Bijlage 5. Beoordeling RUD vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Bijlage 2: Beoordeling RUD vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 1. Inhoudelijke beoordeling aanmeldingsnotitie voor de m.e.r.-beoordeling Waalseweg 80 Inleiding De aanmeldingsnotitie voor de m.e.r.-beoordeling is, voorafgaand aan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, ingediend voor het uitbreiden en aanpassen van het puttenveld op de projectlocatie aan de Waalseweg 80 in Tuil en 't Waal. Dit puttenveld is onderdeel van het waterwingebied Tuil en 't Waal. Het voornemen is op deze locatie tien nieuwe winputten te boren, inclusief de bijbehorende aanleg van kabels en leidingen, en het sluiten van twee van de bestaande winputten. Verder wordt een pad aangelegd naar de nieuwe winputten en wordt het terrein heringericht met weidevogelvoorzieningen. De capaciteit van de grondwateronttrekking blijft maximaal 6 miljoen m3 grondwater per jaar. Op basis van artikel 7.2, eerste lid onder b, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, vijfde lid onder a, van het Besluit milieueffectrapportage, is de wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken van grondwater onderworpen aan de beoordelingsplicht milieueffectrapportage. De activiteit overschrijdt de drempelwaarde uit categorie 15.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
De milieueffectraPDortaae beoordeling Bij de beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport (hierna: MER) op te stellen gaat het bevoegd gezag na of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben (artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer). Het bevoegd gezag houdt bij zijn beslissing rekening met, voor zover relevant, de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu (artikel 7.17, derde lid onder a, van de Wet milieubeheer) en de in bijlage III bij de mer-richtlijn aangegeven criteria (artikel 7.17, derde lid onder b, van de Wet milieubeheer). De criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn hebben betrekking op: 1. de kenmerken van de activiteit én de samenhang met de andere activiteiten ter plaatse; 2. de plaats waar de activiteit plaatsvindt; 3. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. De beoordeling is gebaseerd op deze stukken: - M.e.r.-aanmeldingsnotitie van de grondwateronttrekking bij Vitens Tuil en 't Waal te Houten kenmerk N0011267968ISJ-V03-sal-NL, d.d. 20 januari 2020; - Bestemmingsplan 'Puttenveld Tuil en 't Waal', projectnummer 0463472.100, revisie 00 (concept), d.d. 17 juli 2020 .
Beoordeling van de voorgenomen activiteit Ten aanzien van de kenmerken en de plaats van de voorgenomen activiteit en de samenhang met de andere activiteiten ter plaatse zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig die het opstellen van een MER verlangen. Het perceel waarop het puttenveld wordt aangepast en uitgebreid is onderdeel van het waterwingebied Tuil en 't Waal. Op deze projectlocatie zijn een pompstation en 12 winputten aanwezig voor het onttrekken van grondwater voor de productie van drinkwater. Deze putten liggen verdeeld over twee wingebieden ten noorden en zuiden van de Waalseweg. Voor de onttrekking van maximaal 6 miljoen m3 grondwater per jaar is op 23 december 2014 een vergunning op basis van de Waterwet verleend (kenmerk 8111C462). Twee van de bestaande winputten ten noorden van de Waalseweg worden gesloten. Verder vindt aan de achterzijde van het bestaande puttenveld een uitbreiding in noordelijke richting plaats met tien winputten. De lengte van het puttenveld wijzigt hierdoor van 650 meter naar circa 1350 meter. De werkzaamheden bestaan uit het: Afdichten van twee waterwinputten; Boren van tien nieuwe waterwinputten; Aanleggen van kabels en leidingen naar de nieuwe putten; Aanleggen van een pad naar de nieuwe winputten; De projectlocatie Waalseweg 80 ligt in het buitengebied van de gemeente Houten ten oosten van de Rijksweg A27
4
Z-AD-2020-3026-809129
en ten noorden van de Lek. De gronden in de omgeving van de projectlocatie worden voornamelijk als grasland gebruikt. In de directe omgeving zijn enkele woningen en bedrijven aanwezig. De kortst gemeten afstand tussen het waterwingebied en de bouwkavel van een woning bedraagt 0 meter. In de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu ligt ook geen bijzondere omstandigheid die het opstellen van een milieueffectrapport verlangen. Vanuit de nieuwe winputten vinden geen dusdanige emissies plaats dat deze noemenswaardige hinder in de omgeving van de projectlocatie gaan veroorzaken. De winputten liggen ten opzichte van de bestaande activiteiten op grotere afstand van de Waalseweg en omliggende bebouwing. De belangrijkste emissies (met name geluid) vinden plaats vanuit het bestaande pompstation en deze blijft ongewijzigd in gebruik. Ook de capaciteit van de onttrekking wordt niet vergroot. Door de voorgenomen activiteit treedt geen verslechtering van het woon- en leefklimaat op in de omgeving van de projectlocatie. De herinrichting van het waterwingebied geeft geen (extra) beperking op de ontwikkeling van de omliggende bedrijven. Er is immers geen sprake van de realisatie van een nieuwe gevoelige functie.
De jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide en fijn stof voor 2020 liggen ter plaatse en in de directe omgeving van de projectlocatie ruim beneden de vastgestelde grenswaarden: • NO2 , 17,19 microgram per m3 (grenswaarde 40 microgram per m3); • PM10, 17,74 microgram per m3 (grenswaarde 40 microgram per m3); • PM2 ,5 , 10,98 microgram per m3 (grenswaarde 25 microgram per m3). De jaargemiddelde concentraties zijn ontleend aan Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM, de grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. De bijdrage van het project aan de luchtkwaliteit in de omgeving is minimaal. Van een significante verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van het project is geen sprake. Met betrekking tot de geluidemissie is beoordeeld of in relatie tot de voorgestelde ontwikkeling voldoende rekening gehouden is met geluidwetgeving/richtlijnen en geluidbeleid vanwege een eventuele toename van de geluidbelasting bij omliggende woningen. Een toename in de geluidsbelasting kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door het wijzigingen van de bedrijfsactiviteiten en een toename in vervoersbewegingen. Het drinkwaterpompstation is een inrichting op basis van Wet milieubeheer en valt onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dat kader dient het drinkwaterpompstation te voldoen aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteiten besluit. De voorgenomen wijziging binnen het betreffende waterwingebied heeft betrekking op het realiseren van nieuwe waterwinputten. Deze wijziging heeft geen toename van de geluidemissie tot gevolg omdat de in de waterwinputten aanwezige waterpompen zich op circa 15 meter diepte onder de grondwaterspiegel bevinden. De betreffende wijziging heeft ook geen toename van vervoersbewegingen tot gevolg. Uit de beoordeling volgt dat geen sprake is van een significante verslechtering van de geluidsbelasting als gevolg van het project. Met betrekking tot het aspect geluid heeft de voorgenomen activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De overgelegde gegevens wijzen erop dat de voorgenomen activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft met betrekking tot het aspect bodem. De nieuwe winputten worden aangelegd conform BRL 2100 en bijbehorende protocol 2101. Bij de aanleg van de bronnen komt grond en grondwater vrij. De vrijkomende grond (uitkomende grond uit de boorgaten) wordt naar alle waarschijnlijkheid tijdelijk opgeslagen op het terrein. Indien mogelijk zal de grond op de bouwlocatie worden verwerkt. Overtollig grond zal worden afgevoerd conform het Besluit bodemkwaliteit.
Het vrijkomende grondwater zal naar verwachting worden geloosd op het maaiveld of op het oppervlaktewater. Wanneer de huidige regels voor het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem in acht worden genomen vindt geen verslechtering van de bodemkwaliteit plaats.
5
Z-AD-2020-3026-809129
De belangrijkste risicomaten voor externe veiligheid zijn groepsrisico en plaatsgebonden risico. Een belangrijk nadelig gevolg vanuit het oogpunt van externe veiligheid zou zijn wanneer het groepsrisico aanzienlijk toeneemt en/of er norm- of richtwaarden voor het plaatsgebonden risico worden overschreden. Het plan zelf omvat geen activiteiten die leiden tot risico's voor de veiligheid in de omgeving. Volgens de risicokaart zijn in de omgeving risicobronnen aanwezig waarvan het invloedsgebied over het plangebied ligt. Realisatie van het voorgenomen plan heeft vanuit het oogpunt van externe veiligheid geen belangrijk nadelig gevolg voor het milieu. De projectlocatie ligt in het waterwingebied Tuil en 't Waal. De werkzaamheden in dit gebied worden uitgevoerd in het belang van de drinkwaterwinning. Bij de boorwerkzaamheden worden de nodige maatregelen in acht genomen om eventuele risico's naar de omgeving met betrekking tot het aspect gevaar zoveel mogelijk te voorkomen. Ook met betrekking tot het doorboren van de verschillende grondlagen wordt zorgvuldig gewerkt om geen verstoring van de bodemlagen en het grondwater te verkrijgen. Voor het realiseren van de nieuwe winputten is een aanpassing van de vigerende Waterwetvergunning nodig. Een verandering van deze vergunning is aangevraagd op 18 maart 2020.
Deze verandering gaat over de aanpassing van het puttenveld waarbij wordt uitgebreid van 12 naar 20 winputten. De capaciteit van de onttrekking wijzigt hierbij niet. Bij de beoordeling van deze aanvraag is vastgesteld dat het vergroten van het puttenveld geen schadelijke gevolgen met zich mee brengt voor de van het grondwater afhankelijke belangen. Het ontwerpbesluit op deze aanvraag heeft tot 21 augustus 2020 ter inzage gelegen (zaakkenmerk Z-VERG-2020-1173). Voorafgaand aan het indienen van deze aanvraag heeft een m.e.r.-beoordeling in het kader van een besluit plaatsgevonden. De conclusie van deze beoordeling luidt (zie de beschikking Gedeputeerde Staten van Utrecht van 18 maart 2020 met zaakkenmerk z-VERG-2020-0411): 'Op grond van voorafgaande zijn wij van oordeel dat geen sprake is van een activiteit die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu met zich mee zal brengen door de wijze waarop de activiteit wordt ondernomen. Dit betekent dat voor de besluitvorming op vergunningaanvraag ingevolge de Waterwet het maken van een m.e.r. niet nodig is.' De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied of een natuurnetwerk. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Lingegebied en Diefdijk Zuid, bedraagt circa 8 km en de afstand tot het Natuurnetwerk Nederland bedraagt ongeveer 400 meter (uiterwaarden langs de Lek).
De natuur langs de Lek is inundatieafhankelijk. Andere delen zijn wel grondwaterafhankelijk, maar deze liggen op veel grotere afstand van de projectlocatie. Daarnaast is in de overgelegde gegevens aangetoond dat geen freatische verlaging optreedt. Voor een rechtstreekse beïnvloeding van deze gebieden hoeft niet te worden gevreesd. Verder is met berekeningen bij de toelichting van het bestemmingsplan aangetoond dat de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de aanlegfase niet meer bedraagt dan 0,00 mol stikstof per hectare per jaar. Voor de gebruiksfase is geen berekening van de stikstofdepositie opgesteld. In de gebruiksfase is geen sprake van een wijziging in de exploitatie van het pompstation met betrekking tot de bronnen van stikstofemissie. Op basis daarvan en de gemaakte berekening van de stikstofdepositie voor de aanlegfase is voldoende duidelijk dat ook in de gebruiksfase de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,00 mol stikstof per hectare per jaar. Als gevolg van het realiseren van de activiteit, of vanuit de activiteit zelf, is geen sprake van een significante negatieve invloed op natuurgebieden. Op de projectlocatie zijn geen beschermde plantsoorten aanwezig. Binnen het plangebied kunnen broedvogels van categorie 5 aanwezig zijn, maar het rooien van opgaande bomen en struiken vindt niet plaats.
De voorgenomen maatregelen ten behoeve van weidevogels zijn een versterking van het gebied voor deze vogelgroep. Wanneer fysieke werkzaamheden (bijvoorbeeld het rooien van struweel en het plaatsen van een hekwerk in het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) plaatsvinden kunnen maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord en nesten worden vernield. Dit wordt dan door een ecoloog beoordeeld. Gestreefd wordt echter naar het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen. Voor enkele amfibieën, reptielen en vissen zijn binnen het plangebied potentiële biotopen aanwezig. Voor de meeste beschermde soorten gaat dit om de watergangen met oevers. De aanwezige weilanden zijn als habitat alleen geschikt voor de rugstreeppad. Voor deze soort is gerichte aandacht noodzakelijk binnen het gehele plangebied. Wanneer met de voorzorgsmaatregelen ten aanzien van de rugstreeppad rekening wordt gehouden
6
Z-AD-2020-3026-809129
en de ingrepen aan de watergangen in de periode september-oktober kunnen worden uitgevoerd, treedt geen verstoring van de habitats op voor deze soorten. Wanneer de graafwerkzaamheden aan de oevers buiten deze periode plaatsvinden vindt afstemming met een ecoloog plaats. Van de soort ongewervelden kunnen mogelijk platte schijfhorens aanwezig zijn. Om eventuele schade te voorkomen is ecologische begeleiding bij het verflauwen van de oevers nodig. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten op basis van het verkennend veldonderzoek bij de toelichting van het bestemmingsplan. Het verkennend veldonderzoek is door ons voorgelegd aan een ecoloog. De conclusie van deze beoordeling is: "Vooralsnog gaan wij niet akkoord met het plan, omdat er nadere toelichting en onderzoek nodig is rond meerdere beschermde soorten. De quickscan heeft een goed en volledig beeld gegeven van de soorten die (mogelijk) leven in het gebied. Helaas kunnen wij ons niet vinden in de conclusie dat nader onderzoek / ontheffing onnodig is. Wij zijn in de basis enthousiast over het idee om het terrein geschikter te maken voor weidevogels, maar binnen dit plan moeten wel de beschermde soorten die op dit moment al aanwezig zijn in het gebied goed beschermd worden.
Om een duidelijk beeld te verkrijgen op welke plek binnen het plangebied beschermde soorten zich bevinden en om hoeveel individuen het gaat, is nader onderzoek nodig. Voor steenuilen en vleermuizen is vooralsnog geen volledig nader onderzoek nodig, maar wel dienen de knotwilgen onderzocht te worden op verblijfplaatsen. Afhankelijk van de te verwachten soorten / uitkomsten van nader onderzoek zijn mogelijk ook ontheffingen nodig." Op basis van deze beoordeling concluderen wij dat het niet onoverkomelijk is om de aanwezige beschermde soorten voldoende bescherming te bieden bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden. Mede gelet op de aard, omvang en locatie van deze werkzaamheden, heeft de voorgenomen activiteit op het onderdeel soortenbescherming geen belangrijke nadelige gevolgen. Op grond hiervan is het niet noodzakelijk dat voor deze activiteit een MER moet worden opgesteld. Het projectgebied heeft grotendeels een lage of geen archeologische verwachtingswaarde. In het plangebied zijn geen aanwijzingen aangetroffen, zoals bodemvorming of cultuurlagen met archeologische indicatoren, die duiden op menselijke aanwezigheid in het verleden. De aangetroffen sedimenten zijn ontstaan in een dynamisch milieu dat niet geschikt was voor menselijke bewoning in het verleden. Met de voorgenomen bodemingrepen worden geen archeologische vindplaatsen geschaad.
De voorgenomen ontwikkeling doet geen inbreuk op de cultuurhistorische waarden in de omgeving van het waterwingebied. Van een negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden is geen sprake. De inrichting veroorzaakt naast de hiervoor behandelde emissies geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (energie, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, etc.). In de invloedssfeer van de inrichting op andere gebiedstyperingen zijn geen verdere bijzondere omstandigheden aanwezig, die nadelige gevolgen hebben in het kader van milieu of ruimtelijke ordening. Maatregelen Bij de aanmeldingsnotitie voor de m.e.r.-beoordeling is een beschrijving gevoegd van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen. De volgende maatregelen zijn opgenomen in de aanmeldingsnotitie: • De werkzaamheden vinden buiten het broedseizoen plaats; • Wanneer dat niet mogelijk is wordt op een manier gewerkt dat eventueel aanwezige broedende vogels niet worden verstoord; • Ingrepen in de watergangen vinden plaats buiten de kwetsbare perioden van de aanwezige kwetsbare soorten; • Wanneer het voorgaande niet mogelijk is vindt afstemming van de werkzaamheden met een ecoloog plaats om beschermde soorten niet te verstoren.
De kenmerken en maatregelen zijn betrokken bij de toetsing of voor het project een MER moet worden gemaakt. Deze geven geen aanleiding voor het verbinden van voorschriften aan de vergunning. Wanneer uit het te verrichten nader onderzoek met betrekking tot de bescherming van flora en fauna volgt dat het aanvragen van
7
Z-AD-2020-3026-809129
een ontheffing nodig is, dan kunnen aan deze ontheffing, wanneer deze wordt verleend, extra voorschriften worden verbonden. Conclusie De toetsing van de voorgenomen activiteit aan de drie criteria voor de beoordelingsprocedure heeft ons tot de conclusie gebracht dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk is. De geplande ontwikkeling leidt niet tot een verdere beïnvloeding van de natuurwaarden of het abiotisch milieu in de directe omgeving van de projectlocatie. Het plan leidt niet tot een bijzondere omstandigheid die bepalend is om tot het laten opstellen van een MER te besluiten. De omstandigheden waaronder de voorgenomen activiteit wordt ondernomen leiden niet tot zodanige nadelige gevolgen voor het milieu dat het opstellen van een MER noodzakelijk is.
Z-AD-2020-3026-809129