Bijlage 1 - toelichting Plein 10a
Tekst van het document
Tijdens het veldbezoek is bepaald of binnen dan wel direct nabij onderhavig onderzoeksgebied biotopen aanwezig zijn die geschikt zijn voor streng beschermde soorten welke op basis van het literatuuronderzoek in de directe omgeving van de planlocatie worden verwacht. Tevens is het onderzoeksgebied globaal geïnventariseerd op het voorkomen van levende organismen of sporen (zoals resten, uitwerpselen of nesten) van streng beschermde flora en fauna. Aan de hand van de bevindingen van het literatuuronderzoek en het veldbezoek kan worden geconcludeerd dat het voorkomen van streng beschermde vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw in de aanwezige bebouwing niet kan worden uitgesloten. Om de aan- dan wel afwezigheid en mogelijke aantallen en typen vaste verblijfplaatsen en nesten aan te kunnen tonen, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw conform de hiervoor opgestelde protocollen. Dit nadere onderzoek is uitgevoerd door Van Dijk Geo- en milieutechniek B.V. (Nader ecologisch onderzoek 31-10-2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit het nader onderzoek is gebleken dat binnen de onderzoekslocatie er één zomerverblijfplaats aanwezig is van de gewone dwergvleermuis.
Vanwege het grote aanbod gelijkwaardige (en al dan niet betere) gebieden in de directe omgeving maakt de onderzoekslocatie echter geen essentieel onderdeel uit van het foerageergebied van gewone dwergvleermuis. Er zijn géén nesten en/of essentiële schuilplaatsen (kwetterplekken) van huismussen en/of gierzwaluwen aangetroffen binnen/direct nabij onderhavige onderzoekslocatie. Voor de zomerverblijfplaats is een ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Pas ná het verkrijgen van een ontheffing Wet natuurbescherming kan (op basis van een ecologisch werkprotocol) met de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden/herontwikkeling worden aangevangen.
27
4.7 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Op 16 december 2021 is er door Bureau voor Archeologie een onderzoek uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 5), hierbij is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd voor bouw- en sloopwerkzaamheden aan de Plein 10 en 10a te Houten.
Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. Uit dit onderzoek is gekomen dat er in het plangebied archeologische lagen aanwezig zijn waarin archeologische aanwezig kunnen zijn uit de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd of ouder. Naar verwachting vinden bij de beoogde ingreep graafwerkzaamheden plaats tot 80 cm onder maaiveld. Dat betekent dat gegraven zal worden tot in de archeologische lagen en dat deze zullen worden verstoord, om een precies beeld te creëren van wat er om de grond zit zal er een proefsleuvenonderzoek plaats vinden om de waarde van deze resten te kunnen bepalen. Het rapport is beoordeeld door de gemeentelijk archeoloog. Die heeft aangegeven dat uit de rapportage blijkt dat in de recente geschiedenis van het terrein er behoorlijk wat bodemverstorende activiteit aanwezig is geweest. De bovenste laag waarin archeologische indicatoren zijn aangetroffen worden door de gemeente archeoloog geïnterpreteerd als een typische zandige stedelijke bouwvoor die omgewoeld en/of geëgaliseerd is. Vandaar ook dat er aardewerk in is aangetroffen dat geïnterpreteerd is als vroeg Middeleeuws, tezamen met fragmenten baksteen (typisch laat Middeleeuws). Zo’n toplaag wordt aangetroffen in iedere stedelijke context.
Het milieutechnisch booronderzoek, waarvan de boorstaten ook zijn opgenomen in het rapport, bevestigt die interpretatie. In het rapport wordt vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd, maar daar bestaat volgens het bevoegd gezag onvoldoende aanleiding toe. Wel vind de gemeentelijk archeoloog het wenselijk dat amateurs van de archeologische werkgroep graafwerkzaamheden begeleiden, zodat zij waar nodig vondstenmateriaal uit de bovenlaag kunnen verzamelen, en eventueel nog aanwezige andere archeologische fenomenen kunnen documenteren. Bij het ontgraven van de locatie zal de Archeologische werkgroep Leen de Keijzer aanwezig zijn.
4.8 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die
28
minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden twee woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Met de ontwikkeling van slechts twee woningen heeft het project 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid plangebied (rekenpunt 139510, 448738) bedragen respectievelijk maximaal 16,31 µg/m³, 9,03 μg/m³ en 15,23 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
29
4.9 Cultuurhistorie De geschiedenis van het Oude Dorp gaat terug tot in de middeleeuwen. Rond de restanten van een Romeinse villa is in de 8e eeuw het gehucht Haltna ontstaan. Al vrij vroeg was er sprake van de stichting van een kerk. Tot de 17e eeuw was het centrum van het dorp te vinden rond de resten van deze Romeinse villa. Bij de toenmalige dorpsweide werd een herberg gebouwd. Deze herberg had dermate veel aantrekkingskracht dat hier automatisch het centrum ontstond. Toen aan het begin van de 17e eeuw de VOC-rijkdom ook Houten bereikte werden er rond deze dorpsweide stenen gebouwen neergezet. Het waren vaak boerderijen, maar ook een enkel woonhuis of een grotere herberg verscheen. Alle gebouwen die hieronder worden genoemd zijn regelmatig verbouwd of veranderd. Sinds de jaren 50 van de vorige eeuw mag er geen vee meer binnen de bebouwde kom worden gehouden. Een enkele boerderij is nog zichtbaar. De vroegste stenen monumenten in het Oude Dorp stammen uit de 16e en 17e eeuw. In en rondom het Oude Dorp zijn een 25 gemeentelijke en 13 rijksmonumenten aanwezig. De aanwezige karakteristieke en monumentale bebouwing bepaald in belangrijke mate de sfeer en de ruimtelijke kwaliteit van het Oude Dorp. De locatie Plein 21, waar nu Tapperij De Zwijger is gevestigd lijkt de oudste woning en dateert uit minimaal 1580. Hier was tot het jaar 1596 de pastorie van de kerk gevestigd.
Daarna woonde de dominee er tot 1882. Later werd het pand café, woning, winkel en vervolgens weer café. Café-restaurant ‘de Engel’ is in oorsprong een boerderij, waarvan een gedeelte van het voorhuis als herberg was ingericht. De eerste vermelding is uit 1589. Het huidige voorhuis dateert uit 1802. Het gebouw is in dat jaar herbouwd na brand. Het gebouw van restaurant/hotel De Roskam (Plein 25) dateert minimaal uit 1630 en was destijds een boerderij met herberg. Het huidige aanzicht van het gebouw is rond 1735 gemaakt. Het gebouw op nummer 24 was de stal. Tot het jaar 1875 vergaderde het gemeentebestuur in De Roskam. Het pand Plein 16/Koningin Julianastraat 2 is tussen 1651 en 1657 gebouwd langs een waterloop. Deze boerderij is rond 1840 omgebouwd tot woonhuis. Plein 22 en 23 zijn een 17e eeuwse boerderij, die later flink is verbouwd en gesplitst. Burgemeester Wallerweg 3-3A-5 was van oorsprong boerderij met herberg De Zwaan. De oudste vermelding gaat terug tot 1731. Naast bebouwing kent het Oude Dorp ook monumentaal groen. De aanwezige bomen voor Restaurant de Roskam kennen een monumentale en beschermwaardig karakter. Planspecifiek Het pand Plein 10 is gebouwd rond 1896. Het pand kent geen monumentale status maar is wel karakteristiek te noemen. Vanwege het karakteristieke gevelbeeld is ervoor gekozen deze gevel te behouden.
Daarmee behoud het Plein zijn cultuurhistorisch waardevolle karakter.
4.10 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.10.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
30
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.10.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2022-2027 is het nieuwe Waterbeheerplan, Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities van De Stichtse Rijnlanden voor schoon en gezond water, duurzaamheid en een waterveilig en klimaatbestendig gebied. In het Waterbeheerplan is Houten aangemerkt als Stedelijk middengebied. De inzet voor dit gebied is dat water een prominentere rol krijgt in gebiedsontwikkelingen en in de openbare ruimte. De inzet van water dient meerdere doelen, zoals de opvang van overtollige neerslag bij extreme buien en watervoorziening van stadswater met een goede waterkwaliteit en stedelijk groen. Om dit te bewerkstelligen neemt het HDSR een actieve rol aan in deze planprocessen. Keur en uitvoeringsregels Per 7 mei 2021 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater.
31
Op grond van artikel 3.7 van de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is het verboden om zonder vergunning van het college hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen en te lozen. Onder verhard oppervlak wordt verstaan: het deel van het aardoppervlak dat is afgedekt met niet of nauwelijks waterdoorlatende materialen of werken.Voorbeelden van verhard oppervlak zijn daken en bestratingen. De voorwaarden om te werken zonder melding binnen de Algemene Regels zijn als volgt:
•
Binnen de bebouwde kom wordt minder dan 500 m² of in overig gebied wordt minder dan 1.000 m² onverharde grond bebouwd of verhard. Of:
•
Er is sprake van verscheidene te ontwikkelen min of meer aaneengesloten of samenhangende bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte van binnen de bebouwde kom minder dan 500 m² of in overig gebied minder dan 1.000 m². Of:
•
Indien een nieuw aan te leggen verhard oppervlak minder dan 10% van dat peilvak beslaat. Binnen de bebouwde kom een peilvak kleiner dan 5.000 m² en in overig gebied een peilvak kleiner dan 10.000 m².
Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 4.10.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten.
De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek In 2019 heeft de gemeenteraad van Houten het Water- en Rioleringsplan 2020 - 2023 vastgesteld. Hierin is de zorgplicht voor perceeleigenaren bij de verwerking van regenwater op eigen terrein uitgewerkt. Perceeleigenaren moeten het regenwater op eigen terrein opvangen in een ondergronds infiltratiesysteem met een inhoud van 15 mm per m² ten opzichte van het verhard afvoerend oppervlak. Daarnaast moet de bouwpeilhoogte van het gebouw 300mm boven het wegpeil gelegen zijn. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat een toename van meer dan 500 m² dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water of infiltratie binnen het peilgebied waarin de toename aan verharding plaatsvindt. Het Hoogheemraadschap hanteert echter een strengere compensatieplicht dan de gemeente Houten. Het te compenseren oppervlaktewater dient 15% van de toename aan verhard oppervlak te zijn. Wanneer gecompenseerd wordt door middel van infiltratie geldt dat er 45 mm per vierkante meter verhard oppervlak geborgen dient te worden. In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg volledig verhard. In de nieuwe situatie neemt de hoeveelheid verharding af. Vooral op het achterliggende parkeerterrein wordt meer groen toegevoegd.
Watercompensatie is daarmee niet vereist
32
Wel dient er conform de regeling van de gemeente Houten per m² verhard oppervlak 15 mm water opgevangen te worden met een ondergronds infiltratiesysteem. Voor de beoogde ontwikkeling komt dit neer op ca. 0,65 m³ (0,015 m * 43 m²). Dit zou neerkomen op 2 infiltratiekraten van 325 liter. Als alternatief is een grintkoffer denkbaar. In omvang zal deze groter moeten zijn gezien het beperkte bergend vermogen. Waterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Watergangen In het plangebied of in de directe nabijheid daarvan komen geen watergangen voor. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Houten heeft in december 2021 de Nota Parkeernormen Houten 2021 vastgesteld.
Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De planlocatie behoort tot de categorie 'kleine kernen en buitengebied'. Planspecifiek Voor de beoogde ontwikkeling zijn normen opgesteld voor de volgende woningen: 2 stadswoningen: 2 appartementen: 4 hofwoningen:
Parkeernorm 1,7 pp/woning Parkeernorm 1,5 pp/woning Parkeernorm 1,0 pp/woning
Hiermee is de parkeerbehoefte 10,4 parkeerplaatsen, dat zijn afgerond 11 parkeerplaatsen. Parkeren wordt opgelost op het bestaande parkeerterrein achter de woningen. In de huidige situatie zijn er 66 parkeerplaatsen aanwezig (zie ook inrichtingstekening bestaande situatie). Minimaal 3 parkeerplaatsen, tegen de Passage, noordzijde, voldoen niet aan de norm waar het betreft breedte en diepte. In de nieuwe situatie worden 63 parkeerplaatsen aangelegd welke qua maatvoering wel allemaal voldoen aan de landelijke norm.
33
In april 2021 is er door Goudappel een parkeeronderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is als bijlage opgenomen bij deze plantoelichting, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6. In dit onderzoek is gekeken naar de bezetting van het parkeerterrein en de zogenaamde restcapaciteit. Uit de twee metingen is gebleken dat er op vrijdagavond (parkeeronderzoek 2019) 80,6% van alle parkeerplaatsen waren bezet. Op zaterdagmiddag 14.00u (onderzoek 2018) was minder dan 60% bezet. Op piekmomenten zijn er nog circa 13 parkeerplaatsen vrij. De huidige parkeerbehoefte voor winkelend publiek en omwonenden is circa 54 parkeerplaatsen (gebaseerd op eerdere parkeeronderzoeken). De parkeerbehoefte inclusief de ontwikkeling is 54 + 10,4 = 64,4 parkeerplaatsen. Met de geschetste inrichting (63 parkeerplaatsen) is er een beperkt tekort van 1 à 2 parkeerplaatsen. Dit tekort doet zich slechts op één moment in de week voor. Daarmee is geeft dit niet direct een probleem. In de directe omgeving zijn, binnen loopafstand, alternatieven voorhanden. Hierbij zal in praktijk uitgeweken worden naar het parkeerterrein op het Plein of bij de Albert Heijn. In navolging op de participatie-bijeenkomst en op verzoek van de gemeente Houten is door Goudappel nog een nieuwe parkeertelling uitgevoerd. Deze telling is als bijlage opgenomen bij het bestemmingsplan, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7.
De uitgevoerde telling laat vergelijkbare uitkomsten zien als de eerdere tellingen uit 2018 en 2019. Uit de laatste telling blijkt dat binnen loopafstand geen van de aanwezige parkeervoorzieningen voor meer 85% bezet is gedurende werkdagen of op zaterdagen. Het tekort aan parkeerplaatsen kan goed opgevangen worden in de directe omgeving. Voor fietsparkeren wordt in het inrichtingsplan voorzien in een passende locatie. Wel dient opgemerkt te worden dat fietsparkeerders veelal gebruik maken van de bestaande voorzieningen op het Oude Dorp. De ligging van het parkeerterrein voor de fietser ligt op een dusdanige afstand dat daar voorzieningen naar verwachting niet door het winkelende publiek worden gebruikt. Voor de bewoners van de beoogde woningen wordt op eigen terrein voorzien in fietsparken. Fietsen kunnen uiteraard ook gestald worden in de bergingen behorende bij de woningen. 4.11.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Beoogde ontwikkeling De navolgende tabel geeft de bijbehorende verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de CROW-normering. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorieën 'centrum' en 'sterk stedelijk'. Soort woning Twee-onder-een-kap Appartementen -
Aantal 6 2 -
Verkeersgeneratie 6,7 6,2 -
Totaal aantal 40.2 12,2 52,4
Uit de tabel volgt dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie gemiddeld 52,4 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt. Deze toename van het aantal verkeersbewegingen is goed op te vangen binnen de bestaande verkeersstructuur. Conclusie Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
34
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruikgemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch-bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruikgemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
35
5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de regels is aangesloten op de methodiek van het vigerend. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Centrum Deze bestemming is opgenomen voor het bestaande woonhuis (boerderij) met twee woningen. De bestemming maakt de herbouw van twee woningen mogelijk. Met het opnemen van deze bestemming blijft het mogelijk het pand eventueel in te zetten ten behoeve van een andere centrumfunctie. Hoewel dit niet het voornemen is volgt uit de ligging van het pand aan het Plein dat deze mogelijkheid wel wordt open gehouden. Verkeer - Wegverkeer Deze bestemming is opgenomen voor de 'gronden' die aan het parkeerterrein worden toegevoegd. In het geldende bestemmingsplan hebben deze gronden de bestemming 'Centrum'. Om duidelijk te maken dat het parkeerterrein in oppervlakte toeneemt is de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' toegekend. Wonen - Gestapeld Voor de twee appartementen aan het Plein is de bestemming Wonen - Gestapeld toegekend. Deze bestemming laat de (her)bouw toe van deze twee woningen die boven elkaar gesitueerd worden. De bestemming is overeenkomstig de 'Houtense standaard' en behoeft daarmee geen verder toelichting. Wonen - Twee-aaneen Voor zowel de hofwoningen als de twee-onder-een-kapwoning is de bestemming Wonen - Twee-aaneen opgenomen. In typologie zijn de woningen te typeren als twee-aaneen.
Derhalve is deze bestemming opgenomen. De hofwoningen zijn in omvang, logischerwijs, kleiner. Dit is vastgelegd door het bouwvlak op de verbeelding en de opgenomen maximale bouwhoogte. Waarde - Archeologie 1 De gebieden met een hoge archeologische (verwachtings)waarde hebben een dubbelbestemming gekregen. Wanneer hier een ingreep in de bodem plaatsvindt met een in de regels bepaalde omvang en diepte, dan kan een omgevingsvergunning nodig zijn.
36
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij behorende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekendgemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
37
Participatie Op 24 mei 2022 is een inloopavond gehouden in De Engel te Houten. Voor deze avond waren alle omwonenden persoonlijk uitgenodigd. Bij deze avond was vertegenwoordiging van de ontwikkelaar en de gemeente Houten aanwezig. Door alle omwonenden is kennis genomen van de plannen. De plannen zijn goed door de buurt ontvangen. Het beoogde programma en de planopzet kon bij iedereen zijn goedkeuring vinden. Ook de herinrichting van het parkeerterrein werd goed ontvangen. Wel werd melding gemaakt van een relatief grootte parkeerdruk. Uitgelegd is dat op basis van de parkeerdrukmeting blijkt dat er sprake is van een restcapaciteit die ingezet kan worden voor het bewonersparkeren. Door de omwonenden werd hierop aangevuld dat op het terrein ook nu al veel bewoners parkeren. Van de bijeenkomst is een zogenaamde 'participatie logboek' opgesteld. Dit stuk is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8. 6.2.2 Wettelijk vooroverleg Er zijn vooroverlegreacties ingediend door de provincie Utrecht, het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en de Veiligheidsregio Utrecht.
Vooroverlegreactie 1; Provincie Utrecht Per brief mail van 1 juli 2022 Inhoud reactie Gezien aard en omvang van de ontwikkeling, namelijk beperkt en binnenstedelijk, kan geconcludeerd worden dat er geen provinciale belangen uit de interim omgevingsverordening door deze ontwikkeling in het geding komen. Beantwoording reactie De reactie behoeft geen beantwoording. Vooroverlegreactie 2; Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden Per mail van 1 juli 2022 Inhoud reactie Het voorliggende bestemmingsplan geeft geen aanleiding tot het plaatsen van opmerkingen. Beantwoording reactie De reactie behoeft geen beantwoording. Vooroverlegreactie 3; Veiligheidsregio Utrecht Per brief van 8 september 2022, zonder kenmerk Inhoud reactie Er dient voor wat betreft de bereikbaarheid rekening gehouden te worden met de onderstaande afmetingen van erftoegangswegen:
• • • •
Wegbreedte 4,5 meter Bochtstraal R10 (buitenzijde) R5,5 (binnenzijde) Doorganghoogte 4,2 meter De weg dient een minimale asbelasting van 11,5 ton te kunnen dragen.
Op de prins Bernhardweg ter hoogte van huis nummer 14 ligt een ondergrondse brandkraan. Deze is toereikend voor de opstelplaats op de parkeerplaats Oude Dorp. Op het Plein bevind zich geen ondergrondse brandkraan. Wel bevind zich ter hoogte van huisnummer 15 op ongeveer 45 meter afstand een geboorde put. In de regel dient een bluswatervoorziening binnen 3 minuten gereed en aangesloten aan het voertuig te zijn. Dit is met een geboorde put niet mogelijk. Volgens het bouwbesluit dient dit binnen 40 meter van het object te zijn. De aanwezige bluswatervoorzieningen voldoen voor de woningen
38
ter hoogte van Plein 10 en 10a niet aan het bouwbesluit. Het advies van de VRU is om ter hoogte van Plein 9 een ondergrondse brandkraan op het leiding netwerk van Vitens bij te plaatsen. Beantwoording van de reactie Bij de herinrichting van het parkeerterrein worden de aangegeven afmetingen van de erftoegangswegen meegenomen. Alleen bij de inrit De Passage en het steegje van Plein naar het parkeerterrein kan niet voldoen aan de afmetingen, omdat deze door omliggende bebouwing niet breder kan worden gemaakt. De gemeente heeft dit teruggekoppeld aan de VRU. De VRU heeft aangegeven dat als de inrit richting de Prins Bernhardweg voldoet aan de gestelde eisen, de bereikbaarheid voldoende is voor de woningen W16 voldoende is. Er wordt een bluswatervoorziening aangelegd om te voldoen aan de bluswatervoorziening voor woningen B1 en B2. De aanleg van deze voorziening is privaatrechtelijk geborgd. 6.2.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Plein 10a, Houten’ heeft van 16 november 2023 tot en met 27 december 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is er geen zienswijze ingediend. Buiten de termijn is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is niet ontvankelijk In de Nota van zienswijzen (bijlage 9 bij de plantoelichting) is dit nader gemotiveerd.
39