CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Financieel kader 2023-2026

Gemeenteraad 5 juli 2022, gemeente HoutenBij agendapunt: Financieel kader 2023-2026 en meicirculaire 20224.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Financieel kader 2023-2026

Raadsvergadering 5 juli 2022

1

Inhoud 1.

Inleiding.........................................................................................................................3

2.

Financieel meerjarenperspectief 2023-2026.................................................................4

3.

Overzicht beschikbare reserves....................................................................................6

Bijlage 1: Begrotingsrichtlijnen 2023

2

1.

Inleiding

Aanleiding Op 22 juni 2022 is het coalitieakkoord 2022-2023 ‘Samen met inwoners bouwen aan een toekomstbestendig Houten’ in de gemeenteraad besproken. Het coalitieakkoord wordt uitgewerkt in het collegeprogramma 2022-2026. Dit collegeprogramma wordt in het najaar 2022 door het college vastgesteld waarna tijdens een raadsvergadering over het collegeprogramma 2022-2026 wordt gedebatteerd en besloten. Vooruitlopend hierop begint het college met het opstellen van de begroting 2023. Hiervoor is het van belang dat de raad de financiële kaders 2023-2026 vaststelt. Normaal gesproken is dit financiële kader onderdeel van het collegeprogramma (of van de Perspectiefnota in de jaren dat er geen verkiezingen zijn). Omdat het collegeprogramma na het zomerreces door de raad wordt vastgesteld, wordt dit jaar de financiële kaderstelling separaat aan de raad aangeboden. Dit financiële kader bestaat uit het financiële meerjarenperspectief 2023-2026 (ter kennisname) en de begrotingsrichtlijnen 2023 (ter besluitvorming). Na de besluitvorming over het collegeprogramma wordt bepaald of en hoe de effecten hiervan worden toegevoegd aan de begroting 2023. De primitieve begroting 2023 wordt op 10 november 2023 tijdens een raadsvergadering vastgesteld. Hierdoor kan de begroting tijdig (uiterlijk 15 november 2022) bij de toezichthouder de provincie Utrecht worden ingediend.

Leeswijzer In het financieel kader 2023-2026 zijn in hoofdstuk 2 een prognose van het financieel meerjarenperspectief uitgewerkt. In hoofdstuk 3 wordt een actueel overzicht van de stand van de reserves weergegeven. Als bijlage zijn aan dit financieel kader de begrotingsrichtlijnen 2023 toegevoegd. Financieel meerjarenperspectief 2023-2026 In maart 2022 is het ‘Overdrachtsdocument nieuwe bestuursperiode 2022-2026’ aangeboden met daarin de Strategische opgaven voor de gemeente Houten. In hoofdstuk 3 van het overdrachtsdocument is een financieel perspectief opgenomen. In dit Financieel kader 2023-2026 is het financieel perspectief geactualiseerd met vastgestelde en voorgenomen raadsbesluiten. Daarnaast wordt inzicht gegeven in de effecten van de meicirculaire van het gemeentefonds. Hiermee wordt een zo actueel mogelijk financieel inzicht gegeven ten behoeve van het opstellen en besluitvorming van het collegeprogramma. Dit is tevens het financiële kader waarbinnen het college de begroting 2023 en de meerjarenraming 2024-2026 uitwerkt. Begrotingsrichtlijnen Voor het opstellen van de begroting 2023 en de meerjarenbegroting 2024-2026 moeten begrotingsrichtlijnen vastgesteld worden. Dit zijn de technische uitgangspunten (kaders) die bij het opstellen van de begroting worden gehanteerd voor de bepaling van de hoogte van de verschillende budgetten van de programma’s.

Programma-indeling In de financiële verordening is vastgelegd dat “de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode op voorstel van het college een programma-indeling voor de komende raadsperiode vaststelt”. Om de bestuurlijke planning te volgen voor de vaststelling van de begroting op 10 november is het noodzakelijk dat de begroting voor de zomervakantie (half juli) ambtelijk grotendeels gereed is. Het is daarom niet meer mogelijk om een nieuwe programma-indeling met het opnieuw bepalen van deelprogramma’s, producten, doelstellingen en indicatoren in de primitieve begroting te verwerken. Mocht de raad tot een nieuwe programma-indeling besluiten zal hiervoor een apart proces met planning bepaald moeten worden. De primitieve begroting 2023 bestaat uit de huidige programma-indeling en het huidige beleid.

3

2.

Financieel meerjarenperspectief 2023-2026

2.1 Prognose financieel meerjarenperspectief 2023-2026 In de tabel hieronder is de prognose van het financieel meerjarenperspectief 2023-2026 weergegeven. Deze prognose is gebaseerd op de inzichten (inclusief de meicirculaire 2022) die bij het opstellen van dit financieel kader 2022-2026 beschikbaar zijn. In verband met een nieuwe aanbesteding voor energie is door het gemeentelijke collectieve inkoopbureau een indicatie gegeven van de toename van de energiekosten. Vanwege de grote impact op het saldo is in onze prognose deze ontwikkeling opgenomen. Tabel 2.1: Prognose financieel meerjarenperspectief 2023-2026 Omschrijving Stand meerjarenbegroting 2023-2026 (op basis van besluitvormende raad t/m 14 juni 2022) Voorgenomen raadsbesluiten Algemene uitkering (meicirculaire 2022) Verwachte toename energiekosten Prognose financieel meerjarenperspectief 2023-2026

2023

2024

Bedragen x € 1.000 2025 2026

-19 104 4.628 -750 3.963

-132 104 4.523 -750 3.745

-43 -45 5.648 -750 4.809

-911 -45 -851 -750 -2.557

2.2 Toelichting prognose financieel meerjarenperspectief 2023-2026 Hieronder worden de financiële effecten uit de tabel hierboven nader toegelicht. Stand meerjarenbegroting 2023-2026 (op basis van besluitvormende raad t/m 14 juni 2022) Op 4 november 2021 heeft de raad de primitieve begroting 2022 vastgesteld. Daarna zijn er door de raad verschillende besluiten genomen die van invloed zijn geweest op de prognose van de meerjarenbegroting 2023-2026. Tabel 2.2: Stand meerjarenbegroting 2023-2026 (op basis van besluitvormende raad t/m 14 juni 2022)) Bedragen x € 1.000 Omschrijving 2023 2024 2025 2026 Primitieve begroting 2022 (raadsbesluit 4/11/21) -907 -1.007 -1.085 -2.132 2e bestuursrapportage 2021 (raadsbesluit 4/11/21) 9 9 9 9 Kadernota 2023 VRU (raadsbesluit 25/1/22) -84 -85 -85 -33 Kaderbrief 2023 GGDrU (raadsbesluit 15/2/22) -40 -40 -40 -40 Begrotingswijziging 2022 WIL (raadsbesluit 15/2/22) -37 -37 -37 -37 Kadernota 2023 RUD (raadsbesluit 15/2/22) -70 -70 -70 -70 Kadernota 2023 RAZU (raadsbesluit 15/2/22) -13 -13 -13 -15 1e Bestuursrapportage (raadsbesluit 14/6/22) 1.116 1.106 1.298 1.441 Begroting BghU 2023-2026 (raadsbesluit 14/6/22) 33 31 3 -11 Begroting WIL 2023-2026 (raadsbesluit 14/6/22) -26 -26 -23 -23 Stand meerjarenbegroting 2023-2026 (op basis van besluitvormende raad t/m 14 juni 2022)

-19

-132

-43

-911

NB: in het overdrachtsdocument van maart 2022 is vanuit de primitieve begroting 2022 een ander saldo voor het jaar 2026 gepresenteerd. Het hierboven vermelde saldo voor 2026 is juist.

Financiële effecten voorgenomen raadsbesluiten Vooruitlopend op besluitvorming door de raad heeft het college besluiten genomen die van invloed zijn op het financieel meerjarenperspectief. Over deze voorstellen wordt in de raadsvergadering van 5 juli 2022 besloten. Tabel 2.3: Financiële effecten 2023-2026 van voorgenomen raadsbesluiten Omschrijving Ontwerpbegroting 2023 GGDrU (raadsvoorstel 5/7/22) Nieuwbouw van scholen: voortgang en kredieten (raadsvoorstel 5/7/22) Totaal financiele effecten voorgenomen raadsbesluiten

4

2023 14 89 104

2024 14 90 104

Bedragen x € 1.000 2025 2026 14 14 -60 -59 -45 -45

Financiële effecten meicirculaire 2022 In de tabel hieronder is het financieel effect op het begrotingssaldo weergegeven (zie bijlage 1 bij het raadsvoorstel voor een inhoudelijke toelichting) Tabel 2.4: Financiële effecten meicirculaire 2022 Omschrijving Ontwikkeling accres (incl. uitname volkshuisvestingsfonds en woningbouwimpuls) Opschalingskorting, schrappen oploop Middelen jeugd (herverdeeleffect) Ruimte onder plafond BTW compensatiefonds Herverdeeleffect (2023: -7,50/ 2024: -22,50/2025: -37,50/2026: -52,50 per inwoner) Overige ontwikkelingen Totaal financiele effecten meicirculaire

5

2022

2023

2024

Bedragen x € 1.000 2025 2026

2.260

4.876 847 -416 -68

6.176 1.135 -837 -67

7.566 1.423 -757 -67

2.325

-380 -231 4.628

-1.145 -739 4.523

-1.916 -601 5.648

-2.696 50 -851

377 2.637

-463 -67

3.

Overzicht beschikbare reserves

Gemeente Houten beschikt over algemene reserves en over bestemmingsreserves. Deze worden gerekend tot het eigen vermogen van de gemeente. Inclusief het resultaat van de jaarrekening 2021 is het totale eigen vermogen op 1 januari ’22 € 48,9 miljoen. Algemene reserves zijn reserves die gebruikt worden ter dekking van niet geraamde uitgaven. Voor deze reserves bestaat dus geen verplichting op grond van wet of statuten. Naast de vrije algemene reserve is er nog de beklemde algemene reserve. De beklemde algemene reserve is het ‘spaarpotje’ van de gemeente Houten in crisistijden. Daarom wordt deze reserve niet meegerekend bij de bepaling van de omvang van de weerstandscapaciteit voor het afdekken van geïnventariseerde risico’s. De beklemde algemene reserve mag niet worden ingezet als structureel dekkingsmiddel, maar wel om incidentele lasten te dekken. Deze reserve is alleen besteedbaar volgens de door de raad bij de begroting 2017 vastgestelde criteria. De algemene reserves zijn: Vrije algemene reserve • Doel: Het afdekken van algemene risico's en onvoorzienbare, niet uitstelbare en onvermijdbare uitgaven, voor zover daarvoor geen dekking kan worden gevonden binnen de exploitatie. • Bodem: De gewenste ondergrens is € 50 per inwoner (circa € 2,5 miljoen). • Omvang: Stand 1/1/22: € 6,2 miljoen.

Beklemde algemene reserve • Doel: Het ‘spaarpotje’ van de gemeente Houten met als belangrijkste doelen: - middelen inzetten om ambities te realiseren en/of activiteiten mogelijk te maken. - afdekken van onverwachte incidentele financiële tegenvallers. - financieringsmiddel om daarmee de netto schuldquote zo laag mogelijk te houden. • Bestedingsplan: Onttrekkingen en stortingen aan de algemene beklemde reserve moeten minimaal aan één van deze criteria voldoen. Algemeen geldt dat voor zowel de onttrekking als de storting de oorzaak een éénmalig of tijdelijk karakter moet hebben. Daarnaast moet er bij voorkeur sprake zijn van een meerjarig effect. • Bodem: € 15 miljoen • Omvang: Stand 1/1/22: € 19,2 miljoen Concern weerstandsvermogen grondexploitaties • Doel: Afdekken van risico’s in grondexploitaties en /of vormen van een voorziening voor verliesgevende grondexploitaties • Bodem: niet van toepassing • Omvang: Stand 1/1/22: € 8,3 miljoen Een bestemmingsreserve wordt gedefinieerd als een reserve waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Een bestemmingsreserve is te besteden aan het doel waarvoor deze is ingesteld. De bestemming kan door de raad worden gewijzigd.

6

x € 1.000 Stand reserves per 31 december 2021

resultaat'21 saldo 1-1-22

Algemene reserves Algemene reserve Algemene beklemde reserve Concern weerstandsvermogen grondexploitaties Totaal algemene reserves

3.373 19.173 8.273 30.819

Bestemmingsreserves Archeologiebeleid Kunstobjecten Overlopende posten Initieel onderhoud en innovaties Riolering 4 Efficiencyoverschot WWB werkdeel Afschrijving extra krediet cultuurcentrum Organisatie- ontwikkeling Beheer Openbare ruimte Linieland Programma Transities in Samenhang Toekomstfonds Fonds Buitengebied Duurzaam ICT beheer WWB inkomensdeel Mobiliteitsfonds Eiland van Schalkwijk Mobilileit en bereikbaarheid Bouwen aan Houten Windfonds Goyerbrug Implementatie Omgevingswet Volkshuisvesting Straatverlichting Totaal bestemmingsreserves

174 80 1.689 187 6 154 823 1.546 1.319 67 790 906 53 246 509 825 935 1.600 885 1.320 890 15.006

TOTAAL RESERVES

45.825

2.804

2.804

284

284 3.088

7

6.177 19.173 8.273 33.623 174 80 1.973 187 6 154 823 1.546 1.319 67 790 906 53 246 509 825 935 1.600 885 1.320 890 15.290 48.913

Bijlage 1 Begrotingsrichtlijnen 2023

8

1.

Inleiding

Ter voorbereiding op de opstelling van de begroting 2023 worden de begrotingsrichtlijnen door de raad vastgesteld. Binnen de kaders van deze begrotingsrichtlijnen werkt het college de begroting 2023 uit.

2.

Begrotingscirculaire Gemeenten 2023-2026

Op 6 april 2022 is door de provincie Utrecht de circulaire “begrotingsrichtlijnen en toetsingsaspecten 2022” aan de raad toegestuurd. Hierin staan de begrotingsrichtlijnen en toetsingsaspecten voor de begroting 2023 en de meerjarenraming 2024-2026. Uitgangspunt hierbij is het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK 2020 Gemeenten). Daarnaast worden actuele onderwerpen toegelicht.

2.1

Gemeenschappelijk financieel Toezichtkader 2020 Gemeenten

Enkele onderwerpen uit het toezichtkader worden hieronder kort toegelicht. • Repressief of preventief toezicht Repressief toezicht betekent dat de begroting direct kan worden uitgevoerd. Wanneer de begroting niet aan de wettelijke criteria voldoet kan preventief toezicht worden ingesteld. Preventief toezicht betekent dat de begroting en de daarop volgende begrotingswijzigingen eerst moeten worden goedgekeurd door de provincie voordat deze kunnen worden uitgevoerd. • Begroting moet structureel en reëel in evenwicht zijn Structureel evenwicht = de structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Reëel evenwicht = de geraamde bedragen moeten volledig, realistisch en haalbaar zijn. Indien de begroting meerjarig niet structureel sluitend is, dan moet in ieder geval het eerste jaar (2023) wel structureel sluitend zijn. Dit houdt in dat structurele lasten niet gedekt mogen worden door incidentele baten. • Algemene uitkering Voor de begroting 2023 en de meerjarenbegroting 2024-2026 moet voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds uitgegaan worden van de meicirculaire 2022 en de daarin opgenomen uitkeringsfactoren (op basis van constante prijzen). • Opschuivend sluitend financieel meerjarenperspectief Er mag geen sprake zijn van opschuivend sluitend financieel meerjarenperspectief.

Hiermee wordt bedoeld dat het niet is toegestaan om ieder jaar opnieuw een (meerjaren)begroting aan te bieden waarbij uitsluitend de laatste jaarschijf in evenwicht is. • Inzicht in de structurele begrotingspositie Binnen het meerjarige overzicht van incidentele baten en lasten worden naast alle incidentele posten, ook alle toevoegingen en onttrekkingen aan reserves die incidenteel van aard zijn opgenomen. Alle opgenomen posten worden toegelicht. De notitie Structurele en incidentele baten en lasten van de Commissie BBV biedt hiertoe kaders.

2.2

Actuele onderwerpen

In de begrotingscirculaire van de provincie zijn de volgende actuele onderwerpen opgenomen die bij het opstellen van de begroting een rol spelen. • Verkiezingen / nieuwe raad In maart zijn de gemeenteraadsverkiezingen geweest. De financiële situatie van de gemeente heeft een belangrijke plaats op de agenda van de nieuwe gemeenteraden en college van burgemeesters en wethouders. De financiële uitzichten zijn op dit moment nog steeds onzeker. Denk daarbij aan de financiële consequenties van de herijking van het gemeentefonds, de tegemoetkoming in de zorgkosten voor jeugd, de enorme opgave om Nederland duurzaam te maken en de opgave ruimte. Wij hebben deze onderwerpen benoemd in het overdrachtsdocument en veelal als pm-post

9

opgenomen. Onderwerpen waarvan de financiële impact voor Houten via de meicirculaire van het gemeentefonds bekend worden, worden meegenomen in de begroting 2023. • Verruiming gemeentelijk belastinggebied Besluitvorming over de verruiming van het gemeentelijk belastinggebied is één van de onderdelen van de financieel-bestuurlijke verhoudingen die door het vorige kabinet is doorgeschoven naar het kabinet Rutte IV. In het coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ van 15 december 2021, lijkt er aan het eigen belastinggebied van de lokale overheden niets te veranderen. Wel is aangegeven dat er de komende jaren zal worden gewerkt aan een nieuwe financieringssystematiek voor de periode na 2025, waarbij ook alternatieven voor onder andere de onroerende zaakbelastingen worden betrokken. De Raad van State heeft op 13 januari 2022 in een brief aan de Minister van Financiën het kabinet geadviseerd voor een nieuwe stabielere financieringssystematiek voor medeoverheden niet te wachten tot de volgende kabinetsperiode en medio 2022 tot een meerjarig budgettair kader voor medeoverheden te komen. De verwachting is dat dit nieuwe meerjarig budgettair kader en de financiële consequenties niet tijdig beschikbaar is en daarom niet in de begroting 2023 verwerkt kan worden.

• Herijking gemeentefonds/verdelingssystematiek Met ingang van 2023 is een nieuwe verdeelsystematiek voor het gemeentefonds van toepassing. In de maartbrief 2022 gaat het Rijk uit van een ingroeipad voor 3 jaar. In het begrotingsjaar 2023 wordt het ingroeipad van de herverdeling beperkt tot € 7,50 per inwoner en voor de jaren 2024 en 2025 € 15 per inwoner. Het totale herverdeeleffect komt daarmee op maximaal € 37,50 per inwoner (in Houten is sprake van een negatief effect). • Opschalingskorting Sinds 2015 worden gemeenten geconfronteerd met een korting op het gemeentefonds. De opschalingskorting is opgelegd, omdat gemeenten door gedwongen opschaling kosten zouden besparen. In het regeerakkoord van kabinet Rutte II stond de ambitie om te komen tot gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. Hierdoor zouden veel gemeenten moeten fuseren. Dit zou moeten leiden tot o.a., vereenvoudiging van regelgeving en minder dubbeling van taken. Er bleek geen draagvlak. De verplichte opschaling is afgeschaft maar de bijbehorende opschalingskorting werd niet afgeschaft. Deze opschalingskorting zou van 2015 tot en met 2025 steeds verder oplopen, tot een structureel bedrag van bijna 1 miljard euro in 2025. Het niet afschaffen van de opschalingskorting leidde tot veel kritiek bij gemeenten. In de meicirculaire 2022 is de oploop voor de jaren 2023-2025 geschrapt.

Wat er met de opschalingskorting na de kabinetsperiode gedaan gaat worden, is nog onzeker. • Sociaal domein Gemeente Houten heeft in de meerjarenraming 2024-2026 een stelpost opgenomen voor de middelen jeugdzorg. De landelijke bedragen komen voort uit de arbitrage uitspraak van de Commissie van Wijzen. Er is nog geen richtlijn vanuit BZK of de provincie voor het opnemen van een stelpost. Conform de richtlijn van vorig jaar (begroting 2022) is ook nu weer 75% asl uitgangspunt genomen voor de berekening van de stelpost voor Houten. De stelpost is geen budgettaire garantie. Besluitvorming over een structurele oplossing in termen van benodigd budget en aanpassingen in het stelsel voor uitvoering van de Jeugdwet heeft nog geen volledige opvolging gekregen in het coalitieakkoord van het kabinet. In het coalitieakkoord wordt er op een aantal punten afgeweken (onder andere de hoogte) van de afspraken van de Commissie van Wijzen, waardoor de compensatie op langere termijn lager is. Dat betekent concreet dat gemeenten die de richtlijn hebben gevolgd en de maximale stelpost van 75% hebben opgenomen nog aanvullende dekking zullen moeten zoeken. Onderdeel van de toezegging van de gelden uit de Commissie van Wijzen is de hervormingsagenda.

De agenda, waar ook jeugdhulpaanbieders, professionals en cliëntorganisaties aan meewerken, moet concrete maatregelen opleveren die leiden tot een kwalitatief en financieel houdbaar jeugdstelsel. Op dit moment wordt de hervormingsagenda uitgewerkt.

10

Voor de begroting 2024 is het op dit moment niet duidelijk hoe er met de stelpost “uitkomst onderzoek Jeugdzorg” moet worden omgegaan. Evenals de VNG zijn wij in afwachting of er tijdig een structurele oplossing wordt geboden.

3.

Uitgangspunten opstellen begroting 2023 en meerjarenbegroting 2024-2026

3.1

Inleiding

Deze begrotingsrichtlijnen bevatten de uitgangspunten die worden gehanteerd bij de opstelling van de begroting 2023 en de meerjarenbegroting 2024-2026.

3.2

Financiële basis voor begroting 2023

Het financiële kader voor het opstellen van de begroting 2023 is het “Financieel meerjarenperspectief 2023-2026”. Raadsbesluiten tot en met 5 juli 2022 met financiële effecten, worden verwerkt in de begroting 2023. ➢ ➢

3.3

Het financiële kader voor het opstellen van de begroting 2023 is het “Financieel meerjarenperspectief 2023-2026”. Financiële effecten van raadsbesluiten tot en met 5 juli 2022 worden in de begroting 2023 verwerkt.

Kerngegevens

Voor het opstellen van de begroting 2023 en de meerjarenbegroting 2024-2026 is een aantal gegevens van belang. Het gaat hierbij om de kerngegevens die van invloed zijn op de berekening van de groei-gerelateerde budgetten, dus die hoeveelheid-afhankelijk (Q) zijn, en een aantal andere specifieke posten zoals de algemene uitkering. In onderstaande tabel is een aantal van toepassing zijnde kerngegevens per 1 januari van het betreffende jaar opgenomen. Begrotingsrichtlijnen 2023 Gegeven Totaal aantal woningen

2023 21.011

2024 21.215

2025 21.455

2026 21.763

2027 22.110

Prognose woningbouwproductie

204

240

308

347

406

Gemiddelde woningbezetting

2,41

2,40

2,36

2,36

2,34

Aantal inwoners, totaal

50.647

50.878

51.099

51.539

51.684

Aantal inwoners 0 t/m 17 jaar

11.245

11.088

10.951

10.842

10.761

Aantal inwoners, 18 t/m 59 jaar

26.503

26.481

26.487

26.502

26.611

Aantal inwoners 60 jaar en ouder

12.899

13.309

13.661

14.015

14.312

Aantal éénpersoonshuishoudens

5.729

6.026

6.133

6.249

6.381

Aantal meerpersoonshuishoudens

15.178

15.094

15.209

15.327

15.458

Toelichting op bovenstaande tabel: 1. Uitgangspunt voor het aantal woningen en inwoners is de stand per 1 januari 2022 volgens de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Houten. 2. De woonvisie 2021-2030 (vastgesteld december 2021) geeft richting aan het gewenste woningbouwprogramma van 4.750 woningen in de periode tot 2040. Voor ongeveer 1.000 woningen zijn al meer of minder concrete plannen. 3. Bron voor de gemiddelde woningbezetting is de bevolkingsprognose gemeente Houten van Pronexus (mei 2022). 4. Het verschil tussen het aantal woningen en de som van de één- en meerpersoonshuishoudens betreft vooral de incidentele leegstand van woningen.

11

3.4

Prijsontwikkelingen

3.4.1 Algemeen Het algemene uitgangspunt is dat het verhogen van budgetten niet is toegestaan. Er is een aantal uitzonderingen, genoemd onder 3.4.3., waarbij een specifieke aanpassing toegepast wordt. 3.4.2 Indexering prijsgevoelige budgetten Het indexeringspercentage dat meerjarig wordt toegepast op de prijsgevoelige budgetten (inclusief subsidiebudgetten) is de prijs bruto binnenlands product voor 2023 volgens de korte-termijnraming van het Centraal Planbureau (CPB) van maart 2022 (Centraal Economisch Plan (CEP) 2022, raming maart 2022). Voor 2023 is dit 3,0%. Een aanvullende correctie vindt plaats als de actuele CPB raming voor het lopende jaar 2022 meer dan 0,5% afwijkt van de prijsmutatie waarop de lopende begroting 2022 is gebaseerd. De afwijking is 1,8% (begrote indexatie voor 2022 1,6%, nu 3,4%) zodat een bijstelling plaatsvindt. Hiermee bedraagt het toe te passen prijsindexcijfer voor 2023 4,8%. 3.4.3 Specifieke aanpassingen budgetten Bij onderstaande budgetten wordt een specifieke aanpassing gedaan: a. Budgetten (baten en lasten) afhankelijk van kerngegevens Voor een aantal budgetten geldt dat er een directe relatie is tussen de hoogte van het budget en de kerngegevens. Dit wordt autonome groei genoemd. In dat geval moet er een duidelijke onderbouwing van de voorgestelde budgetaanpassing worden aangeleverd.

Deze onderbouwing moet gebaseerd zijn op de formule: P (prijs) x Q (hoeveelheid), waarbij de P voor de begroting 2023 alleen mag stijgen op basis van het indexeringspercentage (4,8%) in § 3.4.2 en Q moet aansluiten op de kerngegevens in § 3.3. De inwonersaantallen hebben bijvoorbeeld invloed op de legesopbrengsten van burgerzaken, kosten van verkiezingen, de bijdragen aan onder andere de VNG en kosten van verzekeringen. De ontwikkeling van de leeftijdsopbouw van de Houtense inwoners heeft invloed op de kosten van jeugd en wmo. b. Budgetten (lasten) gerelateerd aan specifieke contracten op gebied van jeugdhulp en Wmo Op een aantal budgetten met betrekking tot jeugdhulp en Wmo is een afwijkend indexeringspercentage van toepassing. Het gaat hierbij om budgetten waar een specifiek contract aan ten grondslag ligt. Voor deze budgetten wordt uitgegaan van de opgenomen indexeringsafspraken in het desbetreffende contract. Omdat de peildata na het opstellen van de (primitieve) begroting liggen, zullen deze budgetten in de loop van 2023 verhoogd worden. Voor de dekking hiervan kan (deels) gebruik worden gemaakt van middelen uit de meicirculaire 2022 die voor loon- en prijsindexatie gereserveerd zijn, zie § 3.6.

Onderwerp Maatwerk ZIN Wmo Huishoudelijke Hulp Wmo Hulpmiddelen Wmo Individuele voorzieningen Jeugd PGB's SAVE Essentiële functies Jeugd Leerlingenvervoer 1. 2. 3.

Grondslag indexering Overheidsbijdrage in de arbeidskosten-ontwikkeling (OVA-index) 1 OVA-index Consumenten Prijs Index (CPI)) 2 OVA-index OVA-index OVA-index 80% OVA en 20% PPC 3 NEA-index (Panteia)

OVA: https://www.nza.nl/documenten/vragen-en-antwoorden/wat-is-het-prijsindexcijfer-voor-personele-kosten CPI: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83131ned/table?fromstatweb Er wordt aangesloten bij de indexeringssystematiek van het LTA.

c. Verhuur accommodaties (baten) De tarieven van de sport- en welzijnsaccommodaties worden jaarlijks per 1 augustus geïndexeerd. Dit betekent dat de tarieven van sport- en welzijnsaccommodaties met ingang van 1 augustus 2023 met 4,8% worden geïndexeerd.

12

d. Begroting derden op basis van een gemeenschappelijke regeling (lasten) Een aantal budgetten is gerelateerd aan de begrotingen van derden op basis van een gemeenschappelijke regeling. Bij het opstellen van de begroting 2023 worden de meest actuele gegevens van de gemeenschappelijke regeling als uitgangspunt gehanteerd. e. Te verstrekken subsidies (lasten) De te verstrekken subsidies worden met 4,8% geïndexeerd. Uitzondering hierop zijn te verstrekken subsidies waar een substantiële ‘looncomponent’ onderdeel van is. In die gevallen wordt de indexering van te verstrekken subsidies opgesplitst in: - 4,8% over het prijsgevoelige gedeelte - 3,3% over de looncomponent f. Te ontvangen subsidies (baten) Voor te ontvangen subsidies en rijksbijdragen wordt uitgegaan van de (voorlopige) beschikking voor het betreffende begrotingsjaar (indien deze al aanwezig is). Als de beschikking voor het begrotingsjaar (nog) niet is afgegeven, wordt vooralsnog uitgegaan van de meest recente inzichten waarbij lasten en baten verhoogd worden met het indexeringspercentage van 4,8%. g. Personeel gerelateerde kosten (lasten) Een aantal budgetten is gerelateerd aan de loonsom en bedraagt concernbreed 6,2% van de loonsom. Dit percentage is als volgt verdeeld over de diverse loongerelateerde budgetten: Persoonlijke toelagen Forensenvergoeding Jubilea Gratificaties Opslagpercentage genormeerd schaalbedrag

0,40% 1,25% 0,15% 0,20% 2,00%

Loopbaanoriëntatie

1,00%

Opleidingskosten Werving en selectie Arbo en vitaliteit Dienstreizen Overige personeelskosten Totaal % overige formatie-gerelateerde budgetten

1,80% 0,20% 0,60% 0,20% 0,40% 3,20%

Omdat deze budgetten gerelateerd zijn aan de loonsom worden ze verhoogd met de loonontwikkeling van 3,3%. h. Verzekeringen (lasten) Voor lopende verzekeringen geldt de grondslag voor de premieberekening. Bij verzekeringen waarbij de premie wordt berekend op basis van het aantal inwoners, wordt rekening gehouden met de vastgestelde inwoneraantallen uit de kerngegevens (zie § 3.3). De prijs per inwoner mag stijgen met een indexering van 4,8%. Bij verzekeringen waarvan de premie wordt berekend aan de hand van een percentage van de verzekerde waarde wordt de verzekerde waarde geïndexeerd met 4,8%. i. Onvoorzien én onuitstelbaar én onontkoombaar In een beperkt aantal gevallen kan sprake zijn van onvermijdbare budgetaanpassingen. Dit zijn aanpassingen die onvoorzien én onuitstelbaar én onontkoombaar (3xO) zijn.

13

➢ ➢ ➢ ➢

3.5

Alle prijsgevoelige budgetten (inclusief subsidiebudgetten) worden meerjarig met 4,8% geïndexeerd. Budgetten gerelateerd aan specifieke contracten op het gebied van jeugdhulp en Wmo hebben een afwijkend (anders dan 4,8%) indexeringspercentage. De looncomponent in de te verstrekken subsidies wordt met 3,3% (in plaats van 4,8%) geïndexeerd. Afwijkingen hiervan in een aantal specifieke gevallen.

Loonontwikkeling

De begrote salarislasten zijn gebaseerd op het maximum van de functieschaal. De sociale lasten worden begroot op basis van de gegevens die per 28 mei 2022 beschikbaar zijn. Het ABP stelt elk jaar rond 1 december de hoogte van de verschillende premies (pensioenpremies en sociale lasten) voor het volgend jaar definitief vast. Bij het opstellen van de begrotingsrichtlijnen 2023 zijn de premies dus nog niet bekend en worden gehandhaafd op het niveau van 2022. Indien het ABP medio dit jaar een voorlopige inschatting afgeeft van de verschillende premies over 2023, wordt het effect hiervan verwerkt in de begroting 2023. De Cao voor gemeenteambtenaren geldt tot 1 januari 2023. Indien de nieuwe Cao voor 1 september 2022 afgesloten wordt, worden de loonontwikkelingen hiervan meegenomen in de begroting 2023. Indien er nog geen nieuwe Cao afgesloten is, zal met betrekking tot de loonontwikkeling na 1 januari 2023 worden aangesloten bij de verwachte ontwikkelingen (Centraal economisch plan (CEP) 2022, raming maart 2022) van het CPB. Voor de indexering wordt aangesloten bij de parameter ‘prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers’. Op basis hiervan wordt uitgegaan van een structurele verhoging van de loonkosten met 3,3% om hiermee tenminste de verwachte koopkrachtontwikkeling te kunnen compenseren.

Deze indexatie wordt dus ook toegepast op de ‘substantiële looncomponent’ in de te verstrekken subsidies (zie § 3.4.e) en de personeel gerelateerde kosten (zie § 3.4.g). ➢ ➢ ➢ ➢

3.6

Begrote salarislasten zijn gebaseerd op het maximum van de functieschalen. Salarislasten worden vanaf 2023 met 3,3% geïndexeerd. Werkgeversgedeelte van de pensioenpremies en sociale lasten worden gehandhaafd op basis van de vastgestelde premies voor 2022. Voorlopige inschatting premies 2023 door het ABP verwerken we in de begroting 2023.

Algemene uitkering

De algemene uitkering in de begroting 2023 wordt gebaseerd op de meicirculaire 2022. Voor de berekening van de algemene uitkering wordt het systeem van constante prijzen gehanteerd (het jaar 2023 is lopend en de jaren 2024-2026 zijn constant). In de meicirculaire wordt de prognoses voor de maatstaven binnen de algemene uitkering geactualiseerd. Voor de berekening van de stelpost voor de ruimte onder het plafond van het BTW-compensatiefonds wordt het gemiddelde van de afrekeningen van de laatste jaren gehanteerd. ➢ ➢ ➢ ➢

De hoogte van de algemene uitkering wordt bepaald aan de hand van de meicirculaire 2022. Voor de begroting 2023 en de meerjarenbegroting 2024-2026 wordt het systeem van constante prijzen gehanteerd (het jaar 2023 is lopend en de jaren 2024-2026 constant). Actualisatie prognoses maatstaven t.b.v. meicirculaire. Stelpost ruimte onder het plafond BCF o.b.v. gemiddelde afrekeningen laatste jaren.

14

3.7

Gemeentelijke belastingen en heffingen

Uitgangspunt voor de onroerendzaakbelasting (ozb) en de toeristenbelasting is een trendmatige aanpassing (4,8%) van de begrote opbrengst. Bij de berekening van het tarief voor de ozb wordt deze verhoging als gevolg van de inflatie gecorrigeerd voor de waardeontwikkeling van de woningen en de niet-woningen. De tarieven van de overige belastingen en heffingen worden op basis van kostendekkendheid vastgesteld. Hierbij geldt als uitgangspunt dat deze kostendekkend in de begroting worden verwerkt. ➢ ➢

3.8

Uitgangspunt voor de bepaling van de begrote opbrengst van ozb en toeristenbelasting is een trendmatige verhoging van 4,8%. De tarieven voor de overige belastingen en heffingen worden op basis van kostendekkendheid vastgesteld.

Effect- en prestatie-indicatoren

De raad heeft (stuur)informatie nodig om zijn kaderstellende rol (bij de begroting) en controlerende rol (bij de jaarstukken) te kunnen vervullen. Effect- en prestatie-indicatoren zijn hierbij van belang. Op landelijk niveau zijn hiervoor de zogenaamde BBV-indicatoren ontwikkeld. Daarnaast heeft de raad de ruimte om haar eigen gewenste effect- en prestatie-indicatoren in de begroting hieraan toe te voegen. Effectindicatoren brengen de gewenste maatschappelijke effecten van beleid in beeld. Je meet achteraf of het uitgevoerde beleid het gewenste maatschappelijke effect heeft gehad. Het verband tussen de gemeentelijke inspanningen en de maatschappelijke effecten is echter vaak moeilijk één op één te leggen. Met andere woorden, het in de doelstelling beoogde effect wordt door meer factoren beïnvloed dan door de geleverde inspanningen van de organisatie alleen. Daarbij is het effect vaak pas na langere tijd zichtbaar en dus niet binnen het verloop van een begrotingsjaar. Daarmee kun je stellen dat effectindicatoren gekoppeld zijn aan een bestuursperiode. Prestatie-indicatoren hebben een directe relatie met de inspanningen die de gemeentelijke organisatie levert. Met andere woorden, de prestaties zijn door de organisatie direct stuurbaar. Het voordeel van dergelijke indicatoren is dat prestaties duidelijk genormeerd zijn en de raad op basis daarvan kan (bij)sturen.

Om indicatoren te gebruiken als stuurinformatie is het van belang de indicatoren SMART op te stellen. Dat betekent dat indicatoren moeten voldoen aan de volgende criteria: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, en Tijdgebonden zijn. Om indicatoren vooral meetbaar te maken moet een goede bron worden gehanteerd. Bijvoorbeeld dat deze digitaal ontsluitbaar is of een enquête (Monitor Sociale Kracht of burgerpanel). ➢

Effect- en prestatie-indicatoren moeten voldoen aan de hiervoor opgestelde criteria voor het SMART-formuleren van indicatoren.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=0086ada2-dbdf-4e3c-883f-9da23b21c678