Quickscan Wet natuurbescherming Binnenweg en Rietdijk Houten WBNA2328 Definitief
Tekst van het document
QUICKSCAN BINNENWEG EN RIETDIJK TE HOUTEN Eindrapport
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 27-3-2024
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Witteveen + Bos Dhr. R.R.E. Derby BSc. Postbus 58948 2508 CP Den Haag +31 (0)6 81 37 14 94 rosano.derby@witteveenbos.com
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
ing. E. Vinke
Auteur: Kwaliteitscontrole:
D.Y. Sallé MSc. A.J. Bik MSc.
Projectcode: Status: Datum:
WBNA2328 Definitief 27-3-2024
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
SAMENVATTING
De initiatiefnemer is voornemens bebouwing te realiseren en het overgebleven groen te herinrichten op het grasland tussen de Binnenweg en de Rietdijk te Houten. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. In het projectgebied is potentieel land- en / of voortplantingsbiotoop aanwezig voor de heikikker, kamsalamander, ringslang, poelkikker en de rugstreeppad. In het struweel onder de boom langs de watergang is een potentiële verblijfplaats van de steenmarter aanwezig. Boven het veld en langs de bomen kunnen foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. In de watergang en op de oevers zijn mogelijk verblijfplaatsen van de waterspitsmuis en leefgebied van de gewone modderkruiper en de platte schijfhoren aanwezig. In het projectgebied komen mogelijk algemene broedvogels voor die in het projectgebied kunnen broeden binnen de periode maart – augustus. Overige beschermde functies van flora en fauna worden door het ontbreken van potentieel habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten.
Tijdens de realisatiefase kunnen de activiteiten van de bouwsector leiden tot een toename in stikstofemissie. In de gebruiksfase kan de verwarming van de woningen en de toename in het aantal verkeersbewegingen mogelijk leiden tot een significante toename in stikstofemissie. Potentiële negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie als gevolg van de realisatie- en gebruiksfase kunnen op voorhand niet uitgesloten worden. Een berekening met behulp van de ‘AERIUS Calculator’ kan uitsluitsel geven of de werkzaamheden een effect hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er vinden mogelijk kapwerkzaamheden plaats. Er zijn in het projectgebied onvoldoende bomen aanwezig om een houtopstand te vormen. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. Het is aan te bevelen aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de heikikker, ringslang, rugstreeppad eb de steenmarter in het projectgebied uit te voeren. Het is aan te bevelen het grondverzet binnen de paartijd van de kamsalamander (april – juli) en de poelkikker (mei – september) plaats te laten vinden. Aangezien de kamsalamander en de poelkikker in de paartijd niet in het landbiotoop aanwezig zijn.
Indien buiten de paartijd van de kamsalamander en de poelkikker gewerkt wordt dient aanvullend onderzoek naar de kamsalamander en de poelkikker uitgevoerd te worden. Indien er werkzaamheden aan de oevers of de watergangen plaatsvindt is aanvullend onderzoek naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en de waterspitsmuis aan te bevelen. Daarnaast dient er ook in de paartijd aanvullend onderzoek naar de kamsalamander en de poelkikker uitgevoerd te worden. Om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen, dient het gebruik van additionele, nachtelijke verlichting tijdens de actieve periode van vleermuizen (april – oktober) te worden geminimaliseerd. Indien additionele verlichting noodzakelijk is, dient gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting en / of een richtarmatuur om strooilicht naar de omgeving te voorkomen. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaats te laten vinden. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.
Tijdens het verwijderen van groen en grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. 3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 6 1.2.3 Houtopstanden ........................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 7 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 8 Projectgebied ................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen............................................................................................................................... 8
3 Soortbescherming ............................................................................................................................ 9 3.1 Bronnenonderzoek......................................................................................................................... 9 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................... 9 3.2.1 Vleermuizen................................................................................................................................ 9 3.2.2 Landzoogdieren .......................................................................................................................... 9 3.2.3 Vogels....................................................................................................................................... 10 3.2.4 Amfibieën.................................................................................................................................. 11 3.2.5 Reptielen .................................................................................................................................. 11 3.2.6 Vissen .......................................................................................................................................
12 3.2.7 Ongewervelden ........................................................................................................................ 12 3.2.8 Vaatplanten .............................................................................................................................. 13 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 14 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 14 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 14 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 16 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 16 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 16 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 17 4 4.1
Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 18 Effecten ........................................................................................................................................ 18
5
Houtopstanden ............................................................................................................................... 19
6 6.1 6.2
Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 20 Conclusies ................................................................................................................................... 20 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 20
7
Literatuur......................................................................................................................................... 22
Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 23 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 24 Bijlage 3: Kaart resultaten habitatscan ..................................................................................................... 26
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens bebouwing te realiseren en het overgebleven groen te herinrichten op het grasland tussen de Binnenweg en de Rietdijk te Houten. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden mogelijk kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden aan dit rapport toegevoegd.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
HOUTOPSTANDEN
Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.
1.2.4
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Houten in de kilometerhokken: X: 141 / Y: 448 & 449 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied betreft een voormalige fruitboomgaard. Tegenwoordig is het projectgebied een grasveld met een aantal bomen. In het noordelijke deel van het projectgebied is een bomenrij aanwezig bestaande uit 15 bomen. In de noordoostpunt van het projectgebied staan twee wilgen. Ten zuiden van de bebouwing van Binnenweg 15 en 15a net buiten het projectgebied staat één enkele boom. De rest van het projectgebied bestaat uit grasland met hoofdzakelijk Engels raaigras, gestreepte witbol en clusters ridderzuring. Aan de oostkant wordt het projectgebied begrensd door een watergang. Langs de watergang zijn groeiplaatsen van riet en enkele exemplaren van de gele lis aanwezig. In het noordoosten van het grasveld is een plas water aanwezig. Er is geen bebouwing aanwezig in het projectgebied. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN De ontwikkelingen betreffen het realiseren van bebouwing en het herinrichten van het groen binnen het projectgebied. De geplande werkzaamheden bestaan onder andere uit grondverzet, het aanleggen van bestrating, het realiseren van bebouwing en het plaatsen van nieuwe beplanting. Het is mogelijk dat de aanwezige bomen tijdens de werkzaamheden gekapt worden.
8
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Utrecht zijn middels artikel 4.1 van het “Beleidskader Wet Natuurbescherming 2017” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met de aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 21 november 2023 en is uitgevoerd door D.Y. Sallé MSc. Tijdens de habitatscan was het zwaar bewolkt met een temperatuur van 10 °C en windkracht 2 Bft. De resultaten van de habitatscan zijn op kaart weergegeven in bijlage 3. 3.2.1
VLEERMUIZEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de baardvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen. In het projectgebied is geen bebouwing aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen in het projectgebied kan uitgesloten worden. In de bomen in het projectgebied zijn geen boomholtes aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen in het projectgebied kan uitgesloten worden. De watergang langs de oostkant van het projectgebied en de bomenrij langs de Binnenweg aan de westkant van het projectgebied vormen lijnvormige elementen welke onderdeel uit kunnen maken van een vliegroute van vleermuizen. De bomen en watergangen in en rondom het projectgebied kunnen dienen als foerageergebied voor vleermuizen.
3.2.2
LANDZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied zijn de bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter en de waterspitsmuis bekend voor te komen. De bever komt voor in moerassen en langs beken, rivieren en meren waar in de directe omgeving wilgen en populieren aanwezig zijn. Tijdens de habitatscan zijn geen dammen of vraatsporen van de bever waargenomen. In de omgeving van Houten wordt de bever waargenomen lang het Amsterdam-Rijnkanaal en het Lekkanaal op
9
minimaal twee kilometer afstand van het projectgebied. De watergang in het projectgebied staat niet in verbinding met de kanalen. Derhalve wordt de bever niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De boommarter en de steenmarter komen voor in zowel bosrijke en parkachtige gebieden als in (half)stedelijke gebieden. Beide soorten gebruiken onder andere boomholtes, ruimtes onder takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. De steenmarter kan ook stedelijke elementen zoals schuurtjes of stenenhopen als dekking gebruiken. In het projectgebied is weinig dekking aanwezig. In de omgeving van het projectgebied zijn er enkel in en rondom Nieuw Wulven op circa twee kilmeter afstand waarnemingen bekend van levende boommarters. Tijdens de habitatscan zijn geen boomholtes, ondergrondse holen of stenenhopen aangetroffen welke de boommarter en de steenmarter als verblijfplaats kunnen gebruiken. Bij de watergang aan de oostkant van het projectgebied is een wilg met dicht braamstruweel en wortelkluiten aanwezig wat mogelijk ruimte kan bieden voor een verblijfplaats van de steenmarter (zie afbeelding 2). Tijdens de habitatscan was door het braamstruweel heen geen hol zichtbaar. Desondanks is de aanwezigheid van een verblijfplaats van de steenmarter in het projectgebied niet uit te sluiten.
Vanwege het ontbreken van voldoende dekking en de barrières (N421 en N410) tussen de bekende waarnemingen van de boommarter en het projectgebied wordt de boommarter niet verwacht in het projectgebied.
Afbeelding 2: Potentiële verblijfplaats steenmarter
De das komt met name voor in open cultuurlandschappen, waaronder cultuurbos, met kleine landschapselementen als heggen, houtwallen, kleine akkers, weide- en heidegebieden. De bodem moet geschikt zijn voor het graven van een burcht, met voldoende dekking en rust. In het projectgebied is weinig dekking aanwezig voor de das. Tijdens de habitatscan zijn geen dassenburcht of sporen van de das waargenomen. Derhalve kan de aanwezigheid van de das in het projectgebied uitgesloten worden. De eekhoorn komt met name voor in bossen, parken en tuinen. In het projectgebied zijn onvoldoende bomen aanwezig om als leefgebied voor de eekhoorn te fungeren. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen in het projectgebied tijdens de habitatscan. Tevens is er geen groenverbinding aanwezig tussen het projectgebied en de bekende verspreiding van de eekhoorn in de omgeving van Houten. Derhalve kan de aanwezigheid van de eekhoorn in het projectgebied uitgesloten worden. De waterspitsmuis komt voor langs watergangen met ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Op en langs de oevers watergang langs het projectgebied groeit hoog gras en riet. De zandige oevers in het projectgebied kunnen mogelijk verblijfplaatsen bieden voor de waterspitsmuis. De bekende verspreiding van de waterspitsmuis in de omgeving van het projectgebied bevindt zich op circa vijf kilometer afstand in de Langbroekerwetering.
Door de aanwezigheid van geschikt habitat in de vorm van ruig begroeide oevers en de afstand tot het bekende leefgebied van de waterspitsmuis kan de aanwezigheid van de waterspitsmuis in het projectgebied niet uitgesloten worden. In het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde zoogdieren voorkomen zoals de algemene muizensoorten, haas en de wezel.
3.2.3
VOGELS
In de omgeving van het projectgebied zijn de gierzwaluw en de huismus bekend voor te komen. De gierzwaluw en de huismus broeden voornamelijk in het dakbeschot of dakoverstek van dakpannen daken en in kieren in de muren van huizen. In het projectgebied is geen bebouwing aanwezig. Derhalve kan de aanwezigheid van 10
nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus in het projectgebied uitgesloten worden. Tevens is er geen struweel aanwezig wat dekking kan geven als onderdeel van het essentieel leefgebied van de huismus. Tijdens de habitatscan zijn in de bomen geen potentiële jaarrond beschermde nesten van broedvogels zoals de boomvalk, buizerd, havik en ransuil waargenomen in het projectgebied. Uit het bronnenonderzoek op de Nationale Databank Flora en Fauna is gebleken dat de kerkuil en de steenuil rondom het projectgebied voorkomen. De nesten van deze vogels worden verwacht in bebouwing zoals boerenschuren of nestkasten in de omgeving van het projectgebied aanwezig te zijn. De steenuil is daarnaast bekend nesten in (knot)wilgen te hebben. Bij Rietdijk 8, grenzend aan het projectgebied zijn in 2018 kerkuilen binnen de schuur waargenomen. De steenuil wordt regelmatig rond Rietdijk 5 op circa 500 meter van het projectgebied waargenomen en heeft vermoedelijk daar in de buurt een nestlocatie. Het is mogelijk dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het foerageergebied/jachtgebied van deze vogels. In het projectgebied komen mogelijk algemene broedvogels zoals de merel en de houtduif voor welke in het broedseizoen (globaal maart – augustus) tot broeden over kunnen gaan in het projectgebied.
3.2.4
AMFIBIEËN
In de omgeving van het projectgebied zijn de Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en de rugstreeppad bekend voor te komen. Het projectgebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de Alpenwatersalamander. De waarnemingen van de Alpenwatersalamander in de omgeving van het projectgebied betreffen ontsnapte of uitgezette exemplaren en/of populaties en zijn derhalve niet strikt beschermd. Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van klein oppervlaktewater, zoals greppels, poelen, sloten en vennen. De heikikker geeft de voorkeur aan zon beschenen water. De kamsalamander en de poelkikker geven de voorkeur aan water met rijke vegetatie en de rugstreeppad geeft de voorkeur aan ondiep, snel opwarmend water. De watergang langs het projectgebied biedt derhalve mogelijk geschikt voortplantingshabitat voor de heikikker, kamsalamander en de poelkikker. De plas op het grasveld biedt mogelijk geschikt voortplantingshabitat voor de rugstreeppad. Indien in de greppel aan de westkant tijdens het voortplantingsseizoen water blijft staan kan deze ook geschikt voortplantingshabitat voor de rugstreeppad bieden. In het landbiotoop gebruiken de heikikker, kamsalamander, poelkikker en de rugstreeppad vorstvrije plekken onder plaatmateriaal of in muizenholen als winterverblijfplaatsen.
De oevers van de watergang en het grasland, met name onder de bomenrij, bieden geschikt landbiotoop voor de heikikker, kamsalamander, poelkikker en de rugstreeppad. De muizenholen kunnen fungeren als winterverblijfplaatsen van de heikikker, kamsalamander, poelkikker en de rugstreeppad. Derhalve kan de aanwezigheid van voortplantingsbiotoop en landbiotoop voor de heikikker, kamsalamander, poelkikker en de rugstreeppad in het projectgebied niet uitgesloten worden. In het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën aanwezig zijn zoals de bruine kikker en de gewone pad.
3.2.5
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de hazelworm, muurhagedis en de ringslang bekend voor te komen. De dichtstbijzijnde bekende populatie van de hazelworm in de omgeving van Houten bevindt zich in de Langbroekwetering op ruim 7,5 kilometer afstand van het projectgebied. De waarneming binnen Houten, op circa 2 kilometer van het projectgebied, bevindt zich in een kerk en betreft naar verwachting een verkeerde determinatie of een verkeerd ingevoerde locatie. Tevens is in het projectgebied onvoldoende dekking in de vorm van struweel en bladeren aanwezig om schuilplaatsen voor de hazelworm te bieden. Derhalve wordt de hazelworm niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. De muurhagedis komt voor op muren, rotswanden en soms spoortrajecten. Van nature komt de muurhagedis in Nederland alleen voor in Maastricht. Waarnemingen elders in Nederland betreffen hoofdzakelijk uitgezette dieren. In de directe omgeving van het projectgebied is één waarneming van de muurhagedis bekend bij het Fort bij Rijnauwen, dit betreft een uitgezet individu. De muurhagedis wordt niet verwacht in het projectgebied voor te komen. 11
In de omgeving van Houten is de ringslang bekend voor te komen bij Nieuw Wulven op ruim 1,5 kilometer van het projectgebied en eenmalig waargenomen in de Rietplas op 900 meter van het projectgebied. De ringslang legt haar eieren meestal in hopen organisch materiaal, zogenaamde broedhopen. De ringslang overwintert op hoge, droge plekken met holtes, bijvoorbeeld in houtstapels, muizenholen, steenhopen of takkenrillen. Tijdens de habitatscan is er onder de bomenrij een hoop met organisch materiaal van ongeveer een vierkante meter oppervlakte en maximaal 50 centimeter hoog. Deze is naar verwachting te klein om als potentiële broedhoop voor de ringslang te fungeren (afbeelding 3). De oevers van de watergang aan de oostkant van het projectgebied bieden zonplaatsen. De muizenholen in de oever kunnen gebruikt worden als overwinteringsplaatsen van de ringslang. De muizenholen en watergang duiden op voldoende muizen en amfibieën om als voedsel voor de ringslang te dienen. Derhalve kan de aanwezigheid van de ringslang in het projectgebied niet uitgesloten worden.
Afbeelding 3: Hoop met organisch materiaal
3.2.6
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied is de grote modderkruiper bekend voor te komen. De grote modderkruiper komt voor in ondiep water met watervegetatie en een bodem met sliblaag. De grote modderkruiper is bekend voor te komen op circa 1,5 kilometer afstand bij Nieuw Wulven. Tijdens de habitatscan is de bodem van de watergang niet zichtbaar geweest en was het water troebel. De troebelheid duidt op de aanwezigheid van een slib- of modderlaag. Tevens is schoonsel langs de oever waargenomen wat duidt op de aanwezigheid van watervegetatie. Derhalve kan de aanwezigheid van de grote modderkruiper in het projectgebied niet uitgesloten worden.
3.2.7
ONGEWERVELDEN
De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit libellen, vlinders en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn de beekrombout, grote vos, grote weerschijnvlinder, platte schijfhoren, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel en de teunisbloempijlstaart bekend voor te komen. De beekrombout en de rivierrombout geven de voorkeur aan grote beken, kanalen en rivieren. Voor de voortplanting van de beekrombout en de rivierrombout is een goede waterkwaliteit met helder water noodzakelijk. De larven van de beekrombout en de rivierrombout gebruiken open, zandige delen van de bodem voor de ontwikkeling. De watergang is troebel en er is naar verwachting geen open, zandige bodem aanwezig. Derhalve worden beschermde functies voor de beekrombout en de rivierrombout niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. De sierlijke witsnuitlibel geeft de voorkeur aan stilstaande wateren zoals ongestoorde veenwateren, vennen en vijvers met beschutte oeverzones. Voor de voortplanting van de sierlijke witsnuitlibel is helder water met voldoende ondergedoken vegetatie noodzakelijk. In het projectgebied staan enkele grassoorten zoals de Engelse raai en de gestreepte witbol en ridderzuring in het veld. Er zijn geen beschutte oeverzones aanwezig in het projectgebied. Daarnaast is er sprake van stroming in de watergang vanwege de voerende functie.
Geschikt habitat van de sierlijke witsnuitlibel is niet aanwezig. Derhalve worden beschermde functies voor de sierlijke witsnuitlibel eveneens niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. Het voortplantingshabitat van de grote vos betreft open bosgebieden met aanwezigheid van de waardplanten iep, wilg en/of zoete kers. Het voortplantingshabitat van de grote weerschijnvlinder betreft open bosgebieden met aanwezigheid van de waardplant boswilg of grauwe wilg. Deze vlinders voeden zich voornamelijk met honingdauw, rottend fruit en sap van bomen. De voortplantingshabitat van de teunisbloempijlstaart bestaat uit open plekken in bossen en bosranden met aanwezigheid van de waardplanten wilgenroosje, teunisbloem, 12
basterdwederik en kattenstaart. In het projectgebied zijn enkel twee wilgen aanwezig. Er is echter geen bosachtig habitat met nectarplanten aanwezig in het projectgebied. Door de afwezigheid van voldoende waardplanten en geschikt habitat worden beschermde functies voor de grote vos, grote weerschijnvlinder en de teunisbloempijlstaart niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. De platte schijfhoren is een waterslak. Het habitat van de platte schijfhoren betreft heldere, niet beschaduwde watergangen of plassen met rijke onderwatervegetatie. De platte schijfhoren wordt voornamelijk aangetroffen op onderwatervegetatie zoals grof hoornblad, kikkerbeet, puntkroos, krabbenscheer, kransvederkruid, kranswieren, brede waterpest en smalle waterpest. Het bronnenonderzoek op de Nationale Databank Flora en Fauna indiceert dat smalle waterpest waargenomen wordt in de watergang. De aanwezigheid van waterpest indiceert dat het water in de watergang tussen het schonen door helder genoeg is voor waterplanten als smalle waterpest om te groeien. Derhalve kan de aanwezigheid van de platte schijfhoren in het projectgebied niet uitgesloten worden. Overige, beschermde ongewervelden worden door het ontbreken van geschikt voortplantingswater of waardplanten niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
3.2.8
VAATPLANTEN
In de omgeving van het projectgebied zijn het groot spiegelklokje, kleine wolfsmelk, muurbloem, stofzaad en de wilde ridderspoor bekend voor te komen. Groot spiegelklokje, kleine wolfsmelk en de wilde ridderspoor groeien op zonnige (open) plaatsen op vochtige en kalkrijke gronden. Standplaatsen van deze soorten kunnen in graanakkers op kalkrijke gronden en in mindere mate op open plekken van weg- en dijkbermen aangetroffen worden. In het projectgebied zijn onder andere brandnetels, distels, gestreepte witbol, ridderzuring en vogelmuur aanwezig. Dit indiceert een stikstofrijke en verdichte bodem. Het groot spiegelklokje groeit op stikstofarme grond en standplaatsen van de kleine wolfsmelk en de wilde ridderspoor betreffen hoofdzakelijk losse of omgewoelde grond. Daarnaast zijn er geen open plaatsen aanwezig in het veld. Door de afwezigheid van geschikte groeiplaatsen worden het groot spiegelklokje, kleine wolfsmelk en de wilde ridderspoor niet verwacht in het projectgebied aanwezig te zijn. De muurbloem groeit op zonnige plaatsen op oude en verweerde muren die met een zachte kalkspecie zijn gevoegd. Standplaatsen betreffen oude en verweerde muren van kerken, ruïnes, stadsmuren en kloostermuren. In het projectgebied is geen bebouwing en dus geen geschikte groeiplaatsen voor de muurbloem aanwezig.
Derhalve kan de aanwezigheid van de muurbloem in het projectgebied uitgesloten worden. Stofzaad groeit op beschaduwde plaatsen op voedselarme zandgronden. Groeiplaatsen van stofzaad betreffen dichte naaldbossen en beukenbossen, duindoornstruwelen en duineikenbossen. In Nederland is de natuurlijke verspreiding van de soort beperkt tot de duinen, Waddeneilanden, Veluwe en Zuid-Limburg. Door het gebrek aan geschikte standplaatsen kan de aanwezigheid van het stofzaad in het projectgebied uitgesloten worden.
13
3.2.9
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van de aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
Mogelijk aanwezig in:
Algemene amfibieën en zoogdieren*
Leefgebied
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Bomenrij, grasveld en de watergang
Algemene broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Bomen
Grote modderkruiper
Leefgebied
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Watergang
Heikikker
Voortplantingsbiotoop Landbiotoop
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Watergang Grasveld
Kamsalamander
Voortplantingsbiotoop Landbiotoop
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Watergang Grasveld
Kerkuil
Foerageergebied
Artikel 3.1 (VR)
Gehele projectgebied
Platte schijfhoren
Leefgebied
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Watergang
Poelkikker
Voortplantingsbiotoop Landbiotoop
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Watergang Grasveld
Ringslang
Foerageergebied Winterbiotoop
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Watergang Oevers en muizenholen
Rugstreeppad
Voortplantingsbiotoop Landbiotoop
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Plas op het veld, greppel Grasveld
Steenmarter
Verblijfplaats
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Struweel bij wilg
Steenuil
Foerageergebied
Artikel 3.1 (VR)
Gehele projectgebied
Vleermuizen
Foerageergebied Vliegroute(s)
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Gehele projectgebied Bomenrij langs projectgebied, watergang
Waterspitsmuis
Verblijfplaatsen
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Oevers
*= Vrijgesteld in de provincie Utrecht in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten Er vinden naar verwachting geen werkzaamheden plaats aan de watergang aan de oostkant van het projectgebied. De potentiële vliegroute van vleermuizen blijft behouden. Daarnaast worden er geen effecten op de potentiële voortplantingsbiotoop van de heikikker, kamsalamander en de poelkikker, het leefgebied van de grote modderkruiper en de platte schijfhoren en de verblijfplaatsen van de waterspitsmuis en het foerageergebied en overwinteringsopties in de oever van de ringslang verwacht als gevolg van de werkzaamheden. De kamsalamander en de poelkikker zijn tijdens de voortplantingsperiode enkel in het voortplantingsbiotoop aanwezig. Aangezien er naar verwachting geen werkzaamheden aan de watergang plaatsvinden zullen de werkzaamheden, indien deze in de voortplantingsperiode van de kamsalamander (april – juli) en de poelkikker (mei – september) plaatsvinden geen effect op de kamsalamander en de poelkikker.
De kamsalamander en de poelkikker zijn in de voortplantingsperiode niet aanwezig waar de werkzaamheden in het projectgebied plaatsvinden en derhalve kunnen individuen van de kamsalamander en de poelkikker niet gedood worden.
14
Indien de wilg aan de waterkant niet gekapt wordt, blijft de potentiële verblijfplaats van de steenmarter behouden en wordt er geen significant negatief effect van de werkzaamheden op de verblijfplaats van de steenmarter verwacht. In de directe omgeving van het projectgebied zijn veel soortgelijke akkers, velden en bosschages aanwezig. Deze kunnen als alternatief foerageergebied dienen voor de kerkuil, steenuil en vleermuizen. Derhalve worden er geen significante negatieve effecten op het foerageergebied van de kerkuil, steenuil en vleermuizen verwacht als gevolg van de werkzaamheden. Tijdelijke effecten Wanneer tijdens de geplande werkzaamheden gebruik gemaakt wordt van additionele nachtelijke verlichting kunnen foeragerende en passerende vleermuizen worden verstoord. Permanente effecten Door de herinrichting van het projectgebied zal de plas water op het grasveld verdwijnen. Hiermee gaat mogelijk voortplantingshabitat van de rugstreeppad verloren. Daarnaast kunnen tijdens grondverzet in de bodem aanwezige individuen van de heikikker, kamsalamander (in de periode augustus – maart), poelkikker (in de periode oktober – april) en de rugstreeppad gedood worden. Daarnaast kan de herinrichting van het projectgebied leiden tot het verdwijnen van een groot deel van de muizenholen. Hierdoor gaat zowel een voedselbron als een potentiële overwinteringsplaats van de ringslang verloren.
Indien er werkzaamheden aan de oevers of de watergang plaatsvinden kunnen de potentiële voortplantingsbiotoop van de heikikker, kamsalamander en de poelkikker, het leefgebied van de grote modderkruiper en de platte schijfhoren en de verblijfplaatsen van de waterspitsmuis en het foerageergebied en overwinteringsopties in de oever van de ringslang worden aangetast of vernietigd als gevolg van de werkzaamheden. Hierbij kunnen individuen van deze soorten worden gedood. Indien de wilg aan de waterkant gekapt wordt, gaat een potentiële verblijfplaats van de steenmarter verloren. Met het verwijderen van bomen en struweel kunnen individuen van de steenmarter worden gedood. Tijdens het verwijderen van groen en grondverzet kunnen mogelijk aanwezige algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Wanneer de geplande werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels plaatsvinden (globaal maart – augustus), kunnen nesten van algemene broedvogels worden vernield en individuen worden gedood. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Algemene amfibieën en zoogdieren*
Opzettelijk doden
Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Algemene broedvogels
Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren Opzettelijk doden Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats
Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4 Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B
Heikikker
Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats Opzettelijk verstoren
Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 1 Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 2 Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 4
Kamsalamander
Opzettelijk doden1,3 Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats Opzettelijk verstoren1,3 Opzettelijk doden Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats
Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 1 Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 2 Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 4
Opzettelijk doden2,3 Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats Opzettelijk verstoren2,3 Opzettelijk doden
Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 1 Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 2 Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 4
Grote modderkruiper3
Platte schijfhoren3 Poelkikker
Ringslang
Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B
Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A
15
Soort / soortgroep
Rugstreeppad
Steenmarter Vleermuizen
Effect
Verbodsbepaling
Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats
Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B
Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats Opzettelijk verstoren Opzettelijk doden Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats
Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 1 Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 2 Artikel 3.5 (HRIV & Bern II) Lid 4
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2
Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B
Opzettelijk doden Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub A Opzettelijk beschadigen / vernielen verblijfplaats Artikel 3.10 (Wnb bijlage A) Lid 1, sub B *=Vrijgesteld in de provincie Utrecht in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De zorgplicht (artikel 1.11) blijft van toepassing. 1 = Indien de werkzaamheden buiten de periode april – juli plaatsvinden. 2 = Indien de werkzaamheden buiten de periode mei – september plaatsvinden. 3 = Indien er werkzaamheden aan de oever of watergang plaatsvinden. Waterspitsmuis3
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor beschermde amfibieën, marterachtingen, reptielen en vleermuizen. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van de heikikker, kamsalamander, poelkikker, ringslang, rugstreeppad en de steenmarter.
3.4.2
MITIGERENDE MAATREGELEN
Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk beschermde functies voor beschermde amfibieën, marterachtigen en reptielen aanwezig binnen het projectgebied. Dit betreft de heikikker, kamsalamander, ringslang, poelkikker, rugstreeppad en de steenmarter. Na aanvullend onderzoek naar beschermde functies zullen (indien beschermde functies aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. -
Om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen, dient het gebruik van additionele, nachtelijke verlichting tijdens de actieve periode van vleermuizen (april – oktober) te worden geminimaliseerd. Indien additionele verlichting noodzakelijk is, dient gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting en / of een richtarmatuur om strooilicht naar de omgeving te voorkomen.
-
Indien er werkzaamheden aan de oevers of de watergangen plaatsvindt zal er aanvullend onderzoek naar beschermde functies voor de grote modderkruiper, platte schijfhoren en de waterspitsmuis uitgevoerd moeten worden. Indien beschermde functies aanwezig zijn, zullen nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.
-
Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.
-
Tijdens het verwijderen van groen en grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.
16
3.4.3
ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING
De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.
17
4
GEBIEDSBESCHERMING
Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden liggen op circa 13 kilometer van het projectgebied en betreffen Kolland & Overlangbroek en Rijntakken (afbeelding 4). Op ruim 2 kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft onder andere Nieuw Wulven en delen van de Schalkwijkse Wetering (afbeelding 4).
Afbeelding 4: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (bron: Provincie Utrecht)
4.1
EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Tijdens de realisatiefase van de geplande ontwikkeling kunnen de activiteiten van de bouwsector, door het gebruik van (zware) machines voor grondverzet en realisatie van de bebouwing leiden tot een toename in stikstofemissie. De stikstofemissie in de gebruiksfase zal daarnaast veranderen. Hoewel de nieuwe bebouwing naar verwachting niet aangesloten zal worden op het gasnet, kunnen de alternatieve verwarmingsopties en de nieuwe, bijbehorende verkeersbewegingen in het projectgebied mogelijk leiden tot een significante toename in stikstofemissie. Potentiële negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie als gevolg van de realisatie- en gebruiksfase kunnen op voorhand niet uitgesloten worden. Een berekening met behulp van de ‘AERIUS Calculator’ kan uitsluitsel geven of de werkzaamheden een effect hebben op nabijgelegen Natura 2000gebieden.
18
5
HOUTOPSTANDEN
De bomen in het projectgebied vallen buiten de door de gemeenteraad van Houten vastgestelde bebouwde kom, zie afbeelding 5. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn van toepassing voor het kappen van de bomen. Houtopstanden buiten de bebouwde kom van minimaal 10 are en bomenrijen van meer dan 20 bomen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd. In het projectgebied zijn in totaal 18 bomen aanwezig, waarvan er 15 in een rij staan. De bomen in het projectgebied vormen derhalve geen houtopstand. Toetsing aan de Wet natuurbescherming in het kader van houtopstanden is derhalve niet noodzakelijk.
Afbeelding 5: Grens bebouwde kom Houten (bron: provincie Utrecht)
19
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1
CONCLUSIES In het projectgebied is potentieel land- en / of voortplantingsbiotoop aanwezig voor de heikikker, kamsalamander, ringslang, poelkikker en de rugstreeppad. In het struweel onder de wilg is een potentiële verblijfplaats van de steenmarter aanwezig. Boven het veld en langs de bomen kunnen foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. In de watergang en op de oevers zijn mogelijk verblijfplaatsen van de waterspitsmuis en leefgebied van de gewone modderkruiper en de platte schijfhoren aanwezig. In het projectgebied komen mogelijk algemene broedvogels voor die in het projectgebied kunnen broeden binnen de periode maart – augustus. Overige beschermde functies van flora en fauna die negatieve effecten van de werkzaamheden kunnen ondervinden, worden door het ontbreken van potentieel habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Tijdens de realisatiefase van de geplande ontwikkeling kunnen de activiteiten van de bouwsector leiden tot een toename in stikstofemissie.
In de gebruiksfase kan de verwarming van de woningen en de toename in het aantal verkeersbewegingen in het projectgebied mogelijk leiden tot een significante toename in stikstofemissie. Potentiële negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie als gevolg van de realisatie- en gebruiksfase kunnen op voorhand niet uitgesloten worden. Een berekening met behulp van de ‘AERIUS Calculator’ kan uitsluitsel geven of de werkzaamheden een effect hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er vinden mogelijk kapwerkzaamheden plaats. Er zijn in het projectgebied onvoldoende bomen aanwezig om een houtopstand te vormen. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
6.2
AANBEVELINGEN Het is aan te bevelen aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de heikikker, ringslang, rugstreeppad en de steenmarter in het projectgebied uit te voeren. Het is aan te bevelen het grondverzet binnen de paartijd van de kamsalamander (april – juli) en de poelkikker (mei – september) plaats te laten vinden. Dit aangezien de kamsalamander en de poelkikker in de paartijd niet in het landbiotoop aanwezig zijn. Indien buiten de paartijd van de kamsalamander en de poelkikker gewerkt wordt dient aanvullend onderzoek naar de kamsalamander en de poelkikker uitgevoerd te worden. Indien er werkzaamheden aan de oevers of de watergangen plaatsvindt zal er aanvullend onderzoek naar beschermde functies van de grote modderkruiper, platte schijfhoren en de waterspitsmuis uitgevoerd moeten worden. Indien beschermde functies aanwezig zijn, zullen nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Daarnaast dient er ook in de paartijd aanvullend onderzoek naar de kamsalamander en de poelkikker uitgevoerd te worden. Om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen, dient het gebruik van additionele, nachtelijke verlichting tijdens de actieve periode van vleermuizen (april – oktober) te worden geminimaliseerd.
Indien additionele verlichting noodzakelijk is, dient gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting en / of een richtarmatuur om strooilicht naar de omgeving te voorkomen. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaats te laten vinden. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens het verwijderen van groen en grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. 20
Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Algemene broedvogels
Nesten, indien niet buiten het broedseizoen gewerkt wordt
Binnen de periode maart t/m augustus
Grote modderkruiper
Leefgebied, indien werkzaamheden aan de watergang plaatsvinden.
Maart t/m september
Heikikker
Leefgebied Landbiotoop, indien buiten de paartijd (april – juli) gewerkt wordt Voortplantingsbiotoop, indien werkzaamheden aan de watergang plaatsvinden. Leefgebied, indien werkzaamheden aan de watergang plaatsvinden. Landbiotoop, indien buiten de paartijd (mei – september) gewerkt wordt. Voortplantingsbiotoop, indien werkzaamheden aan de watergang plaatsvinden.
Februari t/m maart en juni t/m augustus
Ringslang
Leefgebied
April t/m september
Rugstreeppad
Land- en voortplantingsbiotoop
15 april t/m september
Steenmarter
Verblijfplaatsen
Mei t/m augustus
Waterspitsmuis
Verblijfplaatsen, indien werkzaamheden aan de oever plaatsvinden
September t/m oktober
Kamsalamander
Platte schijfhoren Poelkikker
15 maart t/m juli
Juni t/m september Mei t/m 15 juli
21
7
LITERATUUR
BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2023) Kennisdocument gierzwaluw, versie 2.0, BIJ12 juli 2023. BIJ12 (2021) Kennisdocument grote modderkruiper, versie 2.0, BIJ12 oktober 2021. BIJ12 (2017) Kennisdocument heikikker, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2023) Kennisdocument huismus, versie 2.1, BIJ12 februari 2023. BIJ12 (2017) Kennisdocument kamsalamander, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument poelkikker, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument rosse vleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument rugstreeppad, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument steenuil, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument watervleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2023) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, november 2023. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020.