CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

B10MinisterBeslissing op handhavingsverzoek HulstMINISTER

Commissie Middelen 3 november 2022, gemeente HulstBij agendapunt: Ingekomen stukken2.796 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

> Retouradres Postbus 20901 2500 EX Den Haag

Gemeente Hulst T.a.v. het College van Burgemeester en Wethouders Postbus 49 4560 AA Hulst

Bestuurskern Dir.Waterkwaliteit, Ondergr en Marien Stoffen en Waterketen Den Haag Postbus 20901 2500 EX Den Haag Contactpersoon M.J. van de Waardt Coördinerend Beleidsmedewerker M +31(0)6-25075068 mathijs.vande.waardt@minie nw.nl

Datum Betreft

Beslissing op handhavingsverzoek

Geacht college van B&W, Op 9 mei jl. ontving ik uw brief (uw kenmerk VB/22.1130), gedateerd 4 mei 2022, waarin u een vermeende overtreding van artikel 6.8 van de Waterwet (hierna: Wtw) constateert in het licht van de voorgenomen ontpoldering van de Hedwigepolder en u mij verzoekt om handhavend op te treden, in de vorm van een preventieve herstelsanctie. Eveneens op 9 mei jl. ontving ik een brief (uw kenmerk VB/22.1126), gedateerd 4 mei 2022, waarin u enige vragen stelt over PFAS in relatie tot volksgezondheid en de voorgenomen ontpoldering van de Hedwigepolder. Op dinsdag 7 juni heeft een gesprek plaatsgevonden tussen uw burgemeester, de heer Mulder, en de directeur Waterkwaliteit Ondergrond en Marien van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, mevrouw Van Duin, waarin is afgesproken het handhavingsverzoek aan te houden in afwachting van mijn antwoorden op uw brief. Op dat moment gaf de minister voor Natuur en Stikstof uitvoering aan de motie-Beckerman/Hagen om de resultaten van lopende onderzoeken af te wachten en op basis daarvan te besluiten of de onderzoeksresultaten aanleiding geven om de planning van de ontpoldering van de Hedwigepolder aan te passen (Kamerstuknummer 30175-413). De minister heeft op 7 juni 2022 (Kamerstuknummer 35334-183) en 20 juni (Kamerstuknummer 35334-188) de Tweede Kamer medegedeeld hoe zij uitvoering heeft gegeven aan deze motie.

Hierbij concludeerde zij dat de resultaten van de elf onderzoeken en metingen geen aanleiding gaven om de planning van de ontpoldering van de Hedwigepolder aan te passen. Tevens gaf zij aan dat de graafwerkzaamheden aan de zeedijk konden worden hervat en dat volgens de huidige planning eb en vloed eind september of begin oktober 2022 in de Hedwigepolder terugkeren. Ik heb vervolgens per brief van 21 juli 2022 (onze referentie IENW/BSK-2022/172332) antwoord gegeven op uw vragen in de brief van 4 mei, evenals enige andere vragen die u mij in de tussentijd aanvullend stelde. Op 30 augustus jl. ontving ik uw brief, gedateerd 25 augustus 2022, waarin u aangeeft het handhavingsverzoek van 4 mei te handhaven en verzoekt binnen twee weken na verzending van de brief (29 augustus) te reageren op aanvullende

Pagina 1 van 6

vragen over de vermeende overtreding van artikel 6.8 Wtw dan wel een besluit te nemen op het handhavingsverzoek. Ik doe het laatste. Besluit Ik wijs uw handhavingsverzoek af.

Bestuurskern Dir.Waterkwaliteit, Ondergr en Marien Stoffen en Waterketen Datum 19 september 2022

Ik licht hieronder toe op welke gronden ik tot dit besluit ben gekomen. Eerst maak ik echter nog een opmerking over uw meest recente brief van 16 september 2022. In die brief stelt u mij in gebreke zoals bedoeld in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht, en kondigt u tevens aan beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in dat artikel. Met het voorliggende besluit is er geen reden meer om het door u aangekondigde beroep in te stellen en heb ik bovendien binnen de in dit artikel genoemde termijn een beslissing genomen op uw verzoek. Ik stel daarnaast vast dat ik geen dwangsom heb verbeurd wegens niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht. Ten aanzien van de spoed die u noemt in uw brief van 16 september, in het licht van de voorgenomen start van het afgraven van de dijk, wijs ik u graag op de mogelijkheid van rechtstreeks beroep, zoals nader is toegelicht in de rechtsmiddelenclausule onder deze brief. Vermeende overtreding U stelt dat met het afgraven van de dijken en met het inlaten van water in de voormalige Hedwigepolder er een dreigende overtreding plaatsvindt van artikel 6.8 van de Waterwet, de zogenaamde zorgplichtbepaling.

U stelt daarbij dat uit deze zorgplicht zou volgen dat iedere verontreiniging van de Hedwigepolder op grond van deze bepaling verboden is, en dat het toestaan dat zwevend stof met lage PFAS-gehalten – ook al zijn die lager dan het herverontreinigingsniveau – in de Hedwigepolder geraakt, dus in strijd is met die bepaling. Daarnaast geeft u in uw handhavingsverzoek van 4 mei aan te betwijfelen of het afgraven van de dijk niet gezien moet worden als een handeling waarop de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) van toepassing is. Bevoegdheid Ik ben op grond van artikel 8.1, eerste lid, onder a, Wtw bevoegd voor de handhaving van artikel 6.8 Wtw, waar het de oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk betreft. Hoewel de Hedwigepolder op dit moment geen oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Waterwet is, zal dat wel het geval zijn zodra het water van de Westerschelde de polder instroomt; vanaf dat moment maakt de Hedwigepolder onderdeel uit van het oppervlaktewaterlichaam Westerschelde. Op 23 juni 2022 is in de Staatscourant (nr. 16406) een wijziging gepubliceerd van de kaartbladen bij de Waterregeling, waarmee de Hedwigepolder – wanneer deze onderdeel zal zijn geworden van de Westerschelde – in beheer wordt gebracht bij het Rijk.

Deze wijziging van de Waterregeling treedt in werking op een nader door mij te bepalen tijdstip (zie artikel III van voornoemde wijzigingsregeling). Ik ben voornemens onverwijld na het afgraven van de dijk deze regeling in werking te doen treden. Daarmee zal ik op het moment dat de door u gestelde overtreding zich zou voordoen het bevoegd gezag zijn en ben ik dus bevoegd om een besluit te nemen op uw handhavingsverzoek.

Pagina 2 van 6

Daarnaast ben ik op grond van artikel 95, derde lid, Wbb bevoegd voor de handhaving van artikel 13 Wbb. Op het moment dat het water van de Westerschelde in de Hedwigepolder zal stromen, is de Wbb echter niet langer van toepassing, omdat de Hedwigepolder dan onderdeel zal zijn van een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Waterwet (artikel 99, vierde lid, Wbb). Nog daargelaten of uw verzoek ook moet worden opgevat als een verzoek om handhaving van artikel 13 Wbb, ga ik in het onderstaande dan ook niet nader in op die bepaling.

Bestuurskern Dir.Waterkwaliteit, Ondergr en Marien Stoffen en Waterketen Datum 19 september 2022

Invulling van de zorgplicht Voor oplegging van de door u verzochte preventieve herstelsanctie moet sprake zijn van de situatie dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een overtreding zal plaatsvinden. Van een dergelijk klaarblijkelijk gevaar van overtreding als bedoeld in artikel 5:7, van de Algemene wet bestuursrecht is naar mijn mening geen sprake. De zorgplicht van artikel 6.8 Wtw houdt in dat ieder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel de gevolgen daarvan te beperken. Anders dan u in uw brief van 25 augustus stelt, behelst deze zorgplicht niet de verplichting te voorkomen dat verontreinigende stoffen op de waterbodem worden gebracht, ongeacht de concentratie daarvan. Bij iedere handeling op de bodem zullen immers in enige mate verontreinigende stoffen aan de orde zijn. Het gaat bij deze bepaling veeleer om het voorkomen van een teveel aan verontreiniging.

Dat niet iedere verontreiniging op voorhand verboden is, ongeacht de gevolgen daarvan, blijkt ook wel uit het feit dat uit de zorgplicht slechts de verplichting voortvloeit om alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen te nemen, en niet om onverkort maatregelen te nemen. Zie in deze zin ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2439), waarin zij de lijn volgt dat ter invulling van de zorgplicht (van in dat geval de Wbb) van belang is te bepalen in welke mate een verontreinigende stof (in dat geval ook PFAS) aanwezig mag zijn. Om te bepalen in welke mate de aanwezigheid van PFAS verantwoord is in het licht van de zorgplicht, sluit ik aan bij het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (hierna: HK PFAS, zie Kamerstuknummer 35334-172). Hoewel het hier gaat om een natuurlijk proces waardoor er geen sprake is van het functioneel toepassen van grond of baggerspecie in de zin van het Besluit bodemkwaliteit (waarvoor het HK PFAS in de eerste plaats bedoeld is), heeft de ontpoldering een vergelijkbaar resultaat. In het gebied zal immers sediment bezinken vanuit de Westerschelde. Dit proces voltrekt zich overigens in een langzamer tempo dan bij het toepassen van baggerspecie.

In het HK PFAS wordt voor toepassingen op de waterbodem van de rijkswateren als strengste grens het zogenoemde herverontreinigingsniveau (hierna: HVN) aangehouden, het PFAS-gehalte aanwezig in zwevend stof in de Rijn zoals dat ons land binnenstroomt en daarmee bepalend is voor de achtergrondgehalten in de rijkswateren. Voor verplaatsingen van PFAS binnen hetzelfde Pagina 3 van 6

oppervlaktewaterlichaam – wat aan de orde zal zijn wanneer de Hedwigepolder onderdeel is geworden van de Westerschelde – houdt het HK PFAS de lijn aan dat deze in principe ook bij hogere PFAS-gehalten verantwoord zijn, behoudens wanneer het gaat om verspreidingen van puntbronnen. Zoals ik reeds ik mijn brief aan de Tweede Kamer van 5 oktober vorig jaar (Kamerstuknummer 30862-114) heb gemeld, zijn voor de toekomstig te verwachten waterbodemkwaliteit van de Hedwigepolder de PFAS-gehalten in zwevend stof bepalend. Deze gehalten zijn voor wat betreft PFOS lager dan het HVN, en er is allerminst sprake van het verspreiden van puntbronnen. Naar verwachting zullen deze PFAS-gehalten in zwevend stof in de toekomst bovendien alleen maar verder afnemen, door significante reductie van de PFAS-bronnen in Vlaanderen. Dit is ook vastgesteld door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 23 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1780). Ik constateer dan ook dat de voorgenomen ontpoldering voldoet aan de uitgangspunten van het HK PFAS.

Bestuurskern Dir.Waterkwaliteit, Ondergr en Marien Stoffen en Waterketen Datum 19 september 2022

Daarbij komt dat de minister voor Natuur en Stikstof op basis van diverse onderzoeken heeft geconstateerd dat de PFAS-concentraties geen belemmering vormen voor de te ontwikkelen estuariene natuur (Kamerbrief 20 juni 2022, Kamerstuknummer 35334-188). Ook deze lijn is bevestigd in voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2022. Van een aantasting van het gebied, in het licht van het beoogde gebruik, is daarmee geen sprake. Ook heeft de ontpoldering van de Hedwigepolder geen nadelige invloed op de volksgezondheid. Mensen krijgen PFAS binnen via voedsel en drinkwater (Kamerbrief 4 juni 2021, Kamerstuknummer 28089-190). In de ontpolderde Hedwigepolder mag niet worden gezwommen en gevist en het water wordt niet gebruikt voor de bereiding van drinkwater. Dat er geen risico’s voor de volksgezondheid zijn volgt ook nog uit de onderzoeken die zijn aangehaald in voornoemde Kamerbrief van 20 juni 2022. Ten slotte geldt dat op grond van de zorgplicht van artikel 6.8 Wtw slechts de redelijkerwijs mogelijke maatregelen gevergd kunnen worden. Gezien het ontbreken van risico’s voor de toekomstige natuurfunctie, het milieu en de volksgezondheid, acht ik het onredelijk om verdere maatregelen te vergen, temeer gelet op het grote belang van het ontpolderingsproject.

De ontpoldering van de Hedwigepolder maakt onderdeel uit van de herstelopgave, die nodig is vanwege de slechte staat van de natuur van de Westerschelde als gevolg van ingrepen in het verleden. Nederland heeft daartoe een herstelverplichting aan de Europese Commissie op grond van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In 2005 hebben Nederland en Vlaanderen een verdrag gesloten over deze herstelopgave, waarin afspraken zijn gemaakt over de realisatie van natuur in Nederland en België. In Nederland wordt 600 hectare estuariene natuur gerealiseerd, waarvan ca. 300 hectare door ontpoldering en inrichting van de Hedwigepolder. Ten overvloede merk ik op dat de oplegging van de door u verzochte preventieve herstelsanctie, niet zinvol zou zijn. De ontpoldering van de Hedwigepolder is onderdeel van een grensoverschrijdend project met Vlaanderen, waarbij aan de Vlaamse kant de aangrenzende Prosperpolder wordt ontpolderd. De zeedijk in de Prosperpolder is reeds zover afgegraven dat er in het komende stormseizoen (oktober-maart) een aanzienlijke kans is dat bij bepaalde weersomstandigheden Pagina 4 van 6

het water de Prosperpolder instroomt. Daarmee stroomt dit water ook (ongecontroleerd) de Hedwigepolder in. Tot slot Ik hecht eraan te benadrukken dat ook ik de PFAS-vervuiling in de Westerschelde zeer onwenselijk vind. De ontpolderingswerkzaamheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van waardevolle natuur, zullen helaas ook leiden tot de instroom van PFAS-houdend water in de Hedwigepolder. Dit zal echter gebeuren in een mate die niet in de weg staat aan de voorgenomen natuurontwikkeling, geen bedreiging vormt voor het milieu, geen bedreiging vormt voor de gezondheid van uw burgers, en dus verantwoord is.

Bestuurskern Dir.Waterkwaliteit, Ondergr en Marien Stoffen en Waterketen Datum 19 september 2022

Intussen stel ik alles in het werk om de PFAS-verontreiniging van de Westerschelde – en daarmee ook de Hedwigepolder – te verminderen. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat zet zich in voor een Europees verbod op PFAS in 2025, ik heb de ambitie om op de kortst mogelijke termijn een reductiedoelstelling voor microverontreinigingen (waaronder PFAS) voor de Westerschelde af te spreken, net zoals ik voor de Rijn heb gedaan, en ik treed met de Vlaamse bevoegde gezagen in overleg over het herzien van vergunningen om zo PFAS-emissies zoveel als mogelijk te beperken. Ik ben ervan overtuigd dat ook de inwoners van uw gemeente zijn gebaat bij een Westerschelde die als gevolg van deze maatregelen schoner wordt. U stelt dat het handhaven van het handhavingsverzoek voor u niet betekent dat u niet langer openstaat voor een gesprek en samenwerking. Dat geldt ook van mijn kant. Mede daarom waren ambtenaren van mijn ministerie bij het bezoek van de minister voor Natuur en Stikstof op 29 augustus jl. aan de Hedwigepolder, waarbij zij onder meer vragen van uw wethouders en raadsleden over PFAS hebben beantwoord. Uiteraard blijf ik bereid om nadere vragen van uw kant te beantwoorden. DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, Namens deze,

drs. J.H. Slootmaker RO CISA Directeur-generaal Water en Bodem

Pagina 5 van 6

Bent u het niet eens met dit besluit? Dan kunt u op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar maken, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is bekendgemaakt. Mocht u van deze gelegenheid gebruik willen maken dan geldt dat het bezwaarschrift moet worden gericht aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, ter attentie van Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, afdeling Algemeen Bestuurlijk-Juridische Zaken, postbus 20901, 2500 EX Den Haag.

Bestuurskern Dir.Waterkwaliteit, Ondergr en Marien Stoffen en Waterketen Datum 19 september 2022

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en ten minste te bevatten: a. naam en adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van dit besluit (datum en nummer of kenmerk); d. een opgave van de redenen waarom u zich met het besluit niet kan verenigen; e. zo mogelijk een afschrift van dit besluit. Het niet voldoen aan deze eisen kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. De mogelijkheid bestaat om mij op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht te verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Daarmee zou de bezwaarprocedure worden overgeslagen. Ik deel u nu vast op voorhand mee dat ik in dit geval met een dergelijk verzoek zal instemmen, tenzij sprake is van de situatie bedoeld in artikel 7:1a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Machtigt u iemand om namens u bezwaar te maken? Dan dient diegene ook een kopie van de machtiging mee te sturen met het bezwaarschrift. Het indienen van een bezwaarschrift heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat het besluit blijft gelden in de tijd dat uw bezwaarschrift in behandeling is. Als u dit niet wilt, bijvoorbeeld omdat uitvoering van het besluit onherstelbare gevolgen heeft voor u, dan kunt u een verzoek om voorlopige voorziening indienen.

Dit doet u door de voorzieningenrechter van de rechtbank in het gebied waar u woont of waar uw bedrijf is gevestigd te vragen een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank zal u daarvoor wel griffierecht in rekening brengen. U kunt uw verzoek om voorlopige voorziening ook digitaal indienen via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Vragen? Wanneer u vragen heeft of wanneer u zich afvraagt of het indienen van een bezwaarschrift voor u de geschikte aanpak is, kunt u ook hierover contact opnemen met de in deze brief vermelde contactpersoon.

Pagina 6 van 6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11958183/1