226217Notitie beantwoording zienswijzen Frederik Hendrikstraat ong. Lamswaarde 2
Tekst van het document
__________________________________________________ Bestemmingsplan “Frederik Hendrikstraat ong., Lamswaarde”.
Notitie Beantwoording zienswijze en overzicht ambtshalve wijzigingen
Hulst, 30 maart 2021
1
Inhoud 1.
Inleiding.............................................................................................. 3 1.1 Algemeen ....................................................................................... 3 1.2 Leeswijzer ...................................................................................... 3
2.
Zienswijze ........................................................................................... 5 2.1 Ingediende zienswijze ......................................................................... 5 2.2 Ontvankelijkheid ............................................................................... 5
3.
Samenvatting en beoordeling zienswijze ....................................................... 6
4.
Ambtshalve wijzigingen ........................................................................... 7
Bijlagen: 1. Stikstofdepositieberekening inzake bestemmingsplan 2. Advies molendeskundige 3. Aanvullend natuuronderzoek invloed op Klein Vogel
2
1. Inleiding
1.1 Algemeen Ontwerp bestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan “Frederik Hendrikstraat ong., Lamswaarde” heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening, van 29 augustus tot en met 9 oktober 2019 ter inzage gelegen. Er is gedurende deze termijn één zienswijze ingediend. In de raadsvergadering van 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Hulst besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. De argumenten die ten grondslag aan dit besluit lagen waren als volgt. 1. Het is ongewenst om een woning nabij een natuurgebied te bouwen; 2. Er wordt te veel bebouwing toegestaan op het perceel. Dit staat niet in verhouding tot wat er gesloopt wordt met de ruimte-voor-ruimte regeling; 3. Er wordt geen ruimtelijke kwaliteitswinst behaald met voorliggend plan; Uitspraak Raad van State Initiatiefnemer heeft beroep aangetekend tegen dit besluit bij de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State. Naar aanleiding van de zitting bij de Raad van State op 21 december 2020 heeft de Afdeling het beroep ongegrond verklaard. 1.1.1. Het is ongewenst om een woning nabij een natuurgebied te bouwen; De Afdeling stelt de gemeenteraad in zoverre gelijk dat het bestemmingsplan vanwege het ontbreken van onderbouwing op naastgelegen natuurgebied Klein Vogel heeft mogen weigeren.
De Afdeling stelt vast dat het flora- en faunaonderzoek wat bij de vaststelling is voorgelegd aan de gemeenteraad, niet aangeeft op welke wijze er rekening wordt gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van naastgelegen natuurgebied. De gemeenteraad heeft terecht vastgesteld dat de vereiste onderbouwing voor het naastgelegen natuurgebied niet is gemaakt. Initiatiefnemers hebben in november 2020 een natuuronderzoek laten uitvoeren voor het natuurgebied Klein Vogel. Dit onderzoek dateert echter van na het besluit tot niet vaststellen van het bestemmingsplan. Om die reden heeft de raad dit stuk niet bij het besluit kunnen betrekken. 1.1.2. Er wordt te veel bebouwing toegestaan op het perceel. Dit staat niet in verhouding tot wat er gesloopt wordt met de ruimte-voor-ruimte regeling; Over het argument dat de gesloopte bebouwing niet in verhouding staat tot hetgeen wat wordt teruggebouwd zegt de Afdeling het volgende: De Afdeling stelt vast dat in de Provinciale Omgevingsverordening niet is bepaald dat slechts 500 m² oppervlakte bouwkavel verkregen kan worden per bouwtitel. Dat deze omvang als uitgangspunt wordt genomen door de gemeenteraad strookt echter wel met de bepaling dat een bouwtitel kan worden verkregen voor de sloop van een schuur van 500 m² of 5000 m² glastuinbouw.
Daarom acht de Afdeling het standpunt van de raad dat hij een nadere onderbouwing nodig acht van initiatiefnemer indien hij een groter bouwkavel wenst, niet onredelijk. Initiatiefnemer bouwt dus meer dan 500 m² maar legt in ruil hiervoor meer dan 1,5 hectare nieuwe natuur aan. 1.1.3. Er wordt geen ruimtelijke kwaliteitswinst behaald met voorliggend plan; De Afdeling overweegt dat deze weigeringsgrond is gebaseerd op het ontbreken van inzicht in de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op het naastgelegen natuurgebied. Gelet op hetgeen wat in deze Notitie onder 1.1.1 is overwogen is de Afdeling van oordeel dat de raad heeft kunnen oordelen dat niet vaststaat of de beoogde ontwikkeling ruimtelijke kwaliteitswinst mogelijk maakt.
3
1.2 Leeswijzer Deze notitie bevat de beantwoording van de ingediende zienswijze, ambtshalve wijzigingen naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan in 2019 en ambtshalve wijzigingen naar aanleiding van het raadsbesluit uit februari 2020 en de uitspraak van de Raad van State uit december 2020. De argumenten van de gemeenteraad en uitspraak van de Raad van State hebben geleid tot enkele aanpassingen en aanvullingen van het plan. De opbouw van de notitie is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt de ingediende zienswijze weergegeven en wordt ingegaan op de ontvankelijkheid. In hoofdstuk 3 wordt de ingediende zienswijze samengevat en beantwoord. In hoofdstuk 4 worden de ambtshalve wijzigingen beschreven.
4
2. Zienswijze
2.1 Ingediende zienswijze De navolgende (rechts)personen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om een zienswijze naar voren te brengen: 1. Provincie Zeeland, ingekomen brief met nummer 19.03632 (brief van 27 september 2019, ontvangen op 30 september 2019). 2. Ingekomen brief met nummer 19.04446 (brief van 12 november 2019, ontvangen op 14 november 2019).
2.2 Ontvankelijkheid Zienswijze nummer 1 is tijdig ingediend. Op grond hiervan wordt de zienswijze ontvankelijk geacht. Zienswijze nummer 2 is buiten de termijn ingediend. Op grond hiervan wordt de zienswijze nietontvankelijk geacht.
5
3. Samenvatting en beoordeling zienswijze Zienswijze Samenvatting De Provincie Zeeland heeft een zienswijze ingediend naar aanleiding van het feit dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvSt) op 29 mei heeft besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer gebruikt mag worden als onderbouwing voor het berekenen van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Deze beslissing heeft tot gevolg dat er in beginsel in alle gevallen van toename van stikstofdepositie toestemming nodig is ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast moeten bestemmingsplannen waarin gebruik is gemaakt van de passende beoordeling van het PAS en die nog niet onherroepelijk zijn, alsnog worden voorzien van een passende beoordeling op het planniveau. Hiervoor dient de nieuwe rekenmethode te worden gebruikt. Bestemmingsplannen moeten voldoen aan de eisen van de Wnb. Bij de voorbereiding daarvan dient beoordeeld te worden of de met het bestemmingsplan mogelijk te maken ontwikkelingen significant negatieve effecten wat betreft de stikstofbelasting zouden kunnen hebben op een Natura 2000-gebied. De Provincie Zeeland constateert dat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet is aangetoond nu het ontwerp bestemmingsplan ‘Frederik Hendrikstraat ong.
te Lamswaarde’ geen voortoets inzake stikstofdeposities bevat die voldoet en dat de Provincie Zeeland evenmin kan beoordelen of er sprake is van omstandigheden die leiden tot het maken van een passende beoordeling en milieueffectenrapport. Dit betekent dat de Provincie niet kan beoordelen of er sprake is van overeenstemming met de relevante natuurregelgeving en of zij als terzake bevoegd gezag toestemming ingevolge de Wnb kan verlenen. Overweging In de toelichting ontbreekt als gevolg van de recente uitspraak van de ABRvSt inzake de PAS een passende beoordeling met betrekking tot stikstofbelasting. Er wordt een onderbouwing op basis van de nieuwste Aerius-calculator toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf 4.9). De zienswijze leidt tot aanpassing van de toelichting bijbehorende het bestemmingsplan. Paragraaf 4.9 Programma Aanpak Stikstof wordt aangepast naar Paragraaf 4.9 ‘Aerius-berekening’. Het betreft een wijziging in de toelichting van het bestemmingsplan. De tekst die toegevoegd wordt is als volgt: “Er is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De uitkomst hiervan is dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000-gebieden.
Dit komt omdat de realisatie van nieuwe natuur zorgt voor interne saldering van de realisatiefase en de gebruiksfase in het plan. Van significante gevolgen van het voorgenomen plan voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie is derhalve geen sprake. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig, er geldt ook geen ‘aanhaakplicht’ in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning.” De volledige Aerius-berekening is bijgevoegd als bijlage bij deze Notitie en wordt toegevoegd als appendix 5 van de toelichting aan het bestemmingsplan ‘Frederik Hendrikstraat ong., Lamswaarde’. Conclusie De ingediende zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van de toelichting en bijlage 5 bij de toelichting van het bestemmingsplan.
6
4. Ambtshalve wijzigingen Er worden ambtshalve wijzigingen in het plan opgenomen. Beplantingsplan Door het toevoegen en verschuiven van bijlagen zijn enkele verwijzingen in de regels naar het beplantingsplan niet meer correct. Het beplantingsplan zal daarom in plaats van bijlage 6 bij de toelichting, bijlage 1 van de regels worden. In de toelichting en regels worden alle verwijzingen naar het beplantingsplan (appendix 5, p. 22) aangepast naar ‘appendix 1 van de regels’. Molenbiotoop Aangezien het plangebied gelegen is in een molenbiotoop heeft de initiatiefnemer, vooruitlopend op de vergunningaanvraag, advies opgevraagd bij een molendeskundige. De Stichting Molen Vogelzicht heeft een advies uitgebracht. De strekking van het advies is dat een bestemmingswijziging en een inrichting van het perceel zoals in het plan wordt voorgesteld een meerwaarde kan geven aan de molenomgeving en de molenbiotoop niet nadelig wordt beïnvloed. Bovenstaande tekst wordt toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan onder paragraaf 4.2 Landschap en Cultuurhistorie. Het advies is bijgevoegd als bijlage 1 bij deze Notitie en wordt bijgevoegd bij de toelichting van het bestemmingsplan als bijlage 6, aangezien het beplantingsplan als bijlage naar de regels wordt verplaatst.
Natuuronderzoek De gemeenteraad besloot eerder het bestemmingsplan niet vast te stellen omdat het bouwplan te dicht bij het bestaande natuurgebied Klein Vogel werd gerealiseerd. De Afdeling stelt de gemeenteraad in zoverre gelijk dat het bestemmingsplan vanwege het ontbreken van onderbouwing op naastgelegen natuurgebied Klein Vogel heeft mogen weigeren. De Afdeling stelt vast dat het flora- en faunaonderzoek wat bij de vaststelling is voorgelegd aan de gemeenteraad, niet aangeeft op welke wijze er rekening wordt gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van naastgelegen natuurgebied. Zodoende heeft initiatiefnemer in november 2020 een aanvullend natuuronderzoek laten uitvoeren door Veldbiologische Werken, Roosendaal voor het naastgelegen natuurgebied Klein Vogel. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3 bij deze notitie en wordt bijgevoegd als bijlage 7 bij het bestemmingsplan. In het natuuronderzoek is onderzocht wat de invloed is van het bouwplan op het naastgelegen natuurgebied. De conclusies zijn samengevat in hoofdstuk 6 van het rapport. Er is aangetoond dat het huidige intensieve gebruik als landbouwgrond, met intensieve bemesting, van zeer geringe waarde is voor de flora en fauna en juist zorgt voor verruiging door nutriëntentoevoer vanuit het perceel, wat ook van negatieve invloed is op naastgelegen natuurgebied.
Vanwege het ontbreken van gewassen in het vroege voorjaar, de herfst- en winterperiode is het perceel vanwege het ontbreken van beschutting ongeschikt voor fauna. Opgaande, permanente beplanting is daarvoor veel geschikter. Ook voor vleermuizen heeft het perceel in zijn huidige hoedanigheid als landbouwgrond geen betekenis. Tevens wordt benadrukt dat de conclusies uit de quickscan correct zijn afgewogen en dat redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat het bouwplan schadelijk is voor het natuurgebied en de beschermde soorten. Met het huidige beplantingsplan, welke in de regels wordt vastgelegd, de gekozen scenario’s en de te realiseren landschapselementen worden de ecologische potenties van het perceel in sterke mate benut. Een positieve toename van de biodiversiteit is te verwachten. Conclusie: Het aanvullend natuuronderzoek heeft niet eerder aan de beraadslaging ten grondslag gelegen. Het aanvullend rapport toont aan dat het naastgelegen natuurgebied geen schade zal ondervinden van voorliggend bouwplan. De ecologische potentie wordt juist versterkt en biodiversiteit zal toenemen. Er dient ook geen ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd. De Provincie heeft ingestemd met het aanvullend natuuronderzoek.
7
Het beplantingsplan is het juridisch toetsingskader aangezien deze wordt vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan. Het natuuronderzoek wordt toegevoegd als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan en bovenstaande conclusie wordt toegevoegd aan paragraaf 4.5 van de toelichting. Bebouwingspercentage De gemeenteraad besloot eerder het bestemmingsplan niet vast te stellen aangezien de te slopen bebouwing niet in verhouding stond met het nieuw te bouwen oppervlak. De Afdeling stelde vast dat in de Provinciale Omgevingsverordening niet is bepaald dat slechts 500 m² oppervlakte bouwkavel verkregen kan worden per bouwtitel. Dat deze omvang als uitgangspunt wordt genomen door de gemeenteraad strookt echter wel met de bepaling dat een bouwtitel kan worden verkregen voor de sloop van een schuur van 500 m² of 5000 m² glastuinbouw. Initiatiefnemer heeft een rechtmatige bouwtitel verworven aangezien er aan de Sint Janstraat 6 te Zuiddorpe, gemeente Terneuzen, minimaal 5000 m² glastuinbouw is gesloopt. Initiatiefnemer wenst meer dan 500 m² terug te bouwen en doet daarom aanspraak op de landhuisregeling. De regeling Landhuis bepaalt dat bebouwing van een perceel toelaatbaar is indien de oppervlakte van een bouwperceel minimaal 2 hectare bedraagt en hiervan minimaal 50% met opgaand hout is beplant.
De toegestane bebouwing van een perceel wordt door deze regeling gemaximeerd op 5% van het totale perceeloppervlak. In dit geval bedraagt de maximale bebouwingsoppervlakte voor een perceel van 3 hectare 1500 m². Dit maximaal te bebouwen oppervlak dient gezien te worden als compensatie voor de aanleg van 1,5 hectare natuur op hetzelfde perceel. Gezien het eerdere besluit van de gemeenteraad en het feit dat initiatiefnemer heeft aangegeven dat een dergelijk bebouwd oppervlak niet benodigd is voor de uitvoering van het bouwplan van initiatiefnemer, wordt het maximaal te bebouwen oppervlak aangepast naar 3% van het totale perceel. De maximale bebouwingsoppervlakte wordt daardoor berekend op circa 900 m². De voorwaarde dat minimaal 50% van het totale perceel moet worden beplant met opgaand hout, blijft in stand. De regels worden als volgt aangepast: 3.2.4 Landhuizen Voor het bouwen van landhuizen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen landhuizen' gelden de volgende regels: a. Bebouwing is toelaatbaar indien de oppervlakte van een bouwperceel minimaal 2 hectare bedraagt en hiervan minimaal 50% met opgaand hout is beplant; b. De inrichting met 50% opgaand hout is gesitueerd aan de noordzijde van het plangebied conform het beplantingsplan opgenomen in appendix 1 van de regels en dient uiterlijk 1 jaar na oplevering van de woning gerealiseerd te zijn.
De beplanting dient te allen tijde in stand gehouden te worden conform de gestelde beheersmaatregelen in het beplantingsplan; c. De gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen mag niet meer dan 3% van de totale oppervlakte van het perceel bedragen; d. Het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd; e. Bouwen van bijgebouwen is toegestaan op het gehele perceel met inachtneming van het gestelde onder lid c; f. De inhoud van een landhuis mag niet meer dan 750 m³ bedragen; g. De afstand van een landhuis tot de perceelsgrens mag niet minder dan 25 meter bedragen; h. De afstand van aan- en bijgebouwen tot de perceelgrens mag niet minder dan 10 meter bedragen; i. De goothoogte van aan- en bijgebouwen mag niet meer dan 4 meter bedragen. Bouwregels In het bestemmingsplan Buitengebied Hulst is een algemene bouwregel opgenomen over de plaatsing van aan-, uit-, en bijgebouwen op een perceel. Om er voor te zorgen dat er geen andere gebouwen voor het hoofdgebouw worden gerealiseerd, wordt deze regel daarom toegevoegd als artikel 5.2 in de regels: 32.2 Voorgevellijn Gebouwen mogen uitsluitend achter de voorgevellijn worden gebouwd. 8
Bouwvlak De gemeenteraad besloot eerder geen medewerking te verlenen aan het bouwen in de nabijheid van een natuurgebied. Het aanvullend natuuronderzoek toont aan dat er geen nadelige effecten zijn voor het natuurgebied Klein Vogel als gevolg van dit initiatief. Desondanks wordt ook het bouwvlak waarbinnen bouwwerken moeten worden gerealiseerd, aangepast. Het bouwvlak zal aan de westzijde met 10 meter worden verkleind. Het bouwvlak komt daardoor op minimaal 20 meter van de westelijke perceelgrens en dus ook de grens met het natuurgebied te liggen.
Figuur 1. Nieuwe situatie bouwvlak
9