betaalbaar en ook al geschikt voor woningen die nog minder goed geïsoleerd zijn. Sommige woningen en gebouwen in deze buurt zijn relatief nieuw en kunnen al direct overstappen op een volledig gasvrije techniek, zoals een elektrische warmtepomp. Hoe? Gebouweigenaren bepalen zelf of en hoe ze gaan isoleren en overstappen naar duurzame warmtetechnieken. Er zijn momenteel verschillende hulpmiddelen en subsidies waar gebouweigenaren gebruik van kunnen maken. Om de klimaatdoelstellingen te halen is het wel nodig dat we versnellen met isoleren en overstappen naar duurzame warmtetechnieken.

Daarom gaat de gemeente de komende tijd onderzoeken hoe zij gebouweigenaren beter kan helpen, bijvoorbeeld met informatie en subsidies. Wanneer? In deze buurt hanteren we een stapsgewijze aanpak. Dat betekent dat we zoveel mogelijk willen aansluiten op logische momenten voor het nemen van maatregelen, zoals vervanging van de Cv-ketel, verbouwing of verhuizing. Er is daarom in de buurt met dit transitiepad nog geen einddatum voor het leveren van aardgas. Wel kan het in de toekomst zo zijn dat de overheid besluit dat er alsnog een einddatum voor aardgas komt, wanneer er bijvoorbeeld te weinig gebouwen zijn die nog gas nodig hebben.

Besparen en warmteoptie later herijken Wat? In de buurt met dit transitiepad is er nog geen duidelijke keuze te maken voor de optimale, duurzame warmtetechniek. Daarom ligt de nadruk in deze buurt op energie besparen. We gaan stapsgewijs woningen isoleren, beter ventileren, kieren dichten en overstappen naar elektrisch koken. Hierdoor bespaart u energie,

28

CO2-uitstoot en op de energierekening. De gemeente moet eens in de vijf jaar de plannen voor duurzame verwarming opnieuw beoordelen. Dan bekijkt ze of er wel een duidelijke keuze gemaakt kan worden voor een duurzame warmtetechniek. Hoe? Gebouweigenaren bepalen zelf of en hoe ze gaan isoleren en overstappen naar duurzame warmtetechnieken. Er zijn momenteel verschillende hulpmiddelen en subsidies waar gebouweigenaren gebruik van kunnen maken. Om de klimaatdoelstellingen te halen is het wel nodig dat we versnellen met isoleren en overstappen naar duurzame warmtetechnieken. Daarom gaat de gemeente de komende tijd onderzoeken hoe zij gebouweigenaren beter kan helpen, bijvoorbeeld met informatie en subsidies. Wanneer? In deze buurt hanteren we een stapsgewijze aanpak. Dat betekent dat we zoveel mogelijk willen aansluiten op logische momenten voor het nemen van maatregelen, zoals vervanging van de Cv-ketel, verbouwing of verhuizing. Er is daarom in de buurt nog geen einddatum voor het leveren van aardgas. Wel kan het in de toekomst zo zijn dat de overheid besluit dat er alsnog een einddatum voor aardgas komt, wanneer er bijvoorbeeld te weinig gebouwen zijn die nog gas nodig hebben.

Elektrische warmtepompen Wat? In de buurt met dit transitiepad stappen we over naar elektrische warmtepompen. Elektrische warmtepompen gebruiken elektriciteit en buitenlucht of bodemwarmte om te verwarmen. De woning heeft dan geen aansluiting meer op het gasnet. Om te kunnen verwarmen met een elektrische warmtepomp moet het afgiftesysteem geschikt worden gemaakt, bijvoorbeeld lage temperatuurradiatoren of vloerverwarming. Ook moet de woning goed geïsoleerd en goed te ventileren zijn. Hoe? Gebouweigenaren bepalen zelf of en hoe ze gaan isoleren en overstappen naar duurzame warmtetechnieken. Er zijn momenteel verschillende hulpmiddelen en subsidies waar gebouweigenaren gebruik van kunnen maken. Om de klimaatdoelstellingen te halen is het wel nodig dat we versnellen met isoleren en overstappen naar duurzame warmtetechnieken. Daarom gaat de gemeente de komende tijd onderzoeken hoe zij gebouweigenaren beter kan helpen, bijvoorbeeld met informatie en subsidies. Wanneer? In deze buurt hanteren we een stapsgewijze aanpak. Dat betekent dat we zoveel mogelijk willen aansluiten op logische momenten voor het nemen van maatregelen, zoals vervanging van de Cv-ketel, verbouwing of verhuizing. Er is daarom in deze buurt nog geen einddatum voor het leveren van aardgas.

Wel kan het in de toekomst zo zijn dat de overheid besluit dat er alsnog een einddatum voor aardgas komt, wanneer er bijvoorbeeld te weinig gebouwen zijn die nog gas nodig hebben.

Warmtenet Wat? In de buurt met dit transitiepad stappen we over naar een warmtenet. Een warmtenet bestaat uit buisleidingen onder de grond die warm water van een centrale bron naar gebouwen transporteren. In het gebouw of de woning is dan alleen nog een afleverset aanwezig in plaats van de Cv-ketel. Een afleverset is een geïsoleerd koffertje met leidingwerk erin. Ook moet de woning goed geïsoleerd en goed te ventileren zijn. Hoe? Bij een warmtenet is het belangrijk dat er in korte tijd veel gebouweigenaren aansluiten op het warmtenet. Daarom zijn woningcorporaties en andere grote gebouweigenaren vaak de eerste eigenaren die aansluiten op een warmtenet. Zij werken samen met de gemeente en een warmtebedrijf om de aansluitkosten zo laag mogelijk te houden. Hoe lager de aansluitkosten zijn, hoe aantrekkelijker het voor u als gebouweigenaar wordt om ook aan te sluiten op het warmtenet.

29

Gebouweigenaren bepalen zelf of en hoe ze gaan isoleren. Er zijn momenteel verschillende hulpmiddelen en subsidies waar gebouweigenaren gebruik van kunnen maken. Om de klimaatdoelstellingen te halen is het wel nodig dat we versnellen met isoleren en overstappen naar duurzame warmtetechnieken. Daarom gaat de gemeente de komende tijd onderzoeken hoe zij gebouweigenaren beter kan helpen, bijvoorbeeld met informatie en subsidies. Ook bepaalt u als gebouweigenaar zelf of u aansluit op een warmtenet. De gemeente kan u niet verplichten. Wel werkt de landelijke overheid aan een nieuwe wet die dit in de toekomst misschien mogelijk maakt. Of en wanneer deze wet er komt, en wat dat voor u betekent als gebouweigenaar, is helaas nog onduidelijk. De gemeente volgt de ontwikkelingen op de voet en informeert gebouweigenaren zodra dit relevant is. Wanneer? In een warmtenetbuurt volgen we een wijkaanpak. Dat betekent dat werkzaamheden op elkaar worden afgestemd en dat de buurt in een periode van enkele jaren de overstap maakt naar het warmtenet. Voor grote delen van de wijk kan dit betekenen dat er een einddatum komt voor het aardgas. Momenteel kan de gemeente zo’n einddatum nog niet bepalen omdat de komst van het warmtenet nog onzeker is en omdat de gemeente nog geen bevoegdheid heeft om een einddatum voor aardgas te bepalen.

De komende tijd gaat de gemeente met potentiële warmtebedrijven en gebouweigenaren onderzoeken hoe en wanneer we de overstap naar een warmtenet kunnen maken.

Aandachtsgebieden Gebouwen met vergelijkbare eigenschappen zoals het bouwjaar kennen vaak een vergelijkbare warmteoplossing. Als deze gebouwen geclusterd zijn binnen een gebied, biedt een gebiedsgerichte aanpak uitkomst. De aandachtsgebieden in de transitiekaart laten deze clustering zien. In bijvoorbeeld een all-electric aandachtsgebied staan woningen geclusterd waar een collectieve inkoopactie voor warmtepompen opgezet kan worden. Gezien de homogeniteit in bouwjaren van na 1990 is hier namelijk al voldoende isolatie aanwezig om deze stap te zetten. Elektrische warmtepompen Binnen deze buurten is een deel van de gebouwen jonger dan de rest. Deze gebouwen zijn al beter geïsoleerd en zijn dus relatief eenvoudig te verduurzamen met elektrische warmtepompen. Gebouweigenaren bepalen zelf of en hoe ze overstappen naar elektrische warmtepompen. Er zijn momenteel verschillende hulpmiddelen en subsidies waar gebouweigenaren gebruik van kunnen maken. Bedrijventerreinen Deze buurt bestaat voor het grootste deel uit bedrijfsbebouwing, zoals kantoren, industrie of winkels. Bedrijfsgebouwen zijn bijzonder omdat ze een andere warmtevraag hebben dan woningen. Welke warmtetechnieken in deze buurt optimaal zijn is daarom maatwerk waarbij de gemeente in overleg met de bedrijven bepaalt welke technieken logisch zijn voor dit terrein en wanneer de overstap plaatsvindt.

Meestal zal dat een combinatie zijn van elektrische warmtepompen en warmte-koudesystemen. Recreatieterrein In deze buurt is veel recreatievastgoed. Kenmerk van deze woningen is dat zij vaak erg compact zijn en meer gebruikt worden in de lente en zomer – dus buiten het stookseizoen. Daarom is bijvoorbeeld infrarood een mooie en betaalbare oplossing, aangevuld met een (zonne)boiler voor warm tapwater. Die overstap kan het beste gecombineerd worden met een onderhouds- of renovatiemoment van de recreatiewoning. Glastuinbouw In deze buurt is glastuinbouw aanwezig. Afhankelijk van de teelt hebben kassen een grote vraag naar warmte, licht en/of CO2. Daarvoor gebruiken tuinders vaak een warmtekrachtkoppeling, een soort kleine energiecentrale. Hoe deze verduurzaamd worden is maatwerk per glastuinbouwgebied.

30

Gebiedsontwikkeling In deze buurt worden nieuwe woningen gebouwd, nu of in de toekomst. Nieuwe woningen worden altijd gebouwd zonder aansluiting op het gasnet, en hebben dus bij de bouw al een duurzame warmtetechniek. In de praktijk zijn dat bijna altijd elektrische warmtepompen. Oude kern In deze buurt is een oude kern aanwezig, met veel zeer oude bebouwing en monumenten. Kenmerk van deze gebouwen is dat zij moeilijk te verduurzamen zijn omdat er technisch niet veel mogelijk is. Er is bijvoorbeeld vaak geen spouwmuur of de binneninstallatie is verouderd. In deze buurten zal de overstap naar duurzame verwarming langer duren. Reeds aardgasvrij Een deel van deze buurt is al aardgasvrij. Bijvoorbeeld omdat de woningen zijn aangesloten op een warmtenet of omdat zij elektrische warmtepompen gebruiken. Als de bron van het warmtenet nog aardgas gebruikt, zal die bron op termijn worden verduurzaamd.

31

4.3

Achtergrondrapport Transitievisie Warmte 2021 Zeeland Zeeuwse gemeenten

Bijlage F: Achtergrondrapport Zeeuwse transitiepaden naar aardgasvrije verwarming

34

Beperken van de warmtevraag

34

Alle gebouwen stapsgewijs transitiegereed

36

Warmteopties

36

Energiedragers en -bronnen

38

Duurzaamheid van de warmteopties

43

Modelanalyses

45

Methodologie

45

Resultaat modelanalyses

46

Doorrekening warmteoptiemix en energiemix 2050

47

Kengetallenoverzicht

50

33

1 Zeeuwse transitiepaden naar aardgasvrije verwarming

Bouwjaar

Dit hoofdstuk behandelt de technische achtergrond bij de Zeeuwse transitiepaden naar aardgasvrije verwarming aan de hand van warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid.

Mediane

Gasverbruik

Warmtevraag

Aantal

woning-

temp.

ruimte-

woningen2

oppervlakte3

gecorrigeerd4

verwarming

m2 go/woning

m3/woning/jaar

kWh/m2/jaar

=< 1945

39.322

110

1.620

102

1946 - 1964

28.681

93

1.200

86

1965 - 1974

34.669

106

1.410

90

Ruimteverwarming Bij de woningvoorraad gebouwd voor omstreeks 2005 is het nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor lagere temperaturen in het afgiftesysteem, en anderzijds om schaarse bronnen efficiënter te benutten en dus ook meer woningen per bron mogelijk te maken.

1975 - 1991

40.165

112

1.260

73

1992 - 1999

17.047

124

1.160

57

2000 - 2005

9.175

145

990

36

2006 - 2012

10.220

117

930

45

De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting, ventilatiesysteem en het afgiftesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting, hoe efficiënter het ventilatiesysteem en hoe hoger het afgiftevolume, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. Het geschikt maken van woningen voor lagere temperaturen is een combinatie van deze maatregelen, waarbij aanpassingen in de schil en het afgiftesysteem het meest bepalend zijn voor de warmtevraag.

>= 2013

8.138

111

860

43

109

1.320

80

Beperken van de warmtevraag

Gemiddeld

Tabel 1: Woningen in Zeeland, per bouwjaarklasse, naar gebruiksvloeroppervlakte, gasverbruik en warmtevraag

De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier warmtevraagniveaus: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ongeveer 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. Dit zijn de meeste woningen van voor 1992 die nog niet zijn nageïsoleerd.

De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In Tabel 1 staat de gemiddelde warmtevraag voor woningen in Zeeland. Hieruit kunnen wij afleiden dat de warmtevraag afneemt naarmate het bouwjaar recenter is, en dat de mediane Zeeuwse woning 109 m2 gebruiksvloeroppervlakte heeft en een gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van 80 kWh/m2.

2

Kadaster (2020), Basisregistratie Adressen en Gebouwen CBS (2021), Voorraad woningen; gemiddeld oppervlak; woningtype, bouwjaarklasse, regio. URL: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82550NED/table?fromstatweb 3

2. Woningen die 70°C-gereed zijn (lager dan 80 kWh/m2). Dit gaat om naoorlogse woningen die reeds een aantal aanpassingen in de schil hebben gekregen of dit niveau al hadden bij de bouw. Deze woningen kunnen bij dit niveau al afdoende comfortabel worden verwarmd met 70°C (middentemperatuur) op de koudste dagen, mits er voldoende afgiftevolume aanwezig is. Daarnaast is het

4

CBS (2019), Gemiddelde energielevering aardgaswoningen. Gecorrigeerd voor grootteklasse. URL: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2020/33/gemiddelde-energieleveringaardgaswoningen-2019-

34

afhankelijk van specifieke omstandigheden of de woning daadwerkelijk geschikt is voor verwarming met 70°C, zoals welke bouwdelen al zijn aangepakt en of de bewoners de ruimtes gebruiken die met deze temperatuur nog niet comfortabel warm wordt. 3. Woningen die transitiegereed zijn (lager dan 65 kWh/m2). Bij dit niveau is er maximaal nageïsoleerd in de bestaande schil. Naoorlogse woningen kunnen op dit niveau zowel comfortabel worden verwarmd met 70°C als met maximaal 55°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur moeten wel aanvullend radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Vooroorlogse woningen die dit niveau bereiken zijn geschikt voor 70°C. Dat komt omdat isolatie van de gevel bij vooroorlogse woningen technisch of economisch gezien vaak niet haalbaar blijkt. Dit niveau sluit aan bij de landelijke Standaard en Streefwaarden, zoals genoemd in het Klimaatakkoord5. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (lager dan 50 kWh/m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met laagtemperatuur. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren (BENG).

Bij bestaande bouw van na 2005 moeten soms wel nog radiatoren of cv-leidingen worden vervangen. Bovenstaande niveaus gelden voor woningen, maar ook voor utiliteitsbouw gaan we ervan uit dat zij maximaal isoleren binnen de bestaande schil. De warmtevraag die dan overblijft is sterk afhankelijk van de gebruiksfuncties van de utiliteitsbouw, naast het feit dat het warmtevraagprofiel van utiliteitsbouw sowieso anders is dan bij woningen. Warm tapwater Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Om deze

5

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2021), Standaard en Streefwaarden: uitkomst traject begeleidingscommissie.

temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in de praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Mogelijk gaat de regelgeving wijzigen waarbij de minimale temperatuur aan het tappunt daalt van 55°C naar 40°C. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 45-50°C kunnen leveren. We gaan uit van een huishoudelijke warm tapwatervraag van 20 kWh/m2 per jaar, en deze blijft ook constant over de tijd. Voor utiliteitsbouw is de warm tapwatervraag gering, ca. 3 kWh/m2 (bruto vloeroppervlak). Overig gebruik Naast ruimteverwarming en tapwater gebruiken gebouwen nog energie voor apparaten en licht, koken en koeling. Hier zien we ook een sterk verschil tussen woningen en utiliteitsbouw. Utiliteitsbouw heeft per vierkante meter een veel grotere elektriciteitsvraag voor apparaten, licht en koeling dan woningen. Voor apparaten en licht gaan we uit van een constante. Enerzijds neemt het gebruik van elektrische apparaten toe, anderzijds worden zij steeds efficiënter. Deze effecten heffen elkaar op6.

Voor koken gaan we ervan uit dat alle huishoudens op den duur overstappen naar inductiekoken, om zo het aantal gasaansluitingen en de totale gasvraag zo ver mogelijk terug te dringen. Tot slot valt ook koeling onder het overig verbruik. Hier zien we een toenemende elektriciteitsvraag als gevolg van met name huishoudens die behoefte krijgen aan koeling op warme dagen en gebruik gaan maken van compressiekoelmachines. Deze vraag zal toenemen naarmate woningen beter geïsoleerd zijn en als het aantal warme dagen blijft toenemen. Koeling en de bijbehorende energieconcepten voor huishoudens zijn een ontwikkelende vraag in het vakgebied, en de precieze toekomstige koudevraag laat zich momenteel dan ook lastig voorspellen. Onze aannames en kengetallen voor huishoudelijke koeling nemen wij over van

6

PBL (2014): https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2014-op-weg-naar-eenklimaatneutrale-woningvoorraad-in-2050-achtergrond_1333_1.pdf

35

de TKI Urban Energy7. Voor utiliteitsbouw geldt dat de koudevraag al hoog is en ook hoog zal blijven. Dat komt omdat koele werkplekken nu al de norm zijn.

1.2 Alle gebouwen stapsgewijs transitiegereed Het is belangrijk dat zoveel mogelijk bestaande woningen en gebouwen in Zeeland aan het einde van de transitie transitiegereed zijn. Bij dit niveau ligt namelijk een technisch en economisch optimum waarbij we voorbereid zijn op bijna alle duurzame verwarmingstechnieken zonder dat we hoeven te investeren in een nieuwe schil. Om hier te komen is het van belang dat we stapsgewijs alle onderdelen aanpakken en maximaal ingrijpen binnen de bestaande schil. Het warmtevraagniveau is de optelsom van de vier schildelen vloer, gevel, raam en dak, plus de binneninstallatie bestaande uit ventilatie, afgiftesysteem en elektrisch koken. Als een gebouweigenaar een van de schildelen aanpakt is het van belang dat dit onderdeel gereed is voor aardgasvrije verwarming. Daarom gaan we ervan uit dat een isolerende ingreep altijd een maximale ingreep is binnen de bestaande schil. Daarmee voorkomen we dat dak, vloer of gevel in meerdere stappen worden aangepakt. Dat is kosteninefficiënt en de tijd die we hebben voor de transitie is beperkt. En omdat de tijd die we hebben beperkt is, zal het ook niet altijd lukken om alle maatregelen te combineren met natuurlijke onderhoudsmomenten. Desalniettemin moeten we daar wel naar streven om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.

1.3 Warmteopties In deze paragraaf bespreken we de verschillende warmteopties. Warmteopties zijn combinaties van gebouwgebonden en infrastructurele maatregelen die leiden tot een duurzaam verwarmde buurt. Eerst bespreken we de vier warmteopties die we onderscheiden, vervolgens bekijken we hoe die zich verhouden tot de Zeeuwse transitiepaden naar een aardgasvrije gebouwde omgeving.

7

TKI Urban Energy (2021), Koudevraag in Nederland en Europa. URL: https://www.topsectorenergie.nl/tki-urban-energy/kennisdossiers/factsheetskoudetechnieken/koudevraag-in-Nederland

1.3.1 All-electric All-electric betekent dat er in principe alleen een elektriciteitsnet in de wijk nodig is en dat een woning, mits transitiegereed, verwarmd wordt met een warmtepomp of infraroodpanelen. Het voordeel van deze techniek is dat alle woningen en gebouwen al aangesloten zijn op het elektriciteitsnetwerk. Iedere vastgoedeigenaar kan dus de keuze maken om over te stappen naar all-electric en is daarbij niet afhankelijk van wat andere gebouweigenaren in de buurt doen. De keerzijde hiervan is echter dat de capaciteit op het elektriciteitsnet ontoereikend is als alle gebouweigenaren hiertoe zouden besluiten. Hoewel het elektriciteitsnet bijna overal verzwaard zal moeten worden als gevolg van elektrisch koken, elektrisch rijden en zonnepanelen op daken, zal er bij all-electricverwarming een extra verzwaring moeten plaatsvinden. Niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en mogelijk zelfs internationaal niveau. Dat komt doordat de gebouwde omgeving verantwoordelijk is voor veruit de grootste piekbelasting van het elektriciteitsnet die op alle spanningsniveaus zorgt voor grotere knelpunten die bovendien ook eerder aan de orde zullen zijn dan wanneer we elektrificatie van de verwarming voorkomen8. All-electric leent zich voor een stapsgewijze overstap, op het tempo van gebouweigenaren.

Op deze manier kunnen gebouweigenaren gaandeweg profiteren van innovaties die nog verwacht worden binnen all-electric. Het gaat dan met name om warmtepompen die steeds efficiënter worden en energieopslag in de woning, wat netverzwaring deels kan voorkomen. Ook zijn dit overwegend nieuwe buurten, waar gasleidingen, gasketels en kapitaalgoederen in de openbare ruimte nog niet zijn afgeschreven. Door de volledige transitieperiode te benutten voorkomen we zoveel mogelijk desinvesteringen. Bij all-electric is er een grote variatie aan technieken in de woning. Er zijn verschillende typen warmtepompen en er worden nog steeds nieuwe typen ontwikkeld. Een luchtwarmtepomp gebruikt als bron buitenlucht. Een waterwarmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie of zonneenergie (zonthermie). Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een

8

CE Delft (2020), Systeemstudie Energie-infrastructuur Zeeland.

36

buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er ruimte zijn voor een bodemlus, en voor zonthermie moet er ruimte zijn voor thermische zonnepanelen. Bij meergezinswoningen is er een bronnet in het gebouw nodig om de individuele warmtepompen in de woningen te verbinden met de bodemlussen of de thermische zonnepanelen. Naast warmtepompen is er infrarood. Infrarood is geschikt als bijverwarming of om kleine ruimtes te verwarmen. Als volwaardig alternatief voor verwarming met aardgas in de bestaande bouw is infrarood minder geschikt vanwege de grote elektriciteitsvraag en de zeer grote capaciteit die het vraagt van het elektriciteitsnet. Infrarood zal desondanks als maatwerkoplossing een plek hebben in onze toekomstige energiesysteem. Tot slot is biomassa een aparte categorie. Woningen kunnen verwarmd worden met een kachel of ketel op houtige biomassa, zoals pellets. Ook dan is er enkel een elektriciteitsaansluiting nodig in de woning. Biomassaverwarming heeft als voordeel dat het ook minder goed geïsoleerde huizen kan verwarmen. Deze optie is alleen duurzaam als de houtpellets een duurzame oorsprong hebben en als de houtverbranding niet leidt tot onaanvaardbare aantasting van de luchtkwaliteit. In de bebouwde kom is deze optie dan ook niet wenselijk.

In het landelijk gebied kan het wel een duurzame optie zijn, bijvoorbeeld voor woningen die nooit zijn aangesloten op het gasnet en als het hout van eigen land komt. 1.3.2 Warmtenet Een warmtenet is een infrastructuur die warmte van een centrale bron en opwekker transporteert naar en levert aan gebouwen. Er is daarom sprake van een collectieve warmtevoorziening. Om in een buurt een warmtenet te realiseren is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van gebouwen nodig. De minimale schaal die nodig is, hangt sterk samen met de beoogde warmtebron. In de praktijk is het organiseren van de warmtevraag ingewikkeld omdat je te maken hebt met veel verschillende partijen die samen een warmtenet moeten realiseren. Daarom zijn warmtenetten het meest kansrijk in buurten waar een grote warmtevrager als “startmotor” kan fungeren, zoals een woningcorporatie. Ook is de geleverde temperatuur van belang: hoe hoger de temperatuur van een warmtenet hoe eerder je in een buurt kunt starten omdat woningen dan nog niet transitiegereed hoeven te zijn.

De warmtebron van een warmtenet bepaalt de geleverde temperatuur. Bronnen zoals aardgas en restwarmte kunnen hoge temperaturen leveren. Geothermie levert middentemperatuur, en omgevingswarmtebronnen zoals aquathermie leveren laagtemperatuur. Laagtemperatuurbronnen kunnen middels een collectieve warmtepomp ook middentemperatuur leveren. Het afgekoelde water dat terugkeert naar de bron heet retourwarmte. Retourwarmte kan eventueel geleverd worden aan gebouwen die een lagere temperatuur nodig hebben (cascadering). Hoewel warmteleidingen geïsoleerd zijn, verliezen zij warmte. Het warmteverlies verschilt sterk per warmtenet. Huidige warmtenetten hebben een warmteverlies van 20% à 30%. Toekomstige warmtenetten zullen minder warmteverlies hebben omdat zij efficiënter zijn ingeregeld en omdat zij lagere temperaturen transporteren. Daar staat tegenover dat warmtenetten met een lagere temperatuur meer elektrische pompenergie en grotere leidingdiameters nodig hebben vanwege de lagere energieinhoud van het water. Voor een duurzaam en efficiënt warmtenet is het belangrijk om uiteindelijk zoveel mogelijk lokale, duurzame warmtebronnen te benutten. Daarbij is het belangrijk dat de temperatuur die het warmtenet levert ook in de toekomst duurzaam beschikbaar is.

Fossiele bronnen die hoge temperaturen leveren kunnen op termijn vervangen worden door duurzame bronnen met lagere temperaturen, mits de aangesloten woningen in de loop der tijd transitiegereed worden zodat zij geschikt zijn voor lagere temperaturen. De piekvoorzieningen van warmtenetten bestaan vaak uit gasketels die snel veel vermogen kunnen leveren op de koudste dagen van het jaar. In de regel leveren die piekvoorzieningen slechts 20% van de warmtevraag gedurende het jaar, maar tellen zij op tot 70% van het opgesteld vermogen. Piekvoorzieningen werken nu nog op aardgas, maar kunnen in de toekomst worden verduurzaamd door een combinatie van het verminderen van de piekvraag (als gevolg van warmtevraagbeperking), innovatieve vormen van warmteopslag, zowel bij de bron als decentraal, en door de inzet van duurzaam gas. 1.3.3 Kleinschalig collectief Onder kleinschalig collectief verstaan we lokale en kleinschalige warmtenetten en bronnetten. Deze netten maken vaak gebruik van omgevingswarmte als warmtebron, zoals aquathermie of zonthermie, en

37

vaak in combinatie met warmte-koude opslag (WKO). In het geval van een zeer lage temperatuur warmtenet, oftewel een bronnet, is er dan altijd nog een warmtepomp in het gebouw of de woning aanwezig om de warmte op te waarderen, vergelijkbaar met all-electric. Maar ook een collectieve warmtepomp voor enkele gebouwen of een buurt is mogelijk met dit concept. Dan is er geen warmtepomp in de woning maar wordt er rechtstreeks nuttige warmte geleverd, zoals bij een warmtenet. Kleinschalig collectief is al mogelijk bij één of enkele gebouwen en zal daarom verspreid voorkomen, maar vooral bij grootschalige nieuwbouwontwikkelingen en bij werklocaties waar een grote koudevraag is. Dat komt doordat utiliteitsbouw en nieuwbouw een grotere koudevraag hebben dan bestaande woningbouw en deze techniek bij nieuwbouw en utiliteitsbouw eenvoudiger is te organiseren dan in de bestaande woningbouw. Grootschalige toepassing van bronnetten in de bestaande woningbouw is niet te verwachten om dezelfde redenen als bij all-electric: het feit dat woningen eerst transitiegereed moeten zijn en vanwege de warmtepomp in de woning met bijbehorende piekbelasting van het elektriciteitsnet. Daarnaast zal in veel gevallen individueel all-electric (dus zonder bronnet) dan eenvoudiger en goedkoper te organiseren zijn dan de bronnetvariant.

een gasaansluiting, en dat de woningen via een inpandig warmtenet warmte geleverd krijgen. Het voordeel van een collectieve hybride warmtepomp is dat deze op den duur eenvoudiger is te vervangen door een warmtenetaansluiting en dat deze minder ruimte in beslag neemt dan individuele installaties per woning. Deze warmteoptie is in de regel logisch voor gebieden waar andere warmteopties voorlopig nog niet haalbaar en betaalbaar zijn. Dit zien we relatief veel in Zeeland. Het zijn bijvoorbeeld kleine kernen en buitengebieden waar schaal en dichtheid onvoldoende is voor warmtenetten, en waar ook relatief veel oudbouw is. Ook zijn het bijvoorbeeld oude binnensteden zoals Middelburg. 1.3.5 Warmteopties in relatie tot Zeeuwse transitiepaden In een buurt zullen meestal meerdere warmteopties naast elkaar bestaan. Dat komt doordat de gebouwde omgeving zelden volledig homogeen is, er voortdurend sloop, nieuwbouw en transformatie plaatsvindt en omdat gebouweigenaren in de regel keuzevrijheid hebben. Daarom moeten we per Zeeuws transitiepad aannemen welke warmteopties zullen voorkomen in dat transitiepad, als tussenoplossing of als eindoplossing. Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 2 van deze bijlage.

1.3.4 Gasnet hybride

1.4 Energiedragers en -bronnen

Bij deze techniek blijft het gasnet in de wijk in stand en zal deze gas leveren voor hybride warmtepompen. Dit zijn warmtepompen die alleen nog gas nodig hebben op koude dagen en voor tapwaterverwarming. Op alle andere momenten gebruiken deze warmtepompen ventilatielucht of buitenlucht als warmtebron. Ten opzichte van een woning met een Cvketel bespaart de hybride warmtepomp ca. 70% van het gasverbruik.

De vorige paragraaf ging in op warmteopties en hun relatie met de Zeeuwse transitiepaden naar aardgasvrije verwarming. Deze paragraaf gaat in op energiebronnen. Bij iedere energie-infrastructuur hoort een andere energiedrager. Dit is respectievelijk gas (gasnet), elektriciteit (elektriciteitsnet) en water (warmtenet en bronnet). Bij de verschillende energiedragers horen verschillende bronnen en mogelijkheden tot verduurzaming.

Hybride warmtepompen zijn een relatief eenvoudige en goedkope manier om snel gas en CO2 te besparen, en kunnen bijna overal dienen als goede tussenoplossing richting een warmtenet of all-electric. Als eindoplossing is deze techniek alleen duurzaam als we op termijn overstappen van aardgas naar duurzaam gas. Daarom is het belangrijk ook deze woningen transitiegereed te maken. Een hybride warmtepomp kan zowel individueel als collectief worden toegepast. Individueel wil zeggen dat iedere woning een hybride warmtepomp heeft en dus ook nog een gasaansluiting. Collectief wil zeggen dat een gebouw of bouwblok één hybride warmtepomp heeft met

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10804366/2