CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c - Bestemmingsplan Odijkseweg 11 - toelichting

Gemeenteraad 9 februari 2021, gemeente HoutenBij agendapunt: Bestemmingsplan Odijkseweg 1113.987 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Met behulp van de risicokaart is gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart

Figuur 9. Fragment risicokaart met globale aanduiding plangebied (zwarte cirkel, bron: Risicokaart.nl)

Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen in de directe nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Op een geruime afstand van 440 m bevindt zich een gasontvangststation. De risicoafstand voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6) is 0 m. Gezien de afstand van het plangebied tot het gasontvangststation vormt deze geen gevaar voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast ligt er ten westen van het plangebied een spoorlijn welke gebruikt wordt voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 270 m van deze spoorlijn. Hiermee valt het plangebied buiten de 200m-zone waarvoor bij een nieuwe ontwikkeling het groepsrisico bepaald dient te worden. Tevens is er geen plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Bovendien betreft het een ontwikkeling van slechts twee woningen, waarmee er een beperkte toename van mensen plaats zal vinden. Gezien de ligging van het plangebied en de beperkte ontwikkeling van twee woningen vormt het spoor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn verder geen wegen of wateren in de nabijheid van het plangebied aanwezig die gebruikt worden voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Gezien het voorgenoemde dient er te worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staat.

27

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.

28

Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2020/300/r, d.d. 24 april 2020, bijlagen bij toelichting bijlage 2) uitgevoerd. Onderstaand de resultaten van het oriënterend onderzoek. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld.

De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. Het PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is het PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe Aerius Calculator van september 2019 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe Aerius Calculator: zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Odijkseweg 11 te Houten uitvoerbaar is.

29

4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De navolgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Houten.

Figuur 10. Fragment archeologische beleidskaart gemeente Houten (plangebied zwarte omlijnd)

Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Houten blijkt dat het plangebied gedeeltelijk een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Voor ingrepen met een kleiner oppervlak dan 500 m²/of niet dieper dan 0,5 m -mv is een vergunning niet noodzakelijk. De beoogde woningen aan de Boekdrukkersgilde zullen een gezamenlijk oppervlak hebben van circa 200 m². Voor de fundering van de beoogde woningen wordt het terrein opgehoogd met circa 30 cm, als gevolg dient nog ongeveer 40 cm van de bestaande grond geroerd te worden. Daarnaast wordt er nog beperkte ondergrondse infrastructuur aangelegd van de hal (meterkast) van de woningen naar de weg. Verder zal er een haag aan de noordzijde van het plangebied worden geplaatst waarbij rekening wordt gehouden met de diepte van de wortels. De genoemde grenswaarden zullen niet worden overschreden. Bovendien heeft een gedeelte van het plangebied een lage of geen archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

30

4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Tevens bevinden er zich geen monumenten in of nabij het plangebied. Geconcludeerd wordt dat er geen cultuurhistorische waarden worden aangetast met de beoogde ontwikkeling.

4.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.10.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.

31

Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.10.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vier hoofdthema's zijn:

• • • • •

waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Gezond water is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het laatste thema betreft genieten van water.

Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Keur en uitvoeringsregels Vanaf 1 mei 2019 is de nieuwe Keur van het Hoogheemraadschap van kracht. In de keur staat wat wel en niet mag op of aan de waterkeringen (dijken en kades) en watergangen. De regels maken het mogelijk dat het waterschap het onderhoud aan watergangen en waterkeringen goed kan uitvoeren. Vergunningplichtige activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Voor andere activiteiten gelden de algemene regels. In de uitvoeringsregels is opgenomen dat bij een toename aan verharding minder dan 500 m² er alleen de algemene zorgplicht geldt. Indien de toename meer bedraagt is extra watercompensatie vereist. In de navolgende paragraaf wordt hierop verder ingegaan.

32

Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 4.10.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten.

De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek In 2019 heeft de gemeenteraad van Houten het Water- en Rioleringsplan 2020 - 2023 vastgesteld. Hierin is de zorgplicht voor perceeleigenaren bij de verwerking van regenwater op eigen terrein uitgewerkt. Perceeleigenaren moeten het regenwater op eigen terrein opvangen in een ondergronds infiltratiesysteem met een inhoud van 15 mm per m² ten opzichte van het verhard afvoerend oppervlak. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat een toename van meer dan 500 m² dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water of infiltratie binnen het peilgebied waarin de toename aan verharding plaatsvindt. Het Hoogheemraadschap hanteert echter een strengere compensatieplicht dan de gemeente Houten. Het te compenseren oppervlaktewater dient 15% van de toename aan verhard oppervlak te zijn. Wanneer gecompenseerd wordt door middel van infiltratie geldt dat er 45 mm per vierkante meter verhard oppervlak geborgen dient te worden. In de voormalige situatie bestond het plangebied van 1.200 m² uit groen (750 m²) en kassen (450 m²). Voor de beoogde woningen wordt er uitgegaan van een verhard oppervlak van maximaal 100 m² per woning, daarnaast moet er rekening mee gehouden worden dat de tuinen deels verhard worden (50%).

De aan te leggen parkeerplaatsen op eigen erf zullen waterpasserend zijn. De 'verharding' van deze parkeerplaatsen kan in mindering worden gebracht op de totale hoeveelheid verharding . De geschatte verharding komt daarmee op circa (100 m² + 100 m² + 500 m²) = 700 m². Onderstaande tabel toont de verhardingsbalans van de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie.

Bestaande situatie (m²)

Toekomstige situatie (m²)

Groen (moestuin)

750

-

Verharding (kassen)

450

-

Bebouwing

-

200

Tuin (50% verhard)

-

1000 (500)

Totaal oppervlak

1200

1200

Waarvan verhard

450

700

Verschil verharding

250 m² toegenomen

33

Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied ten opzichte van de voormalige situatie toe met circa 250 m². De grenswaarde van 500 m² van het Hoogheemraadschap wordt hiermee niet overschreden. Wel dient er conform de regeling van de gemeente Houten per m² verhard oppervlak 15 mm water opgevangen te worden met een ondergronds infiltratiesysteem. Voor de beoogde ontwikkeling komt dit neer op circa 10,5 m³ (0,015 m * 700 m²). Dit zal worden meegenomen in de beoogde ontwikkeling. De riolering van de nieuwbouw zal aangesloten worden op het gemeentelijk riool. In het plan zal vuilwater en hemelwater gescheiden worden. Aan de Boekdrukkersgilde is nog geen gemeentelijk gescheiden stelsel aanwezig waarmee op de erfgrens het gecombineerd wordt. Door in het plan wel te zorgen voor een gescheiden systeem is deze 'toekomstproof'. Om toekomstig wateroverlast te voorkomen wordt voor het bouwpeil 30 cm boven het straatpeil aangehouden.

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan weg rijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Beide percelen zullen worden ontsloten via de Boekdrukkersgilde aan de zuidzijde van het plangebied. Via de Leidekkersgilde, de Klompenmakersgilde en Het Gilde is het plangebied ontsloten op de Rondweg.

Onderstaande tabel geeft de maximale verkeerstoename weer die met de beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd volgens de gegevens van CROW in een 'sterk stedelijk gebied', 'rest bebouwde kom'.

Typen woning Koop, vrijstaand

Verkeersgeneratie (per woning) 8,6

Aantal 2

Totale verkeersgeneratie 17,2

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de maximale verkeerstoename met de beoogde ontwikkeling 17,2 verkeersbewegingen per etmaal zal zijn. Met deze geringe toename worden er geen problemen voorzien. De Boekdrukkersgilde en aansluitende wegen beschikken over voldoende capaciteit om deze geringe verkeerstoename op te vangen. Daarnaast is het plangebied uitstekend ontsloten voor fietsverkeer. Geconcludeerd wordt dat verkeer geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

34

4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Houten heeft de Nota Parkeernormen Houten vastgesteld (11 februari 2014) om de parkeervraag en het parkeeraanbod zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Planspecifiek In de Nota Parkeernormen Houten is aangegeven dat het plangebied behoort tot de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'sterk stedelijk', zoals die gehanteerd worden in CROW-publicatie 381.

Uitgaande van 2 grote woningen (≥ 140 m²) met een parkeernorm van 1,9 zijn er in totaal 4 parkeerplaatsen benodigd. Beide woningen zullen voorzien worden van 2 water-passerende parkeerplaatsen op eigen terrein, hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Door de realisatie van de inritten voor de beoogde woningen zullen er aan de Boekdrukkersgilde twee informele langsparkeervak komen te vervallen. Bij de aanleg van de uitritten zal ook deel het openbaar gebied worden herzien waarbij er drie formele parkeervakken worden ingericht. Bij de herinrichting van deze parkeerplaatsen zal rekening gehouden moeten worden met de bereikbaarheid van het gebied door de veiligheidsdiensten (brandweer, politie, ambulance). Door de gemeente Houten is hiervoor advies opgevraagd bij de Veiligheidsregio Utrecht. Door de veiligheidsregio is aangegeven dat de Boekdrukkersgilde de navolgende eisen gelden:

• • •

De minimale rijstrookbreedte bedraagt 3,25 meter verhard met een vrije ruimte van minimaal 3.50 meter. De minimaal benodigde bochtstraal bedraagt R10 (buitenbocht) en R5.5 (binnenbocht). De weg dient een asdruk van 11,5 ton en een totaalgewicht van 30 ton aan te kunnen.

De herinrichting van het openbaar gebied heeft zijn beslag buiten het plangebied van dit bestemmingsplan. De geldende bestemming van de Boekdrukkersgilde staat niet in de weg aan het voldoen aan de inrichtingseisen zoals hierboven benoemd. Om juridisch te kunnen borgen dat de inrichting van het gebied gebeurd overeenkomstig de bovengenoemde randvoorwaarde is de regeling van nadere eisen binnen de bestemming Wonen verruimd. Op deze wijze kunnen in de Omgevingsvergunning nadere voorwaarden opgenomen worden omtrent de inrichting van de aanliggende openbare ruimte.

35

4.12 Schaduwhinder Voor bezonningstudies gelden geen wettelijk vastgestelde normen. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, in het besluit gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. De wet gebruikt hiervoor de term goede ruimtelijke ordening. Een planologisch besluit, zoals een bestemmingsplan of een projectbesluit, dient voorzien te zijn van een dergelijke onderbouwing. Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningstudie toe te voegen aan een bestemmingsplan of projectbesluit. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningstudie bestaat geen directe wettelijke basis. Voor de inhoud wordt landelijk veelal gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘TNO-norm’. De ‘TNO-norm’ bevat een aantal uitgangspunten voor de mate van bezonning en tijdstippen die algemeen gehanteerd worden. Er zijn meerdere mogelijkheden voor het uitwerken van een bezonningstudie. Onder andere een bezonningsdiagram, een maquette op een bezonningstafel of door middel van een 3D computermodel. Er is een lichte- en een strenge- ‘TNO-norm’ geformuleerd. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De ‘TNO-normen’ geven een richtlijn of er sprake is van voldoende en goede bezonning. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer.

De norm is echter ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes. De TNO-norm: Voldoende bezonning (lichte norm): Ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden) in het midden van de vensterbank binnenkant raam op de begane grond. In dichtbebouwde binnenstedelijke gebieden wordt de TNO-norm veelal zodanig aangepast dat het moet gaan om ten minste 2 mogelijke bezonningsuren op de gevel. Dit gezien de lichte TNO norm in een stedelijke omgeving lastig haalbaar is. De ‘TNO-norm’ geeft voor tuinen, dakterrassen en balkons geen ijkpunt, zoals bij ramen, waaraan bepaald wordt of er sprake is van schaduw of van zon. Voor deze ontwikkeling is met een computermodel in beeld gebracht wat de bezonningssituatie is, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4. Uit deze studie blijkt dat voldaan kan worden aan de lichte TNO norm.

36

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij onder andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

37

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Wonen - Vrijstaand De voor 'Wonen-vrijstaand' aangewezen gronden zijn bestemd voor uitsluitend zelfstandig wonen, beroepen en bedrijven aan huis, tuinen, erven en verhardingen met daaraan ondergeschikt: groen- en speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, verkeer en verblijf, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Tuin - Voortuin De voor 'Tuin - Voortuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor voortuinen, erven en verhardingen, erkers, balkons of luifels behorende bij het hoofdgebouw in de aangrenzende bestemming, inritten ten behoeve van parkeren, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

38

6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

• • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Er zal ten behoeve van het project een anterieure overeenkomst worden afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. In het kader van dit vooroverleg is het plan toegezonden aan de overleg partners. Een instemmende reactie op het plan is ontvangen van de Provincie Utrecht, het hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en de Veiligheidsregio Utrecht. Van het vooroverleg is een verslag gemaakt door de gemeente Houten. Dit verslag is toegevoegd als bijlage aan dit bestemmingsplan. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om

39

een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 6.2.2 Participatie Omwonenden zijn geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling van twee woningen aan de Boekdrukkersgilde door middel van een inloopavond op 15 juli 2019. Tijdens deze inloopavond waren er voornamelijk positieve geluiden te horen vanuit de bezoekers op het plan om twee vrijstaande woningen te realiseren. Met name op het ontwerp en de invulling van het stuk grond werd positief gereageerd vanuit omwonenden. Daarnaast zijn er via de mail en via formulier wel enkele opmerkingen/vragen naar voren gekomen. De genoemde onderwerpen worden navolgend kort bij langsgegaan. 1. 2. 3.

4.

5.

6.

7.

Kleur stenen: Omwonenden geven aan liever niet een donkere kleur steen te zien worden toegepast, als gevolg hiervan zal er een lichte kleur steen worden toegepast; Heien: In plaats van het heien van palen (luidruchtig en trillingsgevoelig) wordt het boren van mortelschroefpalen toegepast (geluidsarm en trillingsvrij); Bouwverkeer/veiligheid/overlast: Er wordt een veiligheidsplan opgesteld waarbij rekening wordt gehouden met kinderen die naar school gaan en er wordt gebruik gemaakt van de meest overzichtelijke routes aangaande het bouwverkeer.; Parkeercapaciteit: door de twee beoogde inritten is er minder ruimte beschikbaar voor parkeerplaatsen. Volgens de omwonenden kunnen er circa 6 auto's geparkeerd worden (langsparkeervakken). De breedte van het perceel is 28 m, uitgaande van de vereiste afmetingen van een langsparkeerplaats (6 m lengte), behoren er afgerond slechts 4 parkeerplaatsen mogelijk te zijn. Door twee inritten van circa 4 m breed te realiseren aan de zijkanten, blijft er nog 20 m over. Uitgaande van de benodigde 6 m breedte, blijven er 3 parkeerplaatsen mogelijk; Bouwhoogte: Aangezien men wenst dat de bouwhoogte niet uit verhouding raakt met de omgeving, zijn de hoogtes van de nabije omgeving in kaart gebracht. De bouwhoogtes van onderhavig plan betreffen 9,9 m en 10,2 m.

In de omgeving varieert de bouwhoogte tussen 7,5 m (Boekdrukkersgilde 14) en 10,3 m (Boekdrukkersgilde 2-4). De directe bebouwing ernaast heeft een hoogte van 8,3 m; Gemeentelijke procedures (bestemmingsplan/omgevingsvergunning): Gezien het ontbreken van bouwvlakken in het vigerende bestemmingsplan betreft het hier een bestemmingsplanwijziging. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om als aanvraag in te dienen, daarnaast zal er een aanvraag omgevingsvergunning worden ingediend. Geen zon tuin Boekdrukkersgilde 15: Van de directe omwonenden heeft één buurman aangegeven zich zorgen te maken over het beschikken over minder zon. Derhalve is een bezonningsstudie uitgevoerd, waarvan het resultaat in een persoonlijk gesprek met de bewoner van Boekdrukkersgilde 15 is besproken. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen sprake is van een benoembaar negatief effect op de aangrenzende percelen.

6.2.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Odijkseweg 11 heeft van 5 november 2020 tot en met 16 december 2020 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Door de gemeente Houten is een inspraakverslag opgesteld. Dit verslag, Nota zienswijzen, is toegevoegd als bijlage aan dit bestemmingsplan.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=645cfe96-163c-4959-b261-5be17ff5953a