Toelichting
Tekst van het document
TUURDIJK 43 'T GOY bestemmingsplan
T uurdijk 43 't Goy bestemmingsplan
Adviseur Ruimtelijke Ordening mw. mr. M. (Marissa) ten Hagen Projectleider Bouw dhr. ir. A.H. (Anne) van Rossum
Datum: 19-10-2023
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving
3 4 4 4 5 6 8 8 10 16 16 18 24 27 27 34 38 40 43 47 47 47 48
2
T oelichting
3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een herziening van het bestemmingsplan "'t Goy en omgeving" van gemeente Houten ten behoeve van de uitbreiding van Van den Brink B.V. (hierna: initiatiefnemer). In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Initiatiefnemer heeft een fruitteeltbedrijf, met een bedrijfstak als koel-, sorteer- en opslagbedrijf voor diverse fruitsoorten. Als grote speler in de regio en de gemeente Houten, is initiatiefnemer een maatschappelijk gewaarderd ondernemer. Naast het dagelijkse reilen en zeilen van de onderneming, kijkt initiatiefnemer steeds vooruit naar nieuwe duurzaamheidstechnieken en moderne verwerkingsinstallaties. Vanwege de consolidatie van het bedrijf, maar ook toekomstige groei, is besloten tot het uitbreiden van het bestaande bedrijfsgebouw aan de Tuurdijk 43 in 't Goy. Daarvoor zal tevens het tijdelijk vergunde gebruik van koeling aan het Groenedijkje geïntegreerd worden in de nieuwe bedrijfssituatie. Voor het realiseren van de gewenste uitbreiding van het bedrijfsgebouw is in de huidige situatie geen ruimte beschikbaar in het bouwvlak. De gewenste ontwikkeling past daarmee niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan.
Daarom zou het bouwvlak vergroot kunnen worden, zodat de beoogde uitbreiding alsnog plaats kan vinden. Ook is nodig om toestemming voor het vergroten van de bebouwde oppervlakte in dit bouwblok te verzorgen. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan Tuurdijk in 't Goy en ligt aan de zuid-oostelijke kant van Houten in het landelijk gebied van gemeente Houten. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Houten, sectie L, nummers 364, 392 en 442. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
A fb.1: topografische ligging Tuurdijk 43 en secundaire locatie Groenedijkje 7 (bron: Atlas van de Leefomgeving) 4
Afb.2: aanzicht planlocatie vanaf de Beusichemseweg (bron: Google Street View)
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "'t Goy en omgeving" van de gemeente Houten, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 21 juni 2017, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de enkelbestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2 (Gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde)' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de volgende aanduidingen van toepassing: - functieaanduiding 'fruitteelt' - functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - deelgebied paarden 2' - functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - huisvesting werknemers' - functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - koel/opslag/fruitsorteerbedrijf'
5
Afb. 3: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Met de gewenste uitbreiding zou het bouwvlak overschreden worden. Met enkel een vergroting van het bouwvlak zou de maximale bebouwde oppervlakte zoals die in het moederplan gegeven is, overschreden worden. Daarnaast is de verplaatsing van de verharde buitenruimte/kavelpad benodigd. Deze wordt buiten het bouwvlak gesitueerd. Zonder deze verharding ontstaat er een gebrek aan ruimte in draaicirkels en in-en uitrijmogelijkheid voor vrachtwagens in het nieuwe bedrijfsdeel. Hiervoor is in het vigerend bestemmingsplan een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in artikel 3.7.1. Het initiatief voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden. De verharding wordt hydrologisch gecompenseerd in overleg met het waterschap. De verharding wordt landschappelijk ingepast door een elzenhaag. Voor de andere zijden wordt de kistenopslag/kavelpad omsloten door de boomgaard, en is derhalve niet zichtbaar. Hierdoor doet de verharding geen afbreuk aan cultuurhistorische, landschappelijke of andere waarden. De locatie van het verhard oppervlakte is/wordt meegenomen in het archeologisch onderzoek. Hieruit zijn geen bezwaren gebleken. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee bovenal niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan.
Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer, parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en 6
maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
7
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Houten. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarisch landschap. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn hoofdzakelijk agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Op de locatie is momenteel een fruitteelt bedrijf met bedrijfstak als fruitsorterings-, koel- en opslagbedrijf gevestigd. Er worden ook seizoensarbeiders gehuisvest. De nevenactiviteit koelen, sorteren en opslag is dusdanig sterk verwant aan het telen van het fruit, dat dit een aan het buitengebied gebonden activiteit betreft. Van oudsher koelden en sorteerden fruittelers hun eigen producten op eigen locatie. In de loop der jaren zijn een aantal fruittelers zich aan het toeleggen op koel- en opslag en sortering van producten van andere fruittelers. Het is niet voor iedere fruitteler financieel haalbaar om een koel- en sorteringsinstallatie aan te schaffen en te exploiteren. Initiatiefnemer is een duidelijk voorbeeld van deze marktontwikkeling. Initiatiefnemer koelt en sorteert fruit van telers in de gehele regio rondom het 't Goy (en daarbuiten). Daarmee heeft initiatiefnemer een bijzondere positie in de regionale economie.
Het vigerend bestemmingsplan doet recht aan de verwevenheid van de twee bedrijfstakken van initiatiefnemer. Onder de agrarische bestemming is met een speciale functieaanduiding aangegeven dat tevens 'specifieke vorm van bedrijf koel/opslag/fruitsorteerbedrijf': een bedrijf voor koeling en opslag van fruit en andere goederen alsmede voor het sorteren van fruit waarbij maximaal 6.900 m2 van de bedrijfsbebouwing gebruikt mag worden voor koeling en opslag;' gevestigd mag zijn. Een duale structuur onder een bestemmingsomschrijving word binnen het plangebied vaker toegepast. Het brengt de broodnodige flexibiliteit aan in het planologisch kader, waar de fruitteelt als bijzondere vorm van agrarische exploitatie om vraagt. Het zo snel mogelijk na oogst kunnen koelen en verwerken van het product, zorgt voor waardebehoud van het product. Bij telen en verwerken van fruit luistert het controleren en reguleren van temperatuur en luchtvochtigheid ontzettend nauw. Hoe dichter bij de boomgaard, hoe beter de kwaliteit van het product. Zou men voor de transport naar een bedrijventerrein moeten rijden met het product, dan is het risico op kwaliteitsverlies vele malen groter. Kortom, de verwevenheid tussen agrarische productie en voorbereiding/ verwerking is groot. Van de 3.143 m2 uitbreiding bestaat 869 m2 uit koelcellen.
Het op de locatie voorbereiden van het fruit voor verder transport vraagt om de beschikbaarheid van bedrijfsgebouwen ten behoeve van dit doel. Daarom is in het vigerend bestemmingsplan een regeling opgenomen waarbij voor zowel de koelruimten als de sorterings- en opslagruimten voor verschillende bedrijfsgroottes een oppervlakteregeling is gegeven. Deze regeling is ook opgenomen onder de bestemming 'bedrijf' (artikel 4 van het vigerend bestemmingsplan). In de planologische regeling in het vigerend bestemmingsplan is het wel mogelijk een andere bedrijfstak bij de agrarische bestemming te exploiteren, maar niet om een agrarische bedrijfstak bij een algemene bedrijfsbestemming te exploiteren. De onderneming van initiatiefnemer is dan ook een volwaardig agrarisch bedrijf. Immers zou er ook zonder de bedrijfstak van koel- opslag en sortering zelfstandig gedraaid kunnen worden. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan in 2017 is goed gekeken naar welke bestemming aan de planlocatie toegekend zou moeten worden. Voor die vaststelling was er daadwerkelijk sprake van een bestemming 'Bedrijf'. Er is destijds bewust gekozen voor de bestemming 'Agrarisch'. De regeling voor de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- koel/opslag/fruitsorteerbedrijf' bij de agrarische bestemming is speciaal opgenomen voor de locatie van initiatiefnemer.
Er was bij vaststelling van het vigerend bestemmingsplan al duidelijk dat op de planlocatie van initatiefnemer geen 'standaard' agrarisch bedrijf gevestigd is. Techniek en procesverbeteringen in de sector leiden tot een nieuw begrip van wat 'het volwaardig agrarisch karakter' is. Agrarisch ondernemen betekent ook aanverwante activiteiten exploiteren. En in het geval van initiatiefnemer, is dit concreet aan de orde. Er 8
is sprake van agrarische productie in de vorm van fruitteelt en agrarisch aanverwante bedrijfsactiviteiten. Hiervoor is een speciale planologische borging gecreeërd. De plansystematiek laat dan ook zien dat de onderlinge verwevenheid tussen fruitteelt en fruitsortering- koeling en - opslag op deze agrarische locatie duidelijk aanwezig is. De voorgenomen ontwikkeling maakt gebruik van de eerder vastgestelde planologische regeling voor het maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Daarmee sluit zij aan bij de ontwikkelingsrichting die het moederplan geeft. Ter plaatse is voor de activiteiten een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,14 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
Afb. 4: Luchtfoto huidige situatie ter plaatse (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
9
2.2
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de bestaande bedrijfsbebouwing uit te breiden met een extra kap. Het bouwvlak ter plaatse is niet groot genoeg om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak ter plaatse te vergroten naar circa 1,44 hectare. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 Situatietekening op schaal bij deze toelichting opgenomen. Het verleggen van de erfverharding valt daarmee buiten het bouwvlak.
Afb. 5: Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies. 10
2.2.2 Toelichting op de noodzaak Door marktvraag is er meer ruimte nodig voor het geconditioneerd wegzetten van gesorteerd fruit waar extra koelcellen voor nodig zijn. Een deel van de bestaande koelcellen vervalt daardoor voor de lange bewaring. In de nieuwbouw is het gewenst hiervoor vervanging te realiseren. Zowel koeling als sortering worden steeds vaker gecentraliseerd, zodat op één locatie de meest geavanceerde techniek kan worden gebruikt, zowel voor sortering (maat, kleur, uitwendige kwaliteit en inwendige kwaliteit) als voor koeling (box-in-box voor minimaal bewaar- en vochtverlies, meest duurzame koudemiddel voor een laag energieverbruik, een optimale kwaliteitsbewaking en vakkundige begeleiding van het product voor minimalisering van voedselverspilling). Door concentraties van supermarkten (onlangs weer door fusie van Coop en Plus) is er steeds vaker de eis dat een totaalpakket van vers fruit in één trailer wordt aangevoerd. De meeste fruittelers in de Kromme Rijnstreek hebben zich uitsluitend toegelegd op de teelt. Van den Brink B.V. vervult voor hen de rol voor het onder optimale condities opslaan, sorteren en afzetten van hun appels en peren. Door deze uitbreiding zal de noodzaak voor uitbreiding bij deze fruittelers minder worden.
Door marktvraag is een vergroting van de sorteerruimte nodig, die alleen kan worden gerealiseerd door deze aan de achterzijde te verbreden. Doordat steeds meer fruit in kleine verpakkingen wordt verpakt, is hier meer ruimte voor nodig. De huidige sorteerlijn blijft dan op de huidige plaats staan en krijgt aan de zijde van deze nieuwbouw ook uitgangen en afraapbanden. Een deel van de bestaande afraapbanden van de bestaande sorteerlijn vervalt dan op de huidige plaats en in plaats hiervan komt een lijn met automatische kistenvullers. Op deze manier kan de sorteerlijn worden gebruikt voor het voorsorteren in de oogstperiode en voor het sorteren van de mindere kwaliteiten met een veel lagere kostprijs. Ook is een vergroting van de sorteerruimte nodig voor extra wegzetruimte van kleinfust voor de sortering, pallets en lege kisten. Vanwege voedselveiligheidseisen stellen steeds meer afnemers de eis dat kisten en pallets binnen worden opgeslagen om vervuiling door vogels of knaagdieren te voorkomen. Ook komt er steeds meer kartonverpakking. Dit moet droog worden opgeslagen en neemt meer ruimte in beslag. Het is voor een efficiënte bedrijfsvoering gewenst dat zoveel mogelijk bedrijfsactiviteiten op één locatie worden geconcentreerd.
Ook is het belangrijk dat voor behoud van personeel de locatie goed georganiseerd is, er goede arbeidsomstandigheden worden gecreëerd en er voor de seizoensarbeiders hoogwaardige huisvesting wordt verzorgd. Van den Brink B.V. heeft nu in totaal 26 mensen (16,8 fte) in dienst. Na realisatie van dit nieuwbouwplan zullen zij op of vanuit de locatie Tuurdijk 43 in 't Goy werken en kan dit aantal op termijn doorgroeien naar 25-30 fte. Bij de uitbreiding van het bedrijfsgebouw, moet de huidige verharding aan de zuidzijde wijken. Deze ruimte blijft echter wel benodigd, om (lege) kisten tijdelijk een plek te kunnen geven. Daarom worden de betonplaten die nu naast het bedrijfsgebouw liggen verplaatst naar de zuidoostelijke zijde, met een gemengd gebruik als kavelpad. Ook wordt dit een veilige plaats waar de tractoren die de boomgaard in- en uitrijden, zichzelf kunnen keren. 2.2.3 Duurzaamheid Duurzaamheid is bij Van den Brink B.V. een vaste overweging binnen de bedrijfsvoering. De nieuwe koelruimtes zijn zo efficiënt en duurzaam ontwikkeld, dat zij een goede bijdrage leveren aan de uitvoering van het duurzaamheidsbeleid van initiatiefneemster. Dit blijkt uit de volgende aspecten: 1.Door box-in-box bouwen zijn de koelcellen extra zwaar geïsoleerd en wordt het aantal koelacties in de koelcellen drastisch beperkt.
Door minder koelacties behoudt het bewaarde product veel beter zijn kwaliteit. 2.Door gebruik van natuurlijke koudemiddelen wordt het energieverbruik aanzienlijk beperkt t.o.v. de traditionele freon als koudemiddel. 3.Zowel fysiek als middels een scala aan apparatuur vindt er maximale kwaliteitsbewaking plaats; kwaliteitsverlies en daarmee voedselverspilling wordt fors tegengegaan. Van den Brink B.V. zal deze technieken in bouw en uitvoering ook bij de realisatie van de gewenste uitbreiding toepassen. 11
4. Door geïsoleerde laaddocks wordt ook in de laatste transportfase energie- en kwaliteitsverlies maximaal tegengegaan. 5.De warmte die vrijkomt uit de koeling wordt benut voor het verwarmen van het tapwater in de personele ruimtes en voor vloerverwarming hiervan en in de docks. 6.Proceswater van de sortering wordt hergebruikt. 7.Alle verlichting is energiezuinige ledverlichting. 8.Alle dakvlakken die geschikt zijn, worden voorzien van zonnepanelen. Ook op de nieuwbouw worden dus zonnepanelen gelegd. 2.2.4 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Door de compacte bebouwing is er relatief weinig ruimte over voor extra inpassing met groen.In de huidige situatie is het plangebied al ingebed met groene elementen. Het plangebied is deels omsloten door de eigen fruitboomgaard. De hoogte van de fruitboomgaard en de hagelnetten is 4,75 meter boven maaiveld, waarmee veel zicht op oogniveau wordt onttrokken. Aan de andere zijden is weiland of openbare weg gelegen. * Aan de noordzijde is het bedrijfsgebouw binnen het plangebied vanaf de Beusichemseweg voor een strook van circa 120 meter zichtbaar.
Voor het overige deel is het aanzicht verzacht door de dichte groene elshaag die de boomgaard inpast (afb. 6). * Aan de westzijde wordt het zicht op het bedrijfsgebouw grotendeels weggenomen door de bebouwing van Tuurdijk nr. 37/39 en de wegbeplanting aan de Tuurdijk (afb. 7). De nieuwe kap vormt daarin geen grote verandering in het zicht. Het aanzicht korter bij is beduidend anders. De strook naast het bedrijfsgebouw heeft initiatiefnemer destijds van een derde gekocht. Daarbij is hij private verplichtingen aangegaan die het vrij gebruik van deze strook belemmeren. Deze strook mag alleen gebruikt worden voor calameiten en incidentele (gevel)-onderhoudswerkzaamheden. Dit is ook de route die vrij moet blijven voor toegang van brandweer en andere hulpdiensten. Daarom kan er geen extra aanplant op de westzijde worden gerealiseerd, zonder de calamiteitenfunctie te verminderen. * Aan de oostzijde wordt het plangebied ingekleed door eigen boomgaard. Om te verzekeren dat een toekomstige herontwikkeling van deze locatie naar een andere agarisch type bedrijf of aanpassing in teelt deze manier van inpassing zou komen te vervallen, wordt er in de planregels geborgd dat er aan de oosten zuidoostkant minimaal 3 rijen fruitbomen behouden of herplant moeten worden bij een dergelijke ontwikkeling. Dit zal gebeuren op basis van onderstaande tekening:
12
Afb. 6: locatie behouden fruitaanplant/ herplant 3 rijen Bron: provincie Utrecht * Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrenst door de Tuurdijk zelf. Aan de voorzijde van de bedrijfsbebouwing zijn groene elementen aanwezig om het aanzicht te verzachten. Omdat er wordt aangesloten op de bestaande bouwhoogtes en lengtes, komen er geen uitspringende delen buiten de bestaande contour. Door reeds aanwezige wegbeplanting en boomgaard is de uitbreiding niet overduidelijk zichtbaar.
13
Afb.7: bestaande coniferenhaag in beeld vanaf Beusichemseweg Bron: Google Earth
Afb. 8a
Afb. 8b Aanzichten vanaf positie ong. Tuurdijk 16 Bron: Google Earth Noordzijde De bestaande coniferenhaag (afb.6) kan niet gehandhaafd blijven. Het is wél mogelijk om op onderstaande plaats een deel van de elzenhaag te planten aan een zijde van de kistenopslag/kavelpad, om inkijk middels schuine zichtlijnen vanaf de Beuschemseweg te verminderen.
14
Afb. 9: terugkerende elzenhaag op situatietekening Bron: DLV Advies Ten aanzien van de landschappelijke inpassing is op grond van bovenstaande de bestaande groen ingeklede structuur over te nemen, waarbij op de schuine zichtlijnen de coniferenhaag kan terugkeren.
15
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer moeten worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 16
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro 17
vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van de ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en/of andere stedelijke voorzieningen. Op basis van de definitie voor een stedelijke ontwikkeling is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De provincie Utrecht heeft op 10 maart 2021 de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de visie van de provincie op het ruimtelijk beleid in hoofdlijnen en biedt de kaders voor de verdere beleidsontwikkelingen. In de omgevingsvisie wordt verwoord welke doelen de provincie voor ogen heeft voor het jaar 2050. De provincie wil met name inzetten op het mooi en leefbaar houden van de provincie en tegelijkertijd ruimte te bieden aan ontwikkelingen. Om dit te bereiken streeft de provincie naar een aanpak van combineren en concentreren. Dit wil de provincie bereiken door de beschikbare ruimte zoveel mogelijk op meerdere manieren te gebruiken. Verder is het vergroten van de duurzaamheid een belangrijke ambitie van de provincie. Daarbij wil de provincie echter wel inspelen op wat specifieke gebieden nodig hebben. Zo heeft de provincie voor het landelijk gebied voornamelijk de doelstelling het behouden van de vitaliteit van de kleine kernen, het tegengaan van bodemdaling en de verduurzaming van de landbouw. De visie stelt zeven beleidsthema's centraal, namelijk: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Stad en land gezond; Klimaatbestendig en waterrobuust; Duurzame energie; Vitale steden en dorpen; Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; Levend landschap, erfgoed en cultuur; Toekomstbestendige natuur en landbouw.
1. Stad en land gezond De provincie streeft naar een gezonde en veilige leefomgeving. Dit houdt in dat de milieukwaliteit goed is, de veiligheid is gewaarborgd, bewegen wordt gestimuleerd, er voldoende mogelijkheden voor ontspanning en ontmoeting zijn en dat iedereen meedoet (participatie). Concreet wil de provincie hierbij inzetten op het terugdringen van de geluidshinder op gevoelige objecten, het realiseren en behouden van voldoende 18
stiltegebieden, het beperken van risico's van opslag en transport van gevaarlijke stoffen en van straling door hoogspanningslijnen, het beperken van geurhinder, lichthinder en geluidshinder door industriële bedrijven en het streven naar het voldoen aan de streefwaarden voor luchtkwaliteit en geluid vanuit de World Health Organisation (WHO). Daarnaast streeft de provincie naar het in gelijke tred ontwikkelen van het (recreatie)groen met de verstedelijkingsopgave. Dit houdt in dat het aanbod van de toeristisch-recreatieve voorzieningen en routes in de provincie goed aansluit op de behoeften van zowel de inwoners als de bezoekers en daarbij duurzaam, goed bereikbaar en toegankelijk is. Concreet streeft de provincie hierbij naar het optimaal benutten en beleven van recreatiezones en recreatieterreinen voor bezoekers en inwoners, het waar mogelijk uitbreiden van de recreatiezones en recreatieterreinen, de verdere ontwikkeling naar een duurzame vrijetijdseconomie en voldoende vitale vakantieparken en/of recreatiewoningen voor verblijfsrecreatie. Toetsing: Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van koeling, opslag en sortering van fruit. De bedrijfsvoering met aanwezige koelsystemen is op alle punten gecertificeerd, voldoet aan de wettelijke vereisten en is onderworpen aan reguliere operationele checks.
Daarmee voldoet het bedrijf van initiatiefnemer aan de vereisten van een gezonde en veilige leefomgeving. 2. Klimaatbestendig en waterrobuust De provincie streeft naar een blijvend robuust en veerkrachtig bodem- en watersysteem, waarbij dit beter kan omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte. Daarbij dienen de ondergrond en het bodem- en watersysteem duurzaam te worden gebruikt, waarbij het gebruik en de functies van de ondergrond en het bodem- en watersysteem in samenhang met de bovengrondse opgaven worden bekeken, zodat de juiste functie op de juiste plek ligt. Concreet betekent dit dat wordt gezocht naar een veilige en verantwoorde manier om de duurzame energie die het bodem- en watersysteem levert zo optimaal mogelijk te benutten, dat nieuwe opkomende stoffen, zoals medicijnresten, microplastics en PFAS, in het grond- en oppervlaktewater een integraal onderdeel van het waterkwaliteitsbeleid zijn, dat er altijd voldoende en schoon drinkwater is, zelfs wanneer zich een extreme groei van de drinkwatervraag zou voordoen en dat wordt voldaan aan de doelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW-doelen). Daarnaast streeft de provincie naar een klimaatbestendige en waterveilige inrichting van het provinciale grondgebied. Daarbij wordt ingezet op een aantrekkelijke en toekomstbestendige dijk en omgeving langs de Nederrijn en Lek.
Toetsing: De voorgenomen ontwikkeling is een uitbreiding van de bestaande bedrijfsvoering. Er wordt hoofdzakelijk uitgebreid op reeds verhard terrein. Daarmee zijn er weinig risico's voor waterstand en klimaat te verwachten. 3. Duurzame energie De provincie streeft er naar om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk in 2050 geheel CO2-neutraal te zijn. Daarbij wil de provincie inzetten op het hernieuwbaar opwekken van het elektriciteitsgebruik in de provincie. Streven is om in 2030 al voor minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik duurzaam en hernieuwbaar op te wekken, waarbij een bijdrage wordt geleverd aan onder andere de Regionale Energiestrategieën om aan de afspraken in het nationale Klimaatakkoord te voldoen en waarbij geschikte daken zoveel mogelijk worden benut voor het opwekken van duurzame energie en/of klimaatadaptatie. De doelstellingen van de provincie houden in dat zowel energiebesparing als het opwekken van duurzame energie zoveel mogelijk bevorderd dient te worden.
19
Toetsing: Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de nieuwe dakkappen bekleed met zonnepanelen. De bestaande daken zijn reeds volgelegd met zonnepanelen. Hiermee voorziet initiatiefnemer in eigen energiebehoefte. Het initiatief sluit aan bij het beleid dat de omgevingsvisie voorstaat. 4. Vitale steden en dorpen In het kader van vitale steden en dorpen streeft de provincie naar een duurzaam, gezond en divers woonen leefklimaat. Daarbij wordt ingezet op circulaire en energieneutrale woningen of woonwijken, het behoud en de versterking van de inclusiviteit van de Utrechtse samenleving, zodat alle inwoners kunnen wonen, werken of ontmoeten, dat iedereen kan beschikken over passende woonruimte, het behoud en de versterking van de kwaliteit van de woonomgeving en dat alle nieuwbouw in de provincie Utrecht 50% minder primaire abiotische grondstoffen gebruikt. Daarnaast streeft de provincie naar een duurzame en circulaire economie. Daarbij zet de provincie in op het behoud van het goede economische vestigingsklimaat en levendige stads-, dorps- en wijkcentra, met een bij de behoefte passend aanbod van winkels en andere voorzieningen. Toetsing: De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het buitengebeid en is daarmee beleidsneutraal ten opzichte van dit uitgangspunt. 5.
Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar De provincie streeft naar een goede bereikbaarheid per fiets, openbaar vervoer en auto in een gezonde en verkeersveilige omgeving. Daarbij wil de provincie dat alle belangrijke nieuwe en bestaande woon- en werklocaties en sociaal-recreatieve voorzieningen binnen de provincie op een ruimte-efficiënte, duurzame, gezonde en veilige manier bereikbaar zijn. Daarnaast wil de provincie dat de locaties voor wonen, werken en ontmoeten en de bereikbaarheid in onderlinge samenhang, en in samenhang met andere aspecten zoals energie, klimaat, natuur en recreatie zijn afgestemd. Daarbij worden nieuwe grootschalige stedelijke ontwikkelingen in de directe nabijheid van (hoogwaardig OV-) knooppunten gerealiseerd.
Verder wil de provincie een duurzaam en veilig mobiliteitssysteem ontwikkelen, een regionale OV-ring rond de stad Utrecht, met goede verbindingen richting Amersfoort, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en het Zuiden realiseren, dat alle belangrijke werklocaties, middelbare scholen en knooppunten veilig, comfortabel en snel bereikbaar zijn per fiets, de eerste zeven snelfietsroutes realiseren, het openbaar vervoer zero-emissie maken en een impuls geven aan ander zero-emissie vervoer, de routering van gevaarlijke stoffen in de bebouwde kom beperken, de toename van risico's voor mensen in de meest risicovolle zone rond stationslocaties en langs wegen beperkt wordt en het beter benutten van de bestaande vaarwegen en een transitie naar duurzamer vervoer over land. Toetsing: Met de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen op de Tuurdijk niet onevenredig toenemen. Daarmee levert de voorgenomen ontwikkeling geen extra druk op de veiligheid en mobiliteit rondom de planlocatie. 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur De provincie streeft er naar dat bij ontwikkelingen is voortgebouwd op de kernkwaliteiten van de karakteristieke landschappen. Daarbij vertellen bestaande en nieuwe aardkundige monumenten het verhaal van het aardkundig erfgoed en dragen deze bij aan de recreatieve beleving van het landschap. In de 20
provincie Utrecht zijn vijf karakteristieke landschappen te onderscheiden met elk eigen kwaliteiten die mede richting geven aan de daarin gelegen en omliggende functies en hun ontwikkelingsmogelijkheden. Toetsing: De planlocatie is gelegen in het landschap Rivierengebied. Daarvoor zijn kernwaarden vastgesteld. De voorgenomen ontwikkeling tast deze kernwaarden niet aan. 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw De provincie streeft naar een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteit. Dat houdt in dat zij streven naar een gunstige staat van instandhouding van beschermde en bedreigde flora en fauna en een toename van de biodoversiteit zowel binnen als buiten het Natuurnetwerk Nederland. De provincie wil dat de natuur een hoge belevingswaarde heeft en wil in totaal ongeveer 3.000 hectare natuur in de Groene contour realiseren en toevoegen aan het Natuurnerwerk Nederland. Alle nieuwe natuur die nog nodig is voor het Natuurnetwerk Nederland heeft daarbij de functie natuur en is met hoogwaardige natuur ingericht. Daarnaast streeft de provincie naar een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk zijn (kringlooplandbouw), en dicht bij de inwoners staan. Daarbij worden de nutriëntenkringlopen op het laagst mogelijke niveau gesloten.
Verder wil de provincie dat de agrarische sector zelfvoorzienend is in energie en daarnaast deels als groene energieproducent opereert voor derden. Verder is het behoud van het agrarisch cultuurlandschap dat toegankelijk en aantrekkelijk is om in te recreëren van belang. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van een koel- en opslagruimte voor fruit. De initiatiefnemer wil bijdragen aan de transitie naar een duurzame landbouw. Daarom wil de initiatiefnemer een zogenaamd 'ultra low oxygen'- koelsysteem installeren. Dit koelsysteem reduceert de energiebehoefte en zorgt ervoor dat het fruit gedurende langere tijd houdbaar blijft. Daarnaast wil initiatiefnemer het gehele bedrijfsgebouw extra isoleren middels het aanbrengen van sandwich-beplating aan de wanden van het gebouw en andere moderne bouwprincipes met grotere isolatiewaarde. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidsuitgangspunten zoals verwoordt in de Omgevingsvisie provincie Utrecht.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft de provincie Utrecht de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie provincie Utrecht naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. 3.2.2.1 Landschap Rivierengebied Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de ligging in het Rivierengebied. In de verordening zijn in artikel 7.9 specifieke regels opgenomen voor het landschap. Deze luiden als volgt: "Artikel 7.9 Instructieregel landschap 1. Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 21
3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. Toetsing: Voor het landschap Rivierengebied wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden: 1. 2. 3. 4.
schaalcontrast van zeer open naar besloten; samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom; samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier; de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van Rivierengebied verschillende accenten. Bij ontwikkelingen in het landschap van het Rivierengebied staat het waarborgen en ontwikkelen van de eigen identiteiten van de vijf deelgebieden centraal. Dit richt zich zowel op het goed tot uiting komen van de karakteristieke kenmerken langs de centrale ruggengraat, als van de geleidelijke overgangen tussen de deelgebieden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van een koel- en opslagruimte voor fruit. Dit betreft een relatief kleinschalige ontwikkeling waardoor er geen sprake is van aantasting van de kernkwaliteiten van het Rivierengebied landschap.
3.2.2.2 Agrarische bedrijven Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de ontwikkeling van een agrarisch bedrijf. In de verordening zijn in artikel 8.1 specifieke regels opgenomen voor agrarische bedrijven. Deze luiden als volgt: "Artikel 8.1 Instructieregel agrarische bedrijven 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat geen bestemmingen en regels die voorzien in: a. nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden landbouwbedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en b. een omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden veehouderij. 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat bestemmingen en regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal één bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing: b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid. 4. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan bestemmingen en regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten; b. de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel; c. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en 22
d. omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing." Toetsing: Ad. artikel 8.1, lid 1: Vanuit dit lid geldt een verbod op nieuwe agrarische bouwpercelen en op de omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een niet-grondgebonden veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een nieuw bouwperceel en geen sprake van een omschakeling naar een niet-grondgebonden veehouderij. Ad. artikel 8.1, lid 2: Vanuit dit lid mogen agrarische bouwpercelen maximaal 1,5 hectare groot zijn, mag per bouwperceel slechts één bedrijfswoning aanwezig zijn en mag in bedrijfsgebouwen maximaal één bouwlaag worden gebruikt voor het stallen van dieren. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van de vergroting van een bestaand bouwperceel. De ontwikkeling voorziet in het buiten het bouwvlak realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw. Vanwege het ontbreken van een actueel digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan is de exacte omvang van het bouwvperceel niet te bepalen. Wel kan gesteld worden dat het totale bouwperceel niet groter is dan 1,5 hectare. Er is daarmee geen sprake van een bouwperceel van meer dan 1,5 hectare.
Verder zijn op de locatie een bestaande en legale bedrijfswoning aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op de realisatie van een nieuwe of extra bedrijfswoning. Ten slotte is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het stallen van dieren op meer dan één bouwlaag. Ad. artikel 8.1, lid 3: Op basis van dit lid kan onder voorwaarden een bouwperceel van meer dan 1,5 hectare worden toegestaan tot een maximale omvang van 2,5 hectare. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bouwperceel van meer dan 1,5 hectare. Toepassing aan dit lid is dan ook niet van toepassing. Ad. artikel 8.1, lid 4: Op basis van dit lid kunnen onder voorwaarden nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven worden toegestaan. Hierbij geldt dat de nevenactiviteiten ondergeschikt moeten zijn aan de agrarische bedrijfsvoering, de nevenactiviteiten plaats moeten vinden binnen een bestaand bouwperceel, de erfinrichting en bebouwing goed inpasbaar moeten zijn en dat omliggende bedrijven niet in de ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het uitvoeren van nevenactiviteiten. Toepassing aan dit lid is dan ook niet van toepassing. Ad. artikel 8.1, lid 5: Uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Voor de beeldkwaliteitsparagraaf wordt verwezen naar paragraaf 'gewenste situatie'.
3.2.2.3 Conclusie Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht van de provincie Utrecht. 23
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Kromme Rijngebied De gemeente Houten heeft samen met gemeentes Bunnik en Wijk bij Duurstede op 21 maart 2017 de omgevingsvisie Kromme Rijngebied vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeentes op hoofdlijnen met een doorkijk naar verschillende beleidsterreinen. De omgevingsvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. De omgevingsvisie kijkt naar hoofdthema's die spelen in het buitengebied. Dit zijn landbouw, toerisme en recreatie, vrijkomende agrarische gebouwen, wegen en bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, (duurzame) energie en gezondheid. Op al deze thema's past de omgevingsvisie een sturingsfilosie toe. Niet de overheid staat centraal, maar een moderne aanpak die ziet op samenwerking tussen burgers, georganiseerde samenleving en de overheid. Daarin spelen ook de onderlinge samenwerkingen tussen overheden een rol. Eén initiatief heeft meerdere raakvlakken voor gemeente, provincie en waterschap. Wanneer de omgevingsvisie duidelijk de doelen van deze partijen communiceert, kan de burger en georganiseerde samenleving zelf haar positie bepalen en initiatieven ontwikkelen. Daarom is gekozen voor onderstaande opzet voor het communiceren van de kwaliteiten en doelen.
De omgevingsvisie Kromme Rijngebied deelt het gebied rondom de Kromme Rijn in in zes deelgebieden. Voor elk deelgebied zijn kwaliteiten en uitgangspunten opgesteld. De zes gebieden zijn: 1. Nieuwe Hollandse Waterlinie 2. Landbouwgebied oeverwallen 3. Kromme Rijn 4. Kastelenstrook Langbroekerwetering 5. Essenhakhoutstrook Langbroekerwetering 6. Lekdijk, Rijndijk en uiterwaarden Het initiatief aan de Tuurdijk is gelegen in deelgebied 'Landbouwgebied oeverwallen'. Daarvoor gelden de volgende speciale kwaliteiten en aandachtspunten: Boomgaarden, zowel de overgebleven hoogstamboomgaarden als de moderne boomgaarden maken deel uit van deze kwaliteit; Grote open ruimtes; Sfeer van het landelijk gebied; Bochtige wegen; Relicten Limes, Fort Feccio, restanten van Dorestad; De landgoederenreeks op de westrand van het oeverwallengebied, bestaande uit de Wickenburg en Heemstede en uit de locaties van Ten Goye, Schonauwen en Wulven (Schonauwen en Heemstede buiten plangebied); Enkele bijzondere objecten in het gebied: Watertoren, Priorij in Werkhoven; Historische boerderijen; Restanten van oude rivierlopen; Afwisselend karakter met haar oevers en stroomruggen door agrarisch gebruik, begeleidende beplantingen, natuuroevers,nevengeulen, bosjes en kernen; Karakteristiek bebouwings-en ontginningslint. Toetsing Het initiatief verzorgt de realisatie van een aanbouw aan het bestaande bedrijfsgebouw.
Deze uitbouw is ontworpen voor maximale aansluiting op de bestaande bebouwing, waardoor geen groter object in het zicht zal komen te staan. De open uitzichten vanaf met name de Beusichemseweg worden daarmee minimaal beïnvloed. Ook is er extra aandacht voor een groene inpassing, zodat voor het oog van de kijker 24
de overgang tussen bebouwing en los land wordt verzacht. De cultuurhistorische waarden in het deelgebied worden niet beïnvloedt door de voorgenomen ontwikkeling. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de omgevingsvisie van gemeente Houten.
3.3.2
Beleidsnotitie 'het Houtens DNA'
Voor deze beleidsnotitie heeft de gemeente Houten onderzocht wat nu eigenlijk aan te merken is als 'typisch Houtens', om deze kernwaarden goed te kunnen borgen en stimuleren op de verschillende beleidsterreinen in het fysieke domein. Met het beleidskader wordt ervoor gezorgd dat de gemeente Houten een fijn en herkenbare gemeente blijft om te wonen, te werken en te recreëren. Er zijn 10 kernwaarden ontwikkeld waaruit het Houtens DNA is opgebouwd. Voor elke kernwaarde zijn richtinggevende De 10 kernwaarden van het Houtens DNA zijn: * Groen omarmd en groen omringd - omgekeerd ontwerpen ; * Houtense fietsstructuur - gezonde mobiliteit ; * Auto anders - trein prominent aanwezig; * Buurten met een eigen identiteit - menselijke maat; * Dorps karakter - bouwen aan gemeenten; * Krachtige betrokkken samenleving - inwonersparticipatie; * Voorzieningen - sociaal en stedelijk; * Ondernemerschap - inventief en duurzaam; * Mulitdisciplinair ontwerpen - van begin tot eind; * Regie nemen - samen optrekken. Voor het voorliggend initiatief is met name de waarde 'Ondernemerschap - inventief en duurzaam' duidelijk herkenbaar aanwezig. De richtingevende aanbeveling is dat de gemeente Houten ruimte biedt aan vormen van ondernemerschap die lokaal, agrarisch en innovatief zijn. Voor initiatiefnemer staat duurzaamheid voorop bij elke bedrijfsontwikkeling.
Dit is terug te zien in keuzes ten aanzien van technische installaties, zelfvoorziening in stroombehoefte met zonnepanelen op alle daken, de meest energiezuinige koelsystemen en koelmiddelen. Initiatiefnemer gaat niet slechts met de tijd mee, maar loopt het liefst voorop. Vanwege de gunstige marktpositie krijgt initiatiefnemer ook kansen die kleinere agrarisch ondernemers niet altijd kunnen krijgen ten aanzien van het verkrijgen en realiseren van moderne bedrijfsmiddelen. De opgedane kennis en ervaring deelt initiatiefnemer met (lokale) beleidsmakers en andere geïnteresseerden. In de nieuwe ruimte bij de onderneming komen nieuwe technische installaties die vooruitstrevend en duurzaam ontwikkeld zijn. Kortom, het initiatief sluit aan bij de kernwaarde Ondernemerschap in het Houtens DNA.
25
3.3.3 Klimaatadaptatieplan Houten 2022-2027 De gemeente Houten heeft in het Klimaatadaptatieplan Houten 2022-2027 verschillende analyses en speerpunten opgenomen ten aanzien van verscheidene aspecten van klimaat, namelijk water, droogte en hitte. Dit klimaatadaptatieplan is met name gericht op doelen en speerpunten voor het stedelijk gebied. Het klimaatadaptatieplan onderkent dat het buitengebied een belangrijk onderdeel van de gemeentegronden beslaat. Andere partijen zoals het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, Provincie en andere organisaties zijn samen met de gemeente aan het werk met een klimaatadaptatieplan dat meer gericht is op het buitengebied. De reeds bestaande kaders zoals compenseren van verhard oppervlakte met nieuwe waterberging komt in de paragraaf 'Water' al verder aan de orde. Onderdeel van het klimaatadaptatieplan is ook het Energieplan 2040. Hierin beschrijft Houten denkrichtingen en concrete stappen die worden genomen om in 2040 energieneutraal te zijn in de gehele gemeente. Een belangrijk onderdeel van het Energieplan is om energie op te wekken via zonnepanelen op grote daken. De bestaande daken van het bedrijf van initiatiefnemer liggen al vol met zonnepanelen. Ook het dak van de nieuwbouw zal voorzien worden van zonnepanelen. Daarmee onderschrijft het initiatief ook de uitvoering van het Energieplan.
26
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.
In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Gezien de aard van het gebied waarin het plangebied is gelegen en de menging van functies daarin, kan het gebied waarin het plangebied is gelegen worden beschouwd als een 'gemengd gebied'. Dit houdt in dat voor wat betreft de richtafstanden uit de VNG handreiking één stap terug gedaan mag worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een bedrijfsgebouw ten behoeve van fruitteelt. Ten aanzien van bedrijfsgebouwen voor fruitteelt zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object (Tuurdijk 45 en Tuurdijk 47) bevindt zich op een afstand van ongeveer 51 meter (gemeten van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gezien het voorgaande zullen geen van de omliggende bedrijven en/of functies onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. 27