Bijlage 3 - Ecologisch onderzoek
Tekst van het document
BLOM ECOLOGIE B.V. ECOLOGISCH ADVIES & O\DER7DEK
T.a.v. dhr. H. de Kruijf Boekdrukkersgilde 27
Zandweg 46
3994 XT Houten
4181 I'M l'3,bardenburg
t 0418 820 288 Datum
15 januari 2020
e in frOblomecdingie.n1
Behoort bij besluit van B&W
Kenmerk
BE/2020/934/r
Uw kenmerk
Email d.d. 14 december 202a ing. L. Pieterman
Auteur(s)
0V 2 1 2 4 1
i www.blumecelogie.n1 KvK 67221904
--•
BTW 8568829991301 1BAN N121RA1300314240683
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming Odijkseweg 186 te Houten Aan de Odijkseweg 1&5 is een perceel met woning, twee schuren en een tuinhuis gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van een vrijstaande woning.
De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke
effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht.
Dhr H. de Kruijf heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden. Onderzoeksdoelen
Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel)
• •
aanwezig op de planlocatie?
Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep?
Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 -gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuumetwerk Nederland?
•
Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de
•
Wet natuurbescherming zijn beschermd? Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
• We; vi I wetenschap die tie betrekkingen tussen de organismen en hun iimy,eving bestudeert. 2 die betrekkingen ?elf;
I m.b.t. de ecologic. 2 milieuvriendelijk.
2,
fhiivoeglijk naaimsoord, hijuoordi
(de; v(m); meervoud flora's) I alle planten van een bep. gebied. 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat;
vim); meervoud: fauna's) I de dierenwereld van een gebied.
(de,
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de Odijkseweg 1&5 te Houten (figuur 1). Op de planlocatie is een
woning gelegen met uitbouw en twee aangebouwde schuren. De woning en schuren zijn opgebouwd uit steense- of halfsteense muren zonder luchtspouw en bestaan uit twee bouwlagen. De daken zijn bedekt met dakpannen. Deze zijn gelegen op tengels en panlatten. Het ontbreekt aan dakbeschot. De uitbouw is opgetrokken uit halfsteense muren zonder luchtspouw en bestaat uit een enkele bouwlaag. Het dak is bedekt met een bitumendakbedekking. De uitbouw beschikt over boeibord. Het tuinhuis bestaat uit hout en is bedekt met een bitumendakbedekking. Op het perceel is tevens een strak onderhouden tuin met een hoog kwaliteitsbeeld aanwezig. Op
en rondom de planlocatie zijn veel jaarrond groenstructuren aanwezig. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt echter geen groen verwijderd. In figuur 2 en bijlage 1 ziojn, ten opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door relatief groene woonwijken. Op een afstand van circa 700 m ten oosten van de planlocatie is het dichtstbijzijnde agrarisch gebied gelegen. Op een afstand van circa 2,5 km ten zuidoosten stroomt het Amsterdam-Rijnkanaal. Op een afstand van circa 2,6 Km ten westen is de A27 gelegen.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Odijkseweg 1&5 (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren
van de bestaande bebouwing ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Methode
Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek
Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 januari 2021 en is uitgevoerd
door iing. L. Pieterman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 2° Celsius en windkracht 2 (Bft). Externe bronnen
Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en
de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht
In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het
opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
(tabel op volgende pagina).
3
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis
Tabel 1
Bastaardkikker
Gewone pad
Bosmuis
Haas
Ree Rosse woelmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing Dwergmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
Wezel Woelrat
(b) Gebiedsbescherming
Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in
Natura 2000 -gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het 'nee, tenzij' -principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000 -gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden
Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld,
dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
4
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in
het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten
Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder
beschermde status. Het betreft een strak onderhouden tuin met aangeplante algemene vaatplanten. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, madelieije, paardenbloem en zachte ooievaarsbek. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten
wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2011-2021). Voor de volgende
soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, das, rode eekhoorn en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
De boommarter en rode eekhoorn komen voor in aaneengesloten bossen. De planlocatie is gelegen in stedelijk gebied. Er worden geen bomen gekapt t.b.v. de ontwikkelingen. Eventuele migratieroutes worden hierdoor niet aangetast. Op de planlocatie en in de directe omgeving is geen geschikt leefgebied aanwezig voor de boommarter en de rode eekhoorn. Negatieve effecten op de soorten kunnen derhalve uitgesloten worden. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land, namelijk moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Door het ontbreken van deze elementen kan de aanwezigheid van bever binnen de planlocatie uitgesloten worden. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal
kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Op de planlocatie is geen geschikt leefgebied aanwezig voor de das. Negatieve effecten op de soort kunnen derhalve uitgesloten worden. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2020). De steenmarter is een marterachtige die regelmatig in menselijke bebouwing huist. Alle bebouwing is grondig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van de steenmarter. Dergelijke sporen zijn niet aangetroffen. Eveneens zijn op de rest van het plangebied, inclusief de tuin, geen sporen zoals wissels, uitwerpselen of prooiresten geconstateerd. Derhalve kan worden uitgesloten dat het plangebied een essentiële functie heeft voor de steenmarter. Negatieve effecten op de soort zijn derhalve uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. 5
De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel,
mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die
duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen
Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis
(NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en
spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Bij12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschilde boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Daarnaast worden geen bomen gekapt binnen de beoogde ontwikkeling.
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van
potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet
voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing beschikt niet over spouwmuren en er zijn geen andere ruimten aanwezig welke door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vaste rust- of verblijfplaats. Het boeibord van de uitbouw bevindt zich op een hoogte
van +/- 1,8 m waardoor de aanvliegroute niet optimaal is en de predatiekans door katten is daardoor zeer hoog. Aan de noordzijde van één van de schuren is een opening aanwezig welke
door vleermuizen gebruikt kan worden als paarverblijfplaats of zomerverblijf voor solitaire mannetjes vleermuis. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in
bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Gezien er geen sprake is van een landelijke omgeving met weinig lichtverstoring, en het ontbreken van sporen van vleermuizen in de vorm van uitwerpselen of prooiresten, is het voorkomen gewone grootoorvleermuis uitgesloten.
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Boven de groenstructuren en langs de bebouwing kunnen vliegbewegingen van
vleermuizen plaatsvinden. Gezien geen groenstructuren worden verwijderd en de bebouwing geen essentiële betekenis heeft voor vleermuizen, kunnen negatieve effecten uitgesloten worden. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en
foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per
soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast.
6
Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en vroedmeesterpad (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en vroedmeesterpad. Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd
zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van bebouwing en het realiseren van een nieuwe woning. Op de planlocatie en in de directe omgeving is geen geschikt leefgebied aanwezig voor beschermde amfibieën. Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater is een vaart gelegen op een afstand van circa 550 m ten noorden van de planlocatie. De planlocatie is deels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Wegens het ontbreken van leefgebied op de planlocatie kan het voorkomen van beschermde amfibieën derhalve uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm en ringslang (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (RAVON hazelworm, 2020). De enkele waarneming van de hazelworm komt voor langs bosrijk gebied op een afstand van circa 1,6 km ten noordwesten van de planlocatie. Gezien de hazelworm erg verstoringsgevoelig is en er aan functioneel leefgebied ontbreekt, kan de soort uitgesloten worden. Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd (RAVON ringslang, 2020). Voor de ringslang is geen geschikt leefgebied of
overwinteringsstructuren aanwezig. Het voorkomen van de soort kan derhalve uitgesloten worden. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos (NDFF 2011-2021). De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een
bosrijke omgeving.
Waardplanten zijn iep; ook zoete kers en sommige wilgensoorten worden gebruikt (Vlinderstichting grote vos, 2020). Binnen de beoogde ontwikkeling zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Negatieve effecten op grote vos zijn derhalve uitgesloten.
7
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels
Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten
waargenomen: houtduif, huismus, kauw, koolmees, merel, roodborst, Turkse tortelduif winterkoning en zanglijster. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 Um 4)
Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De vorm van de dakpannen op de woning en schuren laat geen ruimte over waar huismussen een nest kunnen opbouwen. Gezien het tuinhuis bedekt is met een bitumendakbedelcking is het voorkomen van nestlocaties van de huismuis tevens uitgesloten. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. In bebouwing van naburige percelen kunnen nestlocaties van de huismus voorkomen. Hierdoor kunnen de groenstructuren op de planlocatie onderdeel zijn van het functionele leefgebied van de huismus. Gezien geen mogelijke functionele groenstructuren
verwijderd zullen worden binnen de beoogde ontwikkeling zijn negatieve effecten op de huismus uitgesloten. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De dakpannen, met name de kant en nokpannen, van de schuren en de woning sluiten allen strak aan. Hierdoor is er geen ruimte aanwezig waar een gierzwaluw in kan vliegen. Het voorkomen van nestlocaties van de gierzwaluw kan derhalve uitgesloten worden. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil), derhalve zijn sporen van uilen niet aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie kunnen sporadisch foerageeractiviteit plaatsvinden van roofvogels als de sperwer. Gezien de inrichting van de planlocatie, de hoge mate van verstoring en de stedelijke inrichting van de omgeving maakt de planlocatie geen onderdeel uit van essentieel functioneel leefgebied van uilen en andere roofvogels. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen)
De te saneren bebouwing op de planlocatie wordt intensief gebruikt en bevat geen openingen waar algemene broedvogels, zoals spreeuwen of duiven, gebruik van kunnen maken. De groenstructuren rondom de te saneren bebouwing kunnen wel door algemene broedvogels als
nestlocatie worden gebruikt. Gezien deze structuren blijven staan binnen de beoogde ontwikkeling kunnen negatieve effecten op algemene broedvogels uitgesloten worden.
8
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 12,7 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebied "Uiterwaarden Lek' (figuur 4). Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natuurnetwerk Nederland en op een afstand van circa 4,2 km ligt de Groene Contour (figuur 5).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 12,7 km tot het Natura 2000 -gebied 'Uiterwaarden Lek' (bron: nationaal Georegister PDOK). Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland
Groene Contour
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour (bron: webkaart.provincie-utrecht).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000 -gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
9
Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000 -gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000 -gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep niet tot toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stilcstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het 'projecteffect'). In de handreiking 'woningbouw en AERIUS' (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; • Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; • Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.
Gezien er sprake is van een grote afstand (12,7 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000 -gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000 -gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000 -gebieden geen sprake. Een Voortoets, 'nee, tenzij' -toets en/of AERIUS-stikstofberekening is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden In de beoogde ontwikkeling zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benocgd is.
Soortgroep
Soortenbescherming Beschermings- Soortspedfiek regime Wet nb onderzoek
Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden
Nee Nee Nee Nee ............. N e e N e e N e e
ee
Vogels
Tabel 3
Overzicht van de Gebiedsbeschermin2.
nader onderzoek
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
Natura 2000
12,7 km
geen
Natuurnetwerk Nederland
1,8 km
geen
n.v.t.
Groene Contour
4,2 km
geen
n.v.t.
Tabel 4
11
Mogelijk functie plangebied
_
n.v.t.
Overzicht van de Houtopstanden.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
Nee
Nee
n.v.t.
Bomen
Nee
Nee
n.v.t.
Uitvoerbaarheid
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soortgroep dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Conclusie
De sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van een woning aan de Odijkseweg 1&5 te Houten is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden
(soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor
beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden,
te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april -oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang
uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
12
licht,
lichtbundel
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BI112, Utrecht.
BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BI112, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BI112, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versiarte 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. — Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS
Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European
Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., 0. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest -Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites
www.arcgis.com www.bij12.n1 www.nationaalgeoregister.n1 www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.n1 www.ravon.n1 www.ruimtelijkeplannen.n1 www.synbiosys.alterra.n1 www.verspreidingsatlas.n1 www.vleermuisprotocol.n1 www.webkaart.provincie-utrecht.n1 www.wilde-planten.n1 www.zoogdiervereniging.n1
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. L. Pieterman Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
C) BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG
Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V.
worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
Figuur 1
De dakpannen op de schuren en de woning hebben niet een vorm die nestlocaties van de huismus toelaat. Daarnaast beschikken de schuren niet over dakbeschot.
Figuur 2
15
De kant- en nokpannen op de planlocatie sluiten allen strak aan waardoor geen ruinte aanwezig is die door een gierzwaluw gebruikt kan worden als invliegopening.
16
Figuur 3
De bitumendakbedekking van het tuinhuis is niet geschikt als nestlocatie voor vogels of als vaste rust- of verblijfplaats voor vleermuizen.
Figuur 4
De schuren op de planlocatie worden, onder andere, gebruikt als werkplaats. Hierdoor treedt veel verstoring op.