Bijlage 1b - Bijlage bij bestemmingsplan Loerikseweg 54 - Toelichting
Tekst van het document
30
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig. Stikstofdepositie Het initiatief gaat gepaard met enige uitstoot van stiktof, wat een effect kan hebben op Natura 2000gebieden. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de AERIUS Calculator (Buro SRO, 6 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3 en 4), waarbij uitgegaan wordt van de beoogde situatie waarbij een 2 onder 1 kapwoning wordt gerealiseerd. In de rapportage gaat het zowel over de gebruiksfase als de bouwfase. Uit berekening blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Er geldt geen vergunningplicht op de grond van de Wet Natuurbescherming voor het aspect stikstofdepositie. Conclusie De beoogde transformatie van een bedrijfsgarage naar vier appartementen, uitbreiding van dakkapellen van een woning en realisatie van de twee-onder-een-kapwoning aan de Loerikseweg 54 te Houten is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
4.7 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het plangebied is niet gelegen binnen het paraplubestemmingsplan archeologie. Er geldt geen archeologische dubbelbestemming voor het plangebied, ook ligt het plangebied niet binnen en besluitvlak met archeologische waarden. Om dezer reden is de archeologische beleidskaart van de gemeente Houten geraadpleegd om vast te stellen of er een archeologische verwachting op het plangebied ligt.
De navolgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Houten.
31
Figuur 10. Fragment archeologische beleidskaart gemeente Houten (plangebied rood omlijnt)
Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Houten blijkt dat het plangebied lage of geen archeologische verwachtingswaarde heeft. Voor deze categorie gelden geen eisen ter bescherming van archeologische waarden bij nieuwe ontwikkelingen waarbij bodemingrepen worden uitgevoerd. Er kan geconcludeerd worden dat er geen archeologisch onderzoek vereist is en dat er van dit aspect geen belemmeringen zijn voor het voorliggende plan.
4.8 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
32
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van twee vrijstaande woningen. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 16,3 μg/m³, 9,0 μg/m³ en 14,1 μg/m³.
Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
33
4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen en in de directe leefomgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
4.10.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
34
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.10.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2022-2027 is het nieuwe Waterbeheerplan, Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities van De Stichtse Rijnlanden voor schoon en gezond water, duurzaamheid en een waterveilig en klimaatbestendig gebied. In het Waterbeheerplan is Houten aangemerkt als Stedelijk middengebied. De inzet voor dit gebied is dat water een prominentere rol krijgt in gebiedsontwikkelingen en in de openbare ruimte. De inzet van water dient meerdere doelen, zoals de opvang van overtollige neerslag bij extreme buien en watervoorziening van stadswater met een goede waterkwaliteit en stedelijk groen. Om dit te bewerkstelligen neemt het HDSR een actieve rol aan in deze planprocessen. Keur en uitvoeringsregels Per 7 mei 2021 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater.
Op grond van artikel 3.7 van de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is het verboden om zonder vergunning van het college hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen en te lozen.Onder verhard oppervlak wordt verstaan: het deel van het aardoppervlak dat is afgedekt met niet of nauwelijks waterdoorlatende materialen of werken.Voorbeelden van verhard oppervlak zijn daken en bestratingen. De voorwaarden om te werken zonder melding binnen de Algemene Regels zijn als volgt:
•
Binnen de bebouwde kom wordt minder dan 500 m² of in overig gebied wordt minder dan 1.000 m² onverharde grond bebouwd of verhard. Of:
•
Er is sprake van verscheidene te ontwikkelen min of meer aaneengesloten of samenhangende bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte van binnen de bebouwde kom minder dan 500 m² of in overig gebied minder dan 1.000 m². Of: Indien een nieuw aan te leggen verhard oppervlak minder dan 10% van dat peilvak beslaat. Binnen de bebouwde kom een peilvak kleiner dan 5.000 m² en in overig gebied een peilvak kleiner dan 10.000 m².
•
35
Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 4.10.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten.
De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek In 2019 heeft de gemeenteraad van Houten het Water- en Rioleringsplan 2020 - 2023 vastgesteld. Hierin is de zorgplicht voor perceeleigenaren bij de verwerking van regenwater op eigen terrein uitgewerkt. Perceeleigenaren moeten het regenwater op eigen terrein opvangen in een ondergronds infiltratiesysteem met een inhoud van 15 mm per m² ten opzichte van het verhard afvoerend oppervlak. Daarnaast moet de bouwpeilhoogte van het gebouw 300mm boven het wegpeil gelegen zijn. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat een toename van meer dan 500 m² dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water of infiltratie binnen het peilgebied waarin de toename aan verharding plaatsvindt. Het Hoogheemraadschap hanteert echter een strengere compensatieplicht dan de gemeente Houten. Het te compenseren oppervlaktewater dient 15% van de toename aan verhard oppervlak te zijn. Wanneer gecompenseerd wordt door middel van infiltratie geldt dat er 45 mm per vierkante meter verhard oppervlak geborgen dient te worden. Op locatie worden aan de noordzijde twee nieuwe woningen gerealiseerd op een nu onverhard terrein. Dit leidt tot een toename van circa 450 m2 aan verharding.
Aan de zuidkant van het plan neemt, met de herinrichting van het voorterrein, de verharding af. Het terrein is nu voor circa met 200 m2 verhard. Hoewel er per saldo wel een toename aan verharding zal zijn komt deze toename niet boven de compensatie grens van 500 m2. De planlocatie is een risicovolle locatie voor waterschade bij extreme neerslag. De beoogde nieuwbouw dient zo ontworpen te worden dat ook onder deze extreme omstandigheden geen schade ontstaat. De Initiatiefnemer dient een rioleringsplan eigen terrein op te stellen waarop de toekomstige afwatering is aangegeven en deze ter toetsing aan VOB voor te leggen
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
36
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Houten heeft in december 2021 de Nota Parkeernormen Houten 2021 vastgesteld. Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De planlocatie behoort tot de categorieen 'Rest bebouwde kom en sterk stedelijk'. Planspecifiek Voor de beoogde ontwikkeling zijn normen opgesteld voor de volgende woningen. Zie paragraaf 2.2: voor de bvo's. Appartementen Aantal woningen 2
Functie woning Woning midden
Oppervlakte woning 100-140 m² bvo
1 1 Totaal
Woning klein Klein appartement -
60-100 m² bvo 30-60 m² bvo -
pp/woning 1,7 pp/woning x 2 = 3,4 1,5 pp/woning 1 pp/woning 5,9
Twee-onder-een-kap-woning Aantal woningen 2
Functie woning Woning midden
Oppervlakte woning 100-140 m² bvo
Totaal
-
-
pp/woning 1,7 pp/woning x 2 = 3,4 3,4
Hiermee is de parkeerbehoefte voor de appartementen afgerond 6 parkeerplaatsen en voor de tweeonder-een-kap-woning afgerond 4 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie heeft de twee-onder-een-kapwoning parkeerruimte voor 2 auto's per woning en voor de appartementen is aan de voorzijde van het gebouw langs de weg een parkeerplaats waarop 7 auto's kwijt kunnen. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen. Tot slot worden er 5 fietsbergingen gerealiseerd in het plangebied en 2 berging langs de twee-onder-een-kapwoning. Gezien de beoogde parkeerplaatsen die gerealiseerd worden ten behoeve van onderhavige ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
37
4.11.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Beoogde ontwikkeling De navolgende tabel geeft de bijbehorende verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de CROW-normering. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorieën 'Centrum' en 'Sterk stedelijk'. Soort woning Twee-onder-een-kap Appartementen
Aantal 2 4
Verkeersgeneratie 6,3 4.1
Totaal aantal 12,6 16,4
Uit de tabel volgt dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie gemiddeld 13 verkeersbewegingen per etmaal voor de twee- onder-een-kapwoning en 17 voor de appartementen bedraagt. Deze toename van het aantal verkeersbewegingen is goed op te vangen binnen de bestaande verkeersstructuur. Conclusie Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
38
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruikgemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch-bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruikgemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
39
5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Wonen - Aaneengebouwd De nieuwe woningen in het bestemmingsplan zijn mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Wonen Aaneengebouwd'. Binnen deze bestemming zijn hoofdgebouwen van de woningen toegestaan binnen het bouwvlak. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is weergegeven. Verkeer - Wegverkeer Ter plaatse van de oprit, de parkeerplaatsen en het mandelig hofje wordt de bestemming 'Verkeer Wegverkeer' gehanteerd. Binnen deze bestemming zijn bijvoorbeeld ook groenvoorzienigen en geluidwerende voorzieningen toegelaten. Wonen- Twee-aaneen De nieuwe woningen in het bestemmingsplan zijn mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Wonen Twee-aaneen'. Binnen deze bestemming zijn hoofdgebouwen van de woningen toegestaan binnen het bouwvlak en worden de woningen twee-aaneen gebouwd. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven.
40
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij behorende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekendgemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
41
Participatie Om tot een goede communicatie- en participatieaanpak te komen is gebruik gemaakt van de Leidraard communicatie en participatie bij particuliere (bouw)initiatieven. De initiatiefnemer heeft alle direct omwonende geïnformeerd over het plan in de periode april-mei 2022. In persoonlijk gesprekken zijn de plannen getoond en toegelicht, hierbij heeft elke bewoner een brochure over het plan ontvangen. De bewoners van Heemraadserf 22, 24, 26, 28 en 30 zijn bij de initiatiefnemer geweest om het nogmaals over het plan Loerikseweg 54 te hebben. Uit dit gesprek is gebleken dat de hoogte en breedte van de opbouw nog een moeilijk punt was. Volgens de bewoners van Heemraadserf 22, 24, 26, 28 en 30 geeft de rechthoekige opbouw een te massieve aanblik vanuit hun tuin in tegenstelling tot de puntkap die er momenteel is. Daarnaast zijn er zorgen omtrent de opbouw van de garage, een eventueel dakterras in combinatie met openslaande deuren en deelverhuur als zorgpunt geuit. De bewoners hebben de volgende punten benoemd waarmee zij het plan wilde wijzigen: De totale hoogte wordt een meter lager dan zoals nu voorgesteld, dit is dus ca. 5,80 m. 1. 2. 3. 4.
De totale hoogte wordt een meter lager dan zoals nu voorgesteld, dit is dus ca. 5,80m. Er komt geen dakterras op het huidige platte dak van de garage en dit dakterras en opbouw. Er wordt schriftelijk vastgelegd dat er ook nadat de bouw gerealiseerd is geen dakterras komt op het huidige platte dak van de garage; Er komen geen ramen van waaruit inkijk in de woningen en tuinen aan het Heemraadserf mogelijk is
De initiatiefnemer heeft gereageerd op de voorgestelde punten voor de wijziging van het plan. Hij heeft laten weten dat er geen rekening gehouden kan worden met punt 1 en dat de totale hoogte 7 m zal bedragen. De initiatiefnemer wilt duurzaam gaan transformeren met het behoud van de bestaande constructie van de garage. Door de vrije hoogte eis in het bouwbesluit van 2.60 m plus de dikte van het extra goed geïsoleerde dak van de optopping (dit is een wat dikker pakket dan normaal) is er niet aan de bouwhoogte van ongeveer 7 m te ontkomen. Dit is ongeveer gelijk aan de bestaand bouwhoogte van de huidige puntvormige opbouw zoals die nu is. Het zal ook geen blokkade van het huidige zicht, dan wel schaduwwerking tot gevolg hebben doordat het volume op de eerste verdieping hiervoor te ver na terug ligt van de erfgrens. Wat betreft punt 4 zijn er in het ontwerp wel ramen gerealiseerd die zijn georiënteerd op het heemraadserf. Echter zitten de ramen in een verkeersruimte waar geen sprake is van verblijf. Verder zitten er ook ramen in een slaapkamer die georiënteerd staat op het heemraadserf. De doorkijk van de ramen wordt beperkt door de afstand tussen het appartement en de tuinen aan het heemraadserf.
De initiatiefnemer heeft het voorstel gedaan om het plan te wijzigen door de huidige puntkap te verbouwen tot een blokvormige opbouw, zodat de slaapkamers en badkamer gerealiseerd kunnen worden op deze verdieping. Hiermee komt een woning te vervangen. De totale hoogte van de nieuwe opbouw wordt net iets hoger dan de bestaande bouwhoogte van de puntvormige opbouw. tot slot zal het dakterras komen te vervallen. Om inkijk te voorkomen wordt de beglazing zo aangepast waarmee er geen direct zicht in de achtertuin. 'De bewoners hebben de gemeente Houten op de hoogte gesteld van hun standpunten. In het bericht naar de gemeente maken de bewoners duidelijk dat zij zich kunnen vinden in de plannen van de initiatiefnemer onder gestelde voorwaarde. In eerdere plannen zou een groen dak op de bergingen komen, omdat op de andere daken waarschijnlijk zonnepanelen komen om zo energieneutraal mogelijk te worden. Echter zijn de bouw en realisatiekosten ondertussen zoveel gestegen, dat een gezonde financiële situatie al moeilijk is. Daarom moeten waar mogelijk de kosten bespaard worden en zullen er geen zonnepanelen of groendak meer worden gerealiseerd.
42
6.2.2 Overleg Er zijn vooroverlegreacties ingediend door de provincie Utrecht, het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en de Veiligheidsregio Utrecht. 3.1 Vooroverlegreactie 1; Provincie Utrecht Per mail d.d. 8 november 2022 Inhoud reactie Voor het voorontwerp bestemmingsplan Loerikseweg 54 in Houten is geen aanleiding tot het maken van een opmerking ten aanzien van het provinciale beleid uit de Omgevingsvisie provincie Utrecht en de Interim omgevingsverordening. De provincie geeft verder een paar tekstuele suggesties aan voor de toelichting. Beantwoording reactie De tekstuele suggesties zijn overgenomen. 3.2 Vooroverlegreactie 2; Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden Per mail d.d. 17 november 2022 Inhoud reactie Het waterschap geeft aan geen opmerkingen te hebben op de voorgenomen ontwikkeling. Beantwoording reactie De reactie geeft geen aanleiding voor het doorvoeren van aanpassingen op het bestemmingsplan. 3.4 Vooroverlegreactie 3; Veiligheidsregio Utrecht Per brief van 15 november 2022, met kenmerk 2022-018365 Inhoud reactie 1. Bij toepassing van een mechanisch ventilatiesysteem in het bouwwerk, deze per woning afsluitbaar te maken; 2. Te voorzien in risicocommunicatie ter voorbereiding op een mogelijk incident met gevaarlijke stoffen.
Beantwoording van de reactie De meegestuurde toelichting over omgevingsveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding ten aanzien van het spoor is meegenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Het mechanisch ventilatiesysteem wordt in de vergunningverlening meegenomen en behoeft verder geen aanpassing van het bestemmingsplan. 6.2.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 1 november 2023 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 2 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijke beantwoording in de Nota zienswijzen. Deze nota is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. Als gevolg van de ingediende zienswijzen is het plan op onderdelen aangepast. In de regels zijn begrippen toegevoegd en is de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken naar beneden bijgesteld.
43