Planregels
Tekst van het document
TUURDIJK 43 'T GOY bestemmingsplan
T uurdijk 43 't Goy bestemmingsplan
Adviseur Ruimtelijke Ordening mw. mr. M. (Marissa) ten Hagen Projectleider Bouw dhr. ir. A.H. (Anne) van Rossum
Datum: 19-10-2023
Inhoudsopgave Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Waarde - Aardkundig waardevol gebied Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 (Gebied met gematigde archeologische verwachtingswaarde) Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Artikel 12 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening Artikel 13 Algemene procedureregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Artikel 15 Slotregel
3 4 4 14 15 15 27 29 31 31 32 34 36 37 41 42 43 44 44 45
2
Planregels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan "Tuurdijk 43 't Goy" met identificatienummer NL.IMRO.0321.0900TUURDIJK43-OWBP van de gemeente Houten; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.5 aaneengebouwd bebouwing waarbij de hoofdgebouwen aan beide zijden in de perceelsgrens zijn gebouwd, met dien verstande dat de eindwoning slechts aan één zijde in de zijdelingse perceelsgrens hoeft te worden gebouwd; 1.6 agrarisch bedrijf een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt; b. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond; daaronder niet begrepen een paardenfokkerij; c. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel; d. glastuinbouw: de teelt van gewassen geheel met behulp van kassen; e. sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen; f. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; g. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) zonder gebruik te maken van daglicht; h. paardenfokkerij: het fokken van paarden en pony's, het africhten c.q.
trainen/dresseren alsmede de verkoop van gefokte paarden en pony's en het houden van paarden en pony's ten behoeve van de fokkerij; 1.7 agrarische deskundige een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van landen tuinbouw; 1.8 agrarisch medegebruik activiteiten gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, op gronden die niet primair bedoeld zijn voor agrarische doeleinden; 1.9 agrarische nevenactiviteit een agrarische activiteit die mag worden uitgeoefend, mits de activiteit ondergeschikt blijft aan de hoofdbestemming; 4
1.10 archeologische begeleiding proces waarbij de uitvoering van niet-archeologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid en waarbij in het Programma van Eisen (PvE) de onderzoeksvra(a)g(en) en de te behalen onderzoeksdoelstellingen worden verwoord; 1.11 archeologisch onderzoek onderzoek dat wordt verricht door een dienst, bedrijf of instelling dat werkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA); 1.12 archeologische verwachting het vermoeden over het voorkomen van (de aard, omvang en kwaliteit van) archeologische waarden in het onderzoeksgebied; 1.13 archeologische waarde oudheidkundige waarde, vooral in de vorm van archeologische relicten in hun oorspronkelijke context.
Zowel grote complexen/structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid; 1.14 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.15 bebouwingspercentage een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel (danwel bouwvlak of bestemmingsvlak) dat is of mag worden bebouwd; 1.16 bedrijf een inrichting of instelling, al dan niet bestaande uit één of meerdere rechtspersonen, gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten; 1.17 bedrijfsgebouw een gebouw, dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten; 1.18 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.19 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlak de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q.
een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.20 beroep en bedrijf aan huis beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie verenigbaar is; hieronder wordt in ieder geval niet verstaan het voeren van een: a. horecabedrijf, b. prostitutiebedrijf, en c. detailhandelvestiging, m.u.v. een webwinkel en/of verkoop van behandeling gerelateerde producten gelijktijdig bij een behandeling; 1.21 bestaand a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van vaststelling is ingediend; 5
b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan legaal bestaat; 1.22 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.23 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.24 BEVI-inrichting inrichting zoals bedoeld in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (27-05-04); 1.25 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak; 1.26 bodemingreep/bodemverstoring alle grondwerkzaamheden/activiteiten die een effect hebben op het voortbestaan van (archeologische) waarden of verwachtingen in de bodem; 1.27 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.28 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.29 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en gedeeltelijke ondergrondse bouwdelen, maar met uitsluiting van geheel ondergrondse bouwdelen en zolders; 1.30 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.31 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.32 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde zijn toegelaten; 1.33 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en
duurzaam met de aarde is verbonden; 1.34 cultuurhistorische waarde waarden van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden; 1.35 deskundige op het terrein van de archeologie de gemeentelijk (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het terrein van de archeologie; 6
1.36 deskundige op het terrein van de cultuurhistorie de monumentencommissie of een andere persoon of instelling die door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen en deskundig is op het gebied van cultuurhistorie; 1.37 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.38 dienstverlening het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van milieuvergunningsplichtige bedrijven en instellingen en een seksinrichting; 1.39 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 1.40 ensemble ensemble (het geheel) van bestaande bebouwing en bijbehorende omgeving met daar aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken; 1.41 erfbebouwing bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.42 evenement een verplaatsbare georganiseerde verrichting van vermaak, gebeurtenis, (openlucht)manifestatie of (thema)dag op het gebied van kunst, cultuur, muziek, sport, religie, wetenschap en/of huishouden. Evenementen zijn te onderscheiden in 3 categorieën: a.
categorie A: evenementen met laag risico, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en een geringe capaciteit van hulpdiensten is vereist; b. categorie B: evenementen met een verhoogd risico, waarbij sprake is van een verhoogde impact op de omgeving en extra capaciteit van de hulpdiensten is vereist; c. categorie C: risicovolle evenementen, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving en extra capaciteit van de hulpdiensten is vereist. Een evenement kan meerdaags zijn, waarbij de tijd ten behoeve van de op- en afbouw wordt meegerekend. 1.43 extensief recreatief medegebruik vorm van recreatie die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen, waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, maar waarvoor kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes; 1.44 extensieve dagrecreatie een vorm van dagrecreatie waarbij recreanten in relatief geringe aantallen mede gebruik maken van voorzieningen om de (culturele en historische) landschappelijke omgeving te beleven of daarvan te genieten en waarvan gebruik gemaakt mag worden van zonsop- tot zonsondergang; 1.45 fruitboomgaard Een geheel van meerdere doelbewust aangeplante bomen, gericht op het bedrijfsmatig of in een
vorm als zijnde bedrijfsmatig voortbrengen van fruit.
7
1.46 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.47 geluidgevoelige objecten woningen en andere geluidgevoelige gebouwen en terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; 1.48 geluidzoneringsplichtige inrichting een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld; 1.49 gevellijn de als zodanig aangegeven lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd; 1.50 gevoelige functie Gronden en/of gebouwen waar mensen langdurig verblijven en daarmee een groter risico lopen op blootstelling aan (drift van) gewasbeschermingsmiddelen door toepassing daarvan in een naastgelegen fruitboomgaard. Hieronder worden in ieder geval begrepen: (recreatie)woningen met bijbehorende tuin(en); bedrijfsgebouwen waar men langdurig verblijft, zoals detailhandel en kantoren; de volgende gebouwen met bijbehorende terreinen: scholen, kinderdagverblijven, zorginstellingen, recreatieverblijven en andere in aard daarmee gelijk te stellen functies; 1.51 grondgebonden landbouw agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.
Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veebedrijven het benodigde ruwvoer (gras, snijmaïs) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de op basis van structureel bij het bedrijf behorende gronden; 1.52 hobbymatige agrarische activiteiten het niet bedrijfsmatig gebruiken van gronden voor het hobbymatig houden van vee en/of telen van agrarische producten; 1.53 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.54 kantoor een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor de uitoefening van administratieve, boekhoudkundige, financiële, technische, organisatorische en/of zakelijke dienstverlening, niet zijnde detailhandel, al dan niet met een publieksgerichte baliefunctie; 1.55 kantooractiviteiten de uitoefening van activiteiten ten behoeve van een kantoor; 1.56 kap een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30 graden en minder 65 graden; 1.57 kinderopvang Het opvangen van kinderen op locatie, al dan niet tegen betaling, waarbij de volgende indeling wordt aangehouden: kleinschalig: maximaal 6 kinderen; middelgroot: 7 tot 30 kinderen; 8
grootschalig: meer dan 30 kinderen; 1.58 kleinschalig kamperen een standplaats voor ten hoogste 15 kampeermiddelen, met uitzondering van stacaravans, met dien verstande dat de standplaats uitsluitend in de periode van 1 maart tot en met 31 oktober mag worden gebruikt; 1.59 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) hierin staan de minimale vereisten waaraan een organisatie moet voldoen bij het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van de archeologische monumentenzorg, zowel onderzoekstechnisch als wat betreft het personeel; 1.60 landelijke functies functies bij een agrarisch bedrijf die zijn gericht op behoud en ontwikkeling van extensieve recreatie, natuur, landschap, water en cultuurhistorie; 1.61 locatiespecifiek onderzoek Een door een deskundig bureau opgesteld onderzoek ten behoeve van de onderbouwing voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omliggende functies van fruitboomgaarden, ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in die fruitboomgaarden. Het onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van de nota gewasbescherming en ruimtelijke ordening, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 2 juli 2015.
1.62 loonbedrijf een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van civieltechnische diensten en/of cultuurtechnische diensten of het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van werktuigen; 1.63 maaiveld voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.
1.64 maatschappelijke activiteiten educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke activiteiten en activiteiten ten behoeve van openbare dienstverlening; 1.65 maatschappelijke voorzieningen educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, met uitzondering van kinderdagverblijven; 1.66 monumentencommissie de op basis van art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid; 1.67 niet-grondgebonden veehouderij agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderij;
9
1.68 ondergeschikte detailhandel niet-zelfstandige detailhandel, die wordt of is gerealiseerd binnen een andere hoofdfunctie, waarbij de detailhandelsfunctie qua oppervlak en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan die andere functie; 1.69 ondersteunende horeca alle vormen van inrichtingen van niet-zelfstandige horeca, zoals bedoeld in categorie 4 van de Staat van Horeca-activiteiten welke als bijlage 3 deel uit maakt van de regels van dit bestemmingsplan; 1.70 onzelfstandige woonruimte woonruimte met een eigen toegang die door een huishouden kan worden bewoond, waarbij het huishouden afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; 1.71 natuurvergunning vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming of een verklaring van geen bedenkingen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met inachtneming van artikel 2.2aa, onder a, van het Besluit omgevingsrecht; 1.72 opgraven/opgraving het opgraven van een vindplaats door een partij, die beschikt over een opgravingvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988, met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen (PvE) verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de
onderzoeksdoelstellingen; 1.73 opslag het in bewaring houden van goederen; 1.74 overig bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.75 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (gesloten) dak, zonder eigen wanden; 1.76 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; 1.77 peil a. niveau van het maaiveld; of b. voor zover blijkt uit de betreffende bestemmingsregeling; 1.78 perifere detailhandel detailhandelsvestiging, die vanwege zijn omvang en/of branchering niet in een woon- of centrumgebied thuishoort en waaronder in ieder geval wordt begrepen detailhandel in volumineuze goederen, die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten en caravans, tuininrichtingsartikelen, (grove) bouwmaterialen, keukens en sanitair; 1.79 perceelgrens de grens van een bouwperceel;
10
1.80 plattelandswoning een bedrijfswoning, behorend tot of behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden en die niet wordt beschermd tegen de milieugevolgen van het (voorheen) bijbehorend agrarisch bedrijf; e.e.a. zoals bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo. 1.81 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.82 programma van eisen het Programma van Eisen (PvE) is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk; 1.83 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.84 prostitutiebedrijf prostitutie in een daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclub, bordelen, privé-huizen), niet zijnde sekswinkels, seksbioscopen, sekstheaters en daarmee gelijk te stellen bedrijfstypen; 1.85 relatie een figuur op de verbeelding dat twee afzonderlijk weergegeven bestemmingsvlakken met elkaar verbindt, zodanig dat voor toepassing van de regels sprake is van één bestemmingsvlak; 1.86 referentiesituatie toestemming als bedoeld in 1.93, onder a°, c°
en d°, of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in onderdeel 1.93, onder b° en e° waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt; 1.87 Staat van Bedrijfsactiviteiten de Staat van Bedrijfsactiviteiten welke als bijlage 4 deel uit maakt van de regels van dit bestemmingsplan; 1.88 Staat van Horeca-activiteiten de Staat van Horeca-activiteiten welke als bijlage 3 deel uit maakt van de regels van dit bestemmingsplan; 1.89 salderen inzetten van een activiteit met stikstofemissie op grond van een toestemming in de referentiesituatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een nieuw of gewijzigd project, waarbij deze toestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd zodat de stikstofdepositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie; 1.90 stikstofdepositie neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol per hectare per jaar; 1.91 stikstofemissie stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht; 1.92 toename van de stikstofemissie Er is sprake van een toename van de stikstofemissie wanneer de uitstoot van stikstof (kg/N/jaar) meer bedraagt dan de uitstoot van stikstof (kg/N/jaar) afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het plan aanwezige legale gebruik
van de gronden en opstallen behorend tot het agrarische bedrijf; 1.93 toestemming a. een onherroepelijke vigerende natuurvergunning; of b. een onherroepelijke vigerende vergunning dan wel geldende melding op grond van de Wet algemene 11
bepalingen omgevingsrecht onderdeel milieu, de Wet milieubeheer of de Hinderwet; of c. een activiteit waarvoor geen natuurvergunning nodig was, maar die wel voldoet aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; of d. een activiteit die onder artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming valt; of e. een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest; 1.94 teeltondersteunende voorzieningen voorzieningen in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om weersinvloeden te matigen, arbeidsomstandigheden te verbeteren, de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren of de kwaliteit van de producten te verbeteren, te onderscheiden in: a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie zijn toegestaan zo lang de teelt dit vereist met een maximum van 6 maanden per jaar, binnen de periode 1 maart tot en met 31 oktober, te onderscheiden in. 1. lage tijdelijke voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,2 meter, zoals afdekfolies, insectengaas, acryldoek, lage tunnels; 2. hoge tijdelijke voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal 1,2 meter, zoals hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen. b.
permanente teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die langer dan 6 maanden per jaar op dezelfde locatie zijn toegestaan, te onderscheiden in: 1. lage permanente voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,2 meter, zoals containervelden; 2. hoge permanente voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal 1,2 meter, zoals bakken op stellingen (met regenkappen) en teeltondersteunende kassen. c. overige teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen anders dan de bovenstaande teeltondersteunende voorzieningen, zoals stellages met en voor regenkappen bij de grondgebonden teelt van (zacht)fruit, beregeningspalen, boomteelthekken, geleidingspalen en vraatnetten met een maximale hoogte van 10 meter. tijdelijk of permanent Tijdelijk (maximaal 6 maanden per jaar) Permanent (minimaal 6 maanden per jaar)
laag of hoog laag: < 1,2 m hoog: > 1,2 m laag: < 1,2 m hoog: > 1,2 m
Overig
voorbeeld afdekfolies, insectengaas, acryldoek, lage tunnel- of boogkassen hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen containervelden bakken op stellingen (met regenkappen), teeltondersteunende kassen, hoge tunnel- of boogkassen stellages met en voor regenkappen bij grondgebonden teelt van zacht fruit, boomteelthekken, vraatnetten, palen en masten voor gewasbescherming, beregeningspalen en geleidingspalen
1.95 tijdelijke opslag opslag voor een periode van maximaal 8 weken per kalenderjaar en noodzakelijk ten behoeve van het agrarisch perceel waarop de opslag plaats vindt; 1.96 trouwlocatie een door de gemeente aangewezen locatie waar de huwelijksvoltrekking plaats kan vinden; 1.97 verblijfsrecreatie recreatieve activiteiten waarbij overnachting(en) plaatsvinden.
12
1.98 verkoopvloeroppervlakte de oppervlakte van alle toegankelijke winkelruimte ten behoeve van de detailhandel; 1.99 volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf met een omvang van ten minste één volledige arbeidskracht of een bedrijf met een aannemelijk perspectief op volwaardigheid; 1.100 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 1.101 voorgevelrooilijn de lijn in het verlengde van de voorgevel; 1.102 voorkeursgrenswaarde de maximale waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q.
het Besluit geluidhinder; 1.103 voorzieningen van algemeen nut voorzieningen ten behoeve van de op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.104 webwinkel een detailhandelvestiging waar goederen via het internet of via de telefoon worden besteld en betaald; 1.105 wettelijk beschermd archeologisch monument terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd archeologisch monument en als zodanig is ingeschreven bij het Kadaster; 1.106 woning een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één zelfstandig huishouden, niet zijnde een woonschip, of -ark; 1.107 woongebouw een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden; 1.108 zacht fruit bessen, bramen, frambozen, blauwe- of bosbessen, aardbeien en daarmee gelijk te stellen fruit; 1.109 zendmast een bouwwerk ten behoeve van draadloze (mobiele) (tele-) communicatie, hoofdzakelijk bestaande uit een apparatuurkast, een mast en één of meerdere antennes; 1.110 zelfstandig wonen het bewonen van een zelfstandige woonruimte; 1.111 zelfstandige woonruimte woonruimte met een eigen toegang, die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke
voorzieningen buiten die woonruimte.
13
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: 2.1
Meetmethode
2.1.1 lengte, breedte en diepte van bouwwerken tussen de verst van elkaar gelegen punten van die werken, horizontaal gemeten; 2.1.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het snijpunt van de staalconstructie van gevel en dak of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.1.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk , met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.1.5 oppervlakte van een bouwwerk tussen de (fictieve) buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een gebouw of van een overig bouwwerk; 2.1.6 onderlinge afstanden afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn; 2.1.7 de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.2
Uitzonderingen
2.2.1 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
14
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels Agrarisch
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in lid1.6 onder a en b met dien verstande dat de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals bedoeld in lid 1.6 onder b niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt'; b. fruitteelt; c. ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt': tevens voor het uitoefenen van fruitteeltbedrijf zoals genoemd in artikel 1.6 onder f, alsmede voor: 1. de huisvesting van piekwerkers ten behoeve van het fruitteeltbedrijf; 2. de huisvesting van vaste werknemers ten behoeve van het fruitteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - huisvesting werknemers'; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - koel/opslag/fruitsorteerbedrijf': een bedrijf voor koeling en opslag van fruit en andere goederen alsmede voor het sorteren van fruit van derden waarbij maximaal 6.900 m2 van de bedrijfsbebouwing gebruikt mag worden voor koeling en opslag; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente buitenopslag toegestaan': permanente buitenopslag met een maximale hoogte van 5 m. f.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - sorteren en verpakken van fruit': een bedrijf voor het sorteren en verpakken van eigen fruit en van fruit voor derden; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kwekerij': tevens voor sierteelt zoals genoemd in artikel 1.6 onder e; h. ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting': een ontsluitingsweg; i. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein': voor parkeren; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Agrarisch - plattelandswoning': de bestaande plattelandswoning; k. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, bestaande uit de openheid van het gebied en het verkavelingspatroon; l. bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies, voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van een nieuw aan te planten fruitboomgaard met daaraan ondergeschikt; m. extensieve dagrecreatie en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; n. mestverwerking ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering; o.
de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties met de daarbij behorende maximaal in gebruik te nemen oppervlaktes voor bebouwing en gronden; bij een combinatie van nevenfuncties mag ten hoogste 300 m² aan bebouwing en 4.000 m2 aan gronden worden gebruikt, tenzij in tabel 3.1 is bepaald dat alle bij het bedrijf behorende gronden in gebruik genomen mogen worden; p. zelfstandig wonen, daaronder begrepen beroepen- en bedrijven-aan-huis, uitsluitend in de bedrijfswoning; q. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kuilvoerplaten, sleufsilo's,teeltondersteunende voorzieningen, mestvoorzieningen, paardenbakken, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen, kavelpaden en voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bruggen, dammen, duikers, gemalen, waterberging en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; tevens natuurvriendelijke oevers, helofytenfilters, vispaaiplaatsen en voorzieningen ten behoeve van de verbetering van de waterkwaliteit. Tabel 3.1 Rechtstreeks toegestane nevenfuncties nevenfunctie
max. m² aan max. m² aan bestaande bebouwing gronden in gebruik in gebruik 15
verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten 100 inpandige opslag en stalling van agrarische producten (meer 300 dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering) veearts/hoefsmederij/KI-station 100 ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten 100 (kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij) inpandige statische volumineuze opslag en stalling van 300 niet-agrarische producten/werktuigen/ voertuigen in bestaande gebouwen behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, geen detailhandel rondleidingen op het agrarische bedrijf kano-, boot of fietsenverhuur
100
100 100 100 -
alle bij het bedrijf behorende gronden 100
3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. in afwijking van het gestelde onder a zijn kassen tevens buiten het bouwvlak toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw'; c. in afwijking van het gestelde onder a is buiten het bouwvlak de bestaande werktuigberging toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - werktuigberging'; d. in afwijking van het gestelde onder a is buiten het bouwvlak de bestaande luifel toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - luifel'; e. het gezamenlijk oppervlak aan hoofdgebouwen (inclusief bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken) binnen het bouwvlak mag ten hoogste 1,3 ha bedragen, ook indien sprake is van een gecombineerd bedrijf met meerdere productietakken; f. in afwijking van het gestelde onder e, geldt ten behoeve van het oppervlak aan gebouwen voor fruitteelt, niet zijnde koelruimten, de volgende regeling: 1. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 5 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 450 m² bedragen; 2.
indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 10 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 900 m² bedragen; 3. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 20 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 1.800 m² bedragen; 4. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 30 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 2.700 m² bedragen; 5. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft groter dan 30 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 3.600 m² bedragen; g. in afwijking van het gestelde onder e, geldt ten behoeve van het oppervlak aan koelruimten ten behoeve van de fruitteelt, de volgende regeling: 1. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 5 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 175 m² bedragen; 2. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 10 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 350 m² bedragen; 3. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 20 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 700 m² bedragen; 4. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 30 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 1.050 m² bedragen; 5.
indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft groter dan 30 ha, mag het 16
oppervlak aan koelruimten ten hoogste 1.400 m² bedragen; h. voor hoofdgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 8,8 m en 11 m i. in afwijking van het bepaalde sub h mag de maximum goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'dakopbouw' voor 40% van de lengte met maximaal 4 meter worden overschreden. j. de onderlinge afstand tussen hoofdgebouwen mag ten hoogste 20 m bedragen; k. voor de voorgevelrooilijn mag niet worden gebouwd; l. per bouwvlak is 1 bedrijfswoning toegestaan, tenzij met de maatvoeringaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' anders is aangeduid; m. voor de bedrijfswoning geldt een maximale inhoudsmaat (exclusief bijbehorende bouwwerken) van 660 m3 met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,2 en 8,5 m; n. bij sloop en nieuwbouw van een bedrijfswoning mag de bedrijfswoning uitsluitend op dezelfde fundamenten worden teruggebouwd; o. overigens geldt het volgende: max. oppervlak max. goothoogte max. bouwhoogte kassen en hoge boogkassen 300 m² (* 6m kassen en hoge boogkassen ter plaatse van de 8 m en 6 m aanduiding 'glastuinbouw' koel- en opslagruimte ter plaatse van de zie sub d, e en 8,8 m 13,2 m aanduiding 'fruitteelt' f *) ter plaatse van de aanduiding kas is het bestaande oppervlak aan kassen toegestaan
3.2.2 Erfbebouwing a Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. buiten het bouwvlak is 1 schuilstal per bedrijf mogelijk met een maximale oppervlakte van 20 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 m; c. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan ten behoeve van de naastgelegen woning onder voorwaarden dat: 1. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3,2 meter; 2. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 6 meter; 3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dat op de verbeelding aangeduid. d. in afwijking van het bepaalde onder a is buiten het bouwvlak maximaal één gebouw per fruitteeltbedrijf mogelijk ten dienste van het plaatsen van installaties voor de levensduur en veiligheid, zoals een aggregaat, een druppelaar, etc. met een maximale oppervlakte van 30 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 m. b Bijbehorende bouwwerken behorende bij de bedrijfswoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van een bedrijfswoning worden gebouwd; b.
de oppervlakte bedraagt maximaal 50% van de oppervlakte van het bouwvlak, met een maximum van 50 m²; c. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3,2 m; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 6 m; c Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: 17
a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn en buiten het bouwvlak maximaal 1 m bedraagt; c. de bouwhoogte van silo's bedraagt maximaal 12 m; d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen en lichtmasten bedraagt maximaal 12 m; e. ten behoeve van paardenbakken gelden de volgende regels: 1. per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan; 2. een paardenbak is toegestaan buiten het bouwvlak alleen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak'; 3. de afmeting van de paardenbak bedraagt maximaal 20 bij 40 m; 4. de paardenbak dient achter de bestaande bebouwing gerealiseerd te worden; 5. lichtmasten zijn niet toegestaan; 6. de bouwhoogte van afrasteringen bedraagt maximaal 1,5 m; 7. het woon- en leefklimaat van derden mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 50 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden; f. ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende regels: 1.
permanente lage en hoge teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, waarbij het maximale oppervlak 1.000 m2 bedraagt met een maximale bouwhoogte van 8 m voor kassen, een maximale bouwhoogte van 6 m voor hoge boog- en tunnelkassen en een maximale bouwhoogte van 3 m voor overige permanente teeltondersteunende voorzieningen; 2. tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan; 3. tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 m; 4. in afwijking van het bepaalde onder 3 zijn tijdelijke hoge teeltondersteunde voorzieningen met een maximale bouwhoogte van 3 m tevens toegestaan ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van agrarisch - kwekerij; 5. overige teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan met een bouwhoogte van 10 m, buiten het bouwvlak zijn beregeningspalen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 5,5 m en begeleidingspalen voor (fruit)bomen met een maximale hoogte van 4,5 m; g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.
3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de situering en/of afmetingen van bebouwing, indien dit noodzakelijk is in verband met: a. b. c. d. e. 3.4
een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing; een goede verkeerskundige inpassing; een goede inpassing van de cultuurhistorische waarden; een goede hydrologische inpassing; een goede brandveiligheid en rampenbestrijding. Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Ten behoeve van het bebouwingsoppervlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 3 lid 2.1 sub e teneinde het maximum bebouwingsoppervlak te vergroten, met inachtneming van het volgende: a. het maximum bebouwingsoppervlak mag worden vergroot tot ten hoogste 1,44 ha; b. een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de productietak grondgebonden veehouderij; c. vergroting van het bebouwingsoppervlak is alleen toelaatbaar, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering 18
dit noodzakelijk maakt; hiervan in is ieder geval sprake, indien de vergroting vanwege milieuwetgeving of het dierwelzijn is vereist; d. van de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikgemaakt indien sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf; e. de vergroting van het bebouwingsoppervlak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden). 3.4.2 Ten behoeve van een groter oppervlak bebouwing voor fruitteelt Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 3 lid 2.1 sub f en artikel 3 lid 2.1 sub g, teneinde een groter oppervlak aan bebouwing voor de fruitteelt toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. van de afwijking mag uitsluitend gebruik worden gemaakt, indien het groter oppervlak voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is; b. van de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikgemaakt indien sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf; c. alvorens de omgevingsvergunning te verlenen wordt met een schriftelijke advies van een agrarisch deskundige aangetoond dat aan het gestelde onder a en b wordt voldaan; d.
het oppervlak mag vergroot worden tot het ten hoogste het toegestane oppervlak in 2 hogere categorieën, zoals bedoeld in artikel 3 lid 2.1 sub f en artikel 3 lid 2.1 sub g; e. de afwijking dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden). 3.4.3 Ten behoeve van teelondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 3 lid 2.2.3 sub f, teneinde de bouw van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. afwijking mag alleen worden verleend voor tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen en voor overige teeltondersteunende voorzieningen, zoals genoemd in artikel 1.94; b. van de afwijking mag uitsluitend gebruik worden gemaakt, indien de bouw voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is; c. van de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikgemaakt indien sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf; d. alvorens de omgevingsvergunning te verlenen wordt met een schriftelijke advies van een agrarisch deskundige aangetoond dat aan het gestelde onder b en c wordt voldaan; e.
de teeltondersteunende voorziening dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden). f. voor tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen bedraagt de bouwhoogte maximaal 3 m; g. voor overige teeltondersteunende voorzieningen bedraagt de bouwhoogte maximaal 10 m, waarbij geldt dat de bouwhoogte van boomteelthekken niet meer mag bedragen dan 3,5 m. 3.4.4 Ten behoeve van meerdere gebouwen buiten het bouwperceel Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 3 lid 2.2.1 sub d, teneinde meerdere gebouwen buiten het bouwvlak toe te staan bij een fruitteeltbedrijf , met inachtneming van het volgende: a. het aantal gebouwen per bedrijf mag niet meer bedragen dan opgenomen in de onderstaande tabel b. de afwijking dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); c.
de maximale oppervlakte per gebouw mag niet meer bedragen dan 30 m2 en de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. 19
bedrijven tot en met 5 ha: 1 gebouw bedrijven tot en met 10 ha: 2 gebouwen bedrijven tot en met 20 ha: 3 gebouwen bedrijven tot en met 30 ha: 4 gebouwen bedrijven met meer dan 30 ha: 5 gebouwen
3.5 Specifieke gebruiksregels a. Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen: mestopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan; b. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding of wijziging van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de bestaande ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf; c. faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak, tenzij met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak' anders is aangegeven; d. ten behoeve van de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties gelden de volgende gebruiksregels: 1. het oprichten van lichtmasten, lichtbakken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan; 2.
voor de nevenfunctie kleinschalig kamperen gelden de volgende regels: kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; de kampeermiddelen dienen op of aansluitend aan het betreffende bouwvlak geplaatst te worden; het plaatsen van stacaravans is niet toegestaan; ten behoeve van het kleinschalig kamperen mogen binnen het bouwvlak sanitaire voorzieningen worden gebouwd; de agrarische uitstraling van de bedrijfsgebouwen en het erf dient behouden te worden en waar mogelijk te worden versterkt; e. opslag van stoffen en producten die gevaar of milieuoverlast kunnen opleveren, is in geen geval toegestaan; f. buitenopslag buiten het bouwvlak niet is toegestaan met uitzondering van tijdelijke opslag en met uitzondering ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente buitenopslag toegestaan' ; g. er mag geen detailhandel ontstaan met een verkoopvloeroppervlak van meer dan 100 m²; h. ten behoeve van de huisvesting van werknemers en piekwerkers geldt het volgende: 1. het huisvesten van piekwerkers is toegestaan onder voorwaarden dat: maximaal 35 piekwerkers gehuisvest worden in uitsluitend kampeermiddelen en/of woonunits met een maximum aantal van 12; huisvesting plaatsvindt over een aaneengesloten periode van maximaal 12 weken; huisvesting plaatsvindt binnen het bouwvlak; 2.
het huisvesten van vaste werknemer is toegestaan onder voorwaarde dat: maximaal 15 vaste werknemers worden gehuisvest in een bestaand bedrijfsgebouw; huisvesting plaatsvindt over een aaneengesloten periode van maximaal 9 maanden; i. tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: 1. prostitutiebedrijven; 2. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn; 3. wonen, behoudens bedrijfswoningen, plattelandswoningen en de huisvesting van seizoenarbeiders; 4. commerciële zaalverhuur; 5. zelfstandige horeca, anders dan genoemd in tabel 3.2. j. indien het gebruik van gronden en bouwwerken wijzigt naar gebruik anders dan ten behoeve van het fruitteeltbedrijf en rooiing van de boomgaard daarvan het gevolg is, ontstaat een verplichting om ter 20
landschappelijke inpassing drie rijen fruitbomen te behouden, danwel hernieuwd aan te planten, langs de gehele oost- en zuidoostzijde van het bestaande bouwvlak. 3.6
Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Ten behoeve van nevenfuncties Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 3 lid 1 sub r , teneinde de in tabel 3.2 genoemde nevenfuncties met de daarbij behorende maximaal in gebruik te nemen oppervlaktes voor bebouwing en gronden toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); b. nieuwbouw ten behoeve van de nevenfunctie is uitsluitend toegestaan indien een zelfde hoeveelheid aan oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel wordt afgebroken; c. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking; d. bij een combinatie van nevenfuncties mag niet meer dan 300 m² aan gebouwen en 4.000 m² aan onbebouwde gronden in gebruik worden genomen, tenzij in de tabel is bepaald dat alle bij het bedrijf behorende gronden in gebruik genomen mogen worden; e. ten behoeve van de nevenfunctie kleinschalig kamperen gelden de volgende regels: 1. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober met een maximum van 25; 2.
de kampeermiddelen dienen op of aansluitend aan het betreffende bouwvlak geplaatst te worden; 3. het plaatsen van stacaravans is niet toegestaan; 4. ten behoeve van het kleinschalig kamperen mogen op het bouwvlak sanitaire voorzieningen worden gebouwd; 5. de agrarische uitstraling van de bedrijfsgebouwen en het erf dient behouden te worden en waar mogelijk te worden versterkt; f. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden binnen het bouwvlak; g. het oprichten van lichtmasten, lichtbakken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan; h. opslag van stoffen en producten die gevaar of milieuoverlast kunnen opleveren, is niet toegestaan; i. buitenopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan; j. er mag geen detailhandel ontstaat met een verkoopvloeroppervlak van meer dan 100 m². Tabel 3.2 Toegestane nevenfuncties via afwijking nevenfunctie veehandelsbedrijf, foeragehandel agrarisch loonbedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten hoveniersbedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten overige bedrijven behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten dierenpension semi bedrijfsmatige gebruiksgerichte paardenhouderij agrarisch verwante sociale functies (resocialisatie, therapie, zorgboerderij)
max. m² aan bebouwing max. m² aan gronden 300 500 300 500
bed & breakfast / gastenverblijf recreatief nachtverblijf/ kampeerboerderij
100 100
300
500
100
100
200 300 200
500 2000 alle bij het bedrijf behorende gronden 100 100
21
kleinschalig kamperen tot maximaal 25 kampeermiddelen middelgrote kinderopvang rondleidingen op het agrarische bedrijf (voorzieningen hiertoe als ontvangstruimte) galerie/atelier/museum/tentoonstellingsruimte horeca-activiteiten voor zover ten dienste aan de hoofdactiviteit en deze behoren tot de categorieën 1 en 4 van de van deze regels deel uitmakende 'Staat van Horeca-activiteiten'
200 200 n.v.t.
100 100
2500 binnen het bouwvlak 200 alle bij het bedrijf behorende gronden 500 500
3.6.2 Algemene bevoegdheid tot afwijken ten behoeve van nevenfuncties Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de categorieën nevenfuncties zoals genoemd in de tabel 3.1 en 3.2 teneinde nevenfuncties toe te staan die naar aard, omvang en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot de ingevolge de tabellen 3.1 en 3.2 toelaatbare nevenfuncties met inachtneming van de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3 lid 6.1 3.6.3 Ten behoeve van groter oppervlak voor nevenfunties Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het maximaal aantal m² aan bebouwing dat in gebruik mag worden genomen voor de nevenfuncties in tabel 3.1 en 3.2 en het bepaalde in artikel 3 lid 6.1 sub d, teneinde een groter aantal m² toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. de nevenfunctie dient plaats te vinden in een gebouw dat een groter oppervlak betreft dan de maatvoering in tabel 3.1 en 3.2; b. afwijking wordt uitsluitend toegepast indien het niet reëel is dat slechts een gedeelte van het gebouw gebruikt kan worden; c. na verlening van afwijking mag het gehele gebouw voor de nevenfunctie in gebruik genomen worden; d. nieuwbouw ten behoeve van de nevenfunctie is uitsluitend toegestaan indien een zelfde hoeveeldheid aan oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel wordt afgebroken; e.
de uitbreiding van het toegestaan oppervlak mag geen nadelige effecten hebben op de ruimtelijke uitstraling van het perceel; f. de uitbreiding dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden). 3.6.4 Ten behoeve van paardenbakken buiten het bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in artikel 3 lid 5 sub c ten behoeve van het realiseren van een paardenbak buiten het bouwvlak, met inachtneming van het volgende: a. de paardenbak dient gesitueerd te worden direct grenzend aan het betreffende agrarische bouwvlak; b. in afwijking van het bepaalde onder a is het toegestaan om een paardenbak, die wordt gerealiseerd ten behoeve van de bestemming Wonen, te situeren op gronden met de bestemming Agrarisch direct grenzend aan het betreffende bestemmingsvlak Wonen, mits wordt aangetoond dat situering binnen het bestemmingsvlak Wonen redelijkerwijs niet mogelijk is; c. per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan; d. de paardenbak mag niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden; e. de paardenbak dient achter de bestaande bebouwing gerealiseerd te worden; f.
er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; g. de omvang van de paardenbak bedraagt ten hoogste 20 bij 40 m; h. lichtmasten zijn niet toegestaan; i. de bouwhoogte van afrasteringen bedraagt maximaal 1,5 m; j. het woon- en leefklimaat van derden mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 50 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden. 22
3.6.5 Ten behoeve van een plattelandswoning Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 ten behoeve van het gebruik van de bestaande agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning, met dien verstande dat: a. de bedrijfswoning wordt bewoond door personen die geen functionele binding hebben met het agrarische bedrijf waartoe de woning behoorde; b. het agrarisch bedrijf waartoe de woning behoorde, wordt voortgezet; c. er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.7.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch voor zover gelegen buiten een bouwvlak zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a. het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel, het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen en het aanbrengen van drainage; b. het aanleggen of verharden van wegen of paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. ophogen, egaliseren, afgraven, afschuiven en ontgronden; d. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen voor zover deze zijn gelegen buiten de bekend zijnde kabeltracés; e. het (nieuw) aanplanten van een fruitboomgaard voor zover gelegen binnen 50 meter van een gevoelige functie; f. het herplanten van een fruitboomgaard voor zover dit niet binnen 1 jaar na het rooien heeft plaatsgevonden en niet herplant wordt op exact dezelfde locatie.
3.7.2 Uitzonderingen Van het vereiste van een omgevingsvergunning zijn uitgezonderd werken en werkzaamheden die: a. b. c. d.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij de bouwregels in acht zijn genomen; normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan. voor zover er sprake is van een bestaande fruitboomgaard zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels, tenzij er sprake is van de herplant conform artikel 3 lid 7.1 sub f.
3.7.3 Toelaatbaarheid De genoemde omgevingsvergunning in artikel 3 lid 7.1 kan slechts worden verleend, indien: a. geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de aanwezige hydrologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; b. geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de waterhuishoudkundige functie van de gronden; c. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies inwint van de betreffende waterbeheerder; d. geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de aanwezige landschappelijke waarden; e. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies inwint bij een deskundige op het gebied van landschap; f. geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de aanwezige cultuurhistorische waarden; g. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies inwint bij een deskundige op het gebied van cultuurhistorie. h. Ten aanzien van de aanplant van fruitboomgaarden, zoals bedoeld in artikel 3 lid 7.1 sub e en artikel 3 lid 7.1 sub f, een aanvaardbaar woon-en leefklimaat voor de omliggende gevoelige functies kan worden gegarandeerd. Van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is sprake indien de aanvrager voor omgevingsvergunning middels locatiespecifiek onderzoek, zoals omschreven binnen artikel 1.71, kan aantonen dat voor de omliggende gevoelige functies binnen 50 meter van de aan te leggen 23