A45Memo brief en QA RMS aan raad
Tekst van het document
Memo E/21.0213 Aan
: Leden van de gemeenteraad van de gemeente Hulst
CC
:
Datum
: 5 oktober 2021
Van
: W.M.A. Wullaert
Betreft
: Informeren van de gemeenteraad over de in voorbereiding zijnde regionale mobiliteitsstrategie
Geachte raadsleden, De provincie Zeeland nam begin 2020 het initiatief om te gaan toewerken naar een gezamenlijke mobiliteitsstrategie onder de naam Slimme Mobiliteit. Directe reden was het aflopen van het contract voor Openbaar Vervoer met Connexxion eind 2024. Voordat er sprake was van Corona was het beeld dat het steeds moeilijker is om in Zeeland een volledig dekkend netwerk van grote bussen te laten rijden en dat te vaak de grote bussen met weinig passagiers rondrijden. De effecten van Corona hebben dit beeld versterkt. Vanuit doelgroepenvervoer is het beeld dat onder andere door vergrijzing de druk steeds meer toeneemt. Openbaar Vervoer dat verder op afstand komt te staan van de inwoner zou de druk op het doelgroepenvervoer alleen verder versterken. Willen we in Zeeland naar een systeem toewerken dat de reiziger meer van dienst gaat zijn om van a naar b te komen en toekomstbestendig is, dan vraagt dat een brede samenwerking van partijen. Sinds de conferentie Slimme Mobiliteit van 8 februari 2020 is met een breed netwerk van partijen en met groepen reizigers gesproken over kansen, toekomstige mogelijkheden, ideeën en ervaren problemen. Met de groep partijen die aan de lat staat voor de besluitvorming, de gemeenten en de provincie, wordt dit vertaald in een strategie voor de toekomst: de Regionale Mobiliteitsstrategie.
Begin 2021 hebben we u als raadsleden meegenomen in de Richtingennotitie Slimme Mobiliteit. Daarin stonden 5 onderwerpen centraal: 1) De Mix van Mobiliteit 2) Knooppunten 3) Mobiliteitscentrale 4) Data 5) Living Lab Naar aanleiding van opmerkingen uit gemeenten is hier een zesde onderwerp aan toegevoegd, namelijk Duurzame Mobiliteit. Dit is ingevuld vanuit de mobiliteitsaanpak zoals opgenomen in de Regionale Energiestrategie met tevens wisselwerking naar luchtkwaliteit en stikstofuitstoot. De richtingen zijn in de afgelopen periode uitgewerkt in de regionale mobiliteitsstrategie, een toekomststrategie op hoofdlijnen. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan deze strategie en wordt ook de advisering van verschillende belangenorganisaties hierbij betrokken. Naar verwachting ligt deze strategie in de maanden december en januari voor in Provinciale Staten en de gemeenteraden van alle Zeeuwse gemeenten ter besluitvorming. De strategie heeft als doel een gezamenlijke basis te leggen voor verbeteringen in de mobiliteit in Zeeland. Bijgevoegd treft u alvast een Q&A aan van de meest gestelde vragen en aandachtspunten ten aanzien van de ontwikkelingen. Wij rekenen erop daarmee sommige aandachtspunten alvast te adresseren en zien uit naar het gesprek bij de behandeling van de Regionale Mobiliteitsstrategie. Hoogachtend,
Bijlage: Q&A voor raadsleden over de RMS Vragen Mix van mobiliteit
Antwoorden
Hoe werkt het OV in de toekomst?
De basis wordt in de toekomst gelegd door een systeem van fijnmazige mobiliteit, bestaande uit deeltaxi’s en kleine busjes. Iedereen heeft binnen de bebouwde kom binnen 500 meter een opstappunt en buiten de bebouwde kom binnen 2,5 km een opstappunt voor dit vervoer. Door dit aan te vullen met deelmobiliteit (deelfietsen, deelscooters, deelauto’s) en vrijwilligersinitiatieven kan dit verder worden uitgebouwd. Iedereen heeft daarmee tussen 6.00 uur en 23.00 uur de mogelijkheid om mobiel te zijn. De grote bus krijgt in de nieuwe concessie meer een verbindende rol. De grote bus rijdt op de tijdstippen en routes waar tegelijkertijd veel mensen vervoerd willen worden. En rijdt via de punten waar veel mensen op en uit willen stappen. Van of naar die punten (haltes of hubs) kunnen mensen ook gebruik maken van de fijnmazige mobiliteit.
Hoe wordt invulling gegeven aan fijnmazige mobiliteit?
Per regio zal de behoefte aan fijnmazige mobiliteit verschillen. Dat hangt o.a. af van de afstand tot voorzieningen, typering van het gebied (rol van steden, toeristische activiteiten, en dergelijke) en de vraag van de reiziger. We garanderen met de fijnmazige mobiliteit een basisniveau. Aanvullend zoeken we per regio naar aanvulling, die past bij de vraag. In stedelijk gebied kan dat bijvoorbeeld de deelfiets zijn (voor korte afstanden van hub tot aan bestemming), terwijl kleine kernen de buurtbus grote meerwaarde kan bieden. Op basis van data over de vraag van de reizigers wordt bijgestuurd op het mobiliteitsaanbod.
Wat is de concrete verbetering ten opzichte van de huidige situatie?
Via fijnmazige mobiliteit worden meer bestemmingen op meer tijdstippen bereikbaar. Nu kan de reiziger zonder indicatie immers alleen in- en uitstappen op bushaltes die niet overal en ook niet op ieder moment van de dag/week bediend worden. Met een beter fijnmazig alternatief is er ruimte om de grote bus meer snelle verbindingen te laten vormen. Hiermee wordt de reisduur verkort. Door het gebruik van digitale systemen (de zogenoemde MaaS-apps) en de telefonische boekingsmogelijkheid via de mobiliteitscentrale kan er door de reiziger verschillende vervoersmogelijkheden worden gecombineerd. Dat betekent minder uitzoekwerk vooraf en geen verschillende betaalwijzen meer.
Is de nieuwe invulling een bezuiniging?
Nee. De provincie blijft evenveel budget inzetten en ook gemeenten blijven het in de meerjarenbegroting opgenomen budget voor doelgroepenvervoer inzetten (met invulling van geplande taakstellingen). Door gerichter te kijken waar de grote bus de beste oplossing is en waar andere vervoermiddelen en door voor taxi’s en kleine busjes de
contractering gebundeld via doelgroepenvervoercontracten te laten verlopen, wordt de verbetering die beoogd is mogelijk. Welke kansen zijn er voor combinaties tussen het OV en het WMO vervoer
Belangrijkste kans is om OV reizigers die met de deeltaxi reizen met hetzelfde voertuig te vervoeren als de WMO reiziger en de kleine bussen en taxi’s uit de doelgroepenvervoer breder in te zetten. Voertuigen en chauffeurs kunnen daarmee slimmer worden ingezet, waarmee kostenefficiëntie kan worden verbeterd. Ook zijn er kansen om met bijvoorbeeld vrijwilligers initiatieven een deel van de WMO reizen anders in te vullen, zoals dat nu al gebeurd met Thover op Tholen. Tegelijkertijd is er realisme dat veel WMO-reizigers maatwerk vragen en dat door vergrijzing de druk op het WMO-vervoer dreigt toe te nemen. Daarom is de voorlopige conclusie dat budgetten van gemeenten voor WMO-vervoer ook echt daarvoor nodig zullen blijven.
Hoe reizen scholieren/studenten uit een kleine kern zonder snelle busverbinding naar school?
Vrijwilligers zijn belangrijk voor diverse fijnmazige mobiliteitssystemen. Hoe robuust is het fijnmazige systeem?
Naast de snelle busverbindingen blijft het netwerk van scholierenlijnen in stand. Uit de analyses is gebleken dat op die momenten het aantal reizigers te groot is om met klein materieel te gaan vervoeren. Bovendien zijn veel scholieren nu tevreden met de mogelijkheid die deze lijnen bieden. Daarmee worden veel kernen in de ochtendspits en middagspits bediend. Aangezien sommige scholierenlijnen een deel van de route parallel aan de trein rijden, is het wel de bedoeling dat voor die delen van de route overgestapt wordt op de trein. De garantie van het fijnmazig systeem is ook een garantie zonder inzet van vrijwilligers. We maken het dus niet afhankelijk van wel of niet vrijwilligers. Waar het lukt vrijwilligers te betrekken en vrijwilligersinitiatieven te faciliteren kan lokaal of regionaal dit verder worden opgeplust. Diverse mobiliteitsconcepten met vrijwilligers zijn nu actief. Niet alleen de buurtbussen, maar ook Thover op Tholen en de schoolbus in Zonnemaire via SD op weg zijn goed georganiseerd met een brede club van vrijwilligers. Daarmee is het aanbod robuust georganiseerd.
Hubs Waar kunnen mensen vervoer vinden?
In de strategie worden vier soorten punten benoemd: 1) Opstappunten: Dit zijn de punten waar op fijnmazige vervoermiddelen kan worden gestapt, zoals deeltaxi’s, kleine busjes, buurtbussen en soms ook andere vrijwilligerssystemen. Op sommige locaties in combinatie met deelmobiliteit (deelauto’s, deelfietsen (electrisch of regulier) en deelscooters). 2) Haltelocaties: Locaties waar op de grote bus kan worden gestapt. De haltes zijn relatief sober, maar toegankelijk. 3) Hubs en Regiohubs: Locaties waar verschillende mobiliteitsvormen bij elkaar komen: de grote bus, deeltaxi’s en kleine busjes. Op deze locaties wordt een gepast voorzieningenniveau gerealiseerd zodat het comfortabel en veilig overstappen is. 4) Stationhubs: Locaties waar ook de trein aanwezig is bovenop wat bij de regiohubs is benoemd. De locaties voor opstappunten, haltes en hubs zullen worden
Hoe wordt de hub ontwikkeling gefinancierd
Mobiliteitscentrale Komt er een extra samenwerkingsorganisatie?
Wie besluit waarover bij de mobiliteitscentrale?
Waarom wordt niet overgegaan tot ontschotting, waarbij alle budgetten worden samengevoegd ten behoeve van mobiliteit in Zeeland? Data Hoe gaat de centrale goed inzicht krijgen in de data (behoefte reiziger)? Is dat via de MaaS-app of ook op andere manieren? Wat wordt de verhouding tussen enerzijds de centrale en anderzijds de
besproken met bewoners uit de omgeving (waar mogelijk via dorpsraden, wijkraden en dergelijke). Hub ontwikkeling is maatwerk. Uitgangspunt is dat de wegbeheerder er niet alleen voor staat, maar dat de provincie en andere stakeholders mee financieren. Bij de vaststelling van de strategie zal is de provincie van plan budget op de begroting te zetten voor cofinanciering van hub ontwikkeling in de periode 2022 t/m 2024. Tevens lopen er gesprekken met het rijk voor cofinanciering. Op basis van de strategie gaan overheden samen een uitwerking maken voor de plannen en worden afspraken gemaakt over uitvoering, beheer en onderhoud. Nee. Momenteel zijn alle Zeeuwse gemeenten en provincie al aandeelhouder van de Gemeentelijke Vervoerscentrale Zeeland. Met de uitbreiding van het takenpakket vraagt dit wel verandering van de organisatievorm, zodat vanuit gemeenten en provincie beter kan worden gestuurd op de samenwerkingsorganisatie en zodat de Het doelgroepenvervoer ligt binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente. In het werken met de mobiliteitscentrale blijft dit zo. Gemeenten bepalen zelf de indicatiestelling en behouden instrumenten om kosten te beheersen en maken zelf beleidskeuzes. De mobiliteitscentrale kan beleidsadvies geven aan gemeenten, waarbij gemeenten zelf de beleidsbesluiten nemen ten aanzien van doelgroepenvervoer.
Voor flexibele fijnmazige mobiliteit wordt provinciaal budget beschikbaar gesteld (uit de OV-middelen), waarbij materieel en personeel voor kleinere vervoermiddelen via de gemeentelijke doelgroepenvervoercontracten worden gecontracteerd. Gemeenten en Provincie zullen derhalve hier samen beslissingen over nemen. Voor de grote bussen heeft de provincie de verantwoordelijkheid. Bij de mobiliteitscentrale wordt kennis en expertise belegd om te adviseren waar de grote bus nodig is en waar fijnmazige mobiliteit beter werkt en gemeenten en provincie hebben daar samen overleg over. De besluitvorming over de grote bus ligt vervolgens uiteindelijk bij de provincie. Over verhoging van organisatiekosten (meer dan indexering) van de mobiliteitscentrale wordt unaniem besloten door de partijen voor wie dat gevolgen voor de begroting heeft. Dit zodat de deelnemer grip houden op de balans tussen ambitie en organisatiekosten. Ontschotten is geen doel op zich, maar een manier om te zorgen dat mobiliteit efficiënter ingezet wordt. Met dit voorstel wordt een deel van het systeem gecombineerd en wordt voor overkoepelende inbreng van kennis en expertise door een mobiliteitscentrale gezorgd. Daarbij houden provincie en gemeenten grip op de eigen kosten en de kwaliteit van de uitvoering op het vervoer waar hun directe verantwoordelijkheden liggen.
De MaaS-apps zullen in de toekomst veel data opleveren. Maar we gaan ook inzetten op de combinaties met andere databronnen, zoals van vervoerders, voorzieningen en kan bijvoorbeeld ook gaan om data die nationaal wordt ingekocht (bijvoorbeeld google en apple verzamelen ook mobiliteitsdata die ze verkopen). De mobiliteitscentrale krijgt de regie op het totaal. Bewaakt dus de balans tussen fijnmazige mobiliteit en de snelle buslijnen en kan stimuleren dat op een bepaalde plek deelmobiliteit komt. In het
nieuwe vervoerder(s)?
Living Lab Waar komt het budget voor het living lab vandaan?
huidige beeld is ze voor dat fijnmazige en doelgroepenvervoer ook zoals nu actief voor wat betreft planning en dergelijke. De (bus)vervoerder zal opdracht krijgen daarin mee te denken en mee te werken en zal in de huidige voorstellen een stuk ontwikkelrol hebben in het in overleg bepalen van precieze routes, het invullen van dienstregelingen en de hele logistiek binnen de busconcessie (welke bus en chauffeur moeten op welk moment waar zijn). Vanuit het pakket Wind in de Zeilen heeft het ministerie van I&W 5 miljoen euro beschikbaar gesteld voor pilots en experimenten met slimme mobiliteit in Zeeland, waarbij in het pakket is afgesproken dat Vlissingen en omgeving focusgebied zijn. Pilots in andere delen van Zeeland zijn echter niet uitgesloten van ondersteuning vanuit het Living Lab.