Bijlage toelichting 8 b _NL.IMRO.0321.0680ASVSCHALKWIJK-VSBP_Quickscan..chalkwijk.pdf
Tekst van het document
BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. L. Toppen ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Datum
21 februari 2020
Kenmerk
BE/2020/018/r
Uw kenmerk
Email d.d.9 januari 2020
Auteur(s)
ing. M.J. Visschers
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet nb aan de Lagedijk 1 en Kanaaldijk Zuid ong. te Schalkwijk Aan de Lagedijk 1 te Schalkwijk is een perceel met agrarische bebouwing gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op het perceel te saneren om woningen, al dan niet gecombineerd met zorgwoningen te realiseren. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dienen er een aantal bomen gekapt te worden en een aantal sloten gedempt te worden. De agrarische activiteiten worden voorgezet op een perceel aan de Kanaaldijk ong. Derhalve dient aan de Kanaaldijk Zuid nieuwe agrarische bebouwing met een bedrijfswoning te worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie bestaat uit twee locaties in Schalkwijk (figuur 1). De locatie aan de Lagedijk 1 betreft een agrarisch perceel met diverse agrarische opstallen. Op de planlocatie betreft de bebouwing: • Een kapschuur, bestaande uit gemetselde muren, damwandplaten en een dak van golfplaten. • Een lage stal geheel opgetrokken houten wanden welke zijn aan de buitenzijde zijn omhuld met damwandplaten. Het dak bestaat eveneens uit damwandplaten. • Een stal opgetrokken uit gemetselde muren, damwandplaten en een dak van golfplaten. Aan deze stal is een kleien gemetselde overkapping met een golfplaten dak aanwezig. Drie silo’s De woning en de schuur op het perceel (ten noorden) vallen buiten de beoogde ontwikkeling. Behoudens de kapschuur en opstallen zijn er op het terrein een rijbak met zand, grond- en puinopslag, sleufsilo’s t.b.v. kuilvoer, drie voersilo’s en een mestopslag aanwezig. Tevens is een kleine omheinde weide met hoogstam fruitbomen aanwezig. Het plangebied is grotendeels verhard met betonplaten, klinkers en asfalt. Aan de zuid- en oostzijde bestaat het plangebied uit graslanden met sloten, wilgenrijen en bosschages. In figuur 2 is een overzicht van het plangebied weergeven met daarin de verschillende gebouwen. De locatie aan de Kanaaldijk Zuid ong. betreft een agrarisch grasland in het buitengebied van Schalwijk.
Het perceel waarop de ontwikkelingen gepland zijn, betreft een grootte van ca 1,5 ha. Het perceel wordt gedeeltelijk omringd door kavelsloten. De omgeving bestaat eveneens agrarische percelen. Ten noorden van het perceel is het Amsterdam-Rijnkanaal gesitueerd. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. In figuur 3 en 4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocaties wordt gekenmerkt door landelijk gebied dat met name een agrarische functie heeft. De locatie aan de Lagedijk 1 is gelegen aan de rand van het dorp.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Kanaaldijk Zuid ong. en de Lagedijk 1 te Schalkwijk (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
3
Figuur 2
Overzicht van de bebouwing op de planlocatie aan de Lagedijk 1 met daarin (A) de kapschuur, (B) lage schuur van damwandplaten en (C) de schuur met gemetselde muren, damwandplaat en een golfplaten dak. A t/m C worden gesaneerd ten behoeve van de ontwikkeling van woningen. De woning en de schuur op het perceel (ten noorden) vallen buiten de beoogde ontwikkeling (bron kaartmateriaal: google.com).
Figuur 3
Fotografische indruk van de planlocatie aan de Lagedijk 1 en de directe omgeving hiervan.
Figuur 4
Fotografische indruk van de planlocatie aan de Kanaaldijk Zuid ong. en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling aan de Lagedijk 1 te Schalkwijk betreft de sloop van de huidige agrarische opstallen en de realisatie van woningen in combinatie met zorgwoningen. De huidige functie van het perceel betreft ‘agrarisch’ en dient te worden veranderd naar ‘wonen’. De ontwikkeling aan de Kanaaldijk Zuid ong. betreft de realisatie van een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning. De huidige functie van het perceel betreft ‘agrarisch’ en blijft behouden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen/dempen, graven van sloten: kapwerkzaamheden/graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 5
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Compositie 5 Stedenbouw B.V.).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020 en is uitgevoerd door ing. M.J. Visschers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 0-1 (Bft).
4
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
Wezel Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen.
5
Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Het perceel aan de Lagedijk 1 betreft een agrarisch bedrijf waar vee gehouden wordt. Grote delen van het perceel, met name rondom de bebouwing, is verhard. Aan de zuid- en oostzijde is grasland aanwezig. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: wilde peen, herderstasje, paarse dovennetel, kruipende boterbloem, ooievaarsbek, schijnaardbei, zuring, brandnetel, hondsdraf, melkdistel en akkerdistel.
Op een aantal plaatsen op het perceel zijn hagen van liguster en bosschages met gewone braam, eik en es aanwezig. Tevens zijn rijen wilgenbomen en een dierenweide met een aantal hoogstam fruitbomen aanwezig. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Het grasland aan de Kanaaldijk Zuid ong. betreft een monocultuur van raaigras waarbij enkel aan de randen van het perceel/ op de oever van de watergang enkele kruiden, waaronder madelief, hondsdraf en pitrus, zijn waargenomen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocaties betreffen agrarisch percelen. De aanwezige planten schetsen het beeld van een sterkt geëutrofieerde/ verstoorde bodem. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.
6
Grondgebonden zoogdieren In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, das, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wezel (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter en das. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Grondgebonden zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving wordt de bever waargenomen in de uiterwaarden van de Lek en het naastgelegen Natuurnetwerk Nederland. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. Het dieet bestaat uit waterplanten, kruiden, bladeren en scheuten van wortels die in de overgangszone groeien. In de winter bestaat het voedsel vooral uit bast en twijgjes van voornamelijk wilg en populier. ’s Winters of in periodes waarin ze jongen hebben verblijven bevers in burchten van stammen en takken, die aan de waterkant ligt of boven het water uit wordt gebouwd. De ingang van een burcht ligt onder water.
In stromend water bouwen zij dammen om het waterpeil te verhogen en zodoende hun territorium uit te breiden. De aanwezigheid van voldoende goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Om te voorzien in het benodigde voedsel en om burchten te realiseren of uit te breiden worden de bomen langs de oever om geknaagd. Tijdens dat proces laten ze grote hopen snippers en duidelijke vraatsporen achter (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). De planlocaties zelf zijn niet geschikt als functioneel leefgebied door de zeer beperkte aanwezigheid van geschikt habitat met ‘bijbehorende faciliteiten’. Sporen van de bever zijn ook niet waargenomen op de planlocaties. Tevens is er sprake van (te)veel verstoring in de directe omgeving. Derhalve kan het voorkomen van de bever op de planlocaties worden uitgesloten. De boommarter wordt waargenomen in het natuurgebied Het Verdronken Bos (Natuurnetwerk Nederland) dat is gelegen op een afstand van 1,6 km ten oosten van de planlocatie. Bossen van allerlei typen en leeftijden zijn uitstekende leefgebieden voor boommarters. De rust- en nestplaatsen zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren of onder takkenbossen. De soort komt ook voor in stadsparken met voldoende (oude) bomen en vakantiehuizen of schuren in of aan de rand van natuurgebieden.
Een territorium kan circa 1000 hectare groot zijn en er worden nachtelijk afstanden tot wel 20 km afgelegd. Het voedsel van boommarters bestaat uit insecten, vogels en eieren, kleine zoogdieren en bessen en vruchten (Zoogdiervereniging boommarter, 2020). Essentieel leefgebied van voldoende grootte en kwaliteit is voor deze typisch bosbewoner niet aanwezig op de planlocaties. De planlocaties bieden onvoldoende beschutting, voedsel en/ of nestlocaties. Tevens is er op de planlocatie aan de Lagedijk 1 sprake van aanzienlijke menselijke verstoring. Aantasting van essentieel leefgebied en/of essentiële habitatonderdelen van de boommarter is derhalve niet aan de orde. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond aanwezig is, voldoende dekking in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen of heggen is en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Dassen maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen, hieronder vallen (grote) hoofdburchten, bijburchten en vluchtpijpen.
Het stapelvoedsel van dassen bestaat uit regenwormen, maar daarnaast staan vruchten, noten, granen en ook ongewervelden op het menu. In een straal van 5 km rondom de planlocaties zijn in de afgelopen 10 jaar slechts eenmaal sporen van de das waargenomen. Deze waarneming uit 2005 betreft een pootafdruk welke is waargenomen in het natuurgebied Het Verdronken Bos. De aanwezigheid van burchten in de omgeving is niet bekend. Tussen de planlocaties en het natuurgebied zijn diverse barrièrevormende elementen zoals wegen en diepe watergangen aanwezig. Op de planlocatie aan de Kanaaldijk Zuid ong. is geen enkele vorm van beschutting aanwezig. Daarnaast vormt de diepe sloot met steile oevers een té grote barrière voor de das, gezien dassen niet graag zwemmen. De planlocatie aan de Lagedijk 1 is eveneens omringd door diepe watergangen. Op de planlocatie is sprake van aanzienlijke menselijke verstoring en beschutting is slechts marginaal aanwezig. Cumulatief zijn de planlocaties ongeschikt als essentieel leefgebied van de das.
7
Aantasting van vaste rust- en of verblijfplaatsen, essentieel leefgebied of migratieroutes van de das is derhalve uitgesloten op beide planlocaties. Gelet op de inrichting, het gebruik van de locaties en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locaties is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocaties hebben enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, haas, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 2010-2020). Tijdens het veldbezoekzijn er wel/geen sporen van vleermuizen aangetroffen.
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Door de afwezigheid van geschikte structuren is de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen evenals essentieel foerageergebied op het perceel aan de Kanaaldijk Zuid ong. per definitie uitgesloten. Op de planlocatie aan de Lagedijk 1 zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Als gevolg van de ontwikkeling worden enkele wilgen in de wilgenrij aan de Lagedijk 1 verwijderd. In diverse wilgen zijn diepe kieren en/of ingerotte holten aanwezig welke kunnen dienen als vaste rust- en/of verblijfplaats van boombewonende vleermuizen (figuur 6).
Figuur 6
Scheuren en holten in de wilgen zijn mogelijk geschikt als rust- en verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen.
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.
8
Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De kapschuur is opgetrokken uit gemetselde muren met luchtspouw. Deze luchtspouw is niet geïsoleerd. Ontbrekende kozijnen, kieren of scheuren zijn geschikte invliegopeningen die toegang kunnen verschaffen tot de achterliggende spouw. De lage stal is opgetrokken uit houtbouw en damwandplaten. Tussen deze materialen zijn ruimten aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaats. Kieren tussen het hout en de damwandplaten verschaffen toegang tot deze ruimten. De stal met overkapping is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw. Deze spouw is eveneens niet geïsoleerd. Boorgaten en kieren/ scheuren zijn geschikt als invliegopening die leiden tot de achtergelegen spouw. In figuur 7 zijn een aantal potentiele invliegopeningen in de bebouwing weergegeven.
Figuur 7
Openingen in de bebouwing zijn mogelijk geschikt als rust- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen.
De bebouwing wordt mogelijk gebruikt als rust- en/of verblijfplaats door grootoorvleermuizen. De grootoorvleermuis maakt gebruikt van hangplekken waar ze hun pooi mee naartoe nemen en opeten. Dergelijke hangplaatsen zijn te herkennen aan grote hoeveelheden afgebeten (vlinder)vleugels en keutels. Vorengenoemde sporen zijn ten tijde van het veldbezoek niet aangetroffen. Volledigheidshalve dient de potentie voor verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis meegenomen te worden in het vleermuisonderzoek. Op basis van de karakteristieken van de bebouwing kan de potentie voor (massa)winterzwermen worden uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat de bebouwing op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het is eveneens niet uit te sluiten dat de wilgenrij op de planlocatie gebruikt wordt als verblijfplaats door boombewonende vleermuizen. De sloop van de bebouwing en kap van (een deel van) de wilgen kan leiden tot een negatief effect voor verschillende vleermuissoorten. Om dit uit te sluiten is aanvullen onderzoek d.m.v. vijf veldbezoeken tussen april-oktober nodig, waarbij er 3 voorjaarsbezoeken dienen plaats te vinden en 2 najaarsbezoeken (Vleermuisprotocol, 2017).
Hoewel het vooralsnog niet bekend is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rusten/of verblijfplaats bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of (in mindere mate) vliegroute. Bij een eventueel vleermuisonderzoek kunnen deze mogelijke foerageergebieden en vliegroutes tevens onderzocht worden. In de luwte van vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe
9
omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en poelkikker (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). Voor de heikikker en poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de omgeving van de planlocatie worden de heikikker en poelkikker met name waargenomen in het natuurgebied Het Verdronken Bos. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen.
Hierdoor wordt de heikikker vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden. Watersystemen zijn ondiep, voedselarm en enigszins zuur, vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtige te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtig half-natuurlijke graslanden. Overwintering vindt veelal plaats in afgetrapte slootkanten of bosjes. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (Creemers & Van Delft, 2009). De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon, zwak zuur en voedselarm water. Het is een pionierssoort die nieuw ontstane poelen zonder vegetatie kunnen koloniseren, maar zich kan blijven handhaven als vegetatie zich sterker heeft ontwikkeld. Als de waterkwaliteit vermindert kan de soort echter snel verdwijnen. Beide planlocatie betreffen intensief beheerde agrarische percelen. Het perceel aan de Kanaaldijk Zuid ong. betreft een monocultuur van enkel raaigras. De watergangen zijn vrij diep hen hebben steile oevers. Geprefereerd habitat van beschermde soorten is niet aanwezig.
Op satellietbeelden van google is te zien dat de watergang aan de Lagedijk 1 geheel is bedekt met kroos. Kroosvorming is het gevolg van zeer voedselrijk water en is niet ongebruikelijk in de directe omgeving van veehouderijen. De voorkomende vaatplanten bevestigen het beeld van een voedselrijke omgeving. Dergelijke kroosbedekking resulteert in de afwezigheid van waterplanten door gebrek aan licht, zuurstof arme omstandigheden en zeer soortarme wateren. Tevens is het aannemelijk dat in dergelijke brede sloten een aanzienlijke hoeveelheid vissoorten (als stekelbaarzen) voorkomen. Door vorengenoemde zijn negatieve effecten t.a.v. heikikker en poelkikker uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving van de Kanaaldijk Zuid is de aanwezigheid bekend van de ringslang (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). Voorts prefereert de soort goed ontwikkelde oever- en/of verlandingsvegetaties, en is de nabijheid van overgangssituaties tussen grasland en ruig begroeide overhoekjes (met kruid-, struweel- en boomlaag) van belang.
Broeihopen en/of houthopen kunnen dienen als voortplantings- en overwinteringsbiotoop. Vorengenoemde ontbreekt binnen het plangebied. Het functioneel leefgebied van de soort kan derhalve worden uitgesloten. Overige reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen met voldoende beschutting. Dergelijke gebieden zijn niet of slechts zeer marginaal aanwezig op de planlocatie en worden tevens niet aangetast als gevolg van de ontwikkelen. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
10
Vissen In de omgeving van de planlocatie, op een afstand van ca 1 km, is het voorkomen van de grote modderkruiper bekend. Voor de aanwezigheid van grote modderkruiper dienen verschillende functionaliteiten binnen een watergang aanwezig te zijn, namelijk: de plekken waar gebaltst of gepaard wordt, de plekken waar eitjes afgezet worden en opgroeien en de plekken die door de larven of jonge visjes worden gebruikt. De ondiepe paaizones zijn vaak sterk zonbeschenen en rijk begroeid met onderwatervegetatie, helofyten of ondergelopen gras. Vorengenoemde is niet aanwezig binnen of rondom het plangebied. De aanwezigheid van grote modderkruiper kan derhalve uitgesloten worden. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid bekend van grote weerschijnvlinder (NDFF 2010-2020). Geprefereerd habitat van de soort betreft oudere, vochtige loofbossen en wilgenbroekbossen. Dit is overeenkomstig met het habitat in Het Verdronken Bos waar de soort is waargenomen. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen.
Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: koolmees, buizerd, ekster, steenuil, wilde eend, merel en winterkoninkje. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn in de kapschuur aan de Lagedijk 1 braakballen, krijtsporen, nesten en individuen van de steenuil aangetroffen (figuur 8).
Figuur 8
De kapschuur aan de Lagedijk wordt gebruikt als verblijfplaats door steenuilen. Rechts op de foto zijn 2 steenuilen zichtbaar.
Op de planlocatie is mogelijk tevens sprake van functioneel leefgebied van uilen (c.q. steen- en kerkuil). Om vast te stellen op welke wijze steenuilen gebruik maken van de planlocatie die aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Het aanvullende onderzoek betreft 3 gerichte veldbezoeken in de periode 1 februari t/m 30 april (optimaal 15 februari t/m 15 april) waarbij wordt gekeken naar aan- of afwezigheid van rust en/of verblijfplaatsen of overige functionele onderdelen van het leefgebied op de planlocatie. Er zijn geen jaarrond bestemde nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte
11
vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen de planlocatie geen functioneel leefgebied aanwezig. De gierzwaluw en huismus leven in de directe omgeving van mensen en broeden beide als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De te slopen schuren bieden door de bouwstructuur, afwezigheid dakbeschot en/of het ontbreken van geschikte invliegopeningen, geen potentiele nestlocaties voor huismus en gierzwaluw. De beoogde ontwikkeling leidt tot beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus en gierzwaluw is derhalve geen sprake. Met voorbehoudt ten aanzien van steeteen uil is van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties.
Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocaties maken geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De gemeten afstand betreft de afstand tussen een beschermd gebied en de meest dichtbij gelegen planlocatie. Op een afstand van circa 7,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (figuur 9). Andere Natura 2000-gebieden zijn gelegen op een afstand groter dan 10 km. Op een afstand van circa 0,5 (locatie Kanaaldijk Zuid) en 0,9 km (locatie Lagedijk) ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 10).
Figuur 9
12
De planlocaties liggen op een afstand van ten minste 7,3 km tot het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied, betreffende: ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 10 De planlocaties liggen op een afstand van ten minste circa 0,5 km tot het meet dichtbij gelegen Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK). Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er t.a.v. de stikstofdepositie onder een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar zou blijven. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig.
In september 2019 is de nieuwe Aerius calculator gepubliceerd. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. De herbeoordeling d.m.v. de herziene Aerius calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Dit wordt onderschreven in de ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019).
Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf:
13
• Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een agrarisch bedrijf en de realisatie van (zorg)woningen aan de Lagedijk 1 en de realisatie van een agrarisch bedrijf aan de Kanaaldijk Zuid ong., wat ten opzichte van de huidige situatie leidt tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal met hogere isolatiewaarden en hoogrenderende stookinstallaties een relatief lage stikstofuitstoot hebben. Ten opzichte van de huidige situatie wordt verwacht dat er sprake zal zijn van een afname in stikstofemissie op het perceel. Door de verplaatsing van het agrarisch bedrijf naar een andere locatie leidt de ontwikkeling netto tot de toevoeging van de (zorg)woningen.
Netto gezien leidt de ontwikkeling derhalve aannemelijk tot een (beperkte) toename in stikstofemissie. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’). Gezien de mogelijke toename in stikstofemissie, het projecteffect en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden (7,3 km) zijn negatieve gevolgen voor relevante Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Derhalve dient er een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden.
Beoordeling (c) houtopstanden Als gevolg van de ontwikkeling wordt een klein aantal van de wilgen langs de watergang aan de Lagedijk 1 gekapt. Tevens worden aannemelijk enkele bosschage verwijderd. Kapwerkzaamheden op de planlocatie vallen deze onder type b of f. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
14
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft, behoudens mogelijk vleermuizen en steenuilen, geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient derhalve aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen en steenuilen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Er wordt geadviseerd om een AERIUS berekening uit te voeren. Een uitgebreide Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
-
-
+/-
+/-
-
+/-
n
n
n
n
n
j
+/-
Geschikt habitat Andere soort
-
+
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
7,3 km
mogelijk
AERIUS
Natuurnetwerk Nederland
0,5 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
ja
ja
n.v.t.
ja
ja
n.v.t.
Bomen
-
+
-
Struiken
-
+
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
Natura 2000
+
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
Insecten en andere ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
j
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt (met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen, steenuilen en de AERIUS-berekening) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing en te kappen wilgen een relevante functie hebben voor vleermuizen en/of steenuilen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit).
15
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Lagedijk1 en de Kanaaldijk Zuid ong. te Schalkwijk uitvoerbaar zijn zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Voor de schuren dient tevens de potentie voor verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis meegenomen te worden. • Ten aanzien van uilen dient er een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanof afwezigheid van rust en/of verblijfplaatsen of overige functionele onderdelen van het leefgebied op de planlocatie. Het aanvullende onderzoek betreft 3 gerichte veldbezoeken in de periode 1 februari t/m 30 april (optimaal 15 februari t/m 15 april). Het aanvullende onderzoek betreft gerichte veldbezoeken in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang tot middernacht. De inventarisatie vindt plaats door het afspelen van roepgeluiden middels een geluidsdrager, inspectie van de verblijfplaats(en), zichtwaarnemingen en navraag bij betrokken en/of relevante instanties. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen kwetsbare habitats van Natura 2000gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
16
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
17
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. M.J. Visschers Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
18
Bijlage 1 Fotografische impressie
19
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Lagedijk 1 te Schalwijk en betreft een veehouderij met bijbehorende opstallen.
Figuur 2
De initiatiefnemer is voornemens (zorg)woningen op het perceel te realiseren.
20
Figuur 3
Ten behoeve van de ontwikkeling dienen de bestaande opstallen te worden gesaneerd.
Figuur 4
De planlocatie is gelegen aan de Kanaaldijk Zuid ong. en betreft een agrarisch grasland. De initiatiefnemer is voornemen een agrarisch bedrijf te realiseren op het perceel.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
21
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
22
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
23