Bijlage 7. Orienterend onderzoek naar beschermde flora en fauna
Tekst van het document
BURO SRO T.a.v. dhr. Luuk Toppen `t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Datum
27 juni 2019
Kenmerk
BE/2019/410 /r
Uw kenmerk
Email d.d. 27 mei 2019
Auteur(s)
T. Voortman
Collegiale toets
T.W.D. Schrader
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Provincialeweg 57-58 te Schalkwijk Aan de Provincialeweg 57-58 te Schalkwijk is een agrarisch bedrijf met twee bedrijfswoningen in een monumentale boerderij gesitueerd. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn door de vorige eigenaar reeds beëindigd. De initiatiefnemers, familie van der Ven en familie Leliveld, zijn woonachtig in de monumentale boerderij op het perceel. Zij zijn voornemens een groot deel van de agrarische bebouwing op de planlocatie te slopen en verharding te verwijderen. De boerderij, alsmede enkele (delen van) schuren zullen behouden blijven. Op de planlocatie zal een derde woning worden gerealiseerd. De huidige paardenrijbak zal worden verwijderd, er zal een nieuwe rijbak worden gerealiseerd op een andere locatie op het perceel. Het vigerende bestemmingsbeleid voorziet niet in de ontwikkelingsmogelijkheid en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop.
Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid. Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Provincialeweg 57-58 te Schalkwijk (figuur 1). Het betreft een agrarisch bedrijf met twee woningen in een monumentale boerderij, een groot aantal schuren, een grotendeels verhard erf en een aantal weides (figuur 2). Een aanzienlijk aantal schuren zal in de beoogde ontwikkeling worden gesaneerd (figuur 3). Tevens wordt een groot deel van de verharding verwijderd, waarvoor een nieuwe grasweide wordt ingezaaid. De monumentale boerderij (figuur 2, F), welke in de beoogde ontwikkelingen behouden blijft, is opgetrokken uit bakstenen muren een rieten dak. In de boerderij bevinden zich twee woningen: nummer 57 en nummer 58. Ten noorden van de boerderij is een klein schuurtje gelegen dat tevens behouden blijft. Direct achter de boerderij, aan de noordelijke zijde van het perceel, is een schuur gelegen die functioneert als ponystal en materiaalopslag (figuur 2, A). De schuur is opgetrokken uit metalen damwandplaten en een golfplaten dak. Metalen palen en houten balken dragen de constructie. Er is een halve tweede verdieping aanwezig. Direct aangrenzend is een tweede grote schuur (figuur 2, B) gesitueerd welke is opgetrokken uit bakstenen muren, houten planken, een golfplaten (asbest) dak en houten dakbeschot. In de schuur staan rijwielen, landwerkvoertuigen en caravans opgeslagen. Tevens staan er enkele dierenhokken.
Aangrenzend aan de ponystallen (figuur 2, A) is een kleinere, smallere schuur gesitueerd aan de noordelijke rand van het perceel (figuur 2, C). In deze schuur zijn tevens ponystallen aanwezig. Ook is er materiaal opgeslagen. Naast de huidige rijbak is een derde grote schuur gesitueerd (figuur 2, D), welke is opgetrokken uit metalen damwandplaten en golfplaten (asbest). In deze half-open schuur staan caravans. Achterop het erf is een middelgrote open schuur gelegen (figuur 2, E) welke is opgetrokken uit betonnen blokken, metalen damwandplaten en golfplaten (asbest). Ook in deze schuur staan caravans. Een vierde grote schuur (figuur 2, G) is gelegen voorop het perceel, naast de monumentale boerderij. Deze schuur is opgetrokken uit bakstenen muren en een dakpannen dak, en blijft in de beoogde ontwikkelingen behouden. Het erf rondom de schuren en woning is grotendeels verhard. Er is, op de paardenweides na, nauwelijks groen aanwezig. Langs de noordzijde van het perceel loopt een sloot. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door lintbebouwing van het buitengebied van Schalkwijk, met vele (monumentale) boerderijen die langs de Provincialeweg liggen. Achter en tussen de woningen liggen agrarische percelen met bijhorende slootjes.
Circa 1,1 km ten noorden van de planlocatie is het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen. Circa 1,2 km ten zuidoosten van de planlocatie is de Lek gelegen, welke tevens de provinciegrens tussen Utrecht en Gelderland bepaald. Op 7,3 km ten westen van de planlocatie ligt de A27, op 8,4 km ten noorden van de planlocatie ligt de A12 en op zo’n 6,8 km ten zuidwesten ligt de A2.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Provincialeweg 57-58 te Schalkwijk (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
De bebouwing op de planlocatie (rood omkaderd) bestaat uit twee schuren met ponystallen (A, C), meerdere opslagschuren voor voertuigen en materiaal (B, D, E), een monumentale boerderij met twee woningen (F), en een algemene schuur (G) (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 3
Een aanzienlijk deel van de agrarische bebouwing op de planlocatie wordt in de beoogde ontwikkelingen gesaneerd (rood omkaderd). Een aantal (delen van) schuren, alsmede de boerderij, blijven behouden (groen omkaderd). De huidige rijbak zal verdwijnen (rood omkaderd), een nieuwe rijbak wordt gerealiseerd op de achterzijde van het perceel (geel omkaderd). Het nieuwe woonvlak wordt aan de voorzijde van het perceel gerealiseerd (geel omkaderd). De verharding wordt grotendeels verwijderd, waarvoor in plaats grasland wordt ingezaaid (blauw omkaderd).
3
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter en betreffen het saneren van de schuren met ponystallen (figuur 2, A en C), de schuur met kampeervoertuigen achter op het terrein (figuur 2, E), gedeeltes van de twee andere opslagschuren (figuur 2, B en D) en het verwijderen van de paardenrijbak en een groot gedeelte van de verharding op het terrein. Het bestemmingsplan dient te worden gewijzigd van agrarisch naar een woonbestemming. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • saneren van (deel van) schuren: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder paardenrijbak, verharding en deel van weides: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • nieuwe woonvlak bouwrijp maken: aanbrengen puinbed; aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie woning en nieuwe paardenrijbak: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein, inzaaien nieuw grasland en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 17 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.
4
Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is geen voorkomen bekend van beschermde vaatplanten (NDFF 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Het perceel rondom de schuren is, op de rijbak en paardenweides na, geheel verhard. In de paardenweides achter en naast de schuren groeien naast verschillende grassoorten slechts inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten op het perceel betreffen onder andere: papaver, ridderzuring, herderstasje, rode klaver, riet, wilg, brandnetel, blaartrekkende boterbloem, Robertskruid en vergeet-mij-nietje. De sloop van de schuren leidt niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied is een agrarisch bedrijf dat grotendeels verhard en bebouwd is of uit weides bestaat. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, konijn, mol, ree,
5
veldmuis, vos, wezel en woelrat (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2009-2019). Voor bever geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de andere voorgenoemde soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Bevers leven in het overgangsgebied tussen land en (stromend) water (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). Zij verblijven in de zomer in dichte vegetaties en onder struiken, en in de winter in holen in steile overs. Van boompjes worden dammen gebouwd in stromend water. Op de planlocatie is geen stromend water aanwezig, tevens ontbreekt het in dichte vegetaties. Er is per definitie geen geschikt leefgebied voor bever aanwezig. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de habitatrichtlijn en niet vrijgestelde overige soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten als konijn, haas, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.
Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Broekhuizen et al., 2016; BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De ponystallen (figuur 2, A en C) en de twee schuren die dienen als opslag voor caravans (figuur 2, D en E) zijn opgetrokken uit metalen damwandplaten en golfplaten daken zonder dakbeschot. Wegens het ontbreken van muren met spouw of dakplaten met dakbeschot is het voor vleermuizen onmogelijk om in deze bebouwing een rust- of verblijfplaats te vinden. De schuur die dient als opslag voor rijwielen, landwerkvoertuigen en dierenhokken (figuur 2, B) is opgetrokken uit bakstenen muren en een golfplaten dak. In de muren zijn geen kieren of andere openingen aanwezig. Aan de binnenkant van het dak zijn houten planken tegen het dak bevestigd. De afstand tussen de golfplaten en het dakbeschot is vrij groot. Op vele plekken zijn de houten planken ver doorgebogen (figuur 4), waardoor de ruimtes nog groter zijn geworden. Door de vele openingen is er tevens veel invloed van tocht in de ruimtes. Daarnaast zijn golfplaten ook weinig isolerend, waardoor de ruimte tussen golfplaat en dakbeschot overdag hoge temperaturen kan bereiken.
Een verblijfplaats voor vleermuizen moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Gebouwbewonende vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger verblijven over het algemeen in nauwe ruimtes. De grootte van de ruimtes tussen het dakbeschot van houten platen en het golfplaten dak is dusdanig groot dat er teveel invloed is van weersomstandigheden en er geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen aanwezig kunnen zijn. Voor grootoorvleermuizen, die kunnen verblijven in open dakruimtes waar zij vrij aan de dakbalken kunnen hangen, zijn de ruimtes tussen de platen te klein om als geschikte verblijfplaats te kunnen dienen. Het voorkomen van rust- en of verblijfplaatsen van vleermuizen in de schuur kan worden uitgesloten. Het is
6
derhalve uit te sluiten dat de bebouwing op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, grootoorvleermuis en laatvlieger.
Figuur 4
In de schuur waar rijwielen staan opgeslagen is tussen het golfplaten dak en de houten platen aan de binnenzijde veel ruimte aanwezig. Een deel van de platen is erg doorgebogen. Aan de bovenzijde zijn de openingen tussen de houten platen en de golfplaten afgesloten.
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van de gebouwen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Met de beoogde ontwikkelingen worden enkele (delen van) schuren gesaneerd. Een deel van de schuren, alsmede de boerderij, blijven behouden. Er zal een nieuwe woning worden gerealiseerd. De verharding op het erf wordt verwijderd en een nieuwe grasweide wordt ingezaaid. De schuren die worden gesaneerd vormen geen essentiële vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Met het vervangen van verharding voor groen komt er meer potentieel foerageergebied voor vleermuizen beschikbaar. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen worden geen migratieroutes of foerageergebieden aangetast.
Tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het plangebied is grotendeels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide
7
habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Aan de noordzijde van de planlocatie is een heldere, 30-50 cm diepe sloot met een goed ontwikkelde onderwater- en oevervegetatie gelegen. Tijdens het veldbezoek zijn kikkers waargenomen in de sloot. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2009-2019). Voor heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn habitat en komt voor in ondiepe, voedselarme, zwak zure, zonbeschenen wateren (BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017). Vaak betreft dit heidevennen en wateren op hoog- en laagveen. In het rivierengebied komen heikikkers voor in moerasachtige gebieden. Tevens kan de soort worden waargenomen in agrarisch gebied met veel vochtige bosjes en grienden. Buiten de voortplantingsperiode bevinden heikikkers zich vaak in hoge, dichte vegetaties zoals vochtige heide, kruidenrijk vochtig grasland en open loofbos. Ook sloten en greppels in agrarisch gebied kunnen worden gebruikt.
In de omgeving van de planlocatie zijn vele waarnemingen gedaan van heikikkers in verschillende sloten tussen de agrarische percelen (NDFF 2009-2019). Het voorkomen van heikikkers in de sloot aan de noordzijde van de planlocatie kan niet worden uitgesloten. Kamsalamanders komen in de voortplantingsperiode, van februari tot en met september, voor in aquatische milieus die worden gevormd door vrij grote, geïsoleerde, stilstaande, iets voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie (BIJ12 kennisdocument Kamsalamander, 2017). Poelen, vijvers, heldere sloten en wateren onder invloed van kwel vormen vaak voorplantingswateren. De wateren moeten vrij zijn van de grotere vissoorten om predatie op eieren en larven te voorkomen. De waarnemingen van kamsalamander in de omgeving van de planlocatie zijn alle in de uiterwaarden van de Lek gedaan (NDFF 2009-2019). In zowel de zomer als de winter komen kamsalamanders voor op terrestrische milieus, welke worden gevormd door vochtige en beschutte plekken, bijvoorbeeld tussen stapels stenen, in hout(wallen) of struweel. Ook bestaande muizenholen kunnen worden gebruikt. Soms wordt ook in het water overwinterd. Op een afstand van circa 1,8 km zijn de afgelopen jaren enkele waarnemingen gedaan van kamsalamander. Het voorkomen van kamsalamander in de sloot aan de noordzijde van het perceel kan niet worden uitgesloten.
Poelkikkers komen voor in onbeschaduwde, schone wateren met een begroeide oeverzone (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). De soort is vrij zeldzaam in grote vijvers, meren of stromende watergangen. Het voortplantingswater bestaat uit ondiep water dat snel opwarmt en de soort overwintert in holen in de grond, onder stronken, tussen puin en andere vorstvrije structuren. De sloot aan de noordzijde van de planlocatie is mogelijk geschikt als (zomer)leefgebied voor heikikker en poelkikker. Tevens kan het voorkomen van kamsalamander in de sloot niet volledig worden uitgesloten. Er zijn geen geschikte overwinteringsstructuren aanwezig binnen het plangebied. Aan de sloot en oever zijn geen werkzaamheden beoogd. Effecten die tijdens de werkzaamheden in het water kunnen ontstaan beperken zich tot mogelijke geluidseffecten en trillingen. Deze effecten zijn van tijdelijke aard en aanwezige amfibieën in het water kunnen zich (tijdelijk) verplaatsen naar geschikt habitat buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Hier is leefgebied van vergelijkbare kwaliteit aanwezig. Effecten van de werkzaamheden op amfibieën in het water zijn uitgesloten. Op het land kunnen tevens effecten op beschermde amfibieën ontstaan tijdens de werkzaamheden.
Om een negatief effect op heikikker, kamsalamander en poelkikker te voorkomen dient langs de slootkant een amfibieënscherm te worden geplaatst dat er voor zorgt dat amfibieën de planlocatie niet op kunnen tijdens de werkzaamheden. Met deze maatregel kan voorkomen worden dat er effecten ontstaan voor heikikker, kamsalamander en poelkikker. Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad in het plangebied niet verwacht. Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graafen bouwwerkzaamheden (bijlage 2). Op een afstand van circa 200 m van de planlocatie zijn meerdere waarnemingen van rugstreeppad gedaan (NDFF 2009-2019). Rugstreeppadden zijn echte pioniers die grote afstanden kunnen overbruggen op zoek naar geschikte voorplantingswateren (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad 2017). Om alle mogelijke effecten ten aanzien van de soort te voorkomen dienen er maatregelen te worden getroffen. Om vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie te voorkomen dienen schermen te worden geplaatst. Tevens
8
dient het ontstaan van geschikt voortplantingswater (regenwaterplassen) en langdurige materiaalopslag binnen het plangebied te worden voorkomen. Indien maatregelen getroffen worden ten aanzien van heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad, zijn negatieve effecten ten gevolge van de beoogde ontwikkeling op beschermde amfibieën uitgesloten. Vissen Aan de noordzijde van het perceel is een sloot gelegen, waarin vrij schoon water aanwezig is. Er is onderwater- en oevervegetatie aanwezig. In sloten in de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen gedaan van grote modderkruiper (NDFF 2009-2019). Het betreft enkele waarnemingen op een afstand van meer dan 1,7 km van het plangebied. Het is mogelijk dat grote modderkruipers ook voorkomen in de sloot aan de noordzijde van het perceel. Er zijn geen werkzaamheden gepland aan deze sloot of andere waterpartijen in en rondom het plangebied. Effecten die tijdens de werkzaamheden kunnen ontstaan beperken zich tot mogelijke geluidseffecten en trillingen. Deze effecten zijn van tijdelijke aard en aanwezige fauna in het water kunnen zich (tijdelijk) verplaatsen naar geschikt habitat buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Hier is leefgebied van vergelijkbare kwaliteit aanwezig. Negatieve effecten op beschermde vissen zijn uitgesloten.
Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: boerenzwaluw, kauw, huiszwaluw en huismus. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Voor roofvogel- en uilensoorten is binnen het plangebied geen geschikt foerageergebied aanwezig op de verharde delen van het perceel.
Mogelijk worden de paardenweides als foerageergebied gebruikt door soorten als steenuil of sperwer. Aan deze weides zijn geen ontwikkelingen beoogd. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. Huismussen nestelen hoofdzakelijk onder pannendaken met dakgoot. Geregeld worden ook daken met golfplaten gebruikt, wanneer er geen geschiktere nestlocaties aanwezig zijn. In de directe omgeving van het nest dienen jaarrond groene heggen aanwezig te zijn, alsmede zand, grind, badwater en voldoende foerageergebied (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Tijdens het veldbezoek zijn huismussen waargenomen op en rondom de schuur aan de voorzijde van het perceel (figuur 2, G). Deze schuur heeft een dakpannen dak waar onder een dakbeschot aanwezig is, waardoor huismussen kunnen nestelen in het gebouw. De schuur blijft in de beoogde werkzaamheden behouden. In de schuur waar rijwielen staan opgeslagen (figuur 2, B) is een golfplaten dak met dakbeschot aanwezig. Het beschot bestaat uit houten platen die ver zijn doorgebogen (figuur 4). Tussen het houten platen en de golfplaten is dusdanig veel ruimte aanwezig dat het geen geschikte nestgelegenheid biedt voor huismussen (figuur 4).
Ook kan deze ruimte overdag hoge temperaturen bereiken door de weinig isolerende werking van het golflaten dak. Alle overige schuren op de planlocatie hebben golfplaten daken zonder dakbeschot, waardoor het voor huismussen onmogelijk is een geschikte nestlocatie te vinden in deze gebouwen. Met het slopen van de schuren gaan geen potentiële nestlocaties van huismussen verloren. Tevens leidt de sloop slechts tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van
9
essentieel leefgebied. Na verplaatsing is de rijbak, die mogelijk functioneert als zandbad voor huismussen, nog steeds goed bereikbaar voor huismussen die mogelijk nestelen in de schuur op de voorzijde van het perceel. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Wegens het ontbreken van (pannen)daken met geschikte openingen is het voor gierzwaluwen onmogelijk een nestlocatie te vinden op de planlocatie. De aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 7,6 km ligt het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid (figuur 5). De planlocatie ligt op een afstand van circa 950 m ten noordwesten van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6).
Figuur 5
10
De planlocatie ligt op een afstand van 7,6 km tot het Natura 2000-gebied Lingegebied en DiefdijkZuid (bron: www.webkaart.provincie-utrecht.nl).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 950 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron kaartmateriaal: webkaart.procinvie-utrecht.nl).
De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van meerdere schuren, de verplaatsing van een rijbak en de realisatie van één extra woning, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De sloopen bouwwerkzaamheden zullen mogelijk leiden tot een tijdelijke zeer kleine toename in stikstofemissie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van eventueel nieuwbouw waarschijnlijk sprake zijn van een relatief lage(re) uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats er geen significante toename van de stikstofdepositie binnen omliggende Natura 2000-gebieden wordt verwacht. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie.
De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van een te hoge stikstofdepositie is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen;
11
c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. In de beoogde ontwikkelingen zijn geen kapwerkzaamheden gepland. Mochten er toch kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatsvinden, dan vallen deze onder type b. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid.
Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen schuren hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. In de sloot ten noorden van de planlocatie komen mogelijk beschermde vissen en amfibieën voor. Amfibieën kunnen tijdens de terrestrische periode mogelijk ook voorkomen op de planlocatie. De planlocatie is daarnaast mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, algemene amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap geen melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
12
-
-
+/-
+/-
-
-
n
n
n
+
-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat overige soort
+
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
7,6 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
950 m
geen
n.v.t.
n
+/-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)
vaatplanten
Tabel 1 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding / vergunning
Struiken
ja
nee
n.v.t.
Bomen
ja
nee
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van beschermde amfibieën) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen maatregelen te worden getroffen om effecten op beschermde amfibieën te voorkomen. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling aan de Provincialeweg 57-58 te Schalkwijk leidt, mits de juiste maatregelen worden getroffen ten aanzien van beschermde amfibieën, de algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
• Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een paddenscherm te worden geplaatst langs de sloot aan de noordzijde van het plangebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden om het ontoegankelijk te houden voor poelkikker, heikikker, kamsalamander en rugstreeppad. Ten aanzien van rugstreeppad dient er tevens te worden gelet op dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).
Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
13
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A. van & Creemers, R., 2006. Herkenning Amfibieën en Reptielen. Stichting RAVON, Nijmegen. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C.
Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
14
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., Tis Voortman MSc. Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie Rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
15
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Provincialeweg 57-58 te Schalkwijk en bestaat uit een agrarisch perceel met een monumentale boerderij, een groot aantal schuren, een aantal (paarden)weides en een grotendeels verhard terrein.
Figuur 2
In de meest noordelijk gelegen schuur, welke is opgetrokken uit metalen damwandplaten en golfplaten (asbest), zijn momenteel ponystallen gesitueerd en is wat materiaal opgeslagen.
16
Figuur 3
De schuur die direct achter de boerderij is gelegen is opgetrokken uit bakstenen, houten planken en balken, een golfplaten dak (asbest) en houten damwandplaten. Het voorste gedeelte van deze schuur zal in de beoogde ontwikkelingen behouden blijven; het achterste gedeelte zal worden gesaneerd. De schuur functioneert momenteel als opslag voor voertuigen, materiaal en dierenhokken.
Figuur 4
In de smalle schuur die aan de ponyschuur verbonden is zijn tevens ponystallen aanwezig. De schuur is opgetrokken uit betonnen blokken en golfplaten (asbest), er is een betonnen vloer aanwezig.
17
Figuur 5
De grote schuur naast de huidige rijbak is opgetrokken uit metalen damwandplaten en golfplaten (asbest) dakplaten, en functioneert momenteel als opslaglocatie voor caravans.
Figuur 6
Achter op het terrein is een open schuur gesitueerd welke is opgetrokken uit beton, metalen damwandplaten en een golfplaten dak (asbest). Ook deze schuur functioneert als opslag voor kampeervoertuigen.
18
Figuur 7
Het terrein rondom de schuren is grotendeels verhard. Achter het verharde terrein zijn (paarden)weides aanwezig. Achterop het erf zijn een paar hopen bakstenen en ander materiaal opgeslagen.
Figuur 8
Langs de noordzijde van het perceel loopt een sloot.
19
Bijlage 2
Ecologie rugstreeppad
Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. Het voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en vegetatieloze wateren, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
20