Bijlage 1b - bijlage bij Regels - Quickscan Provincialeweg 21
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Provincialeweg 21 te Schalkwijk Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0911
Datum:
6 september 2022
Samensteller:
ing. B.C.E. Vleeshouwers
Collegiale toets:
ing. G. Fairhurst
Opdrachtgever:
Buro SRO B.V.
Contactpersoon:
J. van Nuland
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
9
2.4
Houtopstanden
10
2.5
Houdbaarheid en toepassing
10
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
16
3.3
Houtopstanden
17
4 Samenvatting
18
4.1
Soortenbescherming
18
4.2
Gebiedsbescherming
18
4.3
Houtopstanden
18
5 Conclusie
19
5.1
Conclusie
19
5.2
Uitvoerbaarheid
19
5.3
Vervolgstappen
19
5.4
Te treffen maatregelen
19
1 Inleiding Aan de Provincialeweg 21 te Schalkwijk is een woonperceel met woning en drie schuren gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens twee schuren te slopen en één schuur te verbouwen naar woonhuis. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Provincialeweg 21 te Schalkwijk.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Provincialeweg 21 te Schalkwijk (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een woning en bijgebouwen. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het slopen van twee schuren en het transformeren van 1 schuur tot woning. • • •
Schuur 1 is een kapschuur die is opgebouwd uit bakstenenmuren en houten planken. Er is geen spouwmuur aanwezig en het dak bestaat uit golfplaten en bevat geen dakbeschot. Schuur 2 is opgebouwd uit bakstenenmuren met een spouwmuur. Het dak bestaat uit golfplaten zonder dakbeschot. De grote schuur (3) is opgebouwd uit bakstenenmuren en heeft een golfplatendak. Er is geen spouwmuur en dakbeschot aanwezig. Alle schuren worden gebruikt voor opslag van caravans, vouwwagens en bouwmaterialen. Op de planlocatie is er een hooimijt en verscheidende steen- en houthopen aanwezig. De planlocatie is grotendeels verhard met betonplaten en klinkers. Rondom de planlocatie zijn kavelsloten. Een van de kavelsloten. Aan de noordoostelijke zijde van de planlocatie is een duiker gelegen die de noordwestelijk kavelsloot verbind me de zuidoostelijke kavelsloot. In de beoogde ontwikkeling wordt de duiker verwijderd en een nieuwe kavelsloot gerealiseerd. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Provincialeweg 21 te Schalkwijk. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen. De Schalkwijkse Wetering stroomt op circa 30 m ten zuiden en het Amsterdam-Rijnkanaal stroom top circa 1,1 km ten noorden van de planlocatie.
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van twee schuren en het ombouwen van een schuur tot woning. Daarnaast wordt er aan de noordoostelijke zijde een kavelsloot gerealiseerd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • Verwijderen van duiker: graafwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.3 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO B.V.).
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2022 en is uitgevoerd door ing. B.C.E. Vleeshouwers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 24 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
7
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing
Huisspitsmuis
Veldmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
8
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen
9
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: grote brandnetel, harig knopkruid, paardenbloem en riet. De planlocatie is grotendeels verhard met betonplaten en klinkers. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Waargenomen bomen en struiken op de planlocatie zijn knotwilg en zomerlinde. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.
Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huismuis, konijn, mol, ree, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en boommarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt voor in grote rivieren, uiterwaarden en moerasbossen met wilgen begroeide oevers. De planlocatie is gelegen langs een druk bereden weg met daaromheen smalle watergangen/kavelsloten. Verder zijn er enkele wilgen aanwezig op en rondom de planlocatie. De dichtstbijzijnde waarneming van bever is gedaan op circa 2 km ten oosten van de planlocatie in de Lek. Door de afwezigheid van geschikt leefgebied en de grote afstand tot de waarneming kan de aanwezigheid van de bever uitgesloten worden. Bossen van allerlei typen en leeftijden zijn uitstekende leefgebieden voor boommarters.
De soort komt ook voor in stadsparken met voldoende (oude) bomen, bossen of gebouwen die aan de rand van bossen staan (Zoogdiervereniging boommarter, 2022). De dichtstbijzijnde waarneming is op circa 900 m ten oosten. Dit betreft een dood exemplaar. Op en rondom de planlocatie zijn er geen oude bomen, bosgebieden en parken aanwezig. Door de afwezigheid van geschikt leefgebied op en rondom de planlocatie kan de aanwezigheid van boommarter uitgesloten worden. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. 11
Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
De schuren zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Schuur 3 is opgebouwd uit enkelsteense muren en een golfplaten dak. Schuur 1 is gedeeltelijk opgebouwd uit baksteenmuren en houten planken. Er is geen spouwmuur en dakbeschot aanwezig in schuur 1 en 3. Het is uit te sluiten dat deze schuren op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Schuur 2 is opgebouwd uit baksteenmuren met spouw en een golfplatendak zonder dakbeschot. In de muren zijn er stootvoegen aanwezig. Echter zijn deze circa 15 cm boven de grond gesitueerd. Aan de achterzijde van de schuur zijn er ventilatie gaten aanwezig. Deze zijn in de nok van de kopgevel gesitueerd.
Tevens is er geen geschikte aanvliegroute aanwezig door de aanwezigheid van een houtstapel onder de ventilatiegaten. Daarnaast is de spouwmuur zeer breed. Vleermuizen geven de voorkeur aan spouwmuren waar ze zichzelf kunnen vastzetten tussen de twee muren. Tevens door de breedte van de spouwmuur kan er moeilijk een constant microklimaat behouden worden. Door de afwezigheid van een ongeschikte spouwmuur en aanvliegroute is het uit te sluiten dat deze schuur gebruikt wordt door gebouwbewonende vleermuizen die in bebouwing leeft. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op en rondom de planlocatie zijn er verschillende structuren zoals bomenrijen, watergangen en bebouwing aanwezig die niet worden aangetast in de beoogde ontwikkeling. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden er geen essentiële structuren aangetast.
12
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. In de beoogde ontwikkeling worden de huidige kavelsloten niet aangetast, echter wordt er een duiker verwijderd tussen twee kavelsloten opengelegd en omgegraven tot kavelsloot. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is grotendeels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. De heikikker komt met name voor in vennen, poelen en watergangen in heidegebieden, hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Het water dient ondiep, voedselarm en zonbeschenen te zijn (Creemers & Van Delft, 2009). De kavelsloten rondom de planlocatie zijn overwoekerd met eendenkroos.
Tevens zijn gedeeltelijk tussen bomenrijen/bosschages gelegen waardoor er weinig zon op het oppervlaktewater valt. Door de overwoekering en hoge mate aan schaduw zijn de kavelsloten niet geschikt als voortplantingswater van de heikikker. Door afwezigheid van voortplantingswater kan de aanwezigheid van heikikker worden uitgesloten. De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. De samenhang van geschikte land-habitat en geschikte watersystemen is essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van de soort. Het voortplantingswater heeft een rijke watervegetatie, is licht voedselrijk, niet zuur, slechts beperkt beschaduwd en er mogen geen vissen of watervogels in voorkomen. De kavelsloten rondom de planlocatie voldoen niet aan de gestelde eisen voor voortplantingswater van de soort. Daarnaast komen de bekende waarnemingen van de kamsalamander uit een gebied op circa 1,8 km ten zuiden van de planlocatie in een natuurgebied met een groot aantal plassen en bosschages. Deze afstand is te groot voor de kamsalamander om te overbruggen. door voorgenoemde kan de aanwezigheid en negatieve effecten op de soort uitgesloten worden. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon en zwak zure wateren.
Het is een pionierssoort die nieuw ontstane poelen zonder vegetatie kunnen koloniseren, maar zich kan blijven handhaven als vegetatie zich sterker heeft ontwikkeld. Als de waterkwaliteit vermindert kan de soort echter snel verdwijnen. De soort wordt echter steeds vaker waargenomen in agrarisch gebied in (half) natuurlijke watergangen. Buiten de voortplantingstijd kan de poelkikker ook voorkomen in weilanden en bossen verder gelegen van het water (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). De kavelsloten op de planlocatie worden niet aangetast in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Echter wordt er een nieuwe kavelsloot gerealiseerd door het verwijderen van een duiker. De planlocatie is grotendeels verhard en wordt intensief gebruikt. Daarnaast bevatten de kavelsloten een hoge mate aan eendenkroos. Door deze dominantie van eendenkroos komt er zeer weinig licht in het water waardoor de kwaliteit van het water sterk achteruit gaat.Door de afwezigheid van geschikt voortplantingswater en landhabitat kan de aanwezigheid van poelkikker uitgesloten worden. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden.
Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Op de planlocatie is er geen vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties aanwezig. Door de afwezigheid van land- en waterhabitat kan het voorkomen van deze soort uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. 13
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Voor een broedbiotoop is het van belang dat er in geruime mate broeihopen van organisch materiaal aanwezig zijn (RAVON-ringslang, 2022). Op de planlocatie zijn er geen geschikte winter- en eiafzet-plaatsen aanwezig. Tevens wordt de planlocatie goed onderhouden waardoor er geen organisch materiaal voor een langere tijd blijft liggen. Daarnaast is er een hoge mate aan verharding aanwezig binnen de grenzen van de planlocatie. Door het gebrek aan geschikt leefgebied kan de aanwezigheid van de ringslang uitgesloten worden. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.
Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2021). Mogelijk leidt het openleggen van de ondergrondse verbindingszone tot (tijdelijke) verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Daarnaast door overwoekering van eendenkroos is er weinig tot geen onderwatervegetatie aanwezig. Derhalve kan het voorkomen van de soort en essentieel leefgebied uitgesloten worden. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout en teunisbloempijlstaart (NDFF 2012-2022).
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. De rivierrombout wordt vooral langs grote rivieren aangetroffen. Het habitat bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide en stromingsluwe delen van de grote rivieren, zoals achter kribben (Vlinderstichting rivierrombout, 2022). Door gebrek aan geschikt leefgebied op en rodnom de planlocatie kan de aanwezigheid van rivierrombout uitgesloten worden. De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten voor de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Gezien binnen de planlocatie geen geschikte habitatonderdelen of waardplanten aanwezig zijn kan het voorkomen van teunisbloempijlstaart worden uitgesloten.
14
Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, houtduif, kauw en merel. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn.
De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). Alle schuren in de beoogde ontwikkeling bevatten een golfplatendak zonder dakbeschot, waardoor hier geen geschikte nestruimtes aanwezig zijn. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot geen aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van functioneel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten.
Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Er zijn geen invliegopeningen aanwezig, welke leiden naar geschikte nestlocatie, door het ontbreken van dakbeschot. Derhalve kan de aanwezigheid van gierzwaluwnesten op de planlocatie uitgesloten worden. In en rondom de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Daarnaast zijn er geen openingen aanwezig die naar de binnenkant van de schuren leidt voor gebouwbewonende uilen. In de kapschuur kunnen uilen invliegen echter zijn er geen sporen zoals krijtsporen, braakballen en/of uitwerpselen aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is er een mate aan verharding en verstoring aanwezig waardoor de planlocatie geen functioneel leefgebied is voor de genoemde roofvogels en uilen soorten. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogel- en uilensoorten.
15
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 7,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 7,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van twee schuren en het ombouwen van een schuur naar een woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase.
Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (7,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. 16
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. Op een afstand van circa 2,4 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 2,6 km ligt de Groene contour. Weidevogelkerngebied is gelegen op een afstand van circa 4 km van de planlocatie. Door de grote afstanden tot de planlocatie is er geen kaartweergave. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,4 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl)
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep vinden geen kapwerkzaamheden plaats.
17
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-calculatie, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Weidevogelkerngebied Groene contour
7,5 km 2,4 km 4 km 2,6 km
Geen Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep vinden geen kapwerkzaamheden plaats.
18
5 Conclusie 5.1
Conclusie De sloop van twee schuren, het ombouwen van één schuur naar een woning en het verwijderen van een duiker aan de Provincialeweg 21 te Schalwijk is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
19
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Watervleermuis (Myotis daubentonii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
20
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Provincialeweg 21 te Schalwijk en bestaat uit een woning en bijgebouwen.
Figuur 2
Schuur 1 bestaat uit een kapschuur en een afgesloten deel.
21
Figuur 3
Achter schuur 2 is een houtopslag aanwezig.
Figuur 4
Aan de achterzijde van het perceel wordt een duiker verwijderd welke twee sloten verbindt.
22
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 23